En een man worstelde met hem…

Er wordt bij Genesis 32:25(ik gebruik de Naardense Bijbelvertaling) altijd gepreekt over Jakob. En het is ook niet zo moeilijk uit te leggen wat Jakob hier doet en meemaakt. Maar die man die komt om Jakob te overwinnen… is mysterieus.

Om voor de hand liggende wil Jakob die man bevechten. Als hij die uit kan schakelen kan hij de oversteek maken. Het gevecht gaat om de toegang tot het land over de Jabbok (‘worstelbeek’). Iets anders lijkt me onlogisch. De man kun je dan als grensbewaker zien, of heeft tenminste die rol. Dat is zijn functie. Dan kan hij wel geduid worden als de geest van de rivier. Maar even goed als de ‘duistere'(?) kant van Jakob zelf.  Want Jakob wil Kanaän weer in, en die ander blokkeert hem. Dat is spannend; durft hij wel; welke tegenstand krijgt hij te verduren; kan hij dat allemaal aan; wil hij eigenlijk wel hard genoeg? Dan kan het om een interne blokkade gaan zowel als om een (reële of veronderstelde) externe.

Waar ik mee worstel: wat wil dat zeggen, dat Jakob door die ander gezegend wil worden. Dat is toch een veel te geladen woord dan dat het toegang vragen kan zijn. Merk op dat Jakob aan het begin van dit verhaal al gebeden heeft dat God hem gezegend HEEFT. “Je gaat het goed maken!”, neen “Ik zal het goed met je maken” vs 10 en 13. Waarom zit  die (?) God hem nu dan op het lijf?
Wel laat dat wat mij betreft maar een vorm zijn. Van de verteller die aan wil geven dat Jakob hier een ‘omstreden’ stap gaat zetten. Terug keren naar de omgeving waar je het verkloot hebt, met je hele zegen en met je lieve moeder! De verteller kiest niet de vorm van mediation: praat het rustig uit. (Lees maar eens  bij Guus Kuijer hoe smerig er gevochten wordt! Een hele nacht nog wel! Niet even een nietszeggend porretje. Daar ook de overweging: wat is dat voor een god die het de moeite waard vind een robbertje te komen vechten ) Wie een fatsoenlijk godsbeeld wil staat meteen 3-0 achter.

De verteller zegt ondertussen wel, dat zegen geen uitgemaakte zaak is. Daar moet (vaak genoeg) om geworsteld worden. Zegen is een zaad, dat (onder verdachte omstandigheden) moet groeien, zegen is niet meteen de vrucht, het eindresultaat. Zegen is geen ding maar een gebeuren, een proces. In dat proces spelen onze beslissingen mee. En dan bovendien nog dit: een zegen krijgen en een zegen zijn! Als je daar niet om geworsteld hebt ben je ook geen knip voor je neus waard. (Bedenken wij. Zou het wel een thema zijn van de verteller? Ja, het is hoofdlijn van de zegen van Abraham: “Word een zegen” genesis 12:2.
De worsteling is vast en zeker bewustwording. Jakob moet zich realiseren waar hij mee bezig is. Misschien in de eerste plaats wel dat die tactische manoeuvres van de gesplitste karavaan nog niks voor stellen. Daar koop je Ezau niet mee af. Daar los je de schuld die je op je zegen hebt gelegd niet af.
Ik vroeg me af of in deze worsteling ook het besef bij Jakob daagt dat Ezau zijn concurrent niet is. Dat er genoeg zegen voor beide is. Bij hun ontmoeting verzucht Israël zelfs: “Als je jou tegenkomt, kom je God tegen”. Let wel dat wordt niet van Jakob gezegd die dan toch maar Gods Gezicht heeft gezien. Maar uitgerekend van Ezau. Ik kan daar nooit over uit. “Gods kinderen zijn rare peren” (Jaap Fischer)

Op zijn minst geeft deze scene aan dat Jakob het land van belofte niet zo maar binnen kan wandelen. Psychologisch is dat worstelen wel op zijn plek. Als overgangsritueel ook zeer makkelijk te plaatsen. Het markeert een volgende fase.

Nog even nagedacht over dat trekje in het verhaal : die ander kan het niet winnen van Jakob. Hij moet zelfs aan Jakob vragen: “Laat me gaan”. Alsof Jakob de overwinnaar is. In feite is hij dat ook. Die ander erkent dat dan ook. ‘Je hebt met God en mensen gevochten en hebt overmocht!’ Dan vraagt Jakob dus om een zegen van de man die hij verslagen heeft. Dat is toch niet logisch? De overwinnaar die buigt voor de verslagene?
Dat is theologie van eeuwen later : “maar heeft zich ontledigd… een losprijs voor velen.” God die al nederig is.

Dan sluit Jakob af: dat was een gevecht met God en ik heb het er levend afgebracht. (‘Ik ben ontrukt”)

Al met al een verhaal dat trekken van God onder de aandacht brengt die by far niet stroken in het godsbeeld van de christenen: een Almachtig God. Kuijer zegt er zelfs van: “God is menselijk en de mens is goddelijk, in al hun kleinheid en grootheid lijken ze sprekend op elkaar”. (Bijbel voor ongelovigen, 2018, p 168) Ontologisch kan hij dit  niet onderbouwen, maar verder… een zeer diepe gedachte, waar nog een Tweede Testament over zou geschreven worden.

… ‘maar hij loopt mank/om zijn heup’
Ik zou niet weten sinds wanneer de aartsvader hiermee de kasjroet van het slachten heeft gehaald. Maar de verteller weet al niet beter of het is in zijn tijd ook de gewoonste zaak van zijn (joodse) wereld. Mag je zeggen: als er meer achter zit, dat voor ons van belang is, zou hij het er wel bij verteld hebben? Nu snap je zelf wel dat er niks met die spier aan de hand is, maar probeer zelf maar eens je gevecht met God niet uit de weg te gaan. Maw er is nog wel wat meer aan de hand dan ritueel slachten.