Die Antiquiertheit des Menschen Bd II

Die Antiquiertheit des Menschen

Band II

Over de verwoesting van het leven
in de eeuw van de derde
industriële revolutie.

Het is niet voldoende de wereld te veranderen.
Dat doen we toch wel.
En voor het grootste deel gebeurt dat wel zonder ons toedoen.
We moeten die verandering ook duiden.
En wel om die te veranderen.
Zodat de wereld zich niet verder zonder ons verandert.
En ten slotte niet (verandert) in een wereld zonder ons. (curs jab)

Anders

Gunther Anders

Voorwoord

Deze tweede Band van de “Antiquiertheit des Menschen” is net als de eerste een filosofie van de techniek. Preciezer: een filosofische antropologie in de eeuw van de technocratie. Onder technocratie versta ik dan niet de heerschappij van technocraten (als een groep specialisten die vandaag de politiek domineren) maar het feit dat de wereld waarin we vandaag leven, en die over ons gaat, een technische is – wat zo ver gaat, dat we niet meer mogen zeggen dat er in onze historische situatie o.a. ook techniek is; maar we moeten veel meer zeggen dat in de ‘techniek’ genoemde wereldtoestand de geschiedenis zich afspeelt c.q nu is de techniek het subject van de geschiedenis geworden. En daarmee zijn wij nog slechts mede-historisch. (1)

Het boek behandelt nu de veranderingen, die zowel de mens als individu, als ook de mensheid als geheel door dit feit doorgemaakt hebben en verder door gaan maken. Deze veranderingen gaan al onze activiteiten en passiviteiten aan, arbeid zowel als vrije tijd en eveneens onze intersubjectieve relaties, zelfs onze (zogenaamde) categorieën. Wie tegenwoordig nog de ‘veranderbaarheid van de mens’ verkondigt (zoals Brecht gedaan heeft) is van gisteren, want we zijn veranderd. En wel zo fundamenteel, dat wie vandaag nog van zijn ‘wezen’ spreekt (zoals bijv. Scheler nog deed) van voor gisteren is.
Als ik nu toch van het portret dat ik van de huidige mens teken, beweer dat het niet slechts die van vandaag afbeeldt, maar ook die van morgen en overmorgen, dus in de zin van een ‘uiteindelijk portret’, is dat geen aanmatiging – in tegendeel: ik ben me zeer bewust van het fragmentarische van mijn werk – maar alleen omdat het stadium dat ik beschrijf, dus dat van de technocratie, definitief en onherroepelijk is, als het niet op een dag [ 10 ] (en veel spreekt daar voor)  tot het ‘Einde van de tijd’ voert; het kan niet meer door een ander tijdperk afgelost worden, maar zal altijd ‘eindtijd’ (2)  zijn en blijven. En dat betekent dat wij mensen nu in ons (recent verworven) ‘wezen’ constant zullen blijven. Ik zeg ‘recent verworven’ omdat deze ‘constante’ natuurlijk niet bij onze menselijke ‘natuur’ hoort, maar een kunstmatige toestand is, een waar wij mensen ons zelf in gemanoeuvreerd hebben – dat konden we alleen omdat de capaciteit om onze wereld – neen, niet alleen onze wereld maar de wereld – en onszelf te veranderen paradoxaal tot onze ‘natuur’ behoort. (3)

Ik zei: deze Band is een filosofie van de techniek. Dat klinkt misschien alsof ik daarmee een systeem aangeef. Als men daaronder verstaat een raamwerk waarin men achteraf die empirische feiten bij elkaar zet die daar min of meer soepel in passen, dan kan daar geen sprake van zijn. Empirische feiten zijn steeds uitgangspunt geweest. Van elk stuk geldt voor wat de gedachtegang betreft, wat ik al bij Band I zei: het zijn ‘gelegenheidsfilosofieën’. Ik ga dus weer van bepaalde ervaringen uit – hetzij van de ervaring aan de lopende band, hetzij van die in de geautomatiseerde bedrijven, hetzij die op sportparken. Inderdaad  ben ik geheel wars van constructie bij mijn theoretiseren, maar dat ‘plein air’ is wel een karakteristiek ervan. En ik hoop maar dat het opweegt tegen de verwaarlozing van literatuur die erbij hoort.
Maar ondanks dat zo men wil impressionistische karakter van deze studies, en ondanks dat ik geen ogenblik geprobeerd heb iets uit te vinden,  ik was veel meer op ‘vondsten’ uit, en ondanks dat ik mijn individuele beschouwingen of thesen geen van alle voorzien heb van een uitgewerkt constructieschema (dus een schema van vooroordelen), – zou ik toch niet willen beweren dat mijn studies onsystematisch zijn. De doorlopende samenhang was wel niet gepland, maar is veel meer een ‘systematik après coup’.  Als, zoals ik beweer, geen enkele van de thesen die ik hier voorleg een van de vele andere weerspreekt, neen zelfs de andere ondersteunt, dan komt dat niet omdat ik vooraf een [ 11 ] ‘prästabilisierte Harmonie’ klaar gemaakt heb, dus de stellingen van tevoren op elkaar afgestemd zou hebben. Omgekeerd ben ik me die harmonie pas achteraf bewust geworden. Namelijk toen ik  met het oog op publicatie van die teksten die gedeeltelijk al voor tien jaar en met grote tussenpozen geschreven waren,  het nog eens doorliep. Deze systematiek was voor mij een (blije) verrassing, en alleen zo’ n verrassing après coup lijkt me terecht. Dat geldt  niet slechts van de stellingen in de twee Banden van de ‘Antiquiertheit’, maar van die in al mijn boeken; want dat is bijna uitsluitend parafrase van mijn hoofdwerk. Vermoedelijk zou het makkelijk zijn om uit de stellingen van deze boeken een ‘systeem’ in de conventionele zin te construeren (4) maar dat zie ik niet als mijn taak. Want ik kan niet inzien waarom waarheden ‘meer waar’ zouden worden als ze in de vorm van een ‘bouwsel’ worden gepresenteerd. Als ze elkaar niet tegen spreken is dat helemaal voldoende.

U zult me vragen,waarom ik deze tweede Band pas zoveel jaren op de eerste laat volgen,- bijna een kwart eeuw. Deze vraag is des te meer terecht omdat veel van de hier bij elkaar gebrachte essays al voor 1960 klaar waren, vele al gedrukt. Dus ik had een vervolgband al lang uit kunnen brengen.
Wat was de aanleiding dat ik mijn hoofdthema: de verwoesting van de humaniteit, en de mogelijke fysieke zelfvernietiging van de mensheid in de steek heb gelaten, en deze grote bundel voor me uitgeschoven heb, neen het bestaan ervan zelfs vergat? Welke aangenamere thema’s hebben me verleid tot deze desertie?
Het antwoord daarop luidt: ik heb het hoofdthema niet verdrongen (al kon ik de verleiding dat te verdringen soms maar met moeite weerstaan); ik heb geen ander thema voorrang gegeven; ik ben niet gedeserteerd.
Dat ik filosofisch stil gevallen ben, komt door het inzicht en het gevoel dat het vis-a-vis het gevaar van de daadwerkelijk ondergang van de mensheid een luxe is je bezig te houden met de ‘pure dehumanisering’ . En dat niet alleen, maar dat het zelfs als je je uitsluitend bezig houdt met het gevaar van een feitelijke ondergang, waardeloos is, als je je daarbij beperkt tot het filosofisch-theoretische. Ik voelde dat ik er niet onderuit kon [ 12 ] om zo ver dat in mijn macht was werkelijk deel te nemen aan de strijd, die duizenden vochten tegen de dreiging. Dat ik mijn eerste Band in de steek heb gelaten is dus omdat ik de zaak die ik daar in voorsta niet in de steek wilde laten.
Een ethisch wat povere maar speculatief geweldige en ondertussen wereld beroemd geworden filosoof heeft me vijftig jaar geleden gewaarschuwd ‘nooit te deserteren in de praxis’ . En hij genoot van zijn sneer. Maar dat woord heb ik nooit kunnen vergeten en ik vond die moraliserende waarschuwing tegen de moraal destijds al onredelijk. Hoe dan ook: dat heb ik precies gedaan. En waarom – dat behoeft geen rechtvaardiging, omdat ‘het ethische wel van zelf spreekt’, zoals men mompelt.
Wel nu, tijdens deze aan de praktijk gewijde levensperiode zijn er ook wel geschriften ontstaan, en zeker niet ontheoretische, die zeer nauw samenhangen met de beschouwingen van de Eerste Band. (5) Omdat ik met die geschriften directe en zo breed mogelijke alarmering hoopte te bereiken, zou het onzinnig zijn de publicatie ervan jarenlang uit te stellen, om ze dan ooit als onderdelen van Band II van de ‘Antiquiertheit des Menschen’ te integreren. Het is mal om te laat te waarschuwen. Daar komt bij dat deze alarmerende geschriften een stijl hadden die niet alleen bedoeld was voor beroepsfilosofen, en die in een zuiver filosofisch boek niet passend zouden zijn geweest.

Maar ook nadat ik gemeld had over het atoomgevaar wat ik dacht te melden te hebben kon ik ook nog niet meteen terugkeren naar de filosofie. Ik werd voor de tweede keer weggeroepen (als je kunt zeggen dat de roep van de plicht je wegroept). Want in de jaren zestig bereikte me een nieuwe uitdaging, die eveneens te maken had met de hoofdbesognes van de ‘Antiquiertheit des Menschen’: namelijk de oproep om aan de strijd tegen de oorlog in Vietnam deel te nemen. Die oorlog is immers een machinaal bedreven en afschuwelijk voorbeeld van mijn stellingen over de filosofie van de machine. Echter, je kunt ook hier geen exacte grens trekken tussen theorie en praxis; ook uit die activiteit is een boek  voortgekomen, dat een stuk ‘Kritik der Technik’ vormt: Het gaat namelijk over het idioom [ 13 ] die de moorddadige technocratie van de USA ontwikkelde en gebruikte om haar actie van verwoesting en volkerenmoord te verhullen en deels te rechtvaardigen. (6) Ook van deze teksten geldt wat van de ‘antiatoom’- publicaties gold: ze waren , ofschoon niet  bepaald onfilosofisch (want het is een moeilijke opgave niet te filosoferen) toch zo nauw verbonden aan de historische aanleiding van dat moment, dat het niet geoorloofd zou zijn geweest, ze op fust te leggen om ze dan later als onderdeel van Band II voor te leggen aan een academische lezersschaar. (7)

Nu begrijpt men waarom ik de vraag die we eerder stelden, waarom ik uit de filosofische overwegingen van de ‘Antiquiertheit’ gedeserteerd ben naar de praxis, als vraag niet kan erkennen en daarom niet beantwoorden kan. Gerechtvaardigd zou nu omgekeerd de vraag zijn waarom ik nu naar de filosofische theorie ben ‘terug gedeserteerd’; want dat doe ik hier. Het antwoord op deze vraag is heel banaal: ik ben nu te oud voor praxis.
Een genoegen is zo’n ‘terug desertie’ natuurlijk niet. Als je, zoals schrijver dezes sinds bijna vijftig jaar een ‘geëngageerde’ schrijver bent geweest, is het moeilijk te verdragen gedwongen te worden de handen in de schoot te leggen en in het beste geval nog wat theorieën op te schrijven. Want de oude gevaren zijn nog niet bedwongen, neen de meeste mensen begrijpen ze niet eens, en de nieuwe gevaren daar neemt de mensheid nog geen nota van. Inactiviteit is veel en veel vermoeiender dan de meest vermoeiende activiteit. Opgaven te moeten opgeven een bijna te zware opgave. Verleidingen weerstaan om plichten te vervullen is veel makkelijker te leren dan de verleidingen door de plichten te weerstaan. Geen wonder dat ik, nu ik weer puur als theoreticus over mijn Band II van de ‘Antiquiertheit des Menschen’ gebogen zit en de noodzakelijke strijd tegen kernreactoren, opwerkingsfabrieken en de fabricage van neutronenbommen aan jongeren moet over laten,  het interval dat me scheidt van het schrijven van Band I niet zo erg lang voorkomt, maar als te kort. Het weer oppakken van de ‘theoriedraad’ voelt niet als te laat, maar als te vroeg. ‘Nu al!’ klaag ik dus. Niet, zoals in de eerste regel van dit voorwoord: ‘Nu pas’  [ 14 ]

De nu volgende opstellen zijn met grote tussenpozen ontstaan en zonder bedoelde samenhang. Toen ik ze voor de laatste keer doorliep, viel me een gebrek op dat ik me bij het schrijven niet zo duidelijk bewust was. Ze zijn namelijk volop variaties op een enkel thema: de discrepantie tussen de capaciteit van onze verschillende vermogens. Deze ontdekking achteraf van mijn ‘monothematiek’ verontrust me echter niet. Niet alleen niet omdat ik geloof dat mijn variaties, op de wijze van Beethoven echte ‘veranderingen’ zijn, dat wil zeggen: elk ervan toont het thema in nieuw licht en verbergt het in nieuwe schaduw; maar vooral omdat men, zoals Heidegger al benadrukt heeft, dit ‘manko’ alle denkers van het verleden kan verwijten ook de belangrijkste- me met hen te vergelijken zou niet in mijn stoutste dromen bij me opkomen. Waar het om gaat is, of de vele afwijkingen van de idée fixe iets zichtbaar maken. Daarvan iets te vinden is niet de opgave van de schrijver.

Ik zou willen afsluiten met een tip van Max Weber: ‘Het belangrijkste staat natuurlijk in de Aantekeningen.

Juni 1979.

G.A.

(Ik maak deze werkvertaling voor eigen gebruik aan de hand van de uitgave bij C.H. Beck , München 1981 2e ongewijzigde druk. [ ] geef ik de paginanummers van de Duitse uitgave. Anders zelf doet veel met cursiveringen die ik veelal volg; en met erg lange zinnen, die ik wel eens inkort. Soms geef ik aan dat ik iets niet kan vertalen.
De verschillende essays hoop ik apart en in willekeurige volgorde
elders op deze site plaatsen.)

Aantekeningen

1 Deze ‘copernicaanse wending’ is tot nu toe door geen politicus begrepen, maar had ik al in mijn toegespitste these geformuleerd, dat het onjuist is te beweren dat er in onze situatie  atoombommen bestaan, en dat alleen juist is te zeggen dat politiek in een atomaire situatie plaats vindt. Zie schrijvers “Endzeit und Zeitenende’. p 204 e.v.

2 Zie schrijvers “Endzeit und Zeitenende’. p 170 e.v

3 zie schrijvers ‘Pathologie de la Liberté’, in : ‘Recherches Philosophiques’, Boivin 1936 p 40 e.v.

Grover Foley is het uitstekend gelukt in de Band ‘Denkers van de ondergang’, die hij aan het voorbereiden is.

5 ‘De man op de brug’, München 1959. ‘Off limits für das Gewissen’, Hamburg 1961.‘ Endzeit und Zeitenende’, (bewerkt onder de titel ‘Atomare Drohung) München 1972.

6 ‘Visit beautiful Vietnam’, Köln, 1968

7 Maar ik kan niet beweren dat ik bij het opschrijven van deze overpeinzingen heb durven hopen op een zegenrijk einde van de oorlog. Veel meer rekende ik deze strijd en mijn uiterst bescheiden bijdrage daaraan tot de plichten van deze eeuw, die wel is waar uitzichtloos zijn, maar die je toch niet kunt afwijzen. En ik sta ook nu nog met argwaan en ongeloof tegenover de overwinning van Noord-Vietnam en de Vietkong, omdat ze in tegenspraak is met mijn overtuiging van de overwinning die de technocratie al behaald heeft. Het is ondertussen al gebleken dat deze overwinning dialectisch is: want de zogenaamde overwonnene heeft zich op grond van zijn technocratische superioriteit zijn nederlaag met een schouderophalen kunnen veroorloven, zijn overmacht is door de overwinning van de Vietnamezen niet in het minst geraakt; maar de overwinnaars hebben zich de overwinning niet kunnen veroorloven, en hebben zich noch altijd niet van die overwinning hersteld (1978), en ze kunnen wel gauw weer min of meer verdekt afhankelijk worden van de zogenaamd verslagen tegenstander. Zo zie je: ook dat boek is als kritiek van de techniek een parafraserende aanvulling op ‘die Antiquiertheit des Menschen’; evenals de veroordeling van ruimtevluchten die ik bepleit in mijn boek ‘Blick vom Mond’ (München, 1960), waar ik niet tegen ben omdat ze zouden kunnen mislukken, maar omgekeerd omdat hun smetteloos succes een verschrikkelijk omen [ 432 ] schijnt te zijn, een voorteken dat kolossale ondernemingen bijvoorbeeld nucleaire bombardementen vanuit de ruimte net zo ontzettend smetteloos zouden kunnen ‘slagen’.