(01) Inleiding de 3 industriële revoluties

Inleiding

de 3 industriële revoluties

§ 1

Geef ons heden onze dagelijkse eter

In 1956 heb ik Band I de ondertitel meegegeven: ‘Over de ziel in de eeuw van de tweede industriële revolutie.’ Dat was destijds al een understatement. Want even onnozel als gebruikelijk wordt het criterium om revoluties te onderscheiden gelegd bij de verschillende energiebronnen (Water, stoom etc); maar als men ze filosofisch definieert, dan is de volgende opsomming geboden: Van een echte ‘industriële revolutie’ dus van de eerste, kan pas gesproken worden op het ogenblik dat men begon het principe van het machinale te herhalen dat wil zeggen: machines of op zijn minst delen van machines machinaal te fabriceren. Sinds dat moment (datering niet van belang) heeft dat herhalen zich snel vergroot. Want nu is de fabricage van machines door machines geen uitzondering meer maar regel. (1) Het mechanisme van onze industriekosmos bestaat nu uit de (door producten, en wel productiemiddelen gemaakte) fabricage van producten, die op hun beurt als productiemiddelen bedoeld zijn om producten te maken, die op hun beurt….. enz. – tot uiteindelijk een laatste machine eindproducten uitwerpt, die geen productiemiddelen meer zijn, maar consumptiemiddelen. Dat betekent dingen die door gebruikt te worden, verbruikt moeten worden zoals broden of granaten. Slechts aan het begin van deze productieketen (als uitvinder of handwerker) en aan het eind (als verbruiker) staan mensen. Maar zelfs van die eindproducten te beweren dat ze uitsluitend producten zijn [ 16 ] en geen productiemiddelen, is ongeoorloofd. Want ook die laatste moeten – de herhaling gaat ononderbroken door – door dat ze verbruikt worden weer iets produceren: namelijk situaties waarin een weer machinale productie van verdere producten vereist wordt. In zulke gevallen zijn het eigenlijk niet de producten zelf, die als productiemiddelen fungeren, maar onze akte van consumptie -een waarlijk beschamend feit, omdat nu onze rol van mensen zich ertoe beperkt ervoor te zorgen dat onze consumptie van producten (waar we overigens nog voor moeten betalen) de productie aan de gang houdt. (2)
In een Molussisch aforisme wordt gezegd: als we eerlijk zouden zijn, zullen we niet bidden ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’, maar ‘Geef ons heden onze dagelijkse honger’. – opdat de broodproductie dagelijks gewaarborgd blijft. Voor zover het nu noodzakelijke gebed nog uit onze menselijke mond komt, want het zijn immers eigenlijk de producten, die bidden. Namelijk: ‘Geef ons heden onze eters’.
Inderdaad klopt dit Molussische aforisme op 99 % van alle producten. Want de meeste producten – zelfs die nauwelijks kunstmatig te noemen zijn, als boter die zich opstapelt tot boterbergen en betreurt dat ze zo licht verteerbaar is – hunkeren er naar geconsumeerd te worden omdat ze niet zonder meer rekenen kunnen of mogen op een menselijke honger die hen van pas komt. Opdat ze aan hun trekken komen: dat wil zeggen opdat de productie op gang blijft, moet een volgend product (tweede graad) gemaakt worden en tussen mens en machine ingeperst, en dat product heet: behoefte’. Vanuit ons perspectief geformuleerd: Om producten te kunnen consumeren is het nodig dat wij ze nodig hebben. Maar omdat dat nodig hebben ons niet, zoals de honger ‘komt aanwaaien’, moeten wij het produceren. En wel door middel van een eigen industrie, door middel van productiemiddelen die machinaal voor  dit doel werden geproduceerd, en die dan producten van de derde graad zijn. Deze industrie die de honger van goederen om geconsumeerd te worden en onze honger ernaar bij elkaar moet brengen, heet ‘Reclame’. (3) Men produceert dus reclamemiddelen om de behoefte naar producten, die ons nodig hebben te produceren; opdat wij deze producten verbruikend de voortgang van de productie van deze producten waarborgen. [ 17 ]

§ 2

Wat kan moet (kunnen? jab)

Niet alleen de verlangens van producten (naar kopers) worden gestild door het opwekken van verlangens van mensen, maar ook die van de produtietechniek, want die wil non stop dat alles gemaakt wordt, wat er maar in haar kraam gemaakt kan worden. Ik zeg ‘wil’ omdat vandaag – dat is de idée fixe van de derde industriële revolutie – wat mogelijk is een must is, wat kan is helemaal geaccepteerd als wat moet. Van de techniek gaan vandaag de morele imperatieven uit. En die maken dat ons de morele eisen van onze voorouders, niet alleen op het vlak van individuele ethiek, maar ook op dat van de sociale ethiek belachelijk voorkomen. Inderdaad worden die bevelen strikt opgevolgd, – ‘abortus’ van producten (die mogelijk technisch gesproken ‘onderweg’ zijn) is strikt verboden – wat tot gevolg heeft, dat nu duizend dingen het levenslicht zien, duizend ‘Odradeks’ (zo noemde, zoals men weet,  Kafka een door hem uitgevonden object zonder enige definitie) die aan geen enkele menselijke behoefte beantwoorden, niet alleen niet de zogenaamde ‘natuurlijke’ (die toch al slechts een heel klein deel van het groeiende en zich wijzigende systeem van menselijke behoeften uitmaken), maar ook waar niet de meest kunstmatige vraag naar is. (4) Zo heeft men bijvoorbeeld, om de behoefte van de techniek te bevredigen, dus om wat maakbaar is te maken, wapens gemaakt, die het mogelijk maken de aarde meermaals te vernietigen – een toestand, waaraan niet alleen geen behoefte is, maar geen behoefte aan kan bestaan, neen die elk voortbestaan van de industrie uitsluit; en niet alleen daarvan. Nu geldt niet slechts dat al het maakbare een must is, maar ook dat elk gebruik dat men een product toedenkt, ook werkelijk uitgevoerd moet worden. Niet alleen is er nooit een wapen uitgevonden dat niet ook gemaakt is, er is ook nooit een gemaakt dat niet ook daadwerkelijk ingezet is geworden. (5) Wat kan is niet slechts geboden, wat geboden is, is ook onvermijdelijk. Dat is niet zo maar een regel, maar een postulaat: ‘Laat niets bruikbaars ongebruikt!’ [ 18 ]
‘Gebruikt’ zijn ook die door A geproduceerde wapens die bedoeld zijn om te dreigen en te chanteren, maar die op hun beurt de virtuele vijand ertoe dwingt zijnerzijds betere wapens te maken; waarop A weer moet reageren met ‘nog betere’ wapens.  Sinds 45 hebben de Verenigde Staten de Sovjet-Unie nodig gehad om tegen op te bieden en daardoor de productie van de eigen wapens op te voeren. Als de Sovjet-Unie er niet was geweest, hadden de Verenigde staten ze uit moeten vinden. Inderdaad is dit absurde gebruik van producten al zo vanzelfsprekend, dat de USA van tijd tot tijd woedend is dat door hen gemaakte en verkochte wapens door kopers daadwerkelijk worden gebruikt. Daadwerkelijk verbruiken door gebruik geldt vandaag al niet meer als up to date; producten moeten vandaag geliquideerd worden doordat ze vervangen worden door nieuwere. Inderdaad zijn er – geen SF-auteur zou iets meer absurds kunnen bedenken –  al wapenverkopers, die hun waar verkopen onder het beding dat ze niet als ‘aanvalswapens’ worden gebruikt.

§ 3

Varianten voor de ‘kloof van Prometheus’. 

En, om een tweede voorbeeld van ‘Odradek’ te geven: men bouwt nu computers die per seconde niet slechts 1000 keer meer data kunnen spuien dan 1000 arbeiders dat in 1000 uur konden, maar ook 1000 maal meer dan 1000 mensen in 1000 uur zouden kunnen gebruiken. Deze ‘prometheïsche kloof’ waarmee ik 25 jaar geleden Band I opende: die tussen wat we maximaal kunnen maken en wat we (beschamend gering) maximaal ons kunnen voorstellen, – dat is nu tot een kloof geworden tussen wat we maken kunnen en wat we gebruiken kunnen.  We zoeken hectisch naar een raison d’être voor deze producten, en jagen vertwijfeld op vragen, die de antwoorden die we al hebben, achteraf kunnen legitimeren. En onvermoeibaar produceren we, om die nieuwe taak (namelijk nieuwe taken te vinden) te vervullen, nieuwe producten. Inderdaad kunnen we aan onze ‘prometheïsche kloof’ [ 19 ] een derde versie geven. Want dat is die tussen het maximum van wat we kunnen maken en het (beschamend geringere) maximum van wat we nodig kunnen hebben. Ja, hoe weerspreekbaar dat ook mag klinken: nodig kunnen hebben’. Want de mensheid verkeert in de situatie van de ter dood veroordeelde in Duizendeneennacht, die men te kennen gaf dat hij zou worden begenadigd als hij de 100 broden die men hem voorlegde zou opeten. Hij kon natuurlijk de eetlust voor 100 broden niet opbrengen, wat zijn gevolg had. – Alleen vandaag zijn wij het zelf die de 100 broden op tafel leggen; en versagen. Zonder beeldspraak: de eindigheid van ons vandaag bestaat niet meer in het feit dat wij animalia indigentia zijn, behoeftige levende wezens; maar omgekeerd daarin dat wij (jammer voor de nooddruftige industrie) veel te weinig nodig kunnen hebben. – kortom: in ons gebrek aan gebrek.

§ 4

De derde revolutie

In dit stadium zie ik de tweede industriële revolutie verkeren: daarin moeten behoeftes geproduceerd worden. Maar die omwenteling die al in de vorige eeuw was begonnen, is bepaald niet de laatste. En dat was ze toen ook al niet, toen ik aan Band I werkte. Ik had inderdaad toen al in het afsluitende essay een nadere revolutie behandeld die door een nieuw apparaat zou worden geïntroduceerd. Het begin ervan lag al een dertig jaar terug en heeft een zo spectaculaire verandering in het lot van de mensheid te weeg gebracht, dat het toen al beter was te spreken van een revolutie sui generis, dus van een derde industriële revolutie.
Het spectaculaire productiemiddel waar ik het over heb, is natuurlijk dat ding dat de mensheid voor de eerste keer in staat stelt haar eigen ondergang te produceren: de atoombom. Daarvan te zeggen, dat ze ‘ons daartoe in staat stelt’ is natuurlijk een understatement, zelfs, zoals men dat in Amerika zegt, ‘the understatement of the year’ op grond van wat eerder gezegd is: omdat het tot het wezen van onze technische existentie hoort [ 20 ] dat we wat we kunnen fabriceren, niet niet-produceren kunnen of mogen, maar ook omdat we het fabricaat niet niet-gebruiken kunnen of mogen. Nu dat zo is leven we – dus al dertig jaar – in een eeuw waarin we (we kennen alleen het moment niet) zonder ophouden de productie van onze eigen ondergang in bedrijf houden. Als dat geen criterium is voor een nieuw stadium van industriële revolutie, dan weet ik niet waar je zo’n criterium wel moet zoeken.
Niet dus omdat kernenergie natuurkundig een novum is – dat is het ook – is ze het symbool van de derde industriële revolutie maar omdat de mogelijke of waarschijnlijke effecten ervan van metafysische natuur zijn. Dat kon nog nooit van een vroeger menselijk effect beweerd worden. ‘Metafysisch’ noem ik het nucleair effect omdat het woord ‘epochal’ nog het voortgaan van de geschiedenis veronderstelt, en dat er vanzelfsprekend nog een volgend tijdperk komt – die veronderstelling is ons mensen van nu niet meer toegestaan. Het tijdperk van wisselen van tijdperken is vanaf 1945 afgelopen. We leven in een tijdperk dat niet weer overgaat in een ander. Ons Zijn in dat tijdperk is een ‘termijn’ waarin we ‘er net nog zijn’. Ernst Bloch is verouderd, die zich verzette om ook maar kennis te nemen van de gebeurtenis van Hiroshima; hij met zijn bijna in traagheid overgaande geloof dat we in een ‘nog niet’ leven: dat wil zeggen in een ‘voorgeschiedenis’ die aan de eigenlijke geschiedenis vooraf  gaat. Hij kon er zichzelf niet toe krijgen ook maar een ogenblik niet te hopen. Hoe dan ook, onze tijd is en blijft of die nu eindigt of verdergaat, de laatste omdat het gevaar waarin we ons door ons spectaculaire product gebracht hebben, en die nu het definitieve Kaïnsteken van onze existentie is geworden, niet meer op kan houden – tenzij door het einde zelf.
Deze derde revolutie is dus de laatste. Meer zou ik er niet van willen zeggen. Omdat ik de laatste 20 jaar daar tot vervelens toe mee bezig ben geweest. In deze band duikt ze verder dan ook niet op. [ 21 ]

§ 5

Interne revoluties. Homo creator en homo materia

1 Na deze kenschets van het derde stadium als definitief en onoverwinnelijk, hoeven we geen andere revolutie-stadia meer op te sommen. Omdat de omwentelingen die sindsdien de mensheid geschokt hebben – er zijn er al verscheidene en er komen zeker nog wel meer – hoe spectaculair ze ook zullen zijn, ze vinden toch plaats binnen dat derde stadium. Als dat derde stadium niet was aangebroken, dan zouden we de omwentelingen die ik nu ga bespreken, mogen, neen moeten inschalen als voldragen revoluties. Ik denk met name aan twee: aan het verschrikkelijke feit dat de mens zich zou kunnen veranderen in een ‘homo creator‘. En aan het niet minder ongehoorde: dat hij zichzelf in grondstof  dus in een ‘homo materia‘ kan veranderen.
Met de term ‘homo creator’ bedoel ik het feit dat wij in staat zijn, of juister gezegd: ons in staat gesteld hebben, uit de natuur producten te maken die niet (zoals een van hout gebouwd huis) in de categorie ‘cultuurproduct’ thuis hoort, maar in die van de natuur. Inderdaad mogen we van een ‘tweede natuur’ spreken, een uitdrukking die we tot nu toe slechts als beeldspraak gebruikten, maar tegenwoordig onmetaforisch gebruikt kan worden. Want er zijn nu processen in de natuur en stukken natuur, die niet bestonden voor wij ze schiepen. Wel, dat er op nieuwe planten en dieren aangestuurd wordt is geen nieuws. Omdat de exemplaren van kunstmatig gekweekte soorten levende wezens zijn, die in de botanica of de zoölogie thuis horen, mag men beweren, dat al in deze gevallen door techne fusis is gemaakt. En ook die natuurlijke wezens waren spectaculair omdat ze door de natuur niet waren ‘voorzien’. En toch, we gebruiken het woord ‘variant’ omdat het steeds om varianten op een door de natuur ‘voorzien’ thema ging. Van een ‘revolutie’ mogen en moeten we spreken op het moment dat de fase van het slechts variëren verlaten wordt. En dat is nu het geval. Want wat vandaag uitgevonden en door de techniek gemaakt kan worden, is Zijn, dat geen variant van een [ 22 ] opgegeven thema is, maar om in het beeld te blijven, een nieuw thema is. Ik denk hierbij aan bijvoorbeeld de elementen 93 en 94 – Element 94 is plutonium, wat tot nu toe ‘niet bestond’. Het is pas door een ingreep van de waarlijk ‘godgelijke’ mens, namelijk door de bewerking van Uranium 238 in het milieu van het Zijnde, van de natuur opgedoken. (En wel als het verschrikkelijkste gif, dat in de natuur bestaat) Het is een product dat op het moment dat het gemaakt is als ‘novum’ bij de natuur hoort. Maar het ‘blijft’ niet slechts natuur, zoals elk ander menselijk product, zij het een verteerde tafel dan wel een brandend schilderij van Rembrandt. Maar niet alleen de wereld is door de mogelijkheid van het maken van deze ‘noviteiten’ revolutionair veranderd, maar ook de mens, want die is daardoor uit de status van ‘homo faber’ gepromoveerd naar ‘homo creator’. En als dat geen revolutie is weet ik niet wat dat woord betekent. Het is beslist geen toeval, dat ook deze revolutie, net als de apocalyptische die ons in staat stelt de wereld te vernietigen, in de werkplaats van de atoomfysica is begonnen.

2 De mens gebruiken als grondstof  is wel in Auschwitz begonnen, (afgezien van kannibalistische tijden). Dat men van de lijken van de kampbewoners (die zelf al producten waren, want er werden geen mensen gedood, maar lijken gemaakt) de haren en gouden tanden waarschijnlijk ook het vet weghaalde om die stoffen te gebruiken, is wel bekend. Eveneens dat Amerikaanse soldaten met Japanse gouden tanden thuis kwamen uit de Stille Oceaan. Ik heb met eigen ogen zakken vol tanden gezien, die GI’s me argeloos toonden, – ik weet hoe ongelooflijk het klinkt. Argeloos omdat ze het helemaal vanzelfsprekend vonden om in de wereld een grondstof te zien, en even vanzelfsprekend rekenden ze hun Japanse medemensen (die men echter eerst systematisch als ‘Apen’ had beklad en gedegradeerd) bij die wereld.

3 Maar dit gebruik van de mens als waardevolle bron van grondstof is godzijdank een uitzondering gebleven. Veel vaker en uiterst karakteristiek zijn de vele [ 23 ] acties waarbij mensen niet slechts uit mensen ruwe stof maken, maar iets wat zelf leeft. Men kan in die gevallen inderdaad zeggen dat ‘homo creator’ en ‘homo materia’ samenvallen. – waarbij dan de ene mens als ‘creator’ en de andere als ‘materia’ fungeert.
Maar natuurlijk moet men toegeven dat er soms rechtmatige acties zijn waardoor mensen veranderd worden. Bijvoorbeeld opvoedkundige die zelfs in de beste gevallen mensen pas maken tot wat men ‘echte mensen’ noemt. Maar daar hebben we het hier niet over. Maar ook dit geval moest genoemd worden, omdat het moeilijk uit te maken is waar opvoeding ophoudt en drillen begint, dus waar op ‘onmenselijke’ wijze mensen tot geconditioneerde mensen gemaakt worden. En men kan daar ook slechts onder voorbehoud spreken van ‘onmenselijk’. Want antropologie en etnologie laten zien, dat kunstmatige, min of meer met dwang tot stand gebrachte verandering van mensen tot ‘geconditioneerde’ wezens zowel bij het wezen van de (zogenaamd) primitiefste als de moderne samenleving behoort, en dat niet alleen, maar samenleving überhaupt eerst mogelijk maakt.
Hoe dan ook, de conditionering waar ik op doel is veel radicaler, omdat ze geen genoegen neemt met het veranderen van een levend wezen, maar ook levende wezens wil maken uit levende wezens. In zekere zin is dat al gaande, want kunstmatige inseminatie met (uit ‘banken’ genomen) sperma wordt tegenwoordig niet meer alleen maar in de veeteelt, maar ook bij mensen toegepast. Dat laatste dus terecht waar natuurlijke seminatie om welke redenen dan ook niet mogelijk is. Maar deze manipulatie is in vergelijking met wat nu dreigt, onschuldig, omdat de ‘producten’ waar men op mikt bij de inseminatie, niet zoals bij plutonium ‘wezens zijn die niet bestaan’ , maar normale mensen. Kunstmatig is alleen de weg erheen, de omweg, die naar een normaal doel voert. Door kunstmatige bevruchting zich in de moeder ontwikkelende embryo’s worden normale mensen.
Maar met deze kunstmatigheid stelt men zich tegenwoordig niet meer tevreden. En daarmee kom ik op een soort fabricage die inderdaad een novum in de menselijke soorten van productie [ 24 ] vormt en als een nadere ‘industriële revolutie’ geclassificeerd moet worden, als we al niet geheel moeten afzien van het doornummeren van revoluties.
Ik bedoel het zogenaamde ‘klonen’ , ‘gen-manipulatie’. Dat wil zeggen: de mogelijkheid nieuwe, ‘ongehoorde’ soorten en species of zelfs duplicaten van bestaande individuen te maken. Of het klonen van menselijke genen al gebeurt, is me niet bekend. Maar omdat we weten dat tegenwoordig de imperatief luidt: ‘Wat kan, moet ook’, c.q. ‘Wat maakbaar is, is verplicht’ is het tot nu toe nog slechts mogelijke, als adem berovend omen al aanwezig.
Tot nu toe veranderden alle levende wezens slechts binnen de variatiebreedte die alle soorten hebben. Dat geldt ook van de (bijv. nationaal-socialistische) pogingen de psychologische typen van mensen te veranderen; en zoals zij meenden te verbeteren (aktie ‘Lebensborn’). Wat veranderde was niet het type levende wezen, maar (langs een omweg) de methode van reproductie, dus door kunstmatige inseminatie. Daarbij komt dat de aan mensen voltrokken veranderingen meestal geen fysieke (6) geweest zijn, maar psychische. En de psyche is naar zijn wezen ‘plastisch’ modificeerbaar en heeft dan niet slechts de mogelijkheden om te leren, ervaring op te doen en vorming, maar heeft die ook nodig . Van zichzelf draagt ze niet slechts de passieve mogelijkheid om veranderd te worden, maar ze is op verandering uit. Geheel anders proberen de huidige ‘cloners’ het fysiologisch type van levende wezens te veranderen. Dat betekent dat ze wezens in elkaar zetten die door de natuur niet waren ‘voorzien’. Daarvan zou men niet meer kunnen van vaststellen of men ze nog tot een bestaande species mag rekenen. Of wezens die een eind maken aan de eenmaligheid van de individu, omdat ze levende replica (in zeker zin ‘tweelingen’ om niet te zeggen: ‘lingen’.) zijn zouden van andere individuen. Terwijl de atoomoorlog de vernietiging betekent van de levende wezens inclusief de mens, betekent ‘kloning’ de vernietiging van de species als species, c.q. de vernietiging van de species mens door het maken van nieuwe typen. Wij tachtigjarigen waren opgegroeid met de vraag van de filosofische antropologie naar het ‘wezen van de mens’ (Scheler) en ik nam die ook nog mee, [ 25 ] maar dan om die al radicaal te verwerpen met het antwoord: ‘het wezen van de mens is dat hij geen wezen heeft. (7) En als de mens eenmaal als grondstof ad libitum benut zou kunnen worden, zou die vraag helemaal betekenisloos kunnen worden. Hoe naïef was men toch dat men een evolutietheorie aanzag voor de tegenpositie van de Bijbelse evenbeeld-theorie! Hoe onschuldig en humaan was toch het Darwinisme dat het de ‘onmenselijkheid’ slechts in de pre-historie van de mens legde, in vergelijking met de gen-manipulatie die onmenselijke wezens kan maken, maar dan door het maken van wezens, die ‘evenbeelden’ of kopieën zijn van types die uit politieke, economische of technische motieven begeerde types waren!
En ook dan als de producten die men probeerde te maken, geen onder-menselijke wezens zouden zijn, maar ‘über-menselijke’  (wat de technici zich dan wel voorstellen bij ‘übermenselijk’ en supermanachtig), wanneer men bijv. ‘creative beings’ (het verbale ideaal in de wereld van schablones)  muzikale en wiskundige genieën in elkaar zou weten te zetten, – ook dan zou de heiligschennis aan de mens niet minder zijn, dan wanneer men het ideaal zou willen verwerkelijken van een half-aap die een machine regelt.
Terug naar ons hoofdthema de ‘industriële revolutie’. Dat is echt aan de orde, want de manipulator behandelt de mens die zijn voorouders slechts in vijf rollen kenden – namelijk in de rol van: bezitter, uitvinder, arbeider, verkoper en consument,-  als grondstof. Als grondstof voor de productie van nieuwsoortige producten of productiemiddelen.

§ 6

Het kannibalisme van de na de cultuur

Die tekst die voor de besten van onze generatie bindend was en is gebleven, meer dan elke andere, die tekst van Kant dat geen mens ooit alleen maar als middel mag worden gebruikt, dus als werktuig, dus als slaaf, die is nu wel achterhaald. (8) En niet omdat dergelijke, in de waarste zin van het woord ‘bemiddeling’ [ 26 ] van de mens, zoals slavernij niet meer bestaat (het tegendeel bewijzen de honderden concentratiekampen en werkkampen tussen Santiago en Wladiwostok). Maar iets anders – en dat maakt het wezen of onwezen uit van het stadium van de ‘industriële revolutie’ waarover we hier spreken – Het gebruik van de mens als grondstof  laat dat gebruik van de mens als middel zoals Kant dat verbiedt verbleken en zelfs als humaan voorkomen. In verloop van de geschiedenis van de mechanistische natuurwetenschappen was het ertoe gekomen dat de mens ook als machine (‘homme machine’) moest worden verstaan, omdat anders het algemene principe dat de wereld principieel als grondstof moest worden verstaan geschonden werd. Dus moest hij navenant worden behandeld. En behandeld niet slechts in theoretische zin, maar ook in praktische (als de praktische behandeling in feite de theoretische al niet vooruit gaat). Dat dit stadium – dat men wel het stadium van ‘post-cultureel kannibalisme’ mag noemen – zo spectaculair is, dat het mag worden erkend als ‘industriële revolutie sui generis, zal wel niemand bestrijden. Wij doen dat niet, om reden die we boven aangaven: deze revolutie speelt zich af binnen die derde revolutie die de ‘laatste termijn’ is.

§ 7

de wereld is ‘overmanned’

De 4e ‘binnenrevolutie’- en die zal ik in het vervolg behandelen – is de trend de mens hoe absurd dat ook mag klinken, overbodig te maken. Men wil namelijk zijn arbeid vervangen door automatisering van apparaten. Dan krijg je een toestand waarin wel is waar niet niemand, maar toch – want het gaat namelijk om een asymptotisch proces – dat zo weinig mogelijk arbeiders vereist zijn.  Ik spreek zeer bewust van een ‘trend’ en niet van een ‘tendens’, omdat je niet kunt veronderstellen dat ook maar iemand, zelfs geen ondernemer die uiterst kien met rationalisering omgaat, als doel heeft mensen werkloos [ 27 ] te maken, Waar ondernemers vandaag op uit zijn, en niet alleen in de kapitalistische wereld, is niet werkloosheid van de arbeider, maar de arbeidersloosheid van hun bedrijven. Volgens ‘Spiegel’ (17.4.78) pocht het Japanse concern Kawasaki nu al met een ‘unmanned factory’. Niet toevallig herinnert deze uitdrukking aan militaire installaties, die immers altijd en in elk opzicht, dus ook in dat van de rationalisering voorliggen op de vreedzame industrie, en die (zoals de ‘unmanned minefields’ in Vietnam)  als ze een keer geïnstalleerd zijn functioneren zonder soldaten, dus zonder arbeiders – Hoe dan ook, dat als resultaat arbeiderloosheid op arbeidsloosheid uitloopt, dat laat zich door die door ons aangebrachte onderscheiding natuurlijk niet wegpoetsen.
Het zou inderdaad tijd zijn voor een ‘WQ’, zegge: ‘Workers Quotient’. waarin het percentage arbeiders uitgedrukt wordt, dat nodig zal zijn opdat het leven van 100 gewaarborgd zal zijn. Of laten we zeggen: dat het gewaarborgd blijft, want we mogen hier ons ‘leven’ niet als het naakte fysieke net nog overleven verstaan maar dat Zijn, waarin het hele tot tweede en derde natuur geworden systeem van kunstmatige behoeftes vervuld wordt, en waarbij ook hoort het oplopen van de levensvereisten en de levenskwaliteit. Onze stelling luidt natuurlijk: ‘De WQ van hoog geïndustrialiseerde landen daalt gestaag (asymptotisch) richting nul’. Elk bedrijf in deze landen (om niet te zeggen in de wereld) is zoals de Amerikaanse term luidt: ‘overmanned’.  (overbezet, jab) (9)
Een wezenskenmerk van de ‘rationalisering’ genoemde periode van de industriële revolutie is dat die ons als homines fabros liquideert. Ze brengt een toestand dichterbij waarin arbeid van dag tot dag zeldzamer wordt, en ongewoner. Arbeid zal helemaal niet als vloek gelden – de Bijbel heeft daar volkomen ongelijk in tegenwoordig – maar wordt als recht geclaimd en als privilege gereserveerd voor een elite die elke dag kleiner wordt. De meesten van ons gaat een existentie zonder arbeid overkomen- waarmee ik (verondersteld zelfs dat dat onze kwaliteit van leven niet raakt) een hels bestaan bedoel. ‘Hels’ omdat we genept zijn in een van onze sterkste en belangrijkste en meest geliefde lusten, namelijk de (afgezet tegen de arbeidsinspanning meestal over het hoofd geziene) ‘voluptas laborandi’ [ 28 ] Inderdaad probeert men al sinds lange tijd deze voluptas wier libido-energie op een of andere manier gestild zal moeten worden door andere, ook niet bepaald ongeliefde lusten te vervangen. (10) Maar dat die vervanging zal slagen, betwijfel ik.
Academisch gezegd: de klassieke vergelijking waaraan mijn generatie vijftig jaar geleden nog geloofde, namelijk van Vrije tijd en vrijheid die tegenwoordig ook al bijna niet meer geldt, zal dan helemaal onwaar zijn. Omgekeerd zal de vrije tijd, dus het niet arbeiden, als vloek worden ervaren. En in plaats van de beroemde vervloeking in Genesis 3: 14 zal het dan moeten heten: ‘op je achterste zul je zitten, je leven lang TV kijken!’ 
Als (wat ik geloof) de trend van rationalisering niet tegen te houden is, dan is er niets minder up to date dan de tendens (die hier en daar al bemerkbaar wordt) die trend  tegen te houden of zelfs ongedaan te maken: dus bezigheden die al door machines of automaten uitgevoerd kunnen worden, of al worden, terug te veroveren: kortom: dingen door mensen te vervangen bv mechanische kaartjescontrole door archaïsche conducteurs. Het woord ‘selbst-Verdingung’  is precies passend (het betekent niet hetzelfde als ‘verdinglichung’) (11) Bepaald Kafkaësk is het als arbeiders arbeid willen terugwinnen, die bestaat uit het maken of bewerken van extreem moderne onderdelen van machines, van producten dus, waardoor dan de arbeiders zich opnieuw vervangbaar maken.
Ondanks de absurditeit van het gevecht om functies die al door apparaten werden bezet terug te winnen, zou het toch niet passen dat gevecht vanwege het karakter van ‘machinebestorming’ reactionair te noemen of zelfs weg te honen als contrarevolutionair. Wie dat wel doet bewijst daar alleen maar mee, dat hij het (aan Marxisme en Kapitalisme eigen, dus zeer verbreide) bijgeloof aan de identiteit van technische en sociale c.q. politieke vooruitgang ook nu nog niet heeft weten te overwinnen. En wie dat nu nog niet kan bewijst daarmee slechts hoe reactionair hij zelf is.

150 jaar geleden bestormden onze voorouders als eersten machines, want zij konden niet concurreren vanwege de opkomende industrie en werden als landarbeiders en thuiswerkers werkeloos. We hadden [ 29 ] ons aangepraat dat zij en hun nageslacht na ontstellende overgangsellende en kosten van overgang toch ergens naar de industrie zouden kunnen uitwijken en daar kunnen integreren. Dan zou de tijd van het bestormen van machines definitief achter ons liggen. Dat was een illusie geweest. De crisis is met de generaties meeverhuisd; wij, hun kleinkinderen staan nu voor hetzelfde dilemma als onze voorouders. Na anderhalve eeuw verborgen te zijn geweest is de crisis nu weer levendig geworden. De machine is weer concurrent en vijand geworden. Maar het is niet genoeg dat ze er weer is, ze is dit keer veel gevaarlijker  dan toen. Niet omdat zij die vandaag of morgen getroffen worden maar een kleine minderheid zullen zijn, maar omdat er nu geen toevluchtsoorden meer zullen zijn. De vraag waarheen, naar welke niet-bestaande en nooit maakbare ruimte van vrije tijd of arbeid de massa’s die niet meer nodig zijn uit kunnen wijken, blijft open. Nu al zijn er bv in het grafisch bedrijf, stormtekens van collectieve angst; en morgen zal die angst volledig terecht, tot een massale paniek aanzwellen, van nooit vermoede sterkte. Scheldwoorden als ‘machinestormers’ passen dan niet in deze situatie. Als er iets is dat hoon verdient, dan is het dat huidige gebruik van het scheldwoord ‘machinestormer’. Want een kanselier die de bouw van een kernreactor verdedigde, gebruikte die hoon onlangs, en die is dan ouderwetser dan de zogenaamde ouderwetse machinestormers.
In Molussië, dat zoals bekend een verleden heeft vol futurologische toespelingen, heeft men in een vergelijkbare situatie vlak voor de ondergang herhaaldelijk ‘de vrije tijd neergelegd,’ ; men noemde dat ‘negative Streiks’: spontane massaopstanden die met fabrieksbezettingen gepaard gingen, van het proletariaat dat niet tot arbeid werd toegelaten, tegen ‘zijn ongedwongen zijn’. Natuurlijk brachten deze pogingen om de verloren arbeid weer terug te krijgen, de techniek en de economie van het land geheel in wanorde, want er werd niet alleen niet meer gerekend op handarbeid in de geautomatiseerde ruimtes,  neen ook technisch was het niet meer mogelijk… waar nog bij kwam dat de in de automaten ingevoerde hoeveelheden grondstof, zinloos voor de [ 30 ] poorten van de fabrieken ophoopten. Natuurlijk pakte de Molussische overheid in zulke gevallen uiterst gewelddadig uit. En veel spreekt ervoor dat ze zich daarbij van een soort neutronenbom bediend hebben. want je leest niets over verwoeste fabrieken in de kronieken, wel echter van doden, en dan op een toon alsof die helemaal niet onwillig waren. En toch was de politie van Molussië niet in staat deze wanhopige pogingen om werk terug te krijgen, definitief te verhinderen. De samenleving is inderdaad in elkaar gestort.

Het maakt niet of het bij ons echt tot het bestormen van machines komt of niet – morgen zal de vrije tijd niet meer als het ‘eigenlijke leven’ gelden, maar als lege tijd, als tijdpap waar je geen greep op krijgt, als zinloos doorvegeteren – en als zodanig zal ze gehaat worden. En dat noodlot zullen zelfs die paar boffers die nog mogen doorwerken, niet ontlopen, zelfs niet tijdens de arbeid. Want ook zij zullen de kans niet krijgen om hun ‘cupiditas atque voluptatem laborandi’ te bevredigen, want ze zullen zich tevreden moeten stellen met de rol van ‘herders van automaten‘ te zijn. Zij hebben bezigheden die eigenlijk alleen nog van niets doen verschillen, doordat ze ervoor betaald krijgen. – Dit stadium van de arbeid bespreken we verderop uitvoerig.

Deze niet te stoppen ontwikkeling in de richting van ‘leeg leven’ die nauwelijks een halve eeuw geleden begon, en in het nationaalsocialisme haar pseudo-overwinning kreeg, is een van de belangrijkste karakteristieken van de derde industriële revolutie die in deze bundel wordt behandeld. Er is in de eeuw van de elektronische middelen geen plek meer, waar je niet meer zou kunnen worden geïnformeerd. c.q. gedesinformeerd. Juister gezegd: geen plek meer waar je de druk om geïnformeerd. c.q. gedesinformeerd te worden zou kunnen ontgaan. – Daarom is er ook geen plek meer waar je je oren niet dichtgeplakt krijgt met ‘betekenis verlies’ door volksfilosofen, psychoanalytici, radiozielzorgers of door ‘automatic consolation tapes’ die telefonisch te bereiken zijn naar eigen keuze. Over dit zogenaamde behaalde succes zal ik me uitvoerig uitspreken in mijn essay over ‘de onzin van het begrip zin’. [ 31 ] En ik denk dat dat destemeer nodig is, omdat er onder de zin-predikers van nu nauwelijks één is, die er zich toe beperkt dat verlies uit te schreeuwen. Veel meer doen ze allemaal ook meteen recepten in de aanbieding – hoe minder weet van de oorzaak, deste driester de adviezen. Ik zal de woordenschat die ze gebruiken uitvoerig onderzoeken. Dan zal blijken dat het grootste deel van het vocabulaire dat ze gebruiken, uit filosofisch en psychologisch kleingeld bestaat uit de tijd van voor de Eerste Wereldoorlog.  Blijkbaar hebben woorden van vorming vele decennia nodig om te bezinken in de taal van de triviale filosofie en vorming. Omdat doe woorden (zoals ‘echt’, ‘waarde’, ‘creatief’, ‘vormen’, ‘persoonlijkheid’, om maar te zwijgen van ‘hele wereld’) pas massaal verbreid worden, nadat ze zijn afgezonken, dus triumferen, kan men niet spreken van op de winkel passen. Heel ‘avantgardistische’ mensen gebruiken zelfs ‘al’ (in feite komen ze 50 jaar achteraan strompelen) stukken uit Heideggers ‘jargon van de eigenlijkheid’. Onontkoombaar bereiken ons deze zwetsers van troost en stichting via de radio. Omdat ze daarbij dit zogenaamde ‘verlies aan zin’ bovendien als een ‘ziekte’ behandelen, dus de wortels ervan niet willen uitgraven en daarom ook niet kunnen, zijn het pure kwakzalvers, waarvan ik me hier ten stelligste wil distantiëren. Dit boek gaat net zo weinig ‘echt’ of ‘positief’ of ‘zin’ of zo weinig ‘waarde’ bevatten als mijn vroegere boeken. Voor zulke smakeloze mooipraterij en voor recepten tegen het zogenaamde ‘zinloos worden’ van het leven is de huidige situatie veel te ernstig. Wie aan deze ernstige situatie probeert te voldoen, die moet van die zoetigheden afzien.
Maar voor ik in mijn essay over het zin-begrip zal uitwerken wat dat afzien betekent, zal ik in de eerste twee grotere essays het verlies van de Categorieën dat wij als creaturen van de technocratie hebben geleden en lijden en detail voorleggen. Maar ik twijfel eraan dat we (en daarmee bedoel ik niet slechts mij persoonlijk) na de weergave van de omwenteling nog tijd genoeg overhouden om tegen deze revolutie te revolteren, ze dan zo te keren dat we de ondergang die erin ligt kunnen ontgaan- want daar gaat het om, en niet om de behandeling of stichting of misleiding van naar ‘zin’ dorstende privé-patiënten.[ 32 ]

§ 8

De metafysica van de industriële revolutie

We spraken in het begin van de idée fixe van de derde industriële revolutie: namelijk dat de kwaliteit ‘maakbaar’ verplicht is geworden. En dat het feit dat de (‘morele’) beslissing daarover of een product gemaakt, of een effect uitgedoofd zal worden of niet, uitsluitend ervan afhangt of maken of uitdoven mogelijk is. En dat het niet maken van iets wat te maken is als schandaal wordt opgevat, en dat volgens dit criterium de (‘morele’) kwaliteit van de resultaten die je wilt behalen eigenlijk niet telt (ook al zou het gaan om de meervoudige vernietiging van de mensheid) – kortom, we zeiden dat geen prijs te hoog zou zijn.
Deze idée fixe van de derde industriële revolutie uit zich echter ook nog op andere wijze: schandalig wordt niet slechts het niet te gelde maken van een mogelijke grondstof beschouwd ; neen ook als je het achterwege laat om in iets wat voorhanden is grondstof te zien en dat als grondstof te behandelen. De wereld geldt als een mijn die uitgebuit moet worden. We zijn niet alleen verplicht alles wat uitgebuit kan worden uit te buiten, maar ook de uitbuitbaarheid die in elk ding (ook de mens) verborgen is, aan het licht te brengen. De opgave van de huidige wetenschap bestaat er niet meer in het geheime, dus verborgen wezen of de verborgen wetmatigheid van de wereld of de dingen na te speuren, maar daarin hun geheime economische waarde te ontdekken.

Het (doorgaans zelfs verborgen) metafysische uitgangspunt van huidig onderzoek is dus dat er niets is dat niet uit te baten is. ‘Waar dient de maan voor?’ (Molussisch). Dat hij ergens toe dient wordt geen ogenblik betwijfeld.
De vraag naar wat als ‘wereld’ geldt, – in die zin is het dubieuze woord ‘wereldbeschouwing’ misschien te rechtvaardigen – is in de loop der geschiedenis heel verschillend beantwoord, bijv. met het woord ‘kosmos’ of met ‘schepping’ of ‘voorwerp van kennis’ of ‘totaal begrip van fysische processen’. Als men die vraag nu stelt kan het antwoord slechts luiden: ‘grondstof‘. Daarmee bedoelt men dus niet als een wereld ‘an sich’ , maar als ‘voor ons‘. Maar dan niet in de zin [ 33 ] van het idealisme voor zover dat grofweg gesproken de wereld definieert als correlaat van het bewustzijn, maar in de zin van een, als je dat zo mag zeggen: ‘pragmatisch idealisme’. Het zijnde is correlaat van verbruik. Maar deze idealistische pointe is vaak versluierd, want zoals we gezien hebben gebruiken we voorwerpen uit de wereld vaak niet onmiddellijk ‘voor ons’ maar ‘voor iets’ (wat we gebruiken). Daar komt nog bij dat wij producten na jagen al hebben we die niet direct nodig, neen, hoewel we hun bruikbaarheid en onze behoefte eraan nog niet kennen, moeten we die veel meer eerst ontdekken en maken. ‘Wereld’ is dus niet het totaal van alles waaruit iets te maken is, maar van alles wat we verplicht zijn om er iets van te maken. – waarbij onuitgesproken verondersteld wordt, dat er , omdat niets kan zijn wat niet mag zijn, uiteindelijk niets is waaruit niets te maken is. Omgekeerd geldt, dat aan iets waaruit zich niets laat maken, de existentie ontzegd moet worden, en dat het, als het ons in de weg zit, vernietigd mag worden. Analoog aan wat bij de nationaalsocialisten ‘levenonwaardig leven’ was, zijn er ‘Zijnden die geen existentie waard zijn‘ . Kortom: ‘grondstof zijn is criterium van bestaan. Zijn is grondstof zijn. – Dat is de metafysische basisthese van het industrialisme, die in de individuele essays nu behandeld worden.

 

Aantekeningen

1 Bij de situatie van vandaag hoort zelfs dat elke machine de mede-veronderstelling van elke andere machine is en daardoor mede-maker, of mede-onderhouder. En het gros van de bestaande machines tendeert er naar tot een enkele mega-machine samen te groeien en daarmee uiteindelijk de basis te leggen voor ‘de totalitaire dingenwereld‘. Zie het essay ‘die Antiquiertheit der Maschinen’ [ p 110 ]

2 De huidige zorg, minstens in kapitalistische landen is die productie door consumptie overeind te houden. Daarin bestond ze ook vijftig jaar geleden al toen Heidegger deze categorie als duistere ‘Existentiaal’ invoerde terwijl in ‘Sein und Zeit’ economie, evenals honger, en seks ontbraken,

3 Ook deze herhaalt zich: reclamefirma’s maken net zo goed reclame voor zich zelf als voor andere producten. Zie p 160 e.v.

4 Natuurlijk laat men dat niet op zich zitten, ook naar die producten wordt, vaak post productionem vraag geproduceerd, en wel in het belang van de producenten die hun eigenbelang door willen laten gaan voor een nationale behoefte. Zo heeft de lobby voor de zware industrie in USA, niet alleen tijdens de koude oorlog (die eveneens haar product was) door het opvoeren van valse cijfers over de Sovjet wapenproductie, een behoefte aan veiligheid en bescherming geproduceerd in de ‘vrije wereld’ op grond waarvan nu de wildste productie van de meest monstrueuze wapens en de aankoop ervan door ‘de gewapende macht’ gerechtvaardigd worden en op gang gebracht.

5 Als tegenbewijs wordt steeds aangevoerd: gifgas; maar dat is toch geen uitzondering want het werd al in 1918 als onbruikbaar opzijgezet, omdat het de eigen rangen in gevaar bracht.

6 De uitzonderingen, doping en sporttraining of schoonheidsoperatie hoeven we niet te bespreken.

7 ‘Pathologie de la liberté’ 1929, in ‘Recherches Philosophiques’, Paris 1936

8 Kritik der praktischen Vernunft, I, Buch 8. Hauptstück. Maar Kants stelling dat zoals hier staat, ‘behalve de mens alles wat men wil en wat men aan kan’ als middel gebruikt mag worden, (een stelling waar de uitroeiers van walvissen en zeehonden zich zouden kunnen beroepen)  hebben we nooit kunnen onderschrijven. Deze [ 433 ] verschrikkelijke Algemene Licensie, die aan niets dan de mens een taboe toekent, en veronderstelt dat al het andere voor de mens geschapen is, en dat betekent: hem ter beschikking staat heeft nooit bestaan behalve in de ruimte van het monotheïsme van de Joods-Christelijke traditie (Gen 1: 26-28), maar niet in de magische systemen en het polytheïsme. Dit is het gebrek van onze ‘westerse’ ethiek. Alleen binnen de antropocentrische traditie, waarin de wereld als onderdaan van de mens gold, dus als diens dienaar, object, levensmiddel. En daarin is de mens, hoewel zelf ook ‘cretaura’ maar niet als stuk natuur, maar als onbeperkte heerser over alle andere schepselen. En alleen in dit raam heeft de natuurwetenschap en daarmee de techniek en daarmee tenslotte het industrialisme kunnen ontstaan. De algemene noemer van de Europese filosofieën en volkse wereldbeschouwingen,  is geweest dat de mens het doel en de wereld middel is. Dat antropocentrisme (maar zelden door periodes van pantheïsme onderbroken). Deze filosofieën en wereldbeschouwingen hadden talloze verschillen, maar die zijn nauwelijks van belang tegenover wat hun gemeenschappelijk was. Tegenwoordig hebben natuurwetenschappen en techniek die zonder dit theologische antropocentrisme nooit op hadden kunnen komen, ook bij die volken voet aan de grond gekregen die zoals bijv de Japanse de theologische voorwaarden niet meebrachten. Maar die voorwaarden zijn ook in de Joods-Christelijke cultuurkring al lang vergeten. Nu zijn technocratische landen niet door een geloof verenigd. Omgekeerd verenigt hen nu een atheïsme (wel is waar zelden uitgesproken, maar wel uitgeoefend): dat is (ondanks godsdienstige uitingen van fysici) de basis van de natuurwetenschappen.

9 Een Amerikaanse ondernemer, die ik vroeg naar deze ontwikkeling, antwoordde gekrenkt, en niet vermoedend hoe zeer de vraag die hij stelde op het antwoord van Kaïn leek: ‘Why should I be responsible for the regrettable fact that there are too many workers in the world? Am I their nurse?’

10 De vervanging ervan door (zelfs als industrieel vervaardigde) porno-, doe-het-zelf-, en sportlust zie p 103

11 Men zou mogen aannemen dat die conducteurs zich zouden schamen voor een dergelijke terugkeer naar het niveau van apparaten. (of, omdat ze minder goed presteren dan apparaten, onder hun niveau). Maar zulke schaamte, die een variant zou zijn van de ‘prometheïsche schaamte’ uit Band I, ben ik vrijwel niet tegengekomen. Mogelijkerwijs bestaat die helemaal niet – wat dan een tweede schaamte zou rechtvaardigen, want het is niet bepaald eervol, tevreden te zijn als ding. Het is denkbaar dat ik me vijfentwintig jaar geleden, toen ik de ‘prometheïsche schaamte’ introduceerde, verkeerd speculeerde: namelijk dat ik een postulaat als feit heb opgevoerd, en daardoor de grens naar ‘Philosophy Fiction’ heb overschreden. Misschien moet ik dus [ 434 ] die schaamtethese herroepen. Ik herroep daarentegen niet, dat ook wanneer schaamte van deze soort niet zou worden waargenomen, wat aan de orde is dat is wat de Engelse taal noemt: ‘shame’: een schande.