In het huis van de Psalmen: 148 Psalm voor Katowice (1)

De krant brengt de resultaten van de conferentie van december 2018 in Katowice, ter zake van de klimaatproblemen. Ik schreef bijna automatisch: ‘klimaatproblemen van de wereld’. Maar ik zie in dat dat onzin is. De wereld heeft geen problemen met het klimaat. Wij mensen wel: het zijn onze problemen. Tenminste bezien vanuit de activistische kant. Wij maken ze; wij gaan ze te lijf; wij lijden eraan etc. . 
Je merkt: ik denk nog niet compleet in termen van de Gaia-theorie. Wellicht ten onrechte.

Maar eerst lees ik in mijn ochtendroutine Psalm 148. De Naardense Bijbel ; en ik ben ineens alert bij vers 8. Wakker. Het is allemaal schepping wat de klok slaat. Denk je toch even in dat ze op die conferentie ook met deze psalm zouden zijn geopend! 
Eerst een paar verzen om erin te komen: het gedicht is opgebouwd uit onze medeschepselen die van Halleluja (moeten) zijn. Gejuich all over the place! Uit alle hoeken en gaten. Bij de dieptemonsters, de grote grazers, al de engelen. En dan al dat water nog van boven en van onderen. Het staat er toch maar te zingen! Vooral doorgaan! Wat is dat water een ongedacht mooie uitvinding! Je moet er maar op komen. Klasse.
Ik merk dat ik zelf nog niet volop meedoe. Vaag besef ik: ja, dat is die andere wereld. Ik wil niet zeggen dat dat de mijne niet is, maar … die andere wereld is er al wel en nog niet; nu even voor mij nog meer niet dan reeds.
Om te beginnen, dat loflied: om erin te komen, om je zelf erin te wagen, zoals je eerst met een teen voelt of het water al aanvoelt als zwemmen. Dat het allemaal zo mooi beloofd is, dat is tenminste iets. Deze rustige start van de dag heeft me dat dan toch maar weer te binnen gebracht.
Dat maak je mee in het huis van de psalmen.

Onze medeschepselen stoppen niet met juichen, als ik dan in vers 8 te midden van ‘vuur en hagel en rook’ lees:  ‘geestesadem’. In de Naardense vertaling dus. Dat is nog eens een dagopening , mag je zeggen.
‘Geestesadem’, ja wel. Even later lees ik andere vertalingen, NBG, Zweedse; bewerkingen van Oosterhuis en Bremer, het vrijere werk en die hebben het toch maar leesbaar gemaakt tot : ‘stormwind’. Ook de berijmers Wit en Schulte Nordholt deden niets met ‘geestesadem’. De aloude Buber houdt het op ‘Sturmwind’.
En als het dat nu eens net niet is? Als er nu toch plaats is voor die notie: geestesadem? Als we dat toch maar oppikken? Is dat het ultieme waartoe we uitgenodigd worden? Hoort het erbij? Kan het allemaal in feite niet zonder?

Bij ‘geestesstorm’ gaat het niet over de gebruikelijke herfststorm; niet de niets ontziende orkanen in hun seizoen; niet de tegenwind waar zelfs mijn kleinste versnelling niet tegenop kan. Niet wat de wieken van de windturbines achter de vodden zit. Stormen die je zo hevig kunt maken als je wilt. Orkanen zitten erbij die soms nog onverdoofd aan land komen, verwoestend en wel. Huizenhoog en gewelddadig. Op plekken waar jaren later blijkt dat de hulpverlening het af heeft laten weten tegen corruptie dan wel wanbestuur. 
De dichter hoort die storm natuurlijk ook wel; als macaber basso continuo in het koor van de aardse en hemelse machten. En metereologisch kan het ook niet zonder. Storm moet. En je weet je klein. Ze zijn niet te temmen. Peter Kuipers Munneke, die er overigens niet over gaat,  zou eens moeten uitleggen op welk punt deze fenomenen nodig zijn, waarom kan het niet zonder. Durf je na een avondje orkaanbeelden te denken in termen van ‘schoonmaak’ ? Om op de kaal gevallen plekken nieuwe vormen van leven een kans te geven? Of is dat te fraai gedacht? Moet je het maar voor lief nemen dat die schepping ook een wrede kant heeft? En dat we daar nooit goed mee uit de voeten kunnen?  
En ze stonden toch allemaal zo ontzettend mooi te zingen!! Ook de partituur van Code Oranje.

Maar wat nu als de Hebreeuwse dichter destijds niet aan dat gewaai gedacht heeft. Als hij toch echt iets als ‘geestesadem’ bedoeld heeft.