Het groene oog praat

De titel laat ruimte voor de gedachte dat ik (helemaal of enigszins) ‘van het padje’ ben. Maar ik kan het uitleggen. Het is geen SF. Ik heb geen ontmoeting met een alien. Sterker: het zijn niet mijn woorden die in de war zijn, maar de werkelijkheid begint door elkaar te lopen. Lees en huiver; nou, een beetje dan.

Je kent dat wel: al die lampjes die ’s nachts branden in je huis. Niet meer bij een kind dat bang is in het donker, want die zijn de deur uit bij ons.
Maar bv het antwoordapparaat van de telefoon: rustig maar, je hebt geen nieuwe berichten.
Een rood licht van de stopcontactendoos.
Een lichtje van de ‘electrische (seniorenopstap-) stoel’.
De experiabox van KPN, een hele druktemaker met een tiental gele knipperlichtjes. Display van de verwarming.
Ik doe al expres de tv echt uit; dat scheelt een controlelampje.

Donker is in het open veld niet meer wat het geweest is, maar ook binnen is het nooit echt donker. En dan heb ik nog niet eens overal lichtjes van smartphones, bewakingscamera’s, beveiligingsapparatuur.  U hebt misschien nog een babyfoon, andere opladers, etc.

Maar bij ons is de kampioen: een groot groen oog. Het zit op een apparaat waarmee wij old timers in geval van nood direct praat (voice) contact kunnen oproepen met een zorgcentrale. Groen betekent: ‘Ik ben er klaar voor’, zo staat hij daar in zijn houder. Hang hem om je nek en hij kan gebruikt worden. Hij lijkt je een knipoog te geven.
Hij hoort bij onze comfortzone.

Maar wat gebeurt?
Gisteren.
Gewoon tijdens het tv-kijken.
Ik hoor geluiden, die ik niet thuis kan brengen.  Ik maak de pavlov-beweging naar de telefoon naast me niet af: het is een ander geluid; in een andere kamer. Dan denk ik dat het bij het tv-programma hoort. Kan ook niet: want ik kijk naar voetbal of tennis. Mobile-telefoon is het zeker ook niet. Ik ga op het geluid af. En ik zie dan het ‘groene oog’ oranje (!) knipperen. Nooit mee gemaakt.
Ik had er beslist niet op gedrukt. Maar ik doe het nu toch maar. En van de weeromstuit beging ik er  maar tegen te praten.
En het ding praat terug!
Uit het groene oog komt een aardige vrouwenstem: “Ja, ik ben op zoek naar de verfwinkel!”
De vrouw vertrouwt me blijkbaar als ik haar zeg dat ze ons alarmapparaat gebeld heeft. Ik hoop maar dat ze niet aan zich zelf is gaan twijfelen, toen ze het contact verbrak. Ze zal mogelijk de huiselijke alcoholvoorraad gecontroleerd hebben. Ze moet haar oren niet geloofd hebben. Ze zal toch wel gedacht hebben dat ik stoned moet zijn geweest, en dat dat haar nu juist weer moest overkomen!

Als ze opgehangen heeft, kan ik contact maken met de alarmcentrale. Die gaan het bij de technische dienst opbiechten.

Een en ander deed me meteen denken aan een boek van Max Dendermonde: daarin wordt een mens per machine verplaatst, maar de ziel blijkt niet mee overgeseind te zijn. Die losse ziel blijkt op de radio als storing te horen. Stem uit de ruimte…. wie mag het zeggen!

Het bracht me ook terug in de tijd op een kansel in R. Daar werd de geluidsversterking gestoord door iemand in de buurt met een zender of een telefoon. Maar daar konden we niet tegen praten; we deden de geluidsversterking uit en ze verzochten de dominee dit keer ‘zijn bek op tien lampen’ te zetten. (NB Google schijnt die uitdrukking niet te kennen.)

Maar ik zag ons groene oog beslist knipogen: we delen toch maar een raadselachtige wereld!

Advertenties