19 Maart 1966

Intreepreek Borne (O)

Tekst Johannes 6: 67,68,69

Geliefde zusters en broeders,
als er al een soort intreepreek is, vol plannen en dingen die hoognodig verander moeten worden, of verbeterd; vol verwachtingen, vol vlagvertoon en etalering van werklust en enthousiasme, en als juist die dingen een preek tot intreepreek maken, dan is onze tekst daartoe weinig geschikt, want het gaat nogal logisch niet over een beginnend predikant, en ook niet in die zin over de taak van een ambtsdrager, dat je deze dingen erbij kunt halen.Veel beter dan een uiteenzetting over wat er in zo’n intreepreek wel of niet thuis hoort, kunnen we gaan luisteren naar waar het dan wel over gaat in onze tekst. Neem dat verhaal van Johannes maar eens bij het begin. Daar wordt een thema genoemd. “Het waarachtige licht Gods was komende in de wereld”. In allerlei duisternis is daar de intree van Gods Zoon. Die komt en treedt daar al die mensen tegemoet. En wat een reacties roept dat op. Het zal u uit de laatste week bekend zijn, dat er over een nieuwe figuur die U ontmoet, uitgebreid gesproken wordt, in welke zin dan ook.
De evangelist Johannes is heel druk bezig met de reacties die het koninkrijk van de Here Jezus in de wereld bij mensen oproept.Al in de inleiding zegt hij daar dat trieste woord over: “De duisternis heeft het niet gegrepen”. Hoe is het mogelijk! Nu gaat het licht schijnen en blijft het toch donker. Hij heeft de wereld gekend, zich EEN met haar verklaard, maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen; die gingen ondanks de verbintenis, die God legde liever alleen, apart.
Dat is in het algemeen de reactie die Johannes beschrijft. Dat is het teleurstellend resultaat van de komst van de Redder. In Johannes wordt dat beschreven aan de hand van dat grote wonder. Daar de Heer van alle leven en levensonderhoud een menigte van 5.000 man te eten van wat nauwelijks genoeg is voor een niet al te groot gezin.Dat staat er zo als een teken, een signaal voor ieder die er dogen maar voor open wil doen, dat HET LICHT in de wereld is gekomen De Almachtige is gekomen die de honger van de mensen niet aan kan zien. En dat wonder wordt aan;leiding tot een grote rede over het hemelse brood.

Maar dan stokt het verhaal in eens. Dan komt er dat pijnlijke moment, dat velen in eens niets meer van de Here Jezus moeten hebben. O, het was allemaal heel geweldig begonnen. Enorme toeloop en een geweldig enthousiasme. U had ze eens moeten zien, hoe ze er in grote drommen op af trokken. Alles lieten ze voor wat het was, om die nieuwe profeet maar te kunnen horen. Natuurlijk is er ook een hoop nieuwsgierigheid bij, en een hoop ongezonde kijklust, en de geruchten die over de nieuwe profeet de ronde den, dragen er ook toe bij, dat ze in grote massa’s bijeenkomen. Maar daar naast staat toch ook de spanning op de gezichten te lezen: “Is deze misschien de beloofde Messias?  Het heeft er alle schijn van! Wat deze man allemaal niet beweert! En het is niet de gebruikelijke praat van de schriftgeleerden. Vooral blijft het niet bij gepraat. Zie maar eens wat Hij allemaal doet!” Met die verwachting ook, zijn ze gekomen.

Maar in onze tekst zijn we dat geweldige begin al voorbij. Velen zijn weer door de knieën gegaan. “Deze is het toch niet!” Hij zegt namelijk dat je moet geloven dat Hij Gods Zoon is. En we kennen zijn hele familie! Ze worden er compleet bitter van. “En we hadden nog wel zo’n hoge verwachting van Hem, en dan dit harde woord.” De teleurstelling die U in de wegtrekkende groepjes hoort steekt het vuurtje vast aan, waaruit straks de haat oplaait die Hem aan het kruis slaat.

Bij de overblijfselen van de wonderlijke maaltijd staat heel tekenend nog het restje van het enorme gevolg. Zegge en schrijve 12 man. Het tellen en aankijken nauwelijks waard. Ze hebben de omkeer wel gemerkt. Maar ze houden zich stil. Of ze willen of niet dringt zich aan hen de vraag op : Heeft de meerderheid misschien gelijk. Is de afname van de populariteit van de mester misschien terecht? Het is de kleine kerk die dubt, en hoe dan ook niet de ogen kan sluiten voor het grote aantal mensen dat buiten de kerk staat. Het is een probleem waar je het antwoord nauwelijks op durft te zoeken, uit vrees voor de geweldige teleurstelling ervan. En met hun twijfel vallen ze de Meester niet lastig op het ogenblik. Misschien uit Meelij?

Maar juist op dit dieptepunt van wat we even de carrière van Christus willen noemen, neemt Hij  zelf het woord. Hij neemt het probleem bij de kop. Hij neemt het op als een onderdeel van de lijdensweg. Hij wil zichzelf niet sparen, door er maar liever niet over te spreken. Hij wil ook niet dat zijn discipelen maar zonder meer verder gaan. Hij wil dat ze zich bewust een niet vrijblijvend antwoord vormen over de problemen die het massale vertrek oproept. Hij geeft ze ook nadrukkelijk de gelegenheid om zich terug te trekken. Het is niet het gunstigste moment om volgelingen te maken, maar ze kunnen er niet voor weg: voor de schande om na gejouwd te worden als  volgelingen van de in ongenade gevallen profeet.
“Willen jullie ook niet weg gaan?”
Misschien dat de Here die vraag stelt alsof Hij niet anders verwacht dan dat ze zullen blijven. Maar toch is het een enorm indringende vraag. Het rukt en trekt aan hun hart. Blijven? — Weg gaan? Nagejouwd, even impopulair als hun Meester? — Onopgemerkt, en nergens last van? Discipel zijn in dat kleine groepje? — opgaan in de massa te midden van de vrienden en kennissen een keurig bestaan hebben? — De sprong in het niemandsland wagen met Jezus? — Het zekere voor het onzekere nemen? Is het nieuwe leven werkelijk mogelijk, en is dat dan bij Jezus? — Of maken ze zichzelf maar wat wijs, en moeten ze maar op wat nieuws wachten? GIJ WILT TOCH OOK NIET WEG GAAN?

De Here krijgt antwoord bij monde van Petrus. “Here, tot wie zullen wij heen gaan?” Klinkt het niet wat hopeloos, en futloos? Je bent ergens mee begonnen en de anderen hebben je ‘nog zo gewaarschuwd”, en dan loopt het op en bepaald moment vast.Maar … je kunt niet meer terug. Je kunt de vernedering niet ondergaan om de waarschuwers gelijk te geven. De toestand groeit je boven het hoofd. Hoe graag je ook wilt er is geen weg terug meer. In vredesnaam dan maar verder. “Tot wie zullen we gaan?”
Stonden de 12 misschien ook al op de zwarte lijst? En konden ze toch al hun oude plaats niet meer in nemen?
En dan nog wat?!! Wat moet de Here met zo’n zielig stel, dat alleen maar mee sjokt, omdat het nu eenmaal niets beters weet, maar hier ook geen heil in ziet. Te bang om weg te lopen en geen fut om verder te gaan. Op dat antwoord neemt Jezus het woord en stuurt het hele stel weg! “Omdat gij lauw zijt, zal ik U uit mijn mond spuwen.”
En nu heeft U inmiddels uw Bijbeltje al gepakt en zegt: “Maar dat staat er helemaal niet”! INDERDAAD NIET!!

Dat antwoord van Petrus heeft nog een vervolg, dat aan het begin een hel andere kleur geeft. Tot wie zullen wij heen gaan, als u in het bezit bent van de woorden van eeuwig leven? Als we bij u in aanraking komen met die allernoodzakelijkste dingen van het leven. Nergens zijn er belangrijker dingen. Bij U zijn we in de kring van het eeuwige leven, en is ons leven in dat grote rijk van God opgenomen. Bij U komt het vast gelopen feest en het vast gelopen leven weer op gang. Bij U weten we dat U met Uw rijke liefde iets van ons leven wilt maken, en dat blijft en dat overgaat in eeuwig onvergankelijk leven. Echt leven.
Als U de Heer van de enorme rijkdom bent, wat zullen wij het dan ergens anders zoeken? MOGEN we a.u.b. blijven!
Het is heilige uitgerekendheid. Het is het antwoord van dat volle vertrouwen, dat je niet naar een teleurstelling op weg bent, die steeds door: Liefde geeft. En tenslotte alles voor je over heeft,
Zo spreekt de dankbaarheid, dat ze zo’n Heer mogen hebben. Eeuwig leven? Ga maar na, dat mag je om Gods wil niet laten liggen.
Neen, het is niet “Tot wie zullen we anders gaan, laten we dan maar in vredesnaam verder gaan”(zucht). Wel neen, “Om der wille van de eeuwige vrede met God VOORUIT!” Natuurlijk blijven. Niet voort sjokken , terwijl je er toch eigenlijk geen heil meer in ziet, maar VOORUIT omdat je Gods eeuwig heil met beide ogen voor je ziet. Daar op af!!

En in die geloofsbelijdenis staat juist dat zinnetje: “Omdat Gij de heilige Gods zijt”. Dat is nu juist het punt waarom die anderen weg gingen. Maar voor Petrus is dat het enige argument dat hem doet blijven. Hij neemt het er niet op de koop bij, als de schaduw die hoort bij iets dat in de zon staat. Maar Hij is de heilige Gods dat maakt zijn woorden echt. Daardoor is Hij betrouwbaar.Dan is het eeuwig e leven waarover Hij spreekt ook het eeuwige leven dat God bereid heeft. Dan hoef je niet meer te praten over een onzekere toekomst waar ze voor moeten kiezen. Dan is die toekomst zuiver en duidelijk, want hoe kun je met God bedrogen uitkomen?

U heeft het zeker wel druk. Veel te doen en veel te denken. Desondanks een vraag waar U bij wijze van spreken wel eens een snipperdag voor kunt nemen. Want hoe dan ook moet U de vraag welke richting uw leven neemt eens beantwoorden. Op zo’n moment klinkt dan de vraag van de Here Jezus aan ons: “Wilt ge niet weg gaan? Ga je met mij op weg of niet? Wil je je richten naar dat eeuwige leven dat Ik breng of heb je iets anders gevonden?
Als de Heer dei vraag stelt aan een beginnend predikant, klinkt die wellicht iets  anders: Waarom zou je eraan beginnen? Is het niet een te grote pretentie? Is het niet wat overmoedig ook?
Men heeft het idee dat een predikant, omdat hij overal zo openlijk van de Here moet spreken, de eenvoud van het volgen van Jezus niet meer kan kennen. Het is te opgelegd.
Gelukkig kun je ook horen, dat de Dominee ook maar een gewoon mens is. En dan zijn we in de goede richting. Want waarom zou een predikant niet als ieder christen kunnen zeggen: “Heer, tot wie anders zou ik gaan, als ik het zo goed kan hebben als kind van U?”
Inderdaad dat klinkt heel anders dan : Ik zal uw woord wel eens even (!) verkondigen! En met machtige preken en vurig ambtswerk zullen we die impopulariteit wel eens weg werken.” Dat lijkt op niets. Want de Heer, en niet de dienaar heeft de woorden van het eeuwige leven. En als je dienaar van het woord wilt zijn, heeft dat niets te maken met valse bescheidenheid, maar enkel met de dankbaarheid, dat die Heer je net als ieder ander in zijn gevolg wil hebben.

Net als ieder ander christen, die de vraag beantwoordt als Petrus. O, er is reden te over om weg te gaan. Net zo impopulair als Christus op het moment van onze tekst, is de kerk vandaag. In een huis waar ik eens binnen kwam hing recht t.o. de deur een kruis. Toen de gastheer open deed, werd hij ahw verdrongen door de woorden die er omheen stonden geschreven: “Hebt u ook zo’n hekel aan het kruis?” Je kwam niet aan die vraag voorbij. Misschien vindt u dat wel een grof welkom. Maar het was voor de Heer des huizes een gerede aanleiding om voor ieder die die vraag las te spreken over de Liefde van zijn Heiland. Om te trachten die ergernis om te buigen in dankbaarheid, een goed woord te doen voor al die mensen die het maar onzin vinden. Die nergens behoefte aan hebben en vinden dat ze het zelf wel redden. Dat eeuwige leven waar de kerk zo graag over spreekt is maar onzin, en w.b. mijn eigen leven ben ik gelukkig altijd zelf nog bij!
Natuurlijk heb je als kerkmensen geen last van die anderen, zo lang ze niets van je merken. Maar zit je ze met die vraag naar het kruis op de huid, dan vinden ze dat op zijn  zachtst gezegd irritant. Vandaar dat we dan zo vaak in onze schulp kruipen. De kerk zelf is nog wel een plaats waar daar openlijk over gesproken wordt. En we zijn hier met een hele boel mensen, maar als we even doordenken, dan beseffen we hoe’n klein groepje we in feite zijn. Heeft dei grote meerderheid niet gelijk?

En wat anders. Als die grote meerderheid zou beslissen dat de kerk verdwijnen moest? Als die vraag van de Here: “Jullie willen toch ook niet liever weg gaan” eens zo op ons afkwam? Kortom deze vraag stelt zich ook aan iedereen in het vrije Westen, in de vorm: “Aanvaard U Christus zoals Hij aanvaard wil wezen. Zeggen wij Ja tegen Christus, niet als  de man die de grote massa in het gevlei komt, maar als de Man van de impopulariteit? Niet als de Man die uit alles als de overwinnaar te voorschijn komt; maar als de Man van Smarten? Gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben begeerd. De profeet die geen knieval voor de menigte doet, maar juist door die weg van vereenzaming – duizenden- 12- 11-0 – een lijden op zich neemt dat Hem helemaal op de knieën brengt, verslagen door het oordeel van God, opdat Hij zou ontsluiten het bruisende feest van het nooit meer alleen zijn, maar het altijd bij God zijn?

Zelfs gaat Hij dat lijden niet uit de weg, als weet Hij dat er een duivel onder die volgelingen zit. Maar die vraag of ze willen blijven, stelt Hij ook niet omdat Hij hen zo dringend nodig heeft. Maar dat Hij die stelt is het bewijs dat HIJ nog niet van HEN is weggegaan. Nog steeds niet!
Heer, hebt U niet veel meer reden om van mij weg te gaan, dan ik bij U vandaan!

Hoe zal ik u in de steek laten, en terugkeren naar waar ik vandaan kom, weer terig inmijn even waar ik niet uitkom, terwijl U mij naar en dor de geopende deur van Gods vreugde voert!

Die Heer heeft het over zijn kerk te zeggen, bij alles wat ze doet. De Liefde tot Hem is bij alles aan het woord. Dat klopt toch wat U betreft, niet waar? Die kerk zegt “amen”op de belofte van haar Heer “Je mag er bij horen Die kerk zegt Ja op zijn vraag “Wil je erbij horen?”. Die kerk zegt hoofd voor hoofd: “Van harte”op zijn opdracht “Je MOET meedoen!”

Amen.