Lied 764. Die Zaaier toch. (2)

(het eerste deel, over de tekst van de gelijkenis van Jezus lees je hier.)

Nu beter luisteren naar Barnard. Gerelateerde afbeelding

Die geneert zich natuurlijk niet om rustig ook het beeld van het graan dat sterven moet uit Johannes 12 mee te nemen.
Hij zet in met een zaaier en ziet hem waai-bewegingen maken op of naar de wind, en dan is het zaad gevallen waar je aanvankelijk geen spoor van terug vindt. Wat is dat mooi dat dat zaaiertje met al zijn gezwoeg (psalm 126 ook) meteen onder breed waaiende vleugels van de Geest wordt gebracht. Hij heeft een zekere schwung.
Barnard vertaalt zaad meteen maar door naar sperma op weg naar … in de schoot. Dat heeft hij niet van de gelijkenis. Maar daar ben je dichter voor. Dan is hij (in het kader van het koninkrijk) in de ban van het mysterie van het leven zelf. Zaaien is maar niet een rustiek, laat staan een poëtisch werkje, maar het leven hangt eraan. Dat op aarde; dat van jou en mij mensen.
Wat is ‘het’ in vers 3? Oorspronkelijk is het dat ‘spreken van God’ dat zomaar de grond ingestampt kan worden. Maar niet alleen het leven zelf kan zo vertreden worden, weet je wel. Dat kan er zelfs aan sterven, volgens strofe 5. En in vers 6 gaat het nog steeds over het leven, dat vraagt om de ultieme beschikbaarheid als moedergrond. Dan is het helemaal aan ons.
Ja, een mooi geladen gedicht, collega Barnard! Maar ik denk wel: waarom laat U het element oogst weg, dat U in 765 wel verwerkt hebt.

Twee heel intrigerende zinnen uitgelicht:

couplet 4: ‘…maar soms kan het ((bedreigde)kiemen van het graan) openbaren de zin van het aardse bestaan’.

Ik neem aan dat Barnard lang nagedacht heeft over het invullen hier van het begrip ‘zin’. Want kun je zeggen dat de zin van mensenbestaan zit in bedreigd zijn? Ja het is bedreigd aan alle kanten. Dat is het punt niet; maar maakt het de zin ervan uit? Of wil B. ons juist door laten denken: de zin is dat je die bedreiging mee, door maakt.
Andere mogelijkheid: Barnard bedoelt dit misschien sarcastisch. Hij heeft zich vaak zeer kritisch tot en met cynisch uitgelaten over wat mensen van het leven en de aarde en de theologie en de liturgie bakten. Hij kon daar woedend van zijn. Hij leed vreselijk onder dat soort dingen, en dat hij zich daar niet (luchtig ) van af kon maken. Een heel sombere kijk op het leven. Vechtend om daar nog een diepere laag, een dieper zin in te ontdekken. Doe ik hem hier recht mee?

couplet 5 ‘Er is geen verwachting van leven, tenzij in de dood van het zaad, wij moeten de aarde vergeven dat zij ons sterven laat.’

Ja, dat klinkt wel vanuit een zekere diepte. Geen verwachting… tenzij. Neen….. tenzij. Dan wordt de aarde niet meer je vijand. Zij laat je sterven: zij is je moeder.
En let op dat Barnard dan Ja zegt tegen de Zaaier in vers 6. Het bedreigde leven wordt beschikbaar bestaan. Zit het zo niet uiteindelijk met de zin van het bestaan?
Hoor ik daar toch een dubbele bodem: laat de aarde ons sterven als graan en heeft ook ons aardse sterven wat van vergeven c.q. zou het goed zijn als dat zo zou worden?

De zaaier van het zwarte graan

Ik breng je nog naar een ander gedicht dat met dat beeld van zaaier/zaad werkt. Het is van mijn (andere) favoriet: Günther Anders; je vindt het hier . Ik speculeer dat Barnard in Anders wel een verwant had gezien. Zeker in een zekere gramstorigheid.