De rijke (jongeling) m/v

(eind oktober 2018)

Neen, het thema wordt niet dividendbelasting of het grote graaien van bankiers. Je hoort me niet over belastingontwijking. Geen fraude, geen witwaspraktijken. Niet eens rijkdom.
Maar dat Bijbelgedeelte Marcus 10:17 t/m 27.  Een rijk mens om het ten minste één keer maar genderneutraal te zeggen krijgt van Jezus het advies om alle bezit te verkopen. Had hij/zij er maar niet om moeten vragen!

En vervolgens: “Kom dan hier en volg Mij.” Je moet je niet domweg blind staren op dat radicale voorstel om je bezit te verkopen. Dit onderdeel van ‘komen en Mij volgen’ is ook essentieel in Jezus’ antwoord. En dat kan dan m.i. twee dingen beduiden:

a.  “Dan heb je dat ‘eeuwige leven’ te pakken, beërfd”. (Ik ga steeds minder voor deze uitleg voelen)

of

b. “Dan praten we verder over ‘eeuwig leven”.

de vraag

In een preek over deze lezing – waar het geen ‘jongeling’ is, zoals bij Mattheus – wordt natuurlijk eerst meteen de angel er uitgehaald: we gaan niet echt een campagne beginnen om alle bezit af te schaffen. Gullukkug!

Maar ik heb nog nooit over die twee mogelijkheden gehoord; ook zelf preekte ik er niet op die manier over. Maar is dat nou zo gek gedacht? Want wat is dat eeuwig leven nou precies? Noch die rijke mens, noch Jezus definiëren die mysterieuze term ‘eeuwig leven’. Zou Marcus gedacht hebben dat iedereen dat wel wist? Dat kan haast niet. U of jij weet het ook niet. Laat staan ik.
Je kunt ‘eeuwig leven’ nauwelijks een ‘begrip’ noemen. Meer een hint, een verlangen, een vermoeden. Of wat dan ook. Maar iets met een harde definitie, een vormvaste omschrijving…,- dat in elk geval niet. Niet dat Marcus die term zelf bedacht heeft of zo. Die zal wel gemeengoed geweest zijn. In de wat verlichte kringen? Of had men het er ook over bij het varkenshoeden?

Er was m.i. plaats voor een reactie van Jezus in de trant van : “Wat bedoelt u, mijnheer? Hoe stelt u zich dat voor?” Of : “Jonge vriend, ben je niet wat erg jong voor zo’n zwaarwichtige vraag? Weet je vriendin dat je met zo’n heftig onderwerp bezig bent?” Dat zou, als ik zo vrij mag zijn, sterker zijn dan de kluif die Jezus de mens nu toewerpt: “Wat noem je mij goed; alleen God is goed.” Klinkt dat niet ook alsof Jezus wel klaar is met weer zo’n wijsneus?

Let nog even op deze kleinigheid: Hij vraagt Jezus over de manier waarop hij eraan kan komen. “Hoe krijg ik het te pakken? Wat moet ik er voor doen?” Inhoudelijk lijkt hij geen probleem te hebben. (Mattheus laat hem zelfs vragen: “Wat moet ik ‘voor goeds’ doen om het ‘eeuwige leven’ te krijgen.)
Daar hoort nog een ander ‘dingetje’ bij. Hij vraagt het niet ‘voor mijn gezin’ of voor ons allemaal. Hij vraagt het ook niet voor de armen. Het project ‘eeuwig leven’ is bij hem strikt persoonlijk.

Nu iets meer over het antwoord

De man zal verbijsterd zijn geweest over het simpele antwoord van Jezus. Het is bijna of Hij zegt: “Ik weet niet wat eeuwig leven is, maar je kunt het wel doen: gewoon de vuistregels van het Joodse volk; gekregen van God. Je weet wel!”
Het deed me denken aan een kwaal waar ik in mijn studententijd aan leed. De dokters wisten niet wat er de oorzaak van was; maar konden het wel genezen met prednison. (probeer dit niet thuis!)
En je hoort Louis Armstrong: “Kan iemand het wonder van de liefde verklaren…. neen, maar met twee lippen op die van jou weet je het!”

Op welk antwoord van Jezus zal hij gehoopt hebben? En zou hij misschien ook gedacht hebben dat hij dat wel zou redden?
Jezus schrijft niks bijzonders voor. Gewoon de Tora doen,- dat deed hij toch al. Hij had uit zijn dak kunnen gaan: “Hoera, ik zit gebeiteld!” Gelopen race. Hij had het daarbij kunnen laten. Helder antwoord. Hij zit op de goede weg. Gewoon doorgaan.

MAAR HIJ ZELF VINDT HET NIET GENOEG. ( Mattheus verwoordt dat ook en laat hem zeggen: “WAT ONTBREEKT ME?”)

Maar hoe luidt Jezus’ antwoord ook al weer? Eerst: ” U kent de geboden: niet moorden, geen overspel, niet stelen, geen vals getuigenis, niet bedriegen en vader en moeder eren” Simpel en allicht dat de man kan zeggen: “Weet ik; doe ik allemaal. En ook die andere van het tiental geboden doe ik volop en van harte .” Dat doen de meesten van ons ook wel. Kregen we met de paplepel ingegoten.
En dan Jezus: “Wel, als je dan echt van moeilijk houdt,- verkoop je hele handel (1) en kom hier (2) en volg Mij (3)”.

Het is niet gebruikelijk om hierin te horen dat Jezus de man niet serieus neemt. Dat Hij om van hem af te zijn zo’n extreem antwoord geeft. Want extreem is het wel. Meer gebruikelijk is dat de uitleggers van dit antwoord een uitzonderingsgeval maken. Geen voorschrift voor iedereen. Hij zou deze unieke mens voor het blok zetten.

Nu had de man kunnen of wel moeten door vragen: “Wat bedoelt u? Wat zal mijn vrouw wel denken van zo’n verkoop? Het is voor een deel haar bruidsschat ook. En dat volgen van u… wat houdt dat eigenlijk in? Waar wilt u eigenlijk heen? Zo te zien loopt u op een drama uit.”
Maar dat doet hij niet. Het maakt hem somber. Hij had blijkbaar op iets anders gehoopt, Niet dit. Iets wat haalbaar was. Iets waar je mee thuis kon komen. Maar zo helemaal ‘uit zijn comfortzone’ geschopt…. neen. Nogmaals: waarom gaat de man niet opgelucht naar huis: de Tora doen! Dat was het!

Hij loopt met een hoop vragen naar huis…. misschien is hij onderweg wel op die Tora terug gekomen. Misschien hebben zijn vrouw en hij de week daarna eindeloze goede gesprekken gevoerd. Misschien heeft hij alles wel weggegeven. Maar inderdaad daar hoor je niet van. Erg waarschijnlijk is het niet dat hij terug gekomen is; dat zou Marcus niet weg gelaten hebben.

het eeuwige leven

Maar stel nu:  de man krijgt het te pakken – wat heeft hij dan? Wat is hij er dan mee opgeschoten? Jezus geeft daar wel min of meer antwoord op met ‘Dan zul je een schat in de hemel hebben”, maar dat lijkt me een tussenantwoord. Dan wordt mijn vraag: wat is die schat?
Welke levensvisie zal hij dan hebben? Wat is zijn houding dan? Welke partij stemt hij dan? Schiet zijn vrouw er ook wat mee op; deelt die erin of zo? Zou hij er een ander mens van geworden zijn, die je er graag bij hebt de familiefeesten? Waar is hij mee bezig? Staat hij in de duurzame tophonderd?

Is het wel een status van geluk? Een niveau van welstand? Een stadium? Een eindpunt misschien? Een toppunt zelfs?
Of is het misschien torenhoge verantwoordelijkheid? Stel je nou toch voor dat het ‘eeuwige leven’ geen luilekkerland is, maar een programma van actie. Geen eind van een weg, maar de weg zelf. NB zo gaf Jezus het wel aan: leef de Tora!

Nu naar ons zelf. We kennen de term ‘eeuwig leven’ wel in de kerk. Ik weet niet of we de mond er nog erg vol van hebben; maar het is en blijft de laatste donderslag in de 12 artikelen geloofsbelijdenis. Maar in het kleine credo van lied 344 zijn we het begrip kwijt gespeeld. Daar loopt het uit op ‘Vrede, vrede’. Dat zegt niet veel. Ik wil er niks mee bewezen hebben.
Maar we gaan toch al weer op ‘eeuwigheidszondag’ aan.

Blijft mijn punt dat ‘eeuwig leven’ een term is waar we nauwelijks iets van weten. Alleen dat Jezus het op een verheven moment (Johannes 17: 3) aanduidt als: ‘dat zij u kennen , de enige ware God, en hem die Gij gezonden hebt Jezus Christus’.
Ook dat is nauwelijks jipenjanneketaal. Jezus legt de term niet uit. Wat het is laat Hij in het midden. Hij heeft misschien wel gedacht : “Daar heb je weer zo’n geloofsgenoot die een bel heeft horen luiden; maar we gaan maar niet uitpluizen waar de klepel hangt.”

Mijn conclusie wordt: Het eeuwige leven is te beseffen dat je niet weet wat dat is, maar je doet wel de Tora. Daar vinden we vrede, in overvloed. (lied 385)

Voor de liefhebbers : Het lied 59 uit het oude Lied boek “De rijke kwam tot Jezus” is niet meegekomen naar het nieuwe. Te lange melodie? Ouderwets woord kemel vanwege rijmdwang.

Advertenties