‘Heerlijke oorlog’ en of de mensen deugen

André Klukhuhn schrijft een meeslepend boekje getiteld “Berichten uit het Feniksnest”. Hij analyseert daarin bepaalde tijden waarin er verhevigde belangstelling is voor de idee van een einde der tijden of zo. Ook onze tijd is er zo een. Wereldondergang al dan niet met daarna een soort hemel en al dan niet een hemel op aarde. Enorme oorlogen zijn een vast onderdeel.

Nu weet ik daar q.q. wel wat van. Maar zijn hoofdstukje over de positieve aandacht die er voor dit thema was in de tijd van ‘fin de siècle naar interbellum’ schokte me.
Ik was tot dan toe eigenlijk niet verder dan dat ik wist van het kanonnenvoer dat de Eerste wereldoorlog werd ingestuurd

Wereldoorlog I roos

Nog elk jaar opgeploegd

en dat naar het lachende thuisfront schreef: ‘Voor Kerstmis zijn we weer thuis’. Ik wist van overmoed en brallende uitspraken van regeerders. Ik wist van de benaming ‘oorlog die aan alle oorlogen een eind zou maken’. (wie heeft die bedacht?)
En verder weet ik alleen van enorme kerkhoven. En van een land als België dat eigenlijk gek moet zijn van al dat kwaad dat in het grondwater zit; van al het leed dat ze elke lente weer boven ploegen; van alle kwaad en leed dat een bron van toerisme kon worden. Een land dat verder probeert zich gewoon als land te gedragen. Het is niet te vatten. Peter Vandermeersch schildert het ons vlot en bekent zijn tranen als hij de “Last Post” hoort in de Menenpoort op de herdenking 100 jaar Einde WOI in Ieper.

Image

Menenpoort Ieper

Maar Klukhuhn wil ook van een optimistische kant aan de zaak spreken en hij maakt een pikzwart lijstje met kopstukken die de oorlog die losbarstte in 1914 ronduit bejubelden. Mannen die niet hoefden te twijfelen aan hun verstand of hun talent zeiden en schreven de ergste dingen. Althans in mijn ogen. Ben ik dan gek? Of weten zij dan niet waar ze het over hebben, misschien?
Twee keer antwoord: neen. Ik ben niet gek; maar er is geen enkele reden om ondergang en moord te begroeten en als iets verhevens neer te zetten. En zij moeten dat net als ik geweten hebben. Kijk maar.
Op zijn lijstje staan mensen als:

  • Rilke, die we nog kennen van Herbsttag, nu met een hymne aan de oorlog,
  • 3016 hoogleraren met een “Verklaring”,
  • André Gide,
  • Marcel Proust,
  • Henri Bergson,
  • Wilhelm Röntgen,
  • Max Planck,
  • Sigmund Freud en
  • Thomas Mann.

Ik wil K. hier niet verder bespreken. Hij wil gezegd hebben: al het leven op aarde gaat er niet zo maar aan, nu de moderne mens zo veel slechts kan doen dat je wel weer aan een einde van de wereld kunt denken. Neen, er is zo veel biomassa die de meest extreme omstandigheden wel zal overleven, dat er toch wel weer een nieuw evolutionair avontuur zal beginnen, na evt rampen in het antropoceen. Ik ga zijn boekje verder lezen, maar nogmaals, hier niet bespreken

Wat K. doet met het lijstje in de opbouw van zijn boek? M.i. niet veel. Hij signaleert, dat er bij de apocalyptische sfeer rond een wereldoorlog ook heel blije en verheven geluiden waren te horen. Door mensen van naam en faam en rang en stand. Misschien is hij wel de cynicus pur sang dat hij daar verder niks bij zegt. Of inderdaad gewoon: ik moet het over iets anders hebben.
Maar mij heeft hij wel meteen weer bovenop de kast!

Ik ben even bij de blije dingen die de psalmisten ons laten zingen over oorlogen des Heren etc. Bij de doortocht van de Rode Zee: ‘Het ros en zijn ruiter schoot hij in zee! (Naardense Bijbel). Ja, maar dat mag je niet lezen zonder de wijsheid van de rabbijnen: De Heilige wilde toen volgens hen niet mee vieren in de vreugde van de dienstengelen. “Want het zijn wel mijn schepselen”.
Zou er een minderheid voor te vinden zijn, om een verbod op die ‘oorlogspsalmen’ te bepleiten in de kerken? Of kom je dan op het niveau van de zwarte Piet discussie? En dus maar  niet?

Ik kom bij de heldenvering steeds weer op 4 en 5 Mei. Helden dat zijn daar de types die meer doodschoten dan anderen, dan wel die doodgeschoten werden. In beide gevallen ‘gaven ze hun leven voor (zoiets ongrijpbaars als) ‘ons land’. Men praat er maar op los. In plaats van voorgoed de mond te houden.
Kerk en vrede komt binnenkort met een special over geweldloos verzet. Dat moet haast wel een lijntje hebben naar “De meeste mensen deugen” van Rutger Bregman. Die op zijn minst verrassende dingen opvoert waarbij het paradigma ‘de mens is slecht,- die kun je maar beter in zijn kwade neigingen vóór wezen of overmeesteren’ doorbroken wordt. Hij heeft een vilein stuk over de dapperheid en vaderlandsliefde en de strijdersmoraal van de Duitse soldaten in de Eerste Wereldoorlog. Volgens hem is gebleken dat de Duitsers helemaal niet zo vochten voor de grote idealen, maar slechts uit kameraadschap met de overige maten van hun pelotons!

Als je van het kwaad, geweld, oorlog, – noem het De Boze – goede dingen blijft zeggen, houd je de idee mede in stand ‘dat we dat nog wel eens kunnen doen’ , om ons moverende redenen. Dat het een bruikbaar middel is; en dus oorbaar. Dan kan men kletsen wat men wil over ‘Dat nooit meer’, maar als het in een of andere kern toch te verheerlijken dan wel te vergoelijken is, dan zorgen we gewoon voor nog weer wat betere / ergere spullen en doen we het bij gelegenheid nog eens dunnetjes over. Hoe simpel zegt Oosterhuis dat niet: ‘Wie een geweer heeft gebruikt het’.

Dan vraag je je tenslotte af : waarom zit dat besef (met bijbehorende schaamte) niet standaard in het mensenpakket? Waarom verrijzen er uit elke haard van onheil en verderf altijd weer feniksen die weer op het onheilpad gaan? Waarom is ‘Dat nooit weer!’ nooit in vervulling gegaan!
Ik heb Bregman nog niet voldoende verwerkt om te kunnen beweren dat hij met zijn analyse en zijn afsluitende tien tips ook een werkbare oplossing geeft. Ik denk op deze vooravond van Kerst dat ‘de meeste mensen deugen’ wel eens de achterkant kan zijn van ‘in de mensen een welbehagen’.