Advent, Marjoleine de Vos

Het kan haast niet anders of gedichten zijn een bruikbaar instrument
voor een kerkdienst. Daar is behoefte aan geladen woorden.
Krachtige woorden.
Denk aan de scheppende woorden van God in Genesis 1.
Zo krachtig dat de Big Bang nog steeds niet verklonken is.
Dichter, zwaarder kunnen woorden niet zijn.
Als je in de snelheden van het nog steeds (versneld!)
uitdijende heelal de krachtige woorden van God
maar verstaat,- dan hoor je het ultieme gedicht:
vol zwarte gaten met hun extreme lading.
Zo zwaar dat je tegen eeuwig zwijgen aanzit.
We zingen terecht gedichten in de eredienst.
De Psalmen voorop.
(Gedichten verdienen dan wel meer onderhoud, denk ik.
Daar valt meer van te zeggen, maar niet nu.)

Goed.
Een gedichtendienst. Dat moet prima kunnen. Onlangs nog bij on sop het dorp. De voorganger ging niet zelf voor de gedichten liggen; hij liet de gedichten zelfs door anderen voorlezen. Zijn rol beperkte zich tot het uitzoeken van de gedichten. Nou goed, een enkele toelichting dan, want gedichten zijn ook wel eens zo massief, dat de luisterende gemeente er geen vat op krijgt. Dan blijven ze dicht in de zin van gesloten.
De voorganger gaat helemaal schuil achter de woorden van de dichters (7) en dichteressen (3). Wel niet nagesprek? In elk geval nu niet georganiseerd. Maar je weet niet waar de gedichten toe geleid hebben.
Goed.

De onderhavige zondag was eerste advent. Buiten getuigt een verlaten koopzondag tegen zichzelf. Binnen leidt de muziek naar de woorden die komen en gaan.
Alleen al het feit dat er nog dichters zijn die Advent en bijbehorende lading niet laten liggen is veel zeggend. Als ze zelf zeggen niet zo gelovig te zijn, dan zijn het op zijn minst ‘zoekers’. Op zich al een geladen, ingedikt woord: geladen met ‘geloven’. Geloven wordt stevig van zoeken, denk ik dan maar.
Als allerlei moderne dichters iets hebben met Advent, dan moet er toch wat mee zijn! Dan kun je ook maar beter luisteren. Net als die dichters zie je zelf elk jaar weer die adventstijd langs komen; dit jaar met prominent aan kop ‘Black Friday’. En een adventskalender van de postcodeloterij. Hoe zeer zijn we de greep op Advent dan wel kwijt.

RuitAnnunciatie2

Maria boodschap

Een eerste gedicht  overdenkt een zeker gevoel van gereed worden, je klaar maken voor iets speciaals (mooiste tijd van het jaar, en zo) maar dat het er toch niet van komt. Dat ken je.

En om niet meer te noemen: de dichteres pelt ook uit Advent het woord Vrede los. Ze vraagt: ‘Welke vrede?’ Waarom is dat een vraag gebleven voor haar? Alleen voor haar? Heeft de kerk soms dat begrip vrede loos, leeg, licht gemaakt in alle eeuwen dat ze nu probeert het instituut overeind te houden? Zijn daar de experimenten zo hard nodig voor?
Ook veelzeggend vind ik dan dat de dichteres het blijkbaar in al haar vaagheid toch wel over die vrede moet hebben. Met Advent.
Misschien niet met trompetten en knalvuurwerk, maar met een ‘bescheiden bazuin in de kerstboom’.

Ja, daar wil ik nog wel wat van weten, van die bescheiden bazuin. Klinkt als ‘een heel klein reusje’. Dat bijvoeglijk naamwoord verwacht je niet. Een bazuin is natuurlijk helemaal geen bescheiden instrument. Als een muziekstuk aan de bazuin toe is, wordt er fors uitgepakt. Zo is het ook met de ‘laatste bazuin’ waar de christen (en wie niet al)  in advent aan kan denken. Dat is niet bescheiden: dan wordt er geblazen, dat het een aard heeft, of zoals blazen bedoeld is(Lied 769). Straks.
Maar voor nu, nu alles veel vager is, veel meer met vragen nog omringd is, nog zo ongrijpbaar is, zo oppervlakkig misschien, moeten we nog een toontje lager zingen. De stijl van ‘zien, soms, even’.
Vertrouwd geluid nog? Goed tegen de roeptoeters, als je goed luistert, natuurlijk.Afbeeldingsresultaat voor de roeptoeter sliedrecht

NB de dichteres (Marjoleine de Vos in het gedicht ‘Advent’ in haar bundel ‘Zeehond’ (2000)) laat vrijwel alle leestekens maar weg; dan dringen de woorden nog dichter op elkaar, zal ze misschien bedoelen.