Ik heb toch wel een mens

Het preekrooster had het voor deze zondag niet voorzien op een lezing uit Johannes 5:1- 9. Ik werd als kerkganger verrast door de verkondiging van “Op te staan”. Het gebeurt. Goed.

Je hoort dan van een zieke die zegt: “Ik heb geen mens….”
Nou zegt hij dat zo niet exact, maar daarover straks.
Je denkt makkelijk aaniemand die een jaar of zo dood op bed ligt, zonder dat de buurt het merkt. En we huiveren: je zal maar geen mens hebben.
Het was in Genesis 1 al ‘niet goed dat de mens alleen is’, weten we nog wel. Echt niet goed. Twee zijn zit in ons wezen, al vind je het niet terug in ons DNA.

zonderkuis03b

Voor het eerst oud

Bij dergelijke drama’s mogen we best meteen onze knopen te tellen:
“Goed dat we elkaar nog hebben, al tig jaar”. Wie weet hoe lang nog: dat aloude gezicht boven het ene sneetje bruin brood aan het ontbijt.

Dat enig kind dat geregeld langszij komt.
Een kleuter op het pleintje om zijn bal in je tuin.
Die en die doet wel eens een boodschap.
Een telefooncirkel.
“Goed dat iemand me ophaalt voor de kerk”.
Schaken met iemand via internet!
Een lange brief schrijven gaat niet meer maar een handtekening voor Amnesty nog wel.
Op naar die vakantieweken.
“En God zegene de zorgzame greep van de zuster. Of anders wel onze kok.”

Maar die zieke in Johannes 5 ligt daar dus achtendertig jaar in Bethesda ziek te zijn. Waarschijnlijk iets van verlamd; maar omdat dat er niet uitdrukkelijk bij gezegd wordt, zal het er wel niet toe doen. Mijn punt is: dat red je geen achtendertig jaar zonder een mens. Iemand moet zijn matras ooit verschoond hebben. Of hem opgehaald en gebracht hebben, als het alleen een dagbehandeling betrof. Hij zal zelf niet voor zijn eten hebben kunnen zorgen, daar rond de vijver gelegen. Er waren al die andere zieken ook nog een keer. Achtendertig jaar je kleren niet wassen lukt echt niet. Daar moeten anderen aan te pas zijn gekomen.

Predikanten moeten uitkijken met: “Ik heb geen mens!” En dan uitpakken over de eenzaamheid en zo. Dat is best een belangrijk thema, maar die man zegt iets anders. Hij had best mensen. Hij moet mensen gehad hebben.

We moeten hem eerst uit laten praten.
De man zegt  “Ik heb geen mens die me op tijd het water in kan helpen.”

Nu had Jezus niet naar de eenzaamheid van de man gevraagd, maar: of hij gezond wil worden.
Die verzuchting over algehele eenzaamheid: “Ik heb geen mens…” daar gaat het dan ook m.i. niet om. Maar hij ligt daar absoluut om gezond te worden. Al achtendertig jaar; mag ik u even spreken! Zo graag, zo lang al, zo zeker weten wil hij gezond worden. Alleen moet er nog iemand hem het geneeskrachtige water in helpen. Hij vraagt nog net niet of Jezus hem die dienst kan verlenen.

Dan – genoeg gepraat – spreekt Jezus de man gezond.

Maar, maar, maar….
“Het was op een sabbatdag”.

Die genezen gesproken man huppelt weg met zijn matras; maar het is sabbat. En dan zijn de rapen gaar.

Ik vraag me af of je dat conflict wel los kunt knippen van die genezing. Zouden het twee verhalen zijn? Of maar één?
Maakt dat wat uit? 

U voelt wel dat dit geen keurige preek is.
Ook dat is een voordeel van de reservebank.

Advertenties