We voeren hier oorlog, hoor!

We zaten in een serieuze discussie. Over geweld en de vragen van vrede en geloof in effectiviteit van wapens. Op zich al verheugend dat zo’n gesprek mogelijk bleek. We ervoeren dat de polarisatie van destijds inderdaad wel over was.

Maar wat bleef het moeilijk. Wat waren de zorgen groot. Er staat erg veel op het spel.

Laat nu op een gegeven moment iemand dit prachtige verhaal vertellen.
“Een groep kinderen is oorlogje aan het spelen. Uitgerust met fantastische wapens schieten ze er vrolijk op los. Doden vallen bij bosjes; helden, gewonden en verwoesting alom. Testosteron vliegt je om de oren. Ze genieten mateloos.
Totdat er opeens twee echt ruzie krijgen. Waarschijnlijk over de kwestie ‘Ja, je was al dood maar nu schiet je weer mee; dat kun je niet maken!” en dan een scheldwoord. “Neen ik was helemaal niet dood, want jij kunt niet schieten!” Je kent het wel. En het draaide op echt knokken uit; aangemoedigd door velen; de oorlog leek helemaal vergeten.
Komt er vervolgens eentje tussenbeide: “Hé, schei nu uit met ruzie maken. We zijn oorlogje aan het voeren, hoor!”

Waar kunnen je gedachten heen gaan, na zo’n verhaal?
Het klonk koddig.  Want uit de kindermond. Zo maar de diepe wijsheid vertolkt dat ruzie het spel verstoord.
Maar ook de absurditeit dat oorlog als vermaak ‘leuk moet blijven’. Minstens zo absurd, als een wet die voorschrijft dat een dokter een gezondheidsverklaring moet afgeven aan ter dood veroordeelden eer de executie plaats vindt. Verkouden? Dan gaat het niet door! (Heb ik me laten vertellen; als het niet waar is, lieg ik in commissie.)

Houden kinderen de grote boze politici een spiegel voor? Ook die van: iets kan zo maar uit de hand lopen en dan is straks het leed niet te overzien.
Als iets ‘leuk moet blijven’: de enige leuke oorlog is natuurlijk die waar je niet aan begint, of waar niemand op af komt.

Mag ik er het verbluffende slot van het verhaal van ‘domme Jankel’ bij vertellen, dat Karel Deurloo en Karel Eykman in “De lichtboot” doorgeven?

Jankel heeft in zijn leven nog iets gezegd, waardoor er nog steeds over hem verteld wordt, want hij zag dingen, die andere mensen niet zagen. Hij was opgeroepen om soldaat te worden in het Poolse leger. Daar waren joodse jongens wel goed genoeg voor. Hij moest leren marcheren, hij moest leren schieten, maar hij liep altijd uit de pas en hij kon zijn geweer nooit goed in elkaar krijgen als hij het had schoongemaakt. Van de dertig verschillende scheldwoorden die de sergeant over hem uitbraakte, kon hij alleen het woord Jood onthouden, maar hij begreep niet dat dat een scheldwoord was. Toen de oorlog begon, lag Jankel met zijn bataljon aan het front in de loopgraven. Alle soldaten waren bang en zenuwachtig. Jankel keek met grote ogen naar ze. Oorlog, daar hadden ze toch altijd voor geoefend. Toen naderden in de verte de Duitse tanks. Het éne salvo volgde op het andere. Om hen heen ontploften de granaten. Jankel sprong op. Wat is dat? vroeg hij verwilderd. Hij gooide zijn geweer neer en klom uit de loopgraaf. Domme jood, kom terug, onmiddellijk! beval de sergeant. Eén van de soldaten greep hem bij zijn laars, maar Jankel liet zich niet vasthouden. Zijn laars gleed uit en hij rende op één laars en één sok de vurende tanks tegemoet. Jankel zwaaide met zijn armen in de lucht en schreeuwde: Pas op! Pas toch op! Hier liggen mensen!

Advertenties