Lied 280 als het nieuwe normaal

Ik was bezig wat gedachten op een rijtje te zetten bij de vernieuwing die de kerkdiensten moeten ondergaan in de zgn ‘anderhalvemetersamenleving’. Zie elders.
Daarbij stuitte ik op Lied 280 . Wat is dat een gul lied. Daar staat woord voor woord en zin voor zin, wijs en warm  waar het in een kerkdienst om gaat. Wat we daar komen zoeken. Het nieuwe normaal noem ik dat maar. Het is niet een kwestie van een kabeltje hier, belichting daar, redelijk geluid en wat tape.
Ik wil maar zeggen:  fiksen, maar eerst zingen; wifi, maar Spirit voorop. De tekst van Sytze de Vries en de melodie van Willem Vogel brengen ons daarvan op de juiste toonhoogte.

tekst

De Vries valt met de deur in huis: de vreugde. Laten we die in de gaten houden bij alle kleine en grote voorzieningen die we mogen/moeten treffen. De vreugde die hoort bij dankzeggen, eucharistie weet je dan meteen. Dat moet niet uit het zicht raken, bij de ellenlange protocollen die er zijn en de gebruiksplannen die moeten komen.
En dat daar het woord aan ons geschiedt. De Naam over ons uitgeroepen; het lied in ons gewekt. Ongelooflijk veel al. In vier regels. Kort en geweldig goed. Klagen over lege kerkbanken is er dus niet bij. Gelovigen zijn geen sneue types. Ze komen vanwege de vreugde.

O ja, je komt binnen in een ruimte die anderen al gevuld hebben. Waar nog de wolk gebeden hangt. Van hen die al op afstand geraakt zijn. Daar zou iets van op de tape kunnen staan van de looppaden die we gaan aanbrengen. En op elke legen plaats zetten we een kleine heilige van ooit of een grote geliefde van vroeger. Of foto’s van hoe het dak eraf was geschoten, of gezongen; hoe er getrouwd werd; wat opa en oma ons voor hadden geleefd. Hier werd gejankt en gevloekt. Overal besef van de traditie: wij hoeven het wiel niet uit te vinden. Hier ging ook van alles mis, ja wel.
Maar de norm ligt niet bij de moderne tijd, maar is al uitgelegd in dagen van eer. Niet in het museum, maar hier. Niet in een theater, maar in een huis.
Een huis en zeker geen Naamloze ruimte; ook geen virtuele ruimte.

En o ja, de pijler …. die het alles schraagt. En dan wij die parmantig hier een stutje aanbrengen, daar een verfje. Kijk ons hijgerig de moderne tijd omarmen om de boel overeind te houden. Wij zullen de kerk wel eens even ‘up speed’ brengen met de nieuwste media…
Ja, de Pijler. Vraag: wilt Gij die voor ons zijn? Ook ‘in nacht en stormgebruis’ . We weten nu maar al te goed dat de hele boel ook zo maar in elkaar kan donderen. Onze steun-beren zijn ook niet meer wat ze geweest zijn.
We verootmoedigen ons ook over de kaalslag die we gepleegd hebben van alles wat waardevol is (geweest). Zo’n huis van ‘meegenomen voor de vrede’.

En dat de hemel open gaat… engelen die troosten. Tranen drogend; niet tranen trekkend.
Zitten ze op de plekken die we  open moeten laten van virus-wege? Of naast je bij je beeldscherm? Of zijn ze aan het werk in hun verpleeghuis? Bezig met hartverscheurende begrafenissen?
Ja, allemaal engelen. Maar hier zijn ze thuis. Ze komen om zo te zeggen ‘hier van huis uit’. Ze zijn vindplaatsen van God. Hier is de plek waar je ze in de gaten krijgt.  ‘Uw’ engelen.
Ik zelf; jij zelf?

Dit is de plaats ook om te gaan inzien waar we helemaal (en wel in Gods Naam) mee bezig zijn. Wat God aan goeds voor ons bedacht heeft; wat Hij klaar gelegd heeft. Royaal als Hij is. Als een liefhebbende Moeder. Het nieuwe verstaan.
Hier hoor je ook waar onze grenzen liggen,- hadden we niet gedacht!
Woorden van wijsheid; vermaan. De gave-opgave. De navolging; de vreugde der wet. Zodat we in de pas raken bij de ‘heiligen ons voorgegaan’, waar we net over zongen.
Woorden van Brood. (Het valt me op dat de Vries nergens een verwijzing naar de doop heeft opgenomen.)
Als je dat zo mee zingt dan ook graag elke zondag de maaltijd vieren. O neen, daar zijn we nog niet uit, op afstand van elkaar. Of toch? Hoe verbonden is verbonden in een gestreamde, evt ‘ingeblikte’ dienst eigenlijk (niet)?
Reepje brood  en glaasje druivensap naast het toetsenbord?
Niet ‘uitdelen’ maar zelf nemen?

zingen

Ongelooflijk mooi dat Vogel ons met die eerste noten direct al compleet ingepakt heeft! Ik ben geen competent musicoloog. Maar  op gezag van mijn vriend Arie het volgende: ‘ in de eerste 4 noten klinken de noten van Bach aan het begin van ‘Wachet auf’ door.
De feestelijke melodie rekt zich in drie regels op tot de ‘d’ (roept!) om weer te landen op de grondtoon ‘g’. Een logische,  vanzelfsprekende, volksliedachtige melodie.’

Met zo’n melodie snap je wel dat niet-zingen geen optie is. Of je het redt met ‘voor je uit zeggen’, zoals wordt voorgesteld? Ik denk het niet. Met een goede organist erachter toch maar proberen, straks?

Ik denk in eens aan vroeger als je in het donker onderweg was en bang was geworden: dat je dan moest zingen tegen het donker. Zou dat het vaccin zijn dat we zoeken? Dat we hier vinden, terwijl wij waanwijs denken dat het alleen maar vanuit  een laboratorium kan komen.

En dan het slotvers van slijten, schuilen en afzien en uitzien. Natuurlijk ‘tot alles is volbracht’. Dan is het lied wel klaar; maar blijft de lofzang gaande.

Daar ging het dus om.
Daar stemmen we alle aanpassingen op af.