Het onkruid, neen de vijand

Vaak genoeg gepreekt over Mattheus 13: 24 e.v. over die boer die goed zaad op zijn akker zaait. Maar er komt ook onkruid op. Nu heb je dat met elke akker wel, die Monsanto niet helemaal doodgespoten heeft, zul je zeggen. Maar deze boer benoemt het zonder aarzelen: “Daar zit een vijandig mens achter”. De weeffout zit niet in de schepping; op zich is onkruid gewoon o.k. Een gewas. Dieren die misschien slimmer zijn dan wij smullen ervan.

En dan gaat Jezus meteen door op het thema dat het onkruid en de tarwe wel uit elkaar gehaald gaan worden – namelijk bij de oogst. Dus Jezus werkt niet het veel meer voor de hand liggende thema uit, nl. van die vijandige mens! Want dat is toch niet niks. Daar moet je je toch wel degelijk over opwinden! Zijn we al zo ver heen, dat we hier aan voorbij lopen?  Heeft de man dan vijanden? Heeft hij het er misschien naar gemaakt? Waar zit de vijandschap in? Was het zoals zo vaak allemaal begonnen met een dom misverstand, dat helaas steeds complexer was geworden? Zo gaan die dingen toch?
Neen, dat slaat de gelijkenis allemaal over.

In deze gelijkenis kan de boer het zich blijkbaar veroorloven dat gewas en onkruid samen groeien; hij staat ver boven dat gedoe van die vijandige mens.
Hij komt toch wel aan zijn oogst.
Hij wil de schade niet nog groter maken door aan wieden te beginnen.
De man doet er blijkbaar lang niet zo zorgelijk over als in een gelijkenis hier vlak voor. Daar stikt een deel van het graan wel degelijk tussen de distels.)
Hij zint niet op wraak op die vijand. Genoteerd.

Ik zit een beetje met de sfeer van deze gelijkenis. Is het allemaal niet wat te onschuldig voorgesteld. Alsof je je maar niet opwinden mag/ moet over die vijand. Het is WEL erg dat er zo’n vijand bezig kan zijn. En die komt er mee weg. Die wordt zelfs op het laatst niet mee verbrand.
Grote kans dat iedereen wel van die vijandschap wist. Als die boer het zo duidelijk vindt zal het wel een publiek geheim zijn geweest dat die twee elkaar altijd dwars zaten.
Vrome fantasie van mij. Ga daar maar niet op in.

Heb ik toch niet een punt? Ik vraag de laatste tijd steeds vaker naar de daders van onrecht. Naar de aanstichters van leed. Naar verwoesters. Naar wie eraan verdiend heeft.
Onrecht en geweld, – we zien naamloos en talloos de slachtoffers vooral langs komen. Met hun foto’s win je awards.
En vervolgens komen de hulpverleners in beeld. Diaconie die ertoe doet. Helemaal goed. En we gireren. Ook allemaal in orde.
Dan vallen er nog eens slachtoffers onder de hulpverleners. Onzze foute vrienden bombarderen ziekenhuizen of begrafenissen, met wapens waar wij aan verdiend hebben. Brandweer onder vuur tijdens oudjaarslol.  We staan vooral onze machteloosheid en onze ontreddering en ons meeleven te uiten of te bezingen of te bebidden. Maar de ‘vijandige mensen’ blijven ongemoeid.
En als die ‘vijandige mensen’ nou eens die brave politici zijn die we met onze laatste adem nog zullen stemmen!

Want preek het venijn nu niet uit deze tekst. Het is te makkelijk om ‘de vijand’ maar uit te vergroten naar ‘de boze’, de duivel. Er is alle reden om het te zoeken in de sfeer van ‘de alledaagsheid van het kwaad’. (Hanna Arendt. Of minstens zo indringend: Günther Anders) Dat is de vijand.

Advertenties