Job 2 en 3: Jobs doodswens maar geen ‘voltooid leven’

(gemaakt voor 10 Juni 2018 Bleiswijk  en 17 Juni avonddienst Hardinxveld-Giessendam)

Waardevolle…..,

H 2 lijkt een verdubbeling van H 1. Maar zoek de verschillen.

Er is weer zo’n bijeenkomst in het hof van de Eeuwige. En weer die lichte verbazing: “Satan, wat doe jij hier?” Niet de ontzetting die je zou mogen verwachten: “Jij hebt hier niets te maken. Wat kom je hier doen!!!?” Satan was weer op de tour geweest. Ja, Satan had Job natuurlijk opgemerkt.

Als Job ter sprake komt heeft de Eeuwige NOG MEER reden om trots te zijn op Job. De Eeuwige heeft toch maar mooi de weddenschap over Jobs geloofshouding gewonnen. Satan heeft Job alles mogen afpakken, maar er kwam geen onvertogen woord uit zijn mond. “Wist ik toch!” kan de Eeuwige zeggen. En of Satan maar even wil bekennen dat Job ontzettend, maar dan ook ontzettend vroom, vromer, vroomst is.

Het is mij opgevallen dat er geen inzet is waarom gespeeld wordt. Moet Satan zich gewonnen geven en beloven dat hij God nooit meer tegen een van ons op zal zetten? Houd hij voorgoed op met zijn duivelse streken? Erkent hij Gods grote gelijk en houdt hij op te bestaan?  Blijkbaar heeft de verteller dat vergeten. Satan gaat zo al genoeg af.

Nav H 1 heb ik me nogal druk gemaakt over het beeld van God dat hier opgehangen wordt. Over God die achter onze rug om spelletjes speelt met DE Tegenstander. “Ga je gang maar, van mij mag je”. En hier wordt open en bloot gezegd door de eeuwige dat Job ONVERDIEND DAT KWAAD VOOR ZIJN KIEZEN HEEFT GEKREGEN. Een beetje samenleving noemt dat onrecht! En de Eeuwige zou daar mee weg komen! Je huivert, als je dit leest. God is op deze manier de grote verliezer: Straf zonder reden; gewoon omdat hij de grote speler wil uithangen. Het is een heel zwart beeld van God dat hier opgehangen wordt. Dus houd goed in de gaten: dit is maar inkleding van het verhaal. Maak er vooral geen dogma van. Verhef het niet tot leer van de kerk. Want dan hoeft de oppositie alleen maar in te koppen: ZO’N GOD GAAN WE DUS NIET DOEN. Als God niet beter is dan de slechtste van ons….. neen, dank u!

De verteller bedenkt nu een tweede ronde. Satan vindt nu dat de vorige weddenschap te makkelijk voor Job uitviel. Hij zal wel anders piepen als ook Jobs gezondheid aangetast wordt. Niet dodelijk, maar toch wel ondraaglijk.

Wat een raar beeld heeft satan eigenlijk van Job. Denkt hij nou echt dat de dood van zijn 10 kinderen, en de ruïne van zijn bedrijf niks voorstellen! Denkt hij dat Job zo’n ijskonijn is dat-ie niet gevloerd is door het verlies van al zijn kinderen, en pas iets voelt als het aan zijn eigen velletje komt? Het onheil van een ander laat je onberoerd,maar als je zelf een paar puisten hebt, dan is meteen Leiden in last? Job de zelfzuchtige, met een wat hoge prikkeldrempel?

Ook dit is maar aanloop naar de probleemstelling van de gesprekken straks.

En nu gaat het echt anders worden dan in H 1. Voordat we weer een lauwe reactie van Job, krijgen geeft Mevrouw Job haar mening. Ze kan niet meer. Ze heeft het helemaal gehad met deze man met zijn ijzerenheinige zwijgen; veretterd en in de vuiligheid. Je hoort haast de verbittering om de dood van haar kinderen; en waar haar man haar niet over heeft getroost. Ze is op haar beurt ook niet heel invoelend met Job. Geen warme arm om zijn ontstoken schouders. Hij is te vies voor een knuffel vol begrip en mededogen. Maar ze is vooral boos.
En we begrijpen haar. Toch?!
Maar ze heeft het ook duidelijk gehad met die God van haar echtgenoot. Daarmee stelt ze het thema van de komende gesprekken. Twee zinnetjes. Dodelijk scherp. En verder heeft ze er niets aan toe te voegen. Ze zal daar gek zijn en er lange redevoeringen over houden. Haar mooi niet gezien. Ajuu Paraplu. Zo zeer doet pijn.

Even terzijde. De rabbijnse uitleggers, maken dat harde optreden van Mw Job weer een beetje goed met het verhaal dat ze dan toch maar heur onbeschrijflijk mooie haar heeft afgeschoren en verkocht om er medicijnen van te kopen. Hoe mooi is dat!

Nu de reactie van Job. Ook die is anders dan in H. 1. Hij reageert op de woorden van zijn vrouw.  “Jij bent gek; je praat althans als een gek”. Niet vergeten dat Job ziek is. Tragisch dat hij zijn lief, zijn levenslicht zo afstoot. Hij vergeet dat ze gek is van haar eigen verdriet. Haar eigen leven is minstens zo’n verschrikkelijk raadsel als dat van Job. Houd dat in de gaten. Je hebt elkaar natuurlijk veel te hard nodig dan dat je de ander zo moet afbekken. Het is de mantelzorger die de mantel uitgeveegd krijgt.

Mooi theoretisch gesproken zegt Job niks fout over God. Maar zijn vrouw had iets anders verdiend.

Een opvallend verschil met H 1 zijn ook de drie vrienden.  Zo te horen zijn het buitenlandse vrienden. Dat doet er niet zoveel toe, maar het zal wel betekenen dat het grote spekkopers waren. Het internationale neusje van de zalm. Zeer bekwaaame lieden. Export kwaliteit.
En ze hebben ook nog de tact om eerst zeven dagen en nachten hun mond te houden. Dat is goed: vrienden om je heen die niet met dikke verhalen aan komen. Die naast je zitten. Met stomheid geslagen. Goed.

Maar als ze straks dan hun mond opendoen, blijkt dat ze die hele stille week  niet zo zeer met Job zijn bezig geweest, maar met hun feilloze theorieën die ze op hem los laten.

Maar nog is het stil. maar de verteller last geen 3e bijeenkomst op Gods hoofdkantoor in om te vieren dat God Satan in kan peperen dat hij WEER VERLOREN heeft.

Maar na een week zwijgen neemt Job dan het woord. Laten we lezen Job 3.

Job vervloekt zijn geboortedag.

Het is met enige schaamte dat je dit leest. Is dit wel voor onze oren? Zo intiem die pijn. Je kunt je ook afvragen of Job zich voor dit hele erge wel zo mag uit putten in mooie beeldspraken en hoogdravende zinnen? Wanneer mag je nog ergens een kunstwerk van maken. Mooie woorden kunnen ongepast zijn. Het is onbevattelijk, per se: ZWIJG DAN. Zo heeft men wel gesteld dat het schrijven van gedichten na de Holocaust barbarij is (Adorno).  Wek niet de indruk dat je iets verstandigs, iets moois weet te zeggen. Je kunt er niet bij! Je HEBT erg geen woorden voor. Dus ook geen mooie. Je kunt nooit meer op de oude voet verder. Lees de boeken van Elie Wiesel over de moord op de Joden. Met al zijn boeken zegt hij “ZWIJG erover. Het is te erg!” En daar krijg je dan terecht een Nobelprijs voor. Als je alles gezegd hebt heb je het nog niet benoemd. Preek niet tegen de pijn van je naaste. Redeneer niet! Maak het niet mooi; plaatsbaar; netjes; verbloem het niet.

Maar praktisch komt Job geen steek verder. Hij blijft daar levend-dood op zijn mestvaalt zitten. Met als enige troost zijn krabber. Vrouw, kinderen, knechten, God is hij allemaal kwijt. Maar hij heeft het er tenminste allemaal uitgegooid.

En dat is al heel wat. Voor de oren van zijn vrienden. Al horen die hem niet echt.

Vanaf vers 13 geeft Job voorstellingen over dood zijn. Het is er allemaal even prachtig. Al dat gedoe van het leven heb je dan achter de rug. Het klinkt bijna als: zorg dat je dat leven zo snel mogelijk achter de rug krijgt. Ik denk ineens  aan de kindermoord in Bethlehem daar werd wel bij gepreekt van : die kindertjes werd de omweg van dat hele moeizame leven bespaard,- die gingen rechtstreeks naar de hemel.

Ook dit gaat het thema van de gesprekken niet worden. Je moet ook hier geen dogmatiek van maken.  Jobs woorden over het dodenrijk gaan in de richting van de voorstellingen die veel christenen hebben over de hemel. Veel liederen van de kerk gaan zo. “Er is een land van louter licht, waar heil’gen heersers zijn.” Dat is bijna letterlijk Job 3: 13-15  “Daar is het altijd lentetijd, in bloei staat elke plant”. (753).

Bij Job is het dodenrijk wel erg goed. Maar dat wordt toch niet de thematiek van de gesprekken. Job vraagt natuurlijk niet om dood te mogen zijn: MAAR zijn leven moet anders, daar is iets fundamenteel mis mee.

Het is misschien wel poëtisch dat je je geboortedag vervloekt en hoog opgeeft van dood zijn om van alle moeilijke verantwoordelijkheden en scheefheden en onrecht en pijn van het leven af te zijn. Maar zo werkt dat niet. Je moet wel degelijk klaar zien te komen met het raadsel van het leven.

Het probleem is niet die dood. De gesprekken die volgen gaan over dat leven waar je niet vanaf komt.  Dat mag een raadsel blijven, en leer maar met dat raadsel om te gaan.

Job heeft het eruit gegooid. Maar het klinkt nu ook weer niet alsof hij daar erg van opknapte en er een heel ander mens van werd. Inhoudelijk lijkt het erg op wat zijn vrouw in eerste instantie zei.

“Onrust bevangt mij” zijn zijn laatste woorden. Maar dus niet bang  voor de dood, want die noemt hij meer dan welkom, maar voor het leven wat zo afschuwelijk is, maar waar hij niet onderuit kan.

Daar gaan de gesprekken nu over. Over dat leven. Waar jij maar geen greep op hebt. En dat zou nog niet zo erg zijn, als het maar niet zo’n pijn deed.

Nu zoekt de moderne techniek de oplossing in beheersen van het raadsel. Zorgen dat je WEL de greep krijgt die je mist.
Maar Gods antwoord aan Job komt uit bij ‘Het geleefde raadsel van het leven. (H 38 e.v.)

Die gesprekken eindigen bij een God die alle reden zou hebben om maar van de mens verder af te zien; de brokkenmaker. God zou alle reden hebben om het experiment Mens dood te verklaren. volledig mislukt. Maar Hij doet dat blijkbaar niet. Dat is het echte raadsel. Dat mag je aanvaarden. Je kunt het niet ontwarren.

Dat is niet iets voor als we mooi dood zijn. Want juist levend zijn wij in goede en slechte tijden Gods variant op de duisternis. Serious business. God heeft ons nodig als alternatief voor de duisternis en chaos van den beginne.

God antwoordt Job uiteindelijk: IK BEN JOUW TEGENSTANDER NIET. IK BEN VOOR JE.  Amen.

 

Advertenties