Wat heb ik toch met Mevrouw en Mijnheer Job….

Woord vooraf

Dit werkje is een soort tussenrapportage in tekst en verf van wat ik met de familie Job heb. Het loopt al even. Mijn proefpreek ging al over Job; maar toen had ik er jarenlang geen greep meer op; zeker preekte ik er niet over. Ik bleef steken in een verre fascinatie voor dit boek. Tot een zomer waarin ik het boek van Wiesel/Eisenberg bestudeerde en schilderijen begon te maken. Job veranderde van een boeiend thema in mensen van vlees en bloed. Mensen met hun raadsels; hun pijn; hun verdedigingsmechanismen. Mensen met hun ellenlange behoefte om het mooi op een rijtje te krijgen, die oor voor hun Masters Voice in storm en wind krijgen. Mensen die oog krijgen voor de glans van Gods wereld. De eerste preken over Job ontstonden.

Later kwam Job nog eens op het leesrooster te staan. Een groepje vrouwen vroeg nog weer later die eerste schilderijen opnieuw te mogen zien. Daar maakte ik wat opmerkingen bij; en ineens werd me duidelijk dat ik na mijn verblijf bij vluchtelingen in Macedonie allerlei schilderijen had gemaakt van kwetsbare figuren, die ik ‘de kinderen van Job aan wie niets gevraagd werd’ moest gaan noemen.

En nu dan deze bewerking van dat alles. Ik zou niet weten of dit het eindstation is. De afbeeldingen mogen voor zich zelf spreken. Ik sta er niet voor in, dat het alleen maar helder in elkaar zit. Het zal de hecht-lijnen van de ontstaansgeschiedenis wel blijven vertonen.

Het is niet mijn testament, maar ik schreef het wel met mijn hart.

MwenMnJob01

Mevrouw en Mijnheer Job

MwenMnJob02

Mevrouw en Mijnheer Job

Fascinerend en moeilijk, dat boek Job. Waarom? Ja, de redevoeringen zijn ellenlang. Wel beeld-schoon. En je komt er pas na lang lezen achter, dat de redevoeringen niet met logische argumenten opgebouwd zijn. De gespreksdeelnemers gaan niet echt op elkaars argumenten in. Het antwoord dat Job van God krijgt heeft ook een heel eigen aard. Dat gaat ook Prinsheerlijk aan alle argumentatie-regels voorbij. Maar op een of andere manier ‘doet’ dat antwoord het toch.

Toch is de stijl van die betogen nog niet het ergste; neen het thema is moeilijk. Het kompas waarmee ik wat richting ging ontdekken in al die redes is dit: Jobs godsdienst verandert. De wijze waarop hij God ziet, wijzigt. Eerst is zijn religie vooral een kwestie van praten over God. En die verandert door de inbreng van (vooral!) Mevrouw Job en de vrienden in godsdienst als roepen tot God.

We weten niet veel van die vroomheid van Job. De inleiding zegt alleen iets over hoe hij met de feesten van zijn kinderen omgaat. Het komt op mij tamelijk negatief over dat hij vooral met eventuele miskleunen van het kroost zit. Een beetje vader vraagt hoe ze het gehad hebben en gaat er niet op voorhand vanuit dat het wel eens uit de hand gelopen kon zijn; hij vermaant het volkje eventueel. Daar hoor je ook niks van. Alleen formeel: voor het geval dat er iets mis is gegaan! Als dit alles is, is Job een beetje een fatsoensrakker. Maar dit is niet voldoende voor een eindconclusie. De rest legt de verteller in de redevoeringen neer.

En daarin zegt Job een hele boel dingen die bepaald niet vroom zijn. Het is niet vroom, als je zegt dat God jou als zijn vijand beschouwt. Alsmaar volhouden dat je niks gedaan hebt is eng; je geboortedag vervloeken,- dan ben je heel je geloof kennelijk kwijt. Om maar een paar dingen te noemen. M.a.w.: we krijgen geen compleet beeld van de gelovige Job. Nog niet.

Nu heeft men wel beweerd dat het thema van dit boek niet Job is, maar het rechtvaardigen van God. Wat God doet moet goed gepraat worden. God staat ter discussie op beschuldiging van wanbeleid, zeg maar. En die aantijging moeten we zo kwalijk vinden, dat een bewijs van het het tegendeel op zijn plaats is. God is wel degelijk o.k. Het kost een paar meter redeneren, maar aan het eind kun je dan toch zeggen: “God is terecht. God klopt”.

Maar dat loopt m.i. te hard van stapel. In het begin stelt in elk geval het boek Job niet God ter discussie maar Job zelf. En ik denk dat dat het hele boek door zo blijft. Het gaat over de godsdienst van Job.

De verteller bouwt het op, te beginnen bij een hemelse open avond; iedereen kan er zo maar binnen lopen. Ook ene Satan. De deur staat open. Hij krijgt een paar consumptiebonnen; wordt zelfs de hoofdspreker van die avond. Een gedurfde aankleding.

Maar dat is geen foto van hoe het in Gods hoofdkwartier toe gaat, als je dat soms gedacht mocht hebben. Een hemel waar echt ‘Wedden dat’ gespeeld wordt kan beter dicht blijven. Daar wil je niet bij horen. Als jouw god er een is, die zonder te blikken of te blozen pokert met de boze ten koste van wie jou lief is, -die kinderen van Job en al zijn knechten enz. hadden nergens om gevraagd – dan maakt het allemaal niet uit; dan zijn goed en kwaad van hetzelfde kaliber. Als God pokert met satan maakt het hem kennelijk niks uit wat hij veroorzaakt. Alsof gods gruwelijke weddenschappen belangrijker voor hem zijn dan de levens en het geluk van zijn schepselen. Al die redevoeringen vertellen straks wel, dat het zo simpel – Goddank – niet is..

Satan is hier een onbeschreven figuur. Ik houd mijn hart vast!! De klassieke stilte die valt in de ‘saloon’ als de ‘bad guy’ door de klapdeurtjes komt…

Een gezelschapsspel komt op gang waarin het openingsbod van de Heer is: Ik beweer dat er niemand zo vroom is als Job. En het tegenbod van satan is: Nou, dat zit nog. Job doet alles uit berekening, en dat is p.d. niet vroom. Zijn geloof zit niet dieper dan de mazzel die hij heeft.  Als U hem schoon aan de haak hebt, als U hem aan de punt van de vork sissend door de braadpan haalt, zoals Jan de Hartog dat later in Gods Geuzen zal schrijven, dan zal Job U in Uw gezicht vaarwel zeggen.

Ze spelen om de waarde-loos-heid van de godsdienst van Job.

De verteller schept nu een extreme situatie om de godsdienst van Job te kunnen peilen. In twee etappes gaat alles om en aan Job kapot. Eerst zijn bezit; zijn personeel; zijn kinderschaar zelfs. Wat is er dan vroom aan zijn uitspraak : De naam des Heren zij geloofd? 1:21 Ik kan dit hooguit als bitter horen. Dat zeg je niet, als je tien kinderen op één dag hebt verloren, en nog naar de begrafenis moet. Het is bepaald zijn hoogste bod niet; ook op geen stukken na zijn laatste woord.

Het geweldige van geloof is niet dat je het verschrikkelijkste in je leven met een keurig Dank U wel in ontvangst neemt. Dat lijkt me een belediging voor God. Volgens mij kun je niet met de God van de bijbel omgaan, en onderdrukken, dat je iets voelt bij de dood van wie je lief is. Het lijkt me klets dat de God van de Bijbel dat pas voor echt geloof aanziet. Dat is onrijp, onvolwassen.. Je hebt het niet echt verwerkt.

In deze fase horen we van de vroomheid van Job niet meer dan uitspraken over God.

Maar er komt nog wel meer. Veel meer, Satan voert de pijn bij Job nog op. In de 2e ronde gaat Jobs gezondheid eraan. Satan moet gedacht hebben: Het wordt hoog tijd dat die spijkerharde Job eindelijk eens wat voelt! Maar dat het verlies van je gezondheid erger is dan dat van 10 kinderen laat ik maar voor rekening van de verteller; of van satan! Dat je pas krimp gaat geven als je goed ziek bent, en niet als je al je kinderen kwijt bent, kom nou!

Nu komt ook de relatie met zijn vrouw onder druk te staan. Mevrouw Job heeft ook net 10 kinderen verloren. Mag ik U even spreken!. Ik verbaas me er steeds meer over dat zij bij de uitleggers zo lang buiten beeld is gebleven. Het mens zit helemaal aan de grond. Naamloos. In mijn beeld gaat ze helemaal schuil achter die eindeloze rij grafkruisen van haar kroost.

Mevr Job gaat schuil achter haar dode kinderen

Mevr Job gaat schuil achter haar dode kinderen

Mateloos is ze in haar leven teleurgesteld. Ze geeft Job de raad God vaarwel te zeggen; dat klinkt alsof zij dat al lang gedaan heeft! Wat is dat echt; hard; duidelijk van vlees en bloed. Zij is veel minder een persoon uit een verhaal; ze is meer naar het leven. Zij is geen interessant thema!

Jobs reactie in 2:10 verschuift al iets t.o.v. die in 1:22. Job laat zich nog steeds niet compleet gaan. Nog steeds heeft Job niets liefs in huis voor zijn vrouw. Hij zal ook wel te vies zijn geweest om een arm om haar heen te slaan. “Mens, jij hebt het immers ook moeilijk!” Of iets van..’ In goede en in kwade dagen’ en zo. Dat nog niet. Maar we horen niets meer over ‘de naam des Heren zij geloofd’. Het is eigenlijk nog afstandelijker: Je moet het kwade net zo accepteren als het goede. Maar weer maak je mij niet wijs, dat dit dan het toppunt van geloven is. Alsof ‘alle morgensterren daarvoor hebben staan juichen’ bij de schepping, opdat de mens zo blasé en vlak, korstloze uitspraakjes over het bestaan zou doen!

Job in het tenue van concentratiekamp gevangene

Job in het tenue van concentratiekamp gevangene

Alsof God daarvoor de hele schepping zegent en goedkeurt, om dan uiteindelijk door die mens naar zijn beeld bedankt te worden met zo’n houding van:” Mij hebt U er niet mee! Of er nu dit of dat gebeurt, mij doet het allemaal niks. Ik accepteer het toch wel. U gaat uw gang maar!”

Dat is niet het type van een geloofsheld waarvoor de eeuwen hem hebben willen verslijten; dat is gewoon iemand met een extreem hoge prikkeldrempel; oftewel een heel dikke laag eelt op zijn ziel. De verteller voegt er heel fijntjes aan toe: “In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.” Hij laat ruimte voor de suggestie dat het vanbinnen kookte van hete pijn en granieten razernij. Vanaf nu komt in de rest van het verhaal steeds meer van die pijn naar buiten.

Van de afrekening van de weddenschap tussen God en satan horen we inmiddels niet meer. Zo blijven we scherp voor de gedachtewisseling die nu volgt tussen Job en zijn vrienden.

De beginsituatie van Jobs vroomheid vat ik in 3 punten samen.

  • Plichtmatig, formalistisch met dat offeren voor evt. misdragingen van zijn kinderen. (niets over eigen fouten!)
  • Hij heeft hoofdzakelijk uitspraken over God in huis. Die hij afzwakt naar iets afstandelijks: accepteren maar. 
  • Hij klinkt niet erg doorleefd. Gevoelsarm.

JOBS VRIENDEN

Je zit niet slecht, zou je zeggen, als je drie vrienden de moeite nemen om een hele week om jou te zwijgen. Zo hadden ze dat op de eerste trainingsavond pastoraat ook geleerd: Luisteren! En als je goed geluisterd hebt, nog eens luisteren. Val iemand,die rouwt niet op het lijf met jouw praat. Ze hebben tenminste het fatsoen om te wachten tot Job het woord neemt.

De zoveel vrienden van Job om hem heen

De zoveel vrienden van Job om hem heen

Hij etaleert alleen maar zijn gevoel. Hij heeft enkel maar lege briefjes in te brengen. Zo leeg als het waarom-waar-toch-geen-antwoord-op-is, maar kan zijn. Lege, open handen,- die alles zeggen.

Vervolgens blijkt dat de vrienden die bewuste week niet echt met Job bezig geweest zijn. Maar met hun eigen theorieën over God. Dan blijkt dat ze zijn klacht niet echt meegemaakt hebben. Ze hebben gepiekerd over algemeenheden, maar deze mens niet gepeild! En met z’n allen omzeilen ze ook de intens verdrietige vrouw van die mens.

Elifaz pakt gewoon zijn leerboek over Godskunde: God doet het eerlijk. Dat heb jij zelf ook altijd gezegd, trouwens; dat moet je nu ook maar weer toegeven. Voor kwaad is (dus?) een concrete reden. Aan het eind van hoofdstuk 5 maakt hij het wel heel erg bont: Je nakroost zal talrijk zijn! En dat tegen iemand die er net 10 verloren heeft! Het zal je pastor of je vriend maar wezen!

Vriend Bildad leest in datzelfde boek door, maar wrijft nog extra zout in de wonde van de verloren kinderen: “Dat moet hun wel overkomen zijn, omdat zij zelf niet zo best waren!” Dat is natuurlijk de verklaring! De wereld zit heus wel eerlijk in elkaar; waar rook is, moet vuur zijn. Waar een bieze groeit moet iets van moeras zijn. Theorie; algemene waarheden. God klopt altijd.

En Sofar lijkt als twee druppels water op Bildad. Iemand heeft hem genoemd een Bildad die doorgestudeerd heeft. Het rekensommetje over God klopt heus wel. Je zou nog wel anders piepen als Hij je al jouw missers in rekening bracht! God straft niet voor niets. Je moet maar durven: iemand die zo wanhopig is, hoogmoedig te noemen.

Kortom, ze hebben eigenlijk geen boodschap aan Job, terwijl ze hun mond vol hebben over God. In hun godsdienst raakt de mens zelf achter de horizon. Maar ze hebben in zoverre gelijk dat Job zelf ook altijd zo gedacht heeft.

En Job? Hoe ziet zijn rol in de redevoeringen eruit? Ik ging er altijd vanuit, dat Job op

Job op zijn mestvaalt

Job op zijn mestvaalt

punten moest winnen; want dat wordt op het eind van het verhaal ook gezegd. Job heeft recht van God gesproken. Dus dacht ik dat zijn argumenten ook moesten kloppen. Dat nu is een vergissing. Daar doet de verteller geen enkele moeite voor. Als ik het goed zie, gaat Job in de loop van de gesprekken steeds minder in op de concrete uitspraken van zijn vrienden. Hij bewijst niet met logische argumenten dat hun beweringen niet kloppen.

Zo begint hij nog wel. “Ik zit niet fout. Jullie stellen me diep teleur”, geeft hij Elifaz ten antwoord. En dan gaat het al gauw over de mens in het algemeen. Het bestaan is moeilijk. En als hij antwoord geeft aan Bildad in hoofdstuk 9, geeft hij eerst nog wel toe dat je tegen God natuurlijk niks begint. Maar dat is het punt niet! En daarom raken de vrienden de een na de ander hoe langer hoe meer uit het zicht.

Eerst gaan de gesprekken vooral over God. Maar Job gaat hoe langer hoe meer tegen God spreken. Steeds stoutmoediger daagt hij God uit om antwoord te geven. Dat komt uiteindelijk in 38!

En die vrienden blijven maar aan de gang; en Job krijgt er hoe langer hoe meer tabak van! Er komen geen nieuwe ideeën op tafel. Het is herhaling van zetten.

Wat Job en zijn vrienden doen lijkt veel op wat er in je eigen hoofd en hart speelt, als je vastgelopen bent. Ik zeg altijd maar hetzelfde in mezelf; maar ik kom er niet uit; altijd weer stoot ik op dat onoplosbare waarom! Ik zeg elke keer weer tegen me zelf dat het moet kloppen; maar het klopt niet. Het moet rechtvaardig in elkaar zitten, maar ik kan er niet bij!. Zo lang dat malen nog bij iemand door gaat moet je niet aankomen met het brokkenpastoraat van : “Huil maar niet. Je hebt ons toch nog; je vrienden; je hebt toch nog andere kinderen; ze had toch een mooie leeftijd.” Enz.

Dat zijn wel waarheden als koeien. Maar als iemand nog niet zo ver is, ervaart hij ze als een grof schandaal.

Dat toerloos malen wordt maximaal, als er ook nog een onaangekondigde vierde vriend komt opdraven. Elihu. (hoofdstuk 32-38) Die zegt een hoop mooie dingen. Heel wat is sterk verwant aan wat God in de daarop volgende hoofdstukken zal zeggen tegen Job. Maar als jullie zo ver zijn, lees er dan niet overheen dat er in 38: 1 geen antwoord van Job aan Elihu meer volgt. Dat schema heeft de verteller verlaten. Daar staat dan -met alle nadruk, – : “Toen antwoordde de Here … Job.”

Na alle gepraat; na alle uitslovers; na al je vrienden en je wanhopige vrouw; en na alles wat jij zelf altijd ingebracht had; na alles wat voor jou altijd gegolden had; na alles wat de mist in gegaan was; na alles wat het niet hield … toen… antwoordde de Here… Job!

Dat is de climax. Hier krijgt Job dan eindelijk God te spreken. Daar was hij in de gesprekken met de vrienden hoe langer hoe meer naar toe gegroeid. Kletsend over God kom je er niet uit! Vandaar dus, dat Job hoe langer hoe meer roept naar God! Leg het me uit! Vergeef me desnoods, maar houd op met dit van mijn leven te maken. Spreek zelf recht tussen U en mij! Wat mij overkomt is een schande voor onze relatie. U bent mijn vijand niet!

Van de manier van geloven zoals zijn vrienden dat stijf en strak volhouden neemt Job afscheid. In zo’n God als jullie mij voorschotelen wil ik niet geloven. God is niet de God van het-leven-klopt-en-zit-harmonieus-in-elkaar. Job houdt voet bij stuk: dat is niet zo! “En daarom beroep ik mij op God tegen dit absurde leven.”

Veel kleine en grote Mijnheren en Mevrouwen Job hebben getuigd van die omslag. God dank. Volgens mij waardeert de Heer dit als ‘recht van Hem gesproken’.

HET LIJDEN VAN GOEDEN

Maar hoe ziet Job het kwaad dat goede mensen treft? En ook bozen hebben allerlei rampen. Dat hoort je ook dwars te zitten. Als dat geen enkel probleem voor je is, is er ook een steekje aan je los. Je bent er niet door te zeggen: “Die bozen hebben het verdiend; boontje komt om zijn loontje en dat is dus o.k. Geen probleem”. Dat is wel degelijk een probleem.

Iemand kan de doodstraf verdienen, maar dat is ten diepste niet o.k.! Dan is er nog wel degelijk iets grandioos mis!! En het is zeker onmenselijk om die straf te voltrekken. In elk geval ben je dan niet van elkaar af! Dan is er nog wel degelijk het probleem van ons samen: waarom kunnen we het niet zonder die doodstraf af? Al verdient iemand straf, leert zij daar meer van dan van vergeving? Waar blijft dat element? Hoor je Job niet ergens zeggen: “Stel al dat ik zo geweldig moet lijden omdat ik in de fout ben gegaan: U zou me toch ook kunnen vergeven?” (7:21)

Goed, geen aparte discussie over voor of tegen doodstraf; ik bedoel dit: dat goede mensen door kwaad getroffen worden is niet het enige raadsel. Als het kwaad, de zonde, het lijden, in het huis van de boze komt is het wel degelijk ook een menselijke opgave.

De raadselachtige kant van het kwaad is niet alleen maar dat het je overkomt. Neen, ook als je het kwaad zelf op je hals haalt, zelf doet, is dat een raadsel. Daar is geen reden voor.

Mensen hebben soms last van hun leven. Lijden. En Job is dan wel een kleine beminde van God, en misschien is het erg troostvol, dat je niet hoeft na te rekenen of de theorie over God wel klopt. Maar dan nog: waar blijf je als jouw leven soms zo zeer kan doen; zo raadselachtig is? Dan wil je daar greep op krijgen. Je gaat nadenken. Je wilt terug kijken. En dat doet op zich al zeer. Een mens heeft niet alleen maar een trekhaak aan de voorkant; hij trekt zich niet alleen maar aan de toekomst op. Hij vraagt ook steeds weer: Waarom? Hoe is het gekomen? Waar ben ik een wissel overgegaan? Of heeft er iets of iemand een wissel in mijn leven overgehaald! Wie of wat heeft mij op het verkeerde been gezet? Heb ik zelf op een verkeerd paard gewed? Had ik te weinig keuzeruimte, en toen kwam ik op een doodlopend spoor? Was dat een, het, de Boze? Of was ik het zelf? Of was het God? Lette God even niet op, toen het mis met me ging, of toen ik iets misdeed? Had God bewust een stevige vinger in de pap? Stoofde Hij me deze kool, of hield Hij (op zijn minst) alleen maar het vuurtje eronder aan? Of hield Hij alleen maar iets niet tegen?

Het lijken wel vragen die te zwaar zijn. De vrienden van Job zijn er ook duidelijk mee overvraagd. Ze maken er niks van. Al voelen ze zich zelf wel geslaagd. Ze hebben een grote mond over hun denksysteem. De geslaagde burgers! Maar Job schoot daar niets mee op. Steeds dringender werd zijn verlangen om dit pakket vragen niet meer aan zijn vrienden, maar aan God te adresseren.

De knechten van Job vertellen...

De knechten van Job vertellen…

Maar nu over de vragen zelf; de waaroms.

Job houdt God onverminderd verantwoordelijk voor het kwaad dat hem helemaal van zijn hoeven heeft geslagen. En dan heb ik de neiging om het voor God op te nemen, net als de vrienden. Ik wil God redden van de aantijging dat Hij het kwaad regelt. Want zo klinkt het. Ik wil niet geloven dat Hij dat stuurt. God is niet een directeur van een postorderbedrijf die pakjes oorlog, aanslagen, eenzaamheid, aids verstuurt….. zo lang de oneindige voorraad strekt en op is bij Hem nooit op. Ik geloof zo langzamerhand ook, dat ik eens op moet houden een theoretische oplossing voor God en het kwaad uit te dokteren. Wij kunnen geen theorie over een god hebben, waarin het allemaal wel klopt met het kwaad. Tenminste niet over de God van de Bijbel! Er is inmiddels een prachtig nieuw lied (945 Nieuw Liedboek) in omloop gekomen van Andries Goovaart. Dat begint zo:

“Ja, het liefst zou ook ik, als die andere drammers
God tot ingrijpen dwingen met die almacht van Hem!”

Het boek Job blijft ervan uitgaan dat het niet klopt. Er is in de hemel iets grondig mis, als het op aarde zo toegaat, als met Job. Vindt Job. Daar windt hij geen doekjes om. Er is wel sprake van een weddenschap in de hemel tussen God en satan. Maar kom nou, dat is toch ook geen verklaring! Die weddenschap is volstrekt zinloos en onterecht. De schrijver komt op dat een-tweetje tussen satan en God dan ook niet meer terug.

Job voelt zich ook niet geroepen om God schoon te praten. Neen, Job klaagt God op alle fronten aan. Maar voor Job is God tegelijk de Rechter en de Beklaagde in het geding tussen Job en God. En God is ook nog de advocaat van Job! Al met al neemt God het straks niet eens voor de (grootheid van) God op, maar…… voor zijn knecht Job! Jij hoeft geen partij te kiezen voor God, om Hem schoon te praten/ overeind te houden. God kiest voor jou! Een mens moet aan de kant van de mens staan. Want God zelf staat aan de kant van de mens. En daar heeft Hij ons geplaatst.

Maar de bewering dat ‘God het kwaad niet gewild heeft’ is tricky. Als ‘reddingsoperatie van God’ is het wel goed bedoeld, misschien, maar het houdt iets vreemds. Als ik zo bezig ben, heb ik de neiging om uit te komen bij: ‘Zie je wel, ik weet wel hoe het zit met God’. Maar dat is in feite overmoed. God is tegen het kwaad. God lijdt er zelf aan. Hij heeft het kwaad niet gewild. Ja, allemaal goed en wel. En de mens is grotendeels zelf verantwoordelijk. Om U te dienen. Maar het is nog veel ingewikkelder.

Voor dat soort uitspraken staat ons geen sluitende theorie ter beschikking. Zolang mensen voor of tegen elkaar een constructie bedenken om God overeind te houden, zijn ze te afstandelijk bezig tov het lijden, denk ik. En dat is slecht voor pastoraat.

Wat Job over zijn pijn zegt, is praat van een zieke. Laten we dat niet vergeten. Hij zegt zelf ook in 6:3 dat zijn woorden ondoordacht zijn. Niet mooi afgewogen; redelijk. Dan moet je niet proberen aan zijn woorden een systeem te ontwringen. Maar het vraagt wel om respect, vind ik. Dat brachten de vrienden niet op. Die zagen Job gewoon als een deelnemer aan een forumdiscussie. Lekker in zijn vel; avondje uit; interessante praat. Ze grepen hem dan ook, waar ze hem maar dachten te kunnen klem zetten. Maar ze vergeten dat Job van zijn voetzool tot zijn schedel aangetast is. Hij kan niet meer rustig denken. Zijn gevoelsleven staat ook op losse schroeven. Hij voelt zich zonder enige grond onder zijn voeten. Dan zeg je extreme dingen. Dat hoeft geen onzin te zijn. Maar je mag er geen bouwstenen van maken voor een leer der kerk over een theorie van het lijden.

Er zit een mens tegenover je die het te kwaad heeft. Zoals Job tegenover zijn vrienden. Van hen zegt God op het eind: jullie hebben niet terecht van Mij gesproken. Ik denk dat dat ook een pastorale spits heeft. Als je niet volop de kant van Job kiest, gelden de vrome woorden over God ook niet meer. Dan krijg je die loze troost van burgerlijke vrienden.

Op een heel navrante manier lijken ze Job nog te helpen ook, nl. dat hij door hun ongepaste troost zijn leed op de volle diepte gaat peilen. Hij gaat doorkrijgen, dat hij niet een denkfout maakt, maar een bestaanscrisis doormaakt. Dat is in zekere zin ook hulp: pas als je ten diepste gepeild hebt kun je verwerken; niet als je het met goede opmerkingen of redeneringen bezworen hebt; toegedekt.

Wel, misschien kun je dat nog wel meemaken: Kom bij een geslagen mens niet aan met goedkope praat. Begin maar met consequent niet de algemeenheden te zeggen die toch wel gezegd worden. Misschien moet je wel niks zeggen. Of gewoon dat je eerlijk gezegd niks te zeggen te hebt. Zie je zelf niet naar zo’n lijder gaan als oplosser. Jij bent de Heiland niet. Neen, goed. Maar dan?

Vuistregel lijkt me ook, dat je alleen maar zegt wat je zelf eerlijk meent. Dat hoeft niet bot te zijn. Moet je die ander dan met jouw angsten opzadelen, als je bang bent? Het begint met respect voor de angsten van die ander, maar net zo goed voor die van je zelf. Die ander heeft vast meer aan een bange vriend, dan aan een laffe, ontwijkende, gladde.

Als jij denkt dat iemand niet meer beter wordt, en die ander vraagt je hoe lang geef je me nog, vraagt zij waarschijnlijk naar jouw gevoel, en niet naar of jij goed rekenen kunt, of deskundig bent. Ze wil, denk ik, alle angst die daar bij hoort uitwisselen. Die vraag moet je gehoord hebben, lijkt me. Ben je samen met me bang? Wat zullen we elkaar missen! Dan kan ook pas echt op tafel komen waarom je zo van elkaar houdt.

Op zo’n moment kan het probleem opduiken dat je elkaar tot dan toe op dat niveau nog niet had ontmoet. Misschien had je elkaar nog nooit zo dichtbij gelaten. Of eerdere signalen niet opgemerkt. Vaak moeten er in dagen van rouw en zwaar lijden ineens hele stukken relatie-opbouw nog ingehaald worden. En daar zijn mensen, Goddank, ook toe in staat. Je hoort verheugende dingen van mensen die in tijden van crisis elkaar juist heel dichtbij zijn gekomen. En als je dat ervaart als geweldig menselijk en belangrijk, maak daar dan weer niet de theorie van dat dat dus zo ‘geregeld’ is geweest. Dat zulk lijden daarvoor was! Aan die constructies heb je niks.

Maar, je blijft vragen: Sta ik dan helemaal met mijn mond vol tanden? Valt er niet te troosten namens God?!Vast wel. Maar die ander is nooit lijdend voorwerp van jouw drift om toch maar te helpen. Jij hoeft zijn kwaal niet op te lossen. Laat haar het besef dat het haar probleem is. Teksten als ‘Je moet maar zo denken …’ zijn uit den boze. Die ander moet helemaal niks. Die ander is de hoofdbewoonster van het huis van het leed. Jij bent er hooguit gast; en je houdt je aan de regels van haar huis.

Als je God ter sprake wilt brengen in een relatie waarin Hij nog nooit ter sprake kwam, begin dan vragenderwijs. Kunnen we nu samen iets met geloven? Voel je God ook bij je? Is Hij erg ver weg? Of juist dreigend dichtbij? Misschien nog wel voorzichtiger. Laat die ander dat vooral zelf mogen aangeven. Daag hem niet uit met suggesties van vroomheid. Je kunt het toch wel overgeven aan God he? God is toch ook jouw Vader! In elk geval kan het niet door bijbelteksten rond te strooien, waar een ander niet op mag reageren; of alleen maar instemmend bij mag knikken. Als je al samen naar Gods woord wilt luisteren, moet je er ook mee rekenen, dat dat een heleboel verzet en opstand op kan roepen. En heb het hart niet in je lijf dat je dan: “Foei!” roept. Daar zul je dan ook samen door moeten. Want het woord van God leidt ons niet om de diepten heen. Je grijpt er juist naar, als er geen andere weg is dan erdoorheen.

Volgens mij zijn psalmen een mogelijkheid om over en weer dan aan elkaar signalen te geven van: “Daar ben ik nog niet aan toe; dat hoop ik wel heel erg, maar…” enz. Lees in elk geval niemands vonnis uit de Bijbel want het is een boek van openingen.

W. ter Horst schrijft in Over Troosten en verdriet over de valkuil zonde. Misschien lucht het op als tijdens een stervensproces ter sprake komt of er nog iets uitgepraat/opgebiecht moet worden. Maar je mag ook op een vrome manier zeggen: “Maak niet te veel werk van de zonde,- dat heeft Christus al gedaan. Wij moeten nu maar gauw het ontvangen heil helpen voltrekken..” Het lijkt me dat dat geen dooddoener is. Het is niet, dat je dat kwaad niet horen wilt; de zonde ontkent. Je helpt een lijder niet als je het kwaad ongevaarlijk voorstelt; en dat hij of zij er maar niet mee moet zitten. Dat zegt alleen maar dat jij die mens niet serieus neemt. Jij hebt misschien een geweten als een wagenschuur. Maar daar gaat het niet om. Het gaat om een mens die WEL ergens mee zitten kan. Dan is het geen troost dat jij het niet erg vindt; of dat God het niet erg vindt. Dat is klare onzin. Maar God vergeeft! Dat is heel andere koek. Dat is nl. het enige wat je met het kwaad kunt doen. Je kunt het niet wegpraten. Dat leven kun je niet oplossen met theorieën over God en het kwaad. Je kunt alleen maar naaste zijn, op een aarde waarop God redding voorziet. Daarom kwam de Zoon van God ook geen leer aangaande het kwaad op aarde brengen. Maar Hij werd de Naaste van lijdende mensen. Tot aan hun uiterste. Tot aan de grens zal God zeggen: “Ik zal er zijn.” En amen betekent dan: “Daar mag ik ook zijn. En jij en jij…..”

VRAGEN BIJ JOBS VRAGEN.

Pas na ik weet niet hoeveel keren lezen en alleen maar luisteren naar deze vragende Job probeer ik voorzichtig met hem in gesprek te komen, vooral nav hoofdstuk 3.

Job, er zijn mensen die niet eerst, zoals jij, vele jaren geluk en kinderen en aanzien genoten hebben, eer ze in de vernieling raakten! Zijn die nog uitzichtlozer dan jij?! Of maakt dat allemaal niet uit? Neem de gemiddelde Irakees: overgeleverd aan de grillen van zijn dictator. En dan krijgt-ie ook nog de hele zgn vrije wereld over zich heen. Na jaren oorlog en boycot?! Dat leed is nog eens uitzichtloos lijden.

Doorgaans kennen we de arme variant van dit drama beter: niet de waanzinnig rijke die voor de bijl gaat; maar de toch al arme. Schijfje voor schijfje wordt hun weerstand gebroken. Slag na slag gaan hun hulpbronnen eraan en dan hun milieu. En dat ga je merken in je gezondheid; je weerstand raakt op; en dan slaat de aids toe. En inmiddels was het al oorlog. Men gaat moorden. Hongerige vluchtelingen zwermen uit en je krijgt kinderprostitutie, kindsoldaten; bendes; onveiligheid en onbestuurbaarheid. Een enkele arts zonder grenzen blijft over om het ons aan te zeggen.

Noem dat gerust satan. Doen de mensen daar ook. Hij verpest de boel met de waanzin van propaganda. Oude vetes; roofzucht uit de koloniale tijd. Allemaal zijn werk. Een web van belangen dat de enorme inspanningen van o.a. het Werelddiakonaat steeds weer fnuikt; de schurken die hun slag slaan. De rijken die rijker worden. Dat gebeurt gewoon: het is of de duvel er mee speelt, mopperen we dan. En dat is ook zo.

Het blijft merkwaardig dat de stinkend rijke Job de spreekbuis kan worden van ieder die het uitbrullen moet dat het leven zo zeer doet; dat het leven niet zo eenvoudig in elkaar zit.

Job, je zegt nu wel zo (3:11-20) dat dood-zijn rust voor je is; en het is wel mooi gezegd, dat de slaaf dan niet meer afgejakkerd wordt door zijn baas en zo. Klein en groot is er gelijk. Arm en rijk bestaan er onder dezelfde condities. Maar, gejakker en onrust en stress en scheve verhoudingen zijn toch precies de kwalen van jouw tijd?

En van alle tijden. Ik hoor niet dat je jouw rijkdom gebruikt hebt om wat aan die onrechtvaardige structuren te doen. Net als alle mensen naar wie geen bijbelboek genoemd is, ben jij toch naast slachtoffer ook dader!

De verteller laat wel het probleem liggen: waarom doe jij het als mens of mensheid altijd weer fout? Job krijgt woorden in de mond gelegd alsof hij ‘De man van alle smarten’ is. En het punt dat ik hier wil inbrengen is: Dat is niet alles. Het boek Job is niet het complete verhaal. Het andere verhaal gaat over de plegers van het kwaad. Satan misschien; zijn volgelingen zeker.

Je hoort Job niet over al zijn activiteiten van al zijn levensdagen in hoofdstuk 3. Hij springt ineens terug naar de nacht dat de liefde van zijn ouders hem vlees en bloed maakte. “Maak het ongedaan! Ik wil er niet mee te maken hebben! Niets van wat er volgde rechtvaardigde die liefdesdaad! Had mij er buiten gehouden!” Niet iedereen kan aan haar ouders schrijven, tgv haar verjaardag: Bedankt dat jullie het risico met me hebben genomen. Jullie konden geen garantie geven dat ik het leven altijd een cadeautje zou vinden; maar wel, dat het niet aan jullie zou liggen.

Die romantische manier van Job om over dood-zijn te praten, is niet het vroomste wat er is. Het is ook geen info over hoe het zal zijn in de hemel. Het dient allemaal om de moeite van zijn leven te verwoorden. Want daar eindigt hij mee (3:23-26) Dat absurde leven ook!. Hij kan natuurlijk zijn verleden niet ongedaan maken. Geen dag ervan kan hij overdoen. Dood gaat hij ook nog niet. Hij zit muurvast. Volledig onthand. Hij zegt eigenlijk in gewoon Hollands: “Ik ben zo wanhopig dat ik liever dood wilde zijn. Maar ik moet toch verder! Hoe kom ik daar door?! Ik kan niet achteruit en niet vooruit.”

ER IS GEEN REDEN VOOR…

Voor we Gods finale horen eerst nog iets uitgebreider over de tweede hemelse stafmeeting tegen datzelfde decor als je in hoofdstuk 1 vindt. Agendapunt 1: rapportage satan. Er zullen andere punten geweest zijn als: “Hoe staat het met de sneeuwkappen en de voorjaarsstormen en De meerjarenbegroting van de kunst; de eerste schrijfproeven van de Bijbel”. Maar dat moet maar even wachten. Zo ook andere beleidszaken van het hof: de schatten van de aarde en die schatten van mensen! Dat wil weer eens zeggen: die hemelse enscenering is alleen maar bedacht voor deze gelegenheid. Het is geen eeuwig geldend geloofsgoed of informatie van over de grens. Mooie oosterse inkleuring.

Om satan aan het rapporteren te krijgen vraagt de Heer weer beleefd: “Waar kom je vandaan?” Alsof dat hele drama met Job Hem ontgaan is! Expres laat de verteller Gods verbijstering onvermeld: hoe die Job er van langs heeft gekregen!

En alsof er niet echt wat aan de hand is, meldt satan, als een star-reporter van CNN, dat hij de hele aarde heeft doorkruist! Hoorde je dat, trouwens? Hij kan dus ook heel dichtbij ons komen. Wie zal hem stoppen?

God brengt dan Job weer ter sprake. En nu staat er een heel belangrijke opmerking bij. Er was geen reden om Job te ruïneren. Mooi, dan had de verteller hier kunnen stoppen. Al die lange gesprekken straks veranderen althans aan dat standpunt van God niets meer. Er is geen reden. Nu hoor je het meteen uit Gods mond. Het is overbodig om een logisch systeem te willen uitvinden.

Maar dan heeft de oosterse wijze nog wel vragen en opmerkingen. Met zo’n antwoord van God moet je nog wel leren omgaan! Dat moet je via allerlei vragen en inzichten nog wel leren verwerken. En dat heeft op zich ook al zin; ook al krijg je er geen ander antwoord uit dan: Er is geen reden. God verklaart elke reden om jouw leven te ruïneren al op voorhand onontvankelijk! Ook satan kan God niet op andere gedachten brengen. Je zou het kunnen denken, met je gewonde of zieke brein, maar zo is God niet.

De vrolijke strekking van Gods antwoord straks is: “Daar is wel een Raadsel,- maar daar kunnen we samen mee leven.” Het dwangmatig zoeken naar een kloppend systeem is een pijl uit de koker van satan, mag je zeggen. Dat is een denkrichting van God af. Je schiet er dan ook niets mee op. Zalig ben je als je dan iemand hebt die zegt: “We hebben elkaar toch!” God is in elk geval zo!

Nu Job na deze tweede ronde in het stafkwartier van de Heer zweren krijgt van heb ik jou daar, suggereert satan dat dat nog een graadje erger is, dan wat Job en zijn vrouw al voor de

Nog een kind van Job; een nakomertje

Nog een kind van Job; een nakomertje

kiezen hadden gekregen. Dat is vreemd, zei ik al; in elk geval als eerste klaagt, vloekt en schreeuwt mevrouw Job; en zij maakt zich zo de tolk van ieder mens met pijn.

Natuurlijk is ze boos, dat ze geen kant op kan met haar verdriet. En met die man van haar! Met haar laatste restje bitterheid zegt ze: “Meld je even af bij God. Je sluipt niet stiekem weg; geluidloos. Meld je vooral even af, want dan ziet-ie tenminste wat Hij heeft aangericht. En dan knijpen we er tussen uit.”  Het komt haar goed uit dat in het Hebreeuws de term ‘zegen God’ zowel vloeken als zegenen kan betekenen! Zo zeer maakt het allemaal niks meer voor haar uit.

Job bekt haar nog af ook. Gekke wijvenpraat noemt hij het. Ook daar is allerminst reden voor! Hij kan nog zo veel jeuk hebben, maar hij heeft kennelijk nog de fut over om op zijn vrouw te vitten! Op het moment dat ‘vluchten niet meer kon, alleen nog schuilen bij elkaar’, gaat Job ruzie zitten maken. Die nare gewoonte had de duivel hem maar al te graag gelaten! Job is dus nog niet alles kwijt. Dat is de stijl van de boze zelf. Eerherstel krijgt Mw. Job overigens in de joodse traditie: daar gaat het verhaal dat ze zelfs heur haar af liet knippen om van de opbrengst medicijnen te kopen voor Job!

Boven kwam al ter sprake dat satan waarschijnlijk ook nog iets meer is dan ‘het kwaad dat wij bedreven’. Het kwaad waar mensen onder lijden valt niet exact samen met onze daden. Maar, dat meer kan ik niet benoemen! Dat is pas goed rede-loos.

Er is kwaad dat je niet kunt lokaliseren. Sommige brokken natuurgeweld bv. Niet alles daarvan. Op zich horen die gewoon bij het natuurkundig systeem. Op zich zijn vulkaanuitbarstingen, orkanen en overstromingen in zekere zin neutraal. En het meeste van wat deze schepselen tot verbijsterende rampen maakt ligt vlak naast elementen van menselijke misdaad, verantwoordelijkheid of onvoorzichtigheid. Wonen op bepaalde vulkaanhellingen; of in uiterwaarden van rivieren. Lawines in de buurt van ski-pistes. Stedenbouw op linke breuklijnen in de aardkorst. De overmoed om daar zelfs kerncentrales te zetten. Noem maar op. Let maar eens op: als de emoties daarover wegebben, wil niemand meer horen van dat deel eigen schuld – dikke bult! Dan zijn de profeten ineens weer milieugekken of zo.

Maar o.k. dan nog blijft overeind dat je niet alles kunt voorkomen. Er is ook kwaad en leed waar we geen greep op krijgen. Waar je dus geen oorzaak voor kunt vinden. Er kan van allerlei gebrokenheid zelfs al vertaald zitten in ons erfelijk materiaal. Die pijn kun je niet op iemand verhalen; daar is geen reden voor; daar zit geen systeem in, dat wij kunnen hanteren.

Dan kun je maar één ding doen. Dan moet je wijzer worden; troostender, menselijker, leren om gaan met de pijn die met leven komt. Leven is gevaarlijk. Leven is kwetsbaar. Ik geloof ook dat het daarop gebouwd is!

Die kwetsbaarheid is structureel; is niet iets dat de Schepper uit de hand gelopen is; en Hem voor het blok zet. God schiep ook de grote voorraden menselijkheid die mensen door het lijden dragen. Want systemen troosten niet.

GODS LIEFDESLIED

“Toen gaf de Heer Job uit een storm antwoord..”

Zo ver zijn we nu. (38:1) Eindelijk is het zo ver! Wat heeft hij erom geschreeuwd. God kan het zich veroorloven dat er mensen zijn die schreeuwen. Hij geeft antwoord. Het antwoord van God bestaat eigenlijk uit twee delen; met daar tussen een korte opmerking van Job.(40:2-5) Ik vind dat schitterend om te lezen. Maar het kan wel zijn dat een ander eerder gestoord wordt door die eindeloze waterval van beelden en vergelijkingen. Alsof Job al niet verzopen was in al die vragen die zijn vrienden op hem afvuurden. Al die kwesties die in zijn eigen gloeiende hart door elkaar flitsten. Dat maakte de indruk van een zuigende kolk. Je komt er niet meer uit. Nog net een hand; een schreeuw: “Hellup!! Is daar iemand ?” En dan is er iemand…. En dan krijgt Job een lawine vragen van God over zich heen!

Allemaal draaien om zijn oren: “Kun jij dit! Stroop je mouwen eens op! Maak eens wat klaar! Waar was jij toen; waar ben je nu helemaal?” Job kan al de vragen rustig met: “Neen” beantwoorden. Of: “Ik weet het niet. Ik ga er niet over. Ik kan er niet bij.” Het beneemt hem de adem, lees je straks. Ik ben nergens!

Misschien is een andere duiding nog net iets mooier. Als volgt. Job heeft ontzettend om God geschreeuwd. Onredelijk? Terecht? En nu is het eindelijk zo ver. God spreekt. En dan legt God het niet allemaal keurig uit van: dit zit zus en dat zit zo, maar God zingt voor Job zo’n prachtig scheppingslied, dat Job straks ontroerd zwijgt. Dat is een hint van Elie Wiesel, die me erg aanspreekt. Een hele rij scheppingsgrootheden passeert; als een carnaval van dieren. Allerlei zaken, waar jij geen vinger achter kunt krijgen. Hoeft ook niet! Laat die geheimen ook maar geheimen.

Laten we wel wezen: De Heer verwijt Job niet dat hij de dageraad niet kan ontbieden; en geen gootje kon graven voor de oer-oceaan; als een kind met zijn schepje aan het strand! Daar heeft Hij Zelf Job niet op gebouwd.

Maar heeft Job dan ooit beweerd dat te willen?! Neen toch? Nou dan!

Zijn probleem is niet dat hij dat niet kan. Job heeft nooit de leiding over willen nemen. Zijn probleem is niet dat hij er niet bij was toen de schepping in de luiers lag, wie weet hoeveel eeuwen geleden. Zijn conflict met God loopt over zijn lijden hier en nu, waar het formaat van zoek is. Het gaat niet over de eeuwen der eeuwen; maar over die paar dagen die een mens leeft; niet over de uithoeken van de laatste melkwegstelsels, maar om die paar vierkante centimeter grond die een mens onder zijn voetjes nodig heeft op aarde.

Het antwoord van God: scheppingslied; stortvloed. Er was toch al niet zo veel over van de hele Job! En dan nog eens al zijn kleinheid uitgemeten. Dat is toch precies zout in de wonden, zou je zeggen. Het lijkt ook veel op wat de vrienden Job ingepeperd hebben. “De hele schepping, Job, daar kun jij toch niet bij; God gaat daar over. Jij bent toch nergens.”  Ja, dat klinkt hetzelfde. Maar er is een enorm verschil. De vrienden gebruiken die vergelijkingen om Job in te peperen dat hij dus wel schuldig moet zijn. God moet gelijk hebben, en dan zit jij altijd fout!! Maar als God Job een kijkje geeft in de kluis van de scheppingsgeheimen, dan wordt Job niet schuldig verklaard. Gods macht die de schepping uitzingt, is garantie voor Gods aandacht aan Job. “Over die raadsels heen, Job, ben ik jouw God. Er bestaan geheimen te over; dit en dit en dat,- nu, laat het je genoeg zijn dat je van hun bestaan weet. Verder ga jij er ook niet over. Jij gaat als het eropaan komt ook niet over het raadsel dat goede mensen lijden.” (en dan die boze nog!)

Merk vooral op dat God zijn geheimen niet verklaart aan Job; niet beweert, dat die logisch, eerlijk in elkaar zitten. Er is helemaal geen alles dekkend schema braaf zijn – beloning. De totaalformule is niet te brengen op de noemer van logica en redelijkheid en evenwicht. Neen, er bestaan te veel zaken die daar mijlen ver naast liggen. “Maar al met al”, zegt de Heer, “zijn het mijn geheimen en we kunnen het er mee doen”. Het is een lied: dat uitdaagt tot vertrouwen.

Nogmaals, de Heer gebruikt deels wel dezelfde beelden als de vrienden. Maar zijn perspectief is anders, totaler. God verklaart de mens niet schuldig op grond van zijn onwetendheid en kleinheid. Ik ga ook over die andere geheimen. Geef me het voordeel van de liefde dat Ik ook in dat raadsel van je lijden van je houd! Het drama van Job is een lied van God geworden.

Het tweede deel van Gods antwoord (vanaf 40:6) is voor de Oosterling niet gewoon meer van hetzelfde als het eerste deel. Het gaat nog wel over een paar schepselen. Biologie. Maar Behemoth en Leviathan horen meer thuis in de horror-editie van het biologieboek. Voor als de kleintjes naar bed zijn: want dit zijn hele knapen! Oermonsters. Chaosdragers. Niemand kan ze aan. En je bent er als de dood voor. Gods lied op zijn schepping legt deze beesten spelend aan banden. En God hoopt dat dat een opsteker voor Job zal zijn.

“Je kent die anti-goddelijke machten. Maar voor Mij zijn het een beetje uit de kluiten gewassen huisdieren. Ik zing er een vrolijk lied over; terwijl jij er als de dood voor bent. Zie je het nijlpaard Behemoth dat ik gemaakt heb…. net zoals ik jou maakte.”

Daar hoor je in dat de mens niks snapt van dat beest. Hij is de oerkracht van de verwoesting. Oosterlingen spraken Behemoth met hoofdleters uit, omdat ze daarmee de vorst der duisternis in beeld wilden brengen. Aan hem heb je dood en ellende en chaos te danken op dit ondermaanse.

“Neen”, zegt de Heer, “ik maak me vrolijk over dat beest. Maar hij hoort in hetzelfde meesterplan als jij. Hij is niet van een andere orde, hoor je! Hij is een paar ton zwaarder dan jij, maar zit in dezelfde blauwdruk als jij. Je snapt van dat beest niks; en dat beest ziet jou met je grote mond al helemaal niet zitten. Hij grijnst om je met die hele grote bek. Net als die krokodil, die de trekken heeft van draak; Leviathan, Zeemonster.”

Job wordt hier op het gewone scheppingsformaat gebracht bij de rest van de schepping. Hij krijgt zijn kleinheid niet ingepeperd als schuld.

Er zit door Gods antwoord heen ook een grote lijn van: laat de geheimen van de blauwdruk zelf nu aan Mij over en ga jij aan de slag met de dingen van jouw formaat. Dit is best een belangrijk punt. Job was immers met zijn vrienden aan het stoeien geweest. Ze hadden het idee, dat ze wisten hoe het grondplan van de schepping eruit zag nl. voor wat hoort wat en omgekeerd waar rook is, is vuur. En daarvan zegt de Heer: “Je moet niet denken dat wat voor jullie geldt in menselijke verhoudingen, precies zo geldt voor het ontwerp van het geheel. Daarvoor kunnen jullie nu net te weinig van het geheel overzien! In de woestijn valt ook regen; dat heeft niks te maken met een schema dat je het verdiend moet hebben. En daar is op zich niks mis mee. Het gaat pas mis als je dat wilt toepassen op het hele leven. Dan slaat het op niks. Of erger: dan word je gek. Dan kun je het alleen maar uitschreeuwen. En dat mag dan ook. Het is niet verboden tegen de grens op te botsen. De grens is ook een wezenlijk deel van je bestaan. Die gaat wel boven jouw pet, maar daarom hoort zij wel bij je”.

Een mens is grensganger. Grenzenverlegger hier en daar; avonturier van huis uit. Grensoverschrijder. Maar allemaal binnen Gods totaaloverzicht. Wat zegt het antwoord van Job daar op? Het luidt samengevat: “Mij hoort U er niet meer over. Het is mij voldoende om aan de grens te staan. Binnen uw totaal overzicht te blijven. Dat is mijn plek.”

Als je vooral wilt benadrukken, dat Job niet zo’n afgevlakte knaap is, dan kun je best denken dat dat een protest is! Maar op mij maakt 42:6 diepere indruk. Daar staat in het Hebreeuws een woord dat zowel de betekenis van boete doen heeft als van getroost worden, heb ik me laten vertellen. “Ik voel me getroost dat ik stof en as ben”. Dat lijkt me erg zinvol. Job heeft zijn plaats aangewezen gekregen tussen de schepselen; aan de grens. Tussen kroko en burgemeester Dikkerdak! Tussen de morgensterren en de struisvogel. Als onderdeel van het meesterplan. Niet als de meester van het plan. Hij mag de geheimen in acht nemen; hij hoeft ze niet zelf bedacht te hebben.

“Dank U wel God, dat ik niet de blauwdruk hoef te verantwoorden van het hele bestaan; laat mij genoeg hebben aan die paar vierkante meter die U voor mijn bestaan hebt gereserveerd.

Dank U, trouwens, dat U met mij daar staat: aan de bronnen van de intense vreugde over al wat leeft; maar ook aan de grens van waar de waanzin me aanblaast.

Dank U dat stof en as geen vieze woorden zijn. Dat U me mijn kleine formaat niet verwijt: en mijn angst niet en mijn opstand! Ook het geheim van mijn tranen heeft zijn plaats in uw bestek: U zult het niet over het hoofd zien.”

Je mag weten dat God ook over jou zo lief kan zingen. “Ik heb je gemaakt! We hebben het er nog over! Het is geen misser van je, dat je het geheel niet kunt overzien. De geheimen zijn jouw schuld niet.”

Als in 42:7 staat dat Job gelijk heeft betekent dat niet, dat Job wint op punten van zijn vrienden door te redeneren. Hij zegt immers de meest vermetele, opstandige dingen. Maar die kwamen voort uit zijn lijden. Job ziet af van het twistgeding waartoe Hij God had uitgedaagd; want hij gelooft nu dat God wel voor hem is, en niet tegen. God staat naast hem aan de grens. God is een bondgenoot tegen de chaos.

God is geen begrip. Geen theorie. Niet de God van de filosofen, zal Pascal later schrijven; maar de God van Abraham, Izak en Jakob. Een God van levende mensen. In hun ups en downs. Bij Hem is wat menselijk aan jou is, niet tussen haakjes gezet; onbelangrijk. Daar kun je het zeer wel met Hem over hebben. Maar laat Hij dan ook antwoorden! Geslagen mensen mogen het uitschreeuwen, als het zeer doet.

GEBED

Here God in de hemel,
U kent uw mensen immers:
Dat zij de antwoorden niet op zak hebben,
Dat zij het leven van U moeten leren,
Dat ze met U een weg zouden
Vinden door de raadsels.
Door wat U wel weet dat
Te wonderbaar is voor uw kinderen;
Dingen waar wij niet bij kunnen.

Maak er ons vertrouwd mee
Dat dit leven toch de plaats is
Waar U te ontmoeten bent;
Waar we U gehoorzamen kunnen.

En waar U ons toch die vrede geeft
Dat het ‘goed is, dat die weg
Ook door Uw zoon gegaan is.’
En dat het goede land
Niet ver bij ons vandaan is.

Velen van ons kunnen
Uit zeer bevoorrechte posities
Tot u bidden.
Anderen hebben veel directer weet van
Al wat kapot is in hun leven.
Samen bidden we,
Dat U vrede blijft;
Of weer geeft.
Dat U weer opbouwt wat in brokken ligt.
Dat U mensen geeft
Met wie het goed is te zwijgen;
Dat u mensen geeft
Die een arm om je heen kunnen slaan
Als je vies bent van de vragen en zat van het leven.

We bidden eerbiedig,
Dat we ook in staat zullen zijn
In wijsheid om te gaan met onze vreugdes
Geeft dat dat ons ook altijd stil mag maken
En uitbundig en aanstekelijk.

En zo zou het een nieuwe morgen worden!

Advertenties

Een reactie op Wat heb ik toch met Mevrouw en Mijnheer Job….

  1. Pingback: Nieuwjaar voor kwetsbare mensen | Vrede is beweging

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s