God is al uniek; nu wij nog

(Preek bij Marcus 12:28-34; nov 2019)

Waardevolle…

Kijk die schriftgeleerde nou toch eens. Nadenkend trekje om de mond. De debatavond met de jonge rabbi Jezus gaat als een speer. Man, die kon er wat van! Hij gaf iedereen lik op stuk. Geen speld tussen te krijgen. Jezus die steeds een niveau hoger schakelt dan de strikvraag. Een genot om naar te luisteren! Genomineerd voor de Nicodemus-award voor debater van het jaar 30.

Hij wil zelf ook een bijdrage aan de avond leveren. Hij komt niet met een strikvraag, zoals die andere vraagstellers. Hij geeft Jezus de kans om heel in het algemeen te vertellen hoe Hij God en leven met God ziet. Het kan een prachtige avond worden. 

En Jezus gaat meteen los! HET gebod is Deut 6. Als je een Joods kind midden in de nacht wakker maakte zou het dat meteen kunnen spuien: ‘De Heer is één’. Dat hadden Maria en Jozef er goed ingestampt bij Jezus. Of anders die vroede mannen in de tempel wel, destijds toen Hij zes was. In zoverre geen nieuws. Dat wisten ze allemaal ook wel. Die unieke God liefhebben. Zeker. Dat is zo centraal. Dat zat ook in het lesprogramma van elke schriftgeleerde.

Later zouden mensen van die eenheid monomanie maken. Een god die gillende gek zou worden van andersdenkenden. Die moesten te vuur en te zwaard en ter synode bestreden worden. Want er kon maar één god gelijk hebben. Daar bleek dan wel uit, als je goed luisterde, dat zo’n god helemaal niet uniek is: die lijkt als twee druppels water op mensen; vaak mannen.
Rabbi Jezus laat de kans liggen daar iets hartverwarmends over te zeggen. God is één, ja maar wat wil dat dan zeggen; wat doe je ermee? Hoe uniek is uniek werkelijk? Waarin dan uniek? Vaak komen wij in ons denken over God niet verder dan: God is alles wat wij zijn, maar dan een schepje er bovenop. Méér, maar wel van hetzelfde. Dat zit in onze beelden: vader, koning, schepper, verlosser, regeerder, herder etc.

Zonder dat de schriftgeleerde het gevraagd had krijgt hij er nog een tweede gebod bij. Je naaste liefhebben. Ook helemaal goed;ook dit is een prima antwoord. Helemaal mee eens. Ook thora. Prachtig, rabbi!
Ik stel me zo voor dat Marcus met deze paar verzen een geweldig boeiende lezing van Jezus heeft weergegeven, die misschien wel tot in de kleine uurtjes duurde. Hij zal zijn stelling over de unieke God van Israël wel uitgewerkt hebben; en allerlei pakkende voorbeelden/gelijkenissen besproken hebben van het liefhebben van je naaste. Zoals van de Barmhartige Samaritaan, die Marcus weglaat, maar Lukas wel voor ons bewaard heeft. Geweldig. NB Markus zet deze man geheel positief neer… en Jezus heeft niks op hem tegen. Hij neemt afscheid met een welgemeend: ‘Je bent niet ver van het koninkrijk van God, tot ziens; ik zie je daar wel!’. 

Heel open. Je hoort niks van Jezus die zegt: en nou moet je in naam van die ene God ook mijn partij kiezen. ‘Je bent niet ver van….’

En dan komt de man thuis, die schriftgeleerde; helemaal in de zone. Geweldige avond gehad. En zijn vrouw raakt ook enthousiast als hij haar ervan vertelt. Want ze heeft zelf ook theologie gestudeerd, zullen we maar zeggen. Het zal wel heel laat geworden zijn, stel ik me voor. Maar, nu komt het: ‘Ja, Hij zei tenslotte nog iets heel vreemds, – daar ben ik nog niet uit. Hij zei tegen me: ‘Je bent niet ver van het rijk van God’. Wat zou Hij daar nou toch mee bedoeld hebben’? 

Op welk verschilletje zit het dan nog vast? 

Even tussendoor: er staat ook zoiets in Psalm 8: als de mens beschreven wordt als het 8e wereldwonder van God. “Weinig laat ge hem ontbreken of hij is God”. Hoeveel ontbreekt er dan nog? Wat schort er nog aan? Wat kan God wat wij nog net niet kunnen? Wat IS God, wat wij niet zijn? En: hamvraag van 21e eeuw: zullen wij dat verschil met onze techniek dan nu in gaan lopen? Is het een kwestie van nog dat kleine beetje groter groeien en dan zijn wij God? Kunnen wij met onze kennis invullen wat we nog op God achterliggen? Want ze zeggen dan wel dat God dood is, maar de mens is springlevend. Hij grijpt in, in het erfelijk materiaal van de mensheid. Hij troeft de natuurkrachten af. Is er zelf een geworden. Hij zou zelf de natuurkracht kunnen zijn die de Apocalyps aftrapt. Een duistere ambitie om zo God gelijk te willen zijn, maar het is een realistische.
Net hadden we: God is net als wij maar een tikkeltje meer; nu hebben we : wij zijn als God, maar nog net een tikkeltje minder, maar dat maken we wel goed.

Terug naar de rabbi en zijn vrouw die met al hun vragen de nacht in moeten. 

En zijn vrouw had ook gezegd: “Joh, je had door moeten vragen. Waarom is dat nu het grootste/eerste?  Wat moet je met ‘Hoor Israël God is uniek; uit één stuk’. God zal best uniek zijn, nou en!? Makkelijk genoeg op te dreunen, maar wat is het inhoudelijk? Heb je er ook wat aan als er op het scherpst van de snede geleefd wordt? Moeten wij dat ook worden: zo uniek?’

Hoe EEN is God, voor: 

  • die 250 verkwanselde vluchtelingen laatst bij dat verbrede kinderpardon?
  • wapenhandelaar Nederland?
  • slachtoffers van moord en verkrachting?
  • frauderende politici?
  • zuipende jongeren?
  • belaagde hulpdiensten?
  • wachtlijsten psychiatrische hulpverlening aan jongeren?
niettezeggen

Onzegbaar land 5

Ik ga nu nog iets meer schrijven over die eenheid. Beelden die we voor God gebruiken, suggereren dat God ergens bij hoort; een soort. Die elders in de kosmos ook voorkomt. Of in de mensheid: een koning, een god, een vader.
Neen, God is geen bestaande, ons wel bekende soort. Hij kan niet eens bestaan, zoals wij bestaan; anders zou hij daarin niet uniek zijn, anders dan wij. Het uniek zijn van God rekent af met de gedachte dat WIJ mensen de maat aller dingen zijn. Zoals WIJ zijn er geen anderen.
We hebben, denk ik, die uniekheid van God te veel los gelaten. Dat EEN zijn van God. Zou het kunnen zijn dat dat komt omdat we Gods menselijkheid in Jezus zo zijn gaan benadrukken? Daar zit in elk geval een spanning. We zeggen trouwens ook wel dat God zo goddelijk is dat Hij mens kan zijn als Jezus. Dat is dan wel heel uniek. O.K. dat is meer dan de schriftgeleerde gedacht zal hebben. Dat is meer ons voortschrijdend inzicht.

Hamvraag vind ik voor nu de vraag: Heeft het Uniek zijn van God ook te maken met het stukje dat we nog achter liggen op God?
Ik weet er niet alles van en ga er niet te diep op in. Maar wel dit, iets dat heel voor de hand kan liggen: Zou het unieke aan God in feite niet betekenen dat we dat stukje dat we achter liggen op Hem ook maar zo moeten laten?
Daar kunnen we voor kiezen; want dat is wel uniek aan ons, mensen. We hoeven niet wat we wel kunnen. Dat maken alle geboden wel duidelijk. Doodslaan kunnen we wel; als de besten; en met de nieuwe JSF kunnen we het nog super veel beter. Maar de wijsheid is natuurlijk om het niet te doen. Dan heb je het leven pas echt begrepen. Verzin iets beters.
Natuurlijk kunnen we stelen, bedriegen, roddelen, over lijken gaan en frauderen als de besten. We leggen kamerbreed een tapijt van smerigheid en laster en onzin uit. Maar het unieke aan ons is natuurlijk dat we dat NIET doen! Neen, nou niet flauw doen, dat snap je best uit de verhalen van Jezus. Dat lees je inderdaad niet af aan wat zijn volgelingen allemaal in de geschiedenis uitgehaald hebben of laten liggen. Maar het is wel het hart van die gespreksavond met Jezus. En van elke zondagmorgen als Hij aan het Woord mag komen. We zitten er vlak tegenaan om dat Koninkrijk WEL te doen. WEL te breken met de duivelse opzetjes die we al zo lang overeind hebben gehouden.

Ter afronding nog even peinzen over: ‘Je bent niet ver van het Koninkrijk’… dat is heel uitnodigend. Eerst was de wetgeleerde zo enthousiast over Jezus; nu ziet Jezus die man wel zitten.  Jezus zegt dat, met een klein verschil nog tegen iemand anders. Namelijk tegen een moordenaar naast Hem aan het kruis: ‘Je bent ‘heden’ in het Koninkrijk’. Kan cynisch klinken. Maar als je gelooft dat Jezus in zijn laatste uur NIET CYNISCH kan zijn, dan is het wel heel uniek. Hier is dat kleine verschilletje wat Jezus nog constateert bij die wetgeleerde ook weg.
Als je samen aan een kruis hangt dood te gaan, zijn blijkbaar alle verschillen weg. Mag je het zo zeggen? 

Of is het iets anders? Zou je Jezus kennende niet mogen zeggen: dat stukje dat je er nog vanaf bent, maakt niet uit… Tob er maar niet verder over; ga maar lekker samen slapen. En dat deden ze toen maar, de rabbi en zijn vrouw. En ze leefden eeuwig en gelukkig.