Die Antiquiertheit der Geschichte I

Die Antiquiertheit der Geschichte I

1978

Techniek als subject van de geschiedenis.

 

Politiek is ons lot (1815)
Economie is ons lot(1845)
Techniek is ons lot (1945)

§1

Eerste benadering van het begrip ‘Ungeschichtlichkeit’
Er is nooit geschiedenis geweest. Tijdgenoten en ruimtegenoten
zijn ook niet historisch.

Ik zal de bewering dat de arbeider van vandaag veel en veel comfortabeler leeft en werkt dan zijn oerouders geleefd en gewerkt hebben, niet bestrijden.  Maar het is niet realistisch om te verwachten, dat hij zich bewust blijft van dat van ooit dat hij niet meegemaakt heeft, en zijn eigen opgang, dus het verschil. Hij leeft zonder herinnering, dus ungeschichtlich. (1) Ik moet de arbeider nog zien, die op het idee kwam een vergelijking te trekken tussen het niveau waarop zijn voorouders leefden en vegeteerden en zijn eigen levensstandaard. Of die zijn leven als ‘menswaardig’ of ‘onproletarisch’ inschaalt omdat het wel beter is dan dat van zijn voorouders.
Dat geldt trouwens ook van de burger, die ondanks de grootte van de conservatieve partijen waar hij vaak lid van is, toch verbijsterend onhistorisch leeft. Maar als hij al aan vergelijken toe komt, – ik gebruik met opzet die vage uitdrukking, omdat vergelijken altijd erg onnauwkeurig gebeurt – dan waardeert hij het heden niet hoger dan het verleden (dat hij zich nauwelijks concreet voorstelt). [ 272 ] Neen, omgekeerd: die ‘goeie ouwe tijd’ slaat hij hoger aan dan het heden. En dat doet hij zelfs wanneer dat verleden uit bloedbaden heeft bestaan. Van de nostalgie waarmee herinneren meestal gepaard gaat, geldt wat Aristoteles gezegd heeft van het leven als zodanig: dat het ηδυ τι, iets zoets is. Inderdaad maakt herinneren zijn inhoud zoet. Bij een Weense oorlogsmisdaden rechtbank maakte ik het mee, dat een ex kampgevangene tranen in het oog kreeg bij zijn getuigenis over de gruwelijkheid van het kamp, en dat waren geen tranen, zoals uit zijn woorden bleek van droefheid of woede, maar van weemoed.

‘Maar de mens is toch een historisch wezen! Dat weten we toch minstens sinds Dilthey. Hij leeft toch vanuit gisteren en eergisteren!’ Aldus een Amerikaanse College Professor (hoewel de meeste van zijn medeburgers nog minder weten van hun ‘roots’ die wortelden in de Europese bodem, dan mijn Europese tijdgenoten).
Dat kan best dat de mens van nu nog min of meer door zijn verleden en wat daarvoor lag, dus van zijn voorouders, hun zeden en godsdienst getekend is. Vast meer minder dan meer. Want getekend is hij voor alles door de tegenwoordige tijd. (afgezien van wat hij zelf nog als gisteren geleefd heeft). Maar stel zelfs dat hij door zijn voorouders getekend is – deze causale relatie is helemaal geen herinneringsrelatie. Dat wil zeggen: Er kan geen sprake van zijn, dat wie daardoor getekend is, de beelden van wat hem getekend heeft bij zich omdraagt, of dat hij zelfs zijn huidige bestaan met die beelden vergelijkt of ook maar zou kunnen vergelijken.
Mijn hypothese is : niet alle mensen zijn historisch. (dwz niet alle in de ruimte van onze geschiedenis ‘gelijktijdig levenden’, die je beter ‘ruimtegenoten‘ kunt noemen dan ‘tijdgenoten’.) En wat het heden betreft dat geldt ook voor het verleden: er bestond nooit bewustzijn van historiciteit, en evenmin het begrip ‘geschiedenis’. Zelfs het object dat in het begrip ‘geschiedenis’ bedoeld was, dus het proces van de geschiedenis zelf, heeft niet altijd bestaan. (2) Hoe absurd dat ook moge klinken, het verschijnen van dat proces is altijd van zekere voorwaarden [ 273 ] afhankelijk geweest (en die kun je slechts onder reserve ‘historisch’ noemen.) Eens, (of liever ooit) is uit een geschiedenisneutrale brij van de tijd (waarin behalve de mens alle levende wezens moesten blijven steken) of uit een cyclus van de tijd (die vanzelfsprekend bestond voor de ouden en ook vandaag nog voor wat boeren) na miljoenen jaren geschiedenis ontloken. Maar als ik ‘ooit’ zeg, is dat omdat geschiedenis tot nu geschiedenissen geweest zijn (zoals tot nu de taal talen geweest zijn); en omdat ze pas nu door de communicatie van de volken en door het dagelijks kleiner worden van de wereld echte ‘universele geschiedenis’ wordt; dat bestond tot gisteren slechts als woord en vangt nu pas aan. Het wordt echte globale geschiedenis, die voor de deur staat, als we niet voor die tijd globaal ondergegaan zijn. Het is een feit dat de huidige tijd zowel door het begin van de wereldgeschiedenis gekenmerkt wordt, als door het einde van het historisch bestaan. De paradox daarvan kunnen we pas verderop ophelderen. Het type nationale afzonderlijke geschiedenissen, die in het kader van de geschiedenis van de geschiedenissen slechts voor een korte tijd heeft bestaan, staat op het punt af te sterven. (3)
In feite zijn de aparte geschiedenissen altijd al slechts ‘historische fenomenen’ dus intermezzi, geweest: ofwel zonken hun subjecten terug in het ‘nunc stans’ (hier sta ik?) van de geschiedloosheid waaruit ze voortgekomen waren, ofwel – wat meestal het geval was – ze mondden uit in de bredere geschiedenisstromen van de grotere subjecten van de geschiedenis die hen veroverden. 

§ 2

Geschiedenis is die van de heersende klasse
De overheersten zijn alleen maar – ‘mede-historisch’.

De samenleving die zonder ophouden verandert, en die ondanks die verandering in staat blijft op voorbije fases terug te kijken en haar huidig bestaan met het beeld van die fasen kan vergelijken, die samenleving is nog maar van recente datum. En net zo min als er altijd historie geweest is, net zo min zal er in de toekomst altijd geschiedenis zijn. Ik houd het heus voor mogelijk dat de huidige samenleving op het punt staat haar historie voor zo ver [ 274 ] ze die als geheel ooit bezeten heeft, weer te verliezen, dus weer a-historisch te worden.

‘Voor zover ze als geheel een historie ooit bezeten heeft,’ – deze beperking heb ik aangebracht omdat het onterecht is te geloven, dat wij van vandaag (zelfs wij, die leven in de historische ruimte van Europa en Amerika; doortrokken van geschiedenis) in het geheel genomen en in gelijke mate ‘historisch’ zijn. Want geschiedenis is klasse-geschiedenis. Daar bedoel ik niet mee dat elke klasse haar eigen geschiedenis heeft gehad, of dat ‘gelijktijdige’ klassegeschiedenissen parallel naast elkaar hebben hebben gelopen of liepen – dat is juist helemaal niet het geval geweest. Veel meer was het geval dat de overheersten, zoals slaven geen eigen geschiedenis hebben gehad. Zo nu en dan lukte het hun in verloop van hun lotgevallen een eigen geschiedenis te hebben, bij vlagen of rebellie, en dan vielen ze spoedig weer terug, zoals in de Spartacus opstand. Waar echter rebellie revolutie werd en waar die slaagde, zoals in China of Vietnam, daar ving inderdaad een nieuw geschiedenistijdperk aan: als slachtoffers van de geschiedenis of enkel Mitgeschichtlichen veranderden de rebellerenden of hun klassen dan in subjekten van de geschiedenis.
‘Geschiedenis’ is hier, zoals men ziet weer niet slechts opgevat als het navertellen van wat geweest is (‘narratio rerum gestarum’), ook niet slechts als herinnering aan wat geweest is (‘memoria rerum gestarum’) maar vooral als het gebeuren zelf (‘res gestae’). Duidelijker gezegd: de overheerste klasse is niet alleen onhistorisch, omdat ze onvermeld bleef, (4) omdat ze geen schriftelijke bewijzen kan laten zien van hun ‘geschiedenis’; ook niet omdat ze nauwelijks een bewustzijn hebben voor het verleden. De ontwortelde stads arbeider is volledig, als door een bijlslag afgesneden van de plattelandse manier van leven van zijn voorouders. De overheerste klasse is ook niet onhistorisch omdat ze haar verleden niet in eigen zeden bewaart. (5) Maar omdat ze geen subject van de geschiedenis is. Hun lotgevallen waren geen periodes van een eigen ontwikkeling die verklaard kan worden door fases eigen aan de klasse zelf. Marx heeft daar zeer indringend op gewezen zij het in andere bewoordingen, toen hij om het proletariaat te maken tot een, of tot het subject der geschiedenis, het ontwikkelen [ 275 ] van klassebewustzijn tot de taak met topprioriteit uitriep. Als je een geschiedenis van het proletariaat zou willen schrijven, dan zou men alleen antwoorden kunnen noteren, een keten van reacties waarmee het van dag tot dag gereageerd en geantwoord heeft op de historische daden en situaties van de heersende klasse, c.q. reageert en antwoordt. (6) Als woorden als ‘reageren’ en ‘antwoorden’ niet nog te veel ruimte laten voor spontaniteit. Tot op heden is het proletariaat hoewel al onderdeel van de geschiedenis, toch altijd nog maar ‘mede-historisch’ geweest. Men kan toch niet beweren dat de miljoenen proletariërs die bijv in de Eerste Wereldoorlog hun bloed gaven, – dat die te velde trekkend en sneuvelend ‘gereageerd’ hebben op de historische handelingen van de heersende klassen, of ‘geantwoord’. Veel meer hebben ze alleen maar gehoorzaamd, moeten gehoorzamen, ze zijn gewoon slachtoffer geweest. ‘Hun’ oorlogen zijn het strikt genomen niet geweest; en als je een geschiedenis van het proletariaat zou schrijven. dan zou daarin dus geen zelfstandig hoofdstuk kunnen wijden aan de oorlog, omdat het geen hoofdstuk van zelfstandigheid zou zijn. Dat gaat op ongeacht het feit, dat het de heersende klassen van alle oorlogvoerende machten in de Eerste Wereldoorlog gelukt is het proletariaat wijs te maken, dat wat zij moesten doen ook hun zaak was (7): dat er, zoals Wilhelm op 2 augustus 1914 het uitdrukte, ‘geen partijen meer waren, alleen maar Duitsers’. – en daarop keurde de Duitse sociaaldemocratie middels haar afgevaardigden in de Rijksdag de oorlogskredieten goed. Omdat ze zich dus schaamden niet deel te nemen aan het kunstmatig gefokte enthousiasme en ze wilden zich op deze uiterst treurige wijze laten zien als ‘mede-historisch’. En Hitler en Goering gingen nog verder dan Wilhelm. Want die bevalen niet slechts het proletariaat te gehoorzamen, maar verlangden veel meer van het proletariaat dat het mede-historisch zou zijn in de vorm van uitdrukkelijke gelijkschakeling, en dat zou bezegelen. En deze eerste demagogen van het reproductietijdperk – in zekere zin heeft in 1933 de Radio getriomfeerd is het inderdaad gelukt het proletariaat ertoe te verleiden de opgelegde gelijkschakeling enthousiast en daarmee schijnbaar vrijwillig uit te voeren. Dit was een compleet nieuwe vorm van bedrog, want ze bestond niet slechts uit een valse mededeling, maar ze bewerkte een ‘vals gevoel’, (dat overeenkwam met het ‘valse bewustzijn’ bij Marx); en daarmee kwamen ze tot [ 276 ] een ‘vals handelen‘. Anders gezegd: het proletariaat bejubelde nu samen met de overigen de afgedwongen mede-historiciteit als eigen geschiedenis. En het aantal van hen die vrijwillig tot de dodelijke partij toetraden steeg in de honderdduizenden. Niet alleen mocht de klasse wier partijen verslagen werden niet meer bekennen ‘wie’ ze was, maar ook niet ‘wat’ eigenlijk goed voor haar zou zijn geweest. ‘Willen jullie de totale oorlog?’ – ‘Ja!’

Verder manifesteert het on – of mede-historisch zijn zich in het onderwijs, waaraan proletarische kinderen deelnemen net als andere, want ze worden daar vrijwel uitsluitend gevoerd met geschiedenis van anderen. Nauwelijks met de geschiedenis van het lijden, dus met hoe het afliep met de vernederingen die hun voorouders hebben geleden.
En dat is nog niet alles. Want ‘slechts mede-historisch’ zijn ze ook nog maar in het beste geval. Daarmee ontken ik natuurlijk niet dat proletariërs constant en onontkoombaar betrokken zijn bij het werkelijke gebeuren van wat achtereenvolgens heden is – ook paarden nemen in gevechten van de cavalerie aan de wereldgeschiedenis. Wat ik zeggen wil is veel meer dat kinderen van proletariërs de inhoud van de geschiedenisboeken niet oppakken (8) – vanwege het aparte van deze opvatting heb ik ook van ‘in het beste geval’ gesproken. Gewoonlijk glijdt deze inhoud eenvoudigweg van een proletarisch kind; en dat is zeer goed te begrijpen, bijna terecht, omdat die geheel geen verband heeft met zijn eigen wereld, in elk geval in zijn ogen niet. Wat geen relatie met je leven heeft – die selectie is een positieve prestatie van het brein – is ook nauwelijks waarneembaar of op te vatten, laat staan te herinneren (9) ze kan er alleen maar ingestampt worden. En wat alleen maar erin gepompt is wordt meteen weer vergeten. (10) Op grond daarvan heb ik hier voornamelijk gesproken van proletarische kinderen niet van proletariërs. Want na het verlaten van de school komen die nauwelijks meer  in aanraking met geschiedenis in de zin van ‘narratio rerum gestarum’; de historiciteit van de ‘historische TV-ham’ – de enige waarmee 99% van de bevolking nog in aanraking komt – erschöpft sich ja im Kostüm; deze ‘features’ verhogen het begrijpen van de geschiedenis vast. (Onzekere vertaling, jab)

§ 3

Toekomst als geschiedenis
Mee-historisch zijn met de geschiedenis van de techniek
Dat is in de jongste geschiedenis de geschiedenis geworden.

§ 4

De toekomst is al afgelopen

Natuurlijk speelt in onderontwikkelde landen de chiliastische oriëntering op de toekomst vandaag de dag nog een doorslaggevende rol. Of vandaag pas. Terwijl bij ons: in Europa, Amerika en ook in de Sovjet-Unie (afgezien van de verplicht optimistische officiële claims en toespraken op de partijdagen) het toeleven naar een ideale toekomst al bij het verleden schijnt te horen. ‘De toekomst is al beëindigd’ als niet alles bedriegt. Of juister: onze geschiedenis heeft in de laatste decennia een nader stadium bereikt , neen zelfs twee : een derde en vierde. Ik bedoel als derde het geschiedenis concept van de mensen die hier en daar in de woestijn van de  tijd lopen te roepen en vrezen dat de mensheid zich niet meer in de toestand van ‘nog niet‘ bevindt, maar al in die van ‘nog net’ (12) en die ten overstaan van de technisch  mogelijke apocalyps waarschuwen dat die hoogst waarschijnlijk zal losbranden. (‘Hoogst waarschijnlijk’ omdat tegenwoordig – en dat is de definitie van onze eeuw – technische mogelijkheden als verplicht worden beschouwd, omdat ‘faciblie faciendum’ is omdat we wat we kunnen maken zogenaamd ook moeten of behoren te maken en daarom inderdaad ook maken). Maar ik heb niet alleen de waarschuwers tegen dat einde op het oog, ook die vatten de geschiedenis nog op als ‘voor-geschiedenis’,, zij het niet als ‘het komende rijk’ , maar als einde, als laatste ‘dead-line’. (13) [ 279 ]

§ 5

Techniek – het subject van de geschiedenis

Dit derde geschiedenisconcept is, natuurlijk niet wat de meerderheid van de mensheid tegenwoordig denkt, al is het wel realistisch. Tegenwoordig is een vierde concept dat nauw samenhangt met het derde zeer wijd verbreid. Ik bedoel het feit, dat wij – en onder ‘wij’ versta ik de meerderheid van onze tijdgenoten in de geïndustrialiseerde landen, inclusief hun staatslieden – ervan afgezien hebben (of hebben laten dwingen om ervan af te zien) ons zelf (of de naties of de klassen of de mensheid) als de subjecten van de geschiedenis te zien. We hebben onszelf onttroond (of laten onttronen) en in onze plaats hebben we andere subjecten van de geschiedenis neergezet, neen: slechts een enkel ander subject: de techniek. De geschiedenis daarvan is niet een geschiedenis onder andere ‘geschiedenissen’ zoals die van de kunst of van de muziek, maar dat is nu de geschiedenis, minstens de geschiedenis van de jongste geschiedenis. – Dat wordt heel verschrikkelijk bevestigd door het feit dat zijn en niet van de mensheid ervan afhangt. Natuurlijk zijn de meeste van onze tijdgenoten zich maar heel vaag bewust dat die omslag totaal kenmerkend voor onze eeuw is. Wel is waar leven ze allemaal bijna uitsluitend in en met en van en voor hun apparaten (of die van anderen) en zonder hen zouden ze geen ‘flard van een seconde’ meer kunnen ‘leven’. (14) Maar als je ze vraagt, zullen ze als ze de vraag überhaupt begrijpen, de techniek duiden als iets dat er is in onze historische situatie; niet als het subject der geschiedenis. Daar komt nog bij dat het aanbreken van deze nieuwe situatie aangebroken (hoewel ze naar historische maatstaven gemeten heftig is geweest) toch als je het afzet tegen het individuele leven, te geleidelijk plaats heeft gegrepen dan dat de enkeling het revolutionaire van het gebeuren vast kon stellen. En er speelt ook dat (zoals we snel aan een voorbeeld zullen zien) het inzicht in de onttroning van de mens en de troonsbestijging van de techniek buitengewoon handig in mist verhuld wordt.
Sommigen van onze tijdgenoten weten echter zeer precies van deze ‘omslag’ en wel omdat ze die nieuwe situatie [ 280 ] tot voorwaarde voor c.q. voorwerp van hun zaken gemaakt hebben. Ik doel op SF-auteurs, tekenaars van cartoons die interstellaire gebeurtenissen weergeven, producenten van futurologische films – anders gezegd die volkse profeten van onze eindtijd die ons, filosofen decennia vooruit lopen. Die zouden, als ze bij toeval iets van ons zouden horen, niet alleen begrijpen wat we bedoelen, maar onze te late ‘ontdekking’ verveeld van tafel vegen, want zij hadden deze subject wisseling als als fait accompli erkend en de weergave ervan als winstgevend onderkend, al in een tijd waarin wij nog van ‘het wezen van de mens’ bazelden of over ‘ter beschikking staand spul’. Voor hen was het al decennia geheel vanzelfsprekend dat  wij ons om ter ‘beschikking te staan van het spul’ continu moeten inspannen. En als er een ‘wie’ (Heideggeriaans gesproken) van de geschiedenis’ is, wij dat niet zijn, maar juist de techniek. En deze stelling die al sinds jaren een geldig thema is, die geldt natuurlijk eeuwig, c.q. omdat eeuwigheid ons niet vergund zal zijn gedurende de hele ons nog vergunde tijdspanne. (sorry dat ik de rare woorden die Anders (en Heidegger) gebruiken niet goed kan vertalen)

§ 6

Herders van de productie –
De techniek is niet slechts het subject van de geschiedenis,
maar ook het doel ervan. Productie vraagt om vernietiging.

Heel nauw hangt hiermee samen het feit dat de staatsmannen van Truman tot Kissinger en Carter (en helemaal de Amerikaanse media), als ze over het gevaar spreken van (atomaire) ondergang, dan noemen ze dat nooit het ‘end of mankind’ maar vooral ‘end of civilisation’; dan is wat in hun ogen in geen geval vernietigd worden mag, en altijd gespaard moet blijven, niet de mensheid met haar verleden en toekomst, maar de wereld van de producten en de productiemiddelen, van de auto’s, de fabrieken, de koelkasten, booreilanden, casetterecorders, intercontinentale raketten, atoomkrachtcentrales, die , als ‘het’ gebeurt er voor niets en nog eens niets geweest zouden zijn – een mogelijkheid [ 281 ] die deze advocaten van de beschaving met paniek vervult; omdat ze dit ‘einde der dingen’ opvatten (15) als de extreme verkwisting , en dus als onethisch. Hoe absurd dat ook moge klinken, ze zijn werkelijk ervan overtuigd dat de mensheid precies zoals zij zelf, zo vast hangt aan haar producten en productiemiddelen, dat ze productverlies en het einde van de productie zwaarder zouden kunnen verkroppen dan hun eigen ondergang. En het woord ‘hangen’ betekent dan niet slechts aanhankelijk of afhankelijk zijn, maar ook: ‘alleen maar aanhangsel zijn’. En dat betekent weer: ontologisch minder belangrijk zijn dan dat waar ze aanhangen. Als deze (niet toereikend betitelde) ‘technocraten’  desondanks ook de existentie van de mensheid de moeite waard vinden om te behouden dan alleen omdat er in hun ogen bezitters moeten zijn die voorkomen dat de producten en productiemiddelen geen heer hebben en dus geen zin, en dan maar beklagenswaardig rondhangen te existeren. (16) Deze gedachte vult hen niet met paniek, maar met medelijden. ‘Herders van het Zijn‘ zoals Heidegger ons aanstelde, nog helemaal Bijbels, namelijk antropocentrisch – waarbij hij ‘de plaat van de mens in de kosmos’ (die het geen moer kan schelen of wij er nog zijn of al verdwenen zijn) mateloos overschatte –  neen,’Herders van het Zijn, zijn we zeker niet. Wel zien we ons zelf als ‘herders van onze productie- en apparatenwereld ‘ die ons, hoewel ze imposanter is dan wij toch als dienaars (bijvoorbeeld als consument of bezitter) nodig heeft. Maar, deze gedachten van ons, de koningsgedachte van onze eeuw dat onze producten ons mensen ontologisch en axiologisch de baas zijn, uitspreken, neen ook maar stil te denken, wachten we als apparatenhoeders ons zeker.Die gedachte blijft ongedacht – want niet alleen seksuele zaken verdringen we.  En wel omdat we een duister vermoeden hebben dat ons alter ego er ook door geschokt zal worden en geschandaliseerd. Maar indirect bewijzen we dat deze ongedachte gedachte overwonnen heeft volkomen, deze ‘overlevingsleugen’. Het duidelijkste bewijs daarvoor is de fabricage van de (al vijftien jaar geleden uitgevonden) neutronenbom, die onze technische installaties als taboe behandelt, maar ons als ‘expendable’ (wegwerp, jab).. Theologisch geformuleerd: wat we maakten, de opera creata, moet meer kunnen overleven dan de creators, dat is ontologisch belangrijker dan wij, de makers. Hoe dan ook, door deze uitvinding en [ 282 ] de ongegeneerd geuite bereidheid ze in te zetten , heeft het woord ‘onmenselijk’ een zin aangenomen die het zelfs in de klassieke vernietigingsjaren van 1941 tot 1945 nog niet had. Als je nog een kroongetuige nodig hebt voor de ‘Antiquiertheit des Menschen’ dan heb je het hier. (17)

§ 7

Neutronenbom onmodern. De omkering ervan
De onhistoriciteit van producten. ‘Geaborteerde objecten’

Als we het ideaal van sparen en ontzien dat we van onze ouders erfden overeind houden dan raken we toch achterop bij onszelf. Ik ben ervan overtuigd dat het woord ‘ontzien’ (dat ik inderdaad nog nooit hoorde uit de mond van iemand onder de vijftig) binnen een eeuw zo ouderwets zal klinken als vandaag het woord ‘Frauenzimmer’.  Want ons principe is vandaag wegwerpartikelen te maken; we bouwen een korte leeftijd in onze producten in, want als ze dan niet-meer-bruikbaar zijn, kweken we nieuwe kopers. Het vernietigen van mensen is zeker niet het eerste doel van de huidige productie – dat zeg ik niet om hun reputatie niet te besmeuren, want het vernietigen van mensen zoals in Vietnam en Cambodja wordt als neveneffect zonder aarzeling op de koop toegenomen. Hoe dan ook doel is de productiewereld (die nog door de neutronenbom ontzien wordt.); dat is tegenwoordig ‘Carthago delenda’.
Het ideale product van tegenwoordig zijn dus comsumptiegoederen die, als broodjes, door ze te gebruiken meteen verbruikt worden. Alle producten van nu proberen (ondanks de nog lopende reclame voor ‘duurzaamheid’ en ‘solidariteit’)  aan dit productie-ideaal van het verslijten te voldoen, dus zo kort mogelijk te leven. (18) Dus als er niets meer is dat van gisteren dateert, wat blijft of blijven moet, daar is de geschiedenis afgeschaft. De consument is al sinds lang aangepast aan dit ideaal van het korte leven – wat bijvoorbeeld iemand die papieren zakdoekjes koopt bewijst doordat hij ze niet meer hoeft te wassen. Ook de voorwerpen van onze wereld zijn dus onhistorisch. Ze stammen niet uit het verleden en zijn niet voor een toekomst bestemd. Als [ 283 ] zuigelingen leven ze  alleen in het heden. En vele halen het niet eens omdat ze al door nieuwe modellen verdringen zijn, voordat ze het licht der wereld zien, zij worden in zekere zin voor de geboorte ‘geaborteerd‘. Ik maakte zo’n  abortus van producten al mee 35 jaar geleden in Los Angeles. Bij het maken van weefgetouwen voor hobbydoeleinden bereikte de ondernemer het bericht dat in New York betere ‘hand weaving looms’ verkocht werden. Daarop werden de weefgetouwen die al gemaakt en verpakt klaarstonden voor vervoer verschrot inclusief verpakking.
Maar nu zonder beeldspraak. In de hoog geïndustrialiseerde landen is het al goedkoper om nieuwe apparaten te kopen, dan oude te repareren.  – was vaak überhaupt onmogelijk (of een luxe) geworden is, omdat er geen mensen meer zijn die met de hand kunnen repareren, behalve voor dure zaken als auto’s, TV’s, en koelkasten. De overstap van duurzame zaken op wegwerpspul is niet alleen voor de industrie winst geworden, maar ook voor de klant. Maar zonder opvallende verkrampingen is die omslag net gegaan. 

§8

Tweedehands geproduceerd. Blue jeans

Al voor veertig jaar is er een beweging gestart die de suprematie van onhistorische objecten probeert tegen te houden. Dan heb ik niet op het oog opwindende handel in echte en de enorme productie van valse getuigen van een (vooral rustiek) verleden, waar de meeste kopers helemaal niet uit voortkomen, bijvoorbeeld gietijzeren herberg uithangborden, petroleumlampen etc. . Maar ik doel op een fenomeen dat nog meer dialectisch is: omdat iets wat gerepareerd werd al exclusief gevonden wordt, worden er producten gemaakt, die er ‘gerepareerd’ en dus ‘historisch’ uitzien. Producten die des te meer dialectisch zijn, want ‘slijtage’ is erbij ingebouwd, hoewel ze naar verleden moeten ruiken. Maar nu lopen we op de dingen vooruit.
De meest geprononceerde belichaam van deze nieuwe producten zijn de ‘levys’, de blue jeans; de kwaliteit [ 284 ] ervan bestaat in de kunstmatig vervaardigde slechte kwaliteit. Ze zien er opgelapt, verbleekt, en gerafeld uit en simuleren zo  op zijn minst verleden, op zijn minst van gisteren, om maar gekocht en gebruikt te worden. ‘Otherwise they are not up to date’ (uitspraak van een Amerikaanse zestienjarige die zich de dialectiek van haar woorden natuurlijk niet bewust was) Feitelijk hebben de eerste kopers en dragers van deze geschiedfilosofisch zo interessante broeken  zich rebellen gevoeld, saboteurs van de ‘onhistorische’ confectiebroeken; en zij verachtten de ‘glossy’ massaconfectie alsof ze protesteerden tegen de strijkvouw. ‘Blue jeans dragers aller landen verenigt u!’ Inderdaad stak er iets van ‘conservatieve revolutie’ in deze nieuwe ouderdom voorspiegelende kledij. Tegelijk scheen ze omdat ze ‘klasseneutraal’, overigens ook genderneutraal gedragen werd, ja te zeggen tegen ‘gelijkheid’. Een gevoel van ‘we are the people’. Scheen. Want in een oogwenk had de afgekeurde massaconfectie de protesterende buitenstaander omarmd, o uit de nieuwe kledij een collectieve mode te maken. Geen jongere kon zich daar toen meer aan onttrekken, als hij het niet wilde riskeren voor establishment aan gezien te worden. En al sinds jaren konden zelfs kinderen van de fabrikanten het niet meer maken, deze anti-conformisme boeken niet te dragen. Ze waren wel tot conformisme gedwongen omdat ze anders qua wereldbeschouwing c.q. politiek niet up to date waren; dan zouden ze niet bij ‘the people’ horen en opvallen als niet-opvallend. 

§ 9

Wapens en consumptiegoederen.De geantiqueerdheid van de vijandschap.
De tweeling oorlog en mode

Laten we terugkeren naar de wegwerpproducten. De meest prominente belichaming ervan is helemaal niet de mode, maar de oorlogsindustrie. Die maakt door haar voortdurende modernisering van haar modellen de vorige modellen nutteloos, vernietigt ze dus door te produceren – een proces dat door de wapenwedloop van de grootmachten nog aangewakkerd wordt. Maar die wedloop is de twee concurrenten niet even welkom-  de Sovjet-Unie en de Oostelijke staten [ 285 ] zien zich sinds decennia door de dwang ‘in de wapensector op gelijke voet te blijven’ gedwongen de opbouw van andere industrieën te verwaarlozen. (19) Voor de Verenigde Staten geldt echter, dat de vervaardiging van een nieuw model in de Sovjet-unie helemaal niet onwelkom is, omdat dat dat maakt dat het maakt dat het eigen model van gisteren niet meer kan concurreren, en dus een nieuw vereist – de wapens van de voorbije jaren werden dan aan staten in het midden-oosten verpatst – iets beters kan de industrie zich niet wensen. In zoverre was (of is) ondanks de zogenaamde beëindiging de ‘koude oorlog’ nog bijzonder warm. Dat is een zeer gunstige positie voor de kapitalistische industrie. Maar de grootste winst levert natuurlijk pas de ‘hete’: want de wapens, op zijn minst geschut, bommen en chemicaliën horen hoe raar dat ook mag klinken omdat ze slechts één keer gebruikt kunnen worden, tot de consumptiegoederen. De oorlog te beschouwen als een onderbreking in het leven van de kapitalistische industrie zou onjuist zijn. Oorlog is veel meer, om een beroemde formule van von Clausewitz te veranderen, slechts een voortzetting van de vreedzame vernietiging van producten door andere middelen. 

De industrie mikt in eerste linie niet op (wat je mag geloven van de productie van de neutronenbom) de liquidering van de wereld van personen en materialen van de vijand (waar hun wapens op mikken), maar op die van haar eigen producten. De strategie van de blitzkrieg, de onmiddellijke complete verwoesting van de tegenstander, die 35 jaar geleden nog als praktisch werd beschouwd, is nu al lang ouderwets; het zou tegen het bedrijfsbelang ingaan. De industrie heeft het liefst een oorlog waar je van op aan kunt, de oorlog waar je jarenlang op rekenen kunt , dus oorlog van het type Vietnamoorlog, die zelfs met een militaire nederlaag mag eindigen (wat immers het geval is geweest). Want hij vertegenwoordigt of hij nu gewonnen wordt of niet, in elk geval een triomfantelijke zege van de strijdende industriemacht, een maximaal verbruik van wegwerpproducten. Zo bezien is Vietnam slechts schijnbaar een vijand van de USA geweest. In waarheid was die oorlog Vietnam , of het nu wilde of niet, de beste afnemer, dus haar nauwste bondgenoot. Welke andere klant dan zo’n ‘vijand’ zou [ 286 ] de Amerikaanse industrie die kans geboden hebben driemaal zoveel bommen te produceren en te gebruiken dan in de hele Tweede Wereldoorlog? (20) De behoefte aan zo’n klant of geallieerde, ‘vijand’ genaamd, en die naar zo’n mentaliteit die deze relatie makkelijker maakt en ‘patriottisme’ wordt genoemd,- deze behoeftes worden net zo kunstmatig gekweekt als die naar stereo grammofoonplaten en kleuren tv. De fabrieken waar deze behoeftes gekweekt worden zijn de massamedia. (21)

We vatten samen: modernisering van producten en oorlog zijn tweeling fenomenen, die elkaar opjagen. Beide dienen, elk op eigen wijze, de vernietiging van producten, die op zijn beurt de continue productie en groei garandeert. Die groei is het enige wat als constante en als eeuwigdurend gewenst wordt. Producten moeten echter vooral vergaan. Zo ook de productiemiddelen en wel omdat als ze bruikbaar bleven ze het bewijs zouden leveren dat de groei van de productie zou stoppen. Geheel afgezien daarvan dat in de ogen van hen die ze maken de productiemiddelen eveneens producten zijn, en natuurlijk gehoorzamen moeten aan de wet van het zo snel mogelijke verbruik en de so gauw mogelijke vervanging. De naam voor dat hier geschilderde proces heet nog altijd ‘vooruitgang‘.(22)   – dit begrip heeft inderdaad zowel in het Oosten als in het Westen alle crises en catastrofes van de eeuw zeer beschamend doorstaan, en is het enige rustpunt in de vlucht der verschijnselen. 

§ 10

De goede superman saboteert de waarheid

Laten we naar ons hoofdthema teruggaan. Voordat ik op de discussie over de doelstelling van de productie: productievernietiging inging, was ik op een doorslaggevende nieuwigheid van onze eeuw gestoten: op het feit dat tegenwoordig de techniek het subject van de geschiedenis is geworden. Wij in deze geschiedenis alleen nog maar ‘mee-historisch‘. En tenslotte ook op het feit dat het weet hebben van die techniek die subject is geworden, gewoonlijk verhuld wordt. [ 287 ]
Inderdaad voltrekt dat verhullen zich continu, zowel door de woordkeus van de media als door die van de politici die ons in plat-filosofische of in vulgair opbouwende taal willen wijsmaken, misschien wel werkelijk geloven (omdat het gemakkelijker is een kanjer van een leugen te geloven dan er mee te moeten leven) dat wij nog steeds de subjecten van de geschiedenis zijn, en dat het slechts van onze goede wil (die we natuurlijk hebben) afhangt hoe we in onze situatie de techniek inzetten; of wij bijvoorbeeld volgens Eisenhowers brave woorden ‘atoms for peace’ willen gebruiken of voor ‘war’. Een paar dingen gaan ver boven de horizon uit van hen die de bommen promoten, maken, bezitten en gebruiken. Ze kunnen niet inzien dat alleen al het maken, alleen bezit, alleen het factum technicum, neen alleen al de mogelijkheid tot fabricage een vorm van gebruik is. ‘Habere‘ is vandaag de dag gelijk aan ‘adhibere‘, en ‘esse‘ aan ‘adhiberi’ (23). Geschiedfilosofisch geformuleerd: de bewering dat er in onze eeuw ook techniek bestaat zit er naast het enige juist is dat onze eeuw geconstitueerd wordt door techniek (en vermoedelijk er ook door wordt beëindigd). Deze mensen houden vol dat de mens de baas is van de techniek en in hun ogen zal hij natuurlijk als zodanig overleven.

Hier is de belichaming van deze leugen over de baas en overleven: de leugen dat het aan on sis te beslissen over ons lot, en niet aan de techniek. Deze figuur fladdert al sinds decennia rond in de massamedia- en wordt ondertussen door meerdere gevolgd- De populariteit ervan mag bepaald niet onderschat worden, want ze speelt (een blik in elke Amerikaanse krant bevestigt het) de hoofdrol op dat toneel van de kinderachtige en volkse olympus, ik doel op ‘superman’. Want dat is, kenmerkend genoeg vliegend zonder vliegtuig, een man die als een bestuurbaar projectiel door de ruimte schiet en hij bezit in het cartoon-heelal waarin de uitvinder hem plaatst almacht. En dat betekent dat de almacht die in waarheid in de techniek zit, – door  een duister wonder – teruggeplooid schijnt te worden in de mens; als ‘terugplooien’ het juiste woord is. (Anders gebruikt het woord: ‘zurückwandern’, jab ) Want hoe paradox dat ook mag klinken heeft de mens de almacht die hij aan de techniek heeft verleend [ 288 ] zelf nooit bezeten. Hoe dan ook sinds decennia kan nu elke analfabeet (vóór of na de na de alfabetisering (begrijp ik niet, jab)) zich troosten met de gedachte dat de almacht in de handen ligt van een antropoïde, van een wezen dat op hem lijkt; en ieder kan zich bijna identificeren met deze held of halfgod. (24)

Hoewel hij in de wereld van de cartoons een goddelijk almachtig wezen is, is hij in werkelijkheid al dienaar aangesteld in onze feitelijke wereld. Als dienaar van de technocraten namelijk, die hem de opdracht gaven de mens te onttronen en de subjectwisseling van de techniek uit te vegen, evenals het enorme belang dat zij hebben bij die twee zaken. Superman is geschapen in opdracht van deze belanghebbenden, hij is hun creatuur, ook al heeft hij zijn uiterlijk te danken aan een tekenaar. (25) Dat was hun hoftekenaar. En omdat de opdrachtgevers verder willen dat superman door de miljoenen mensen die als slaven leven in de mundus technicus erkend wordt als mens geworden (of ‘gebleven’) techniek erkend worden dat het hun lukt zich met hem te identificeren, ontnemen ze hem op voorhand het negatieve, onsympathieke, zelfs bedreigende kenmerk dat bij het wezen van de huidige natuurwetenschap en de technische uitvinden hoort: zijn Januskop. (26) Namelijk de eigenschap zowel voor kwade als voor goede doeleinden gebruikt te kunnen worden. Dat gebrek levert superman in, vanaf zijn geboorte treedt hij als uitsluitend ethisch wezen op. Met zijn fantastische middelen (maar omdat de techniek fantastisch is geworden zijn het realistische middelen) heeft hij als enig doel de overwinning op het kwaad, en de zege van het goede. En zijn opvattingen van ‘goed’ en ‘kwaad’ komen overeen met de meest conventionele en kleinburgerlijke idealen van de middenklasse. In zeker zin is hij niet alleen een tweede Prometheus, maar ook een tweede aartsengel Michaël.
Hoewel deze bastaard van held en kleinburger alleen maar in de Verenigde Staten had kunnen opduiken, heeft hij toch overal aanhangers gekregen, waar techniek si, of waar techniek gepromoot wordt, dus overal. (27) Niets heeft me zo zeer verbijsterd, twintige jaar geleden tijdens mijn verblijf in Hiroshima als de aanblik van twee meisjes van van zeven of acht jaar die op een bankje zaten in het zich [ 289 ] van de beroemde plek waar de atoombom insloeg, en die heel enthousiast kletsend een superman-blad van commentaar voorzagen en zodoende daar de gedachte van vernietiging vernietigden.

§ 11

De categorische imperatief voor nu

Laten we nu terugkomen op de vraag die in de laatste excurs bleef liggen: in welke zin we tegenwoordig nog historisch zijn. We hadden de vraag al voorlopig beantwoord: we zijn nog slechts mede-historisch. Deze categorie was oorspronkelijk ingevoerd als antwoord op de vraag naar de (on-)historiciteit van het proletariaat. Wel, het proletariaat heeft ondertussen op het monopolie op dat smadelijke mede-historisch zijn wel wat moeten inleveren. Want we zijn nu allemaal ‘mede-historisch’ ongeacht tot welke klassen we behoren. En we zijn dat niet samen met een andere klasse , maar met een andere klasse van geschiedenis. : namelijk met het subject van de huidige geschiedenis, de techniek. Inderdaad is onze rol vis-a-vis de geschiedenis van de techniek geen andere dan die van het proletariaat vis-a-vis de geschiedenis van de heersende klassen. Of in een vergelijking die wellicht nog dichter bij de waarheid komt: wij verhouden ons tot de geschiedenis van de techniek als de individuele arbeider tot ‘zijn’ machine. Die moet erkennen dat de machine voorop staat, de baas is, het tempo bepaalt etc. (ongeacht het feit dat mensen als zijns gelijken die machine bedacht hebben, en hij zelf ze ook had kunnen ontwerpen, of op zijn minst bij de constructie betrokken had kunnen zijn). Hij voelt zich ertoe verplicht de machine ‘gehoorzaam te volgen’ (28) omdat die ‘voorop gaat’. Zo voelt zich de mensheid nu, zo voelen zich op zijn minst de burgers van hoog geïndustrialiseerde landen verplicht de nu bereikte stand van techniek ‘op de voet te volgen’ , want die stand is ‘richtingbepalend’.

Als er vandaag de dag een categorische imperatief zou zijn, dan zou die niet onze verhouding tot de medemens betreffen, maar onze verhouding tot de bestaande of toekomstige status van de techniek. Die zou luiden: [ 290 ] ‘Handel zo dat het motto van je handelen dat van het apparaat waarvan je deel bent of zult zijn, zou kunnen zijn’. 

of negatief:

‘Handel nooit zo dat het motto van jouw handelen het motto van het apparaat waar je deel van bent of zult zijn, weerspreekt’.
Deze imperatieven zijn bijna overal van kracht, bijna overal geaccepteerd, zij het natuurlijk ook , omdat de techniek principieel niet uit de school klapt, nergens hardop uitgesproken. (29) 

§ 12

Tegengestelde bestorming van de machine. – Terugvertalen.

Maar soms zijn er uitzonderingen, situaties waarin nog niet vast schijnt te staan dat het apparaat doorslaggevend is. Dat noem ik ‘ideologische’ situaties. Omdat er tussen het apparaat dat al van deze tijd is, en de moraal die nog van gisteren is een kloof bestaat, die overeenkomt met de kloof tussen de ‘onderbouw’ (die er nu al is) en de ‘bovenbouw’ (die nog van gisteren is). We zullen straks zien dat de mensen deze kloof op den duur niet verdragen kunnen en dat ze die ‘corrigeren’. Maar laten we niet vooruitlopen.
Wat ik bedoel is de ‘dubbele standaard’ die je tegenwoordig veel ziet. De Vietnamoorlog levert een klassiek voorbeeld. Zonder twijfel was het vernietigingsapparaat dominant en de G.I.’s waren daar onderdeel van. Maar volledig in tegenspraak daarmee werd toch van hen verwacht en verlangd dat ze ook gedragseisen van vroeger, ‘voor-technische,  nog een beetje trouw zouden blijven. Dat ze zich in hun directe handelingen toch nog wat anders zouden gedragen dan apparaten; anders dan zij zichzelf indirect dus als personeel dat een apparaat bedient, zouden hebben (moeten) gedragen. Zo mochten infanteristen bijvoorbeeld niet direct en handmatig doen wat helikopter personeel met behulp van bommen en napalm wel mochten doen, – daar zelfs bevel voor hadden – namelijk hele dorpsbevolkingen met wortel en tak uitroeien. (30) Niemand kan het opbrengen op den duur  zo’n verschil [ 291 ] zo’n kloof tussen apparaatmoraal en menselijke moraal. Dat betekent echter niet dat de mensen zouden willen dat wat hun verboden was ook machines verboden zou zijn. Als die G.I.’s – en ik denk nu vooral aan het roemruchte voorval van My Lai: een ‘incident’ werd die massaslachting genoemd – in verweer kwamen, dan was dat niet tegen het feit dat apparaten meer mochten dan zij, maar dat zij, de G.I.’s  minder mochten dan apparaten. Ze wilden ‘gelijk’ zijn. ‘Onvergelijkelijk’ mag je dat niet noemen, dat bloedbad dat ze aanrichtten, want het leek precies op de bloedbaden die hun apparaten dagelijks aanrichtten; ze wilden hun apparaten gelijk worden. De imperatief waaraan zij gehoorzaamde luidde niet:
‘Zorg dat jouw machine niet te werk kan gaan volgens maatstaven die jouw eigen maatstaven niet kunnen zijn’,
maar omgekeerd: (31)
‘Doe gerust wat niet in tegenspraak is met de maatstaven van het apparaat waarin je ingebouwd bent; en sta erop zo ook te mogen handelen.’

Ik noem het bloedbad van My Lai waar we de situatie van nu aan aflezen ‘epochaal’, omdat daarbij de verhouding mens-machine een kwalitatief nieuw stadium heeft bereikt. Wat de Hiroshima piloot uitprobeerde was ‘indirecte massamoord’. En eveneens indirect waren nog de moorddadige acties geweest van de helikopters in de Vietnamoorlog. Maar wat er in My Lai gebeurde markeert een fundamenteel nieuw, een derde stadium, want hier werd ‘de indirecte actie weer terugvertaald in termen van ‘directe actie’. ‘Terugvertaling’ is inderdaad het sleutelbegrip zonder welk wat in My lai gebeurde niet te openen is.
Het duidelijkste kenmerk van dit stadium waarin de verhouding mens-machine nu zit, is dat men het vergelijkt met de bestorming van machines uit de 19e eeuw. Terwijl die machinebestormers in het geweer kwamen tegen de machinewereld als overmachtige concurrent, hebben de massamoordenaars van My Lai de existentie van de machinewereld erkend als legitieme maatstaf, neen als vanzelfsprekende – precies zoals wij allemaal de machinewereld simpelweg op grond van haar macht [ 292 ] en onmisbaarheid accepteren als heel vanzelfsprekend. Wij zijn niet meer in staat om ons een wereld voor te stellen zonder machines, zoals de machinebestormers van vroeger dat wel konden. Wie de machines wil bestrijden (natuurlijk alleen verbaal, want in de praktijk is het al lang niet meer te doen) zou daarmee zijn eigen dagelijkse existentie weerspreken en zichzelf bestrijden. Neen, waartegen de G.I.’s van My Lai in opstand kwamen was het feit dat zij, hoewel ze tot het apparaat behoorden niet dezelfde rechten hadden als het apparaat. Zij hadden het niet gemunt op het ruïneren van de machine, maar op ‘sicut machinae’ te worden. Dat ze mochten wat die mochten. En els ze moreel ergens over verontwaardigd waren, dan daarover dat bij hen nog humane taboes verondersteld werden, of dat ze daarvan verdacht werden. Zij wilden niet overleven, na de dood van de machine waarop ze hoopten, maar als onderdelen van de machine na de dood van het humanum waarop ze hoopten of aanspraak maakten. Als ergens mijn gezegde ‘Antiquiertheit des Menschen’ een zin heeft, dan wel hier : namelijk als titel voor de negatieve houding van de mens ten opzichte van zijn menszijn.

Vijf groepen hebben wat van doen gehad met het incident van My Lai: de massamoordende eenheid zelf; de bevelvoerende commandanten; personen die zich met het proces bezig hielden; de pers die er miljoenen woorden over publiceerde; en tenslotte de voornaamste beklaagde Luitenant Calley (32). Die heeft niet alleen zijn houding proberen uit te leggen in zijn getuigenissen voor de rechtbank, maar ook in een (ghostwritten) autobiografie. Maar onder de genoemden is er geen een geweest, die fundamenteel begrepen heeft waar het in deze gebeurtenis om gaat, of onder woorden heeft gebracht; wat wij de ‘terugvertaling’ hebben genoemd.  Dat is zeer begrijpelijk. Niet alleen omdat de door techniek beheerste mensheid het uiterst moeilijk heeft om haar (technische) bestaanswijze te doorzien, – deze blokkades zijn onvergelijkelijk veel groter en meer verbreid dan alle door de psychoanalyse behandelde en beschreven remmingen. Maar er speelt ook – en dat taboe is de eigenlijke oorzaak van deze blokkade – dat niemand deze bestaanswijze verstaan of in woorden vatten zou of mocht. En dat dan weer niet [ 293 ] omdat elk begrip, om nog maar te zwijgen van formuleringen, neer zou komen op fundamentele kritiek op de techniek, en dergelijke kritiek moest natuurlijk verhinderd worden.
Hoe dan ook, het vermoeden dat zij die aan het bloedbad deelnamen, niet anders dan miljoenen tijdgenoten alleen maar ‘sicut machinae’ wilden zijn is als motief voor hun daad in de weken van het proces niet één enkele keer ter sprake gekomen. Pas door ons concept van ‘terugvertaling’ krijgt het geval My Lai zijn fundamentele  en historische betekenis. Daardoor wordt zichtbaar dat Luitenant Calley de huidige verhouding tussen techniek en ethiek net zo precies vertegenwoordigt al 35 jaar geleden Eichmann en Eatherly hun situatie van destijds. 

We vatten het geval samen: elke dag zagen de Calleys hoe onderdelen van de oorlogsmachine namelijk de helikopters, door napalm te strooien dorpen met inwoners en al in een hel van vuur veranderden. Die helikopters mochten neen moesten dus burgers liquideren. In de ogen van de G.I.’s die uiteindelijk ook het recht hadden zich als onderdeel van de oorlogsmachine te zien, moet het niet alleen onbegrijpelijk geweest zijn, maar zelfs krenkend en onterecht, dat zij niet ook mochten doen wat de andere onderdelen van de machine wel mochten, neen zelfs moesten doen. Dat indirect liquideren was toegestaan en geboden, maar het directe zou verboden zijn. Deze kloof tussen het directe en indirecte verdroegen zij niet; was te krenkend. En zo barsten zij direct los en vuurden, net zoals hun voorbeelden: de oorlogsapparaten, ‘indiscriminately’. Zo heette dat officieel, alsof ‘discriminately’ moorden toegestaan was. Zo schoten ze zonder onderscheid op vrouwen, kinderen en oude in, en vermoedelijk smaakten ze bij deze wilde slachtpartij het genoegen, dat zij die zich tot nu toe stiefmoederlijk bedeeld voelden, dat ze eindelijk eens voor ‘vol’ werden aangezien. Maar helemaal gelijk aan hun voorbeelden waren ze nog niet: want anders dan die moordmachines waren zij zo  uitgeput van hun ingespannen massamoord. dat ze post festum meteen de dringende behoefte voelden zich ter plekke : dus tussen de verminkte lijven van hun slachtoffers te gaan zitten [ 294 ] om bij te tanken middels de meegebrachte lunch-porties.

§ 13

Taylorisme als politiek principe

Dit verschil tussen machine en mens dat we illustreerden aan het incident My Lai, is echter een uitzondering. Doorgaans geldt de eis dat we ons gelijkschakelen met de stand van de techniek wier geschiedenis de geschiedenis is geworden, als vanzelfsprekend. Juist nu, nu de discussie over de bouw of het verbieden van kernreactoren haar hoogtepunt heeft bereikt, is dat bijzonder duidelijk geworden. Mensen als Robert Jungk en ik, laten zich door de ‘imperatief’ van de status van de techniek niet bang maken. Wij weigeren al helemaal – zoals overal vanzelfsprekend verlangd wordt – vandaag al de stand van de techniek van overmorgen als verplicht te erkennen. Maar wij worden door de industrie en door hun pleitbezorgende politici als ‘weerspannig’ berispt of bespot als ‘slecht gesynchroniseerd’ (zo stond het in een recensie van mijn ‘Endzeit’) . Zoals een arbeider als weerspannig berispt of bespot of ontslagen zou worden, die – wat nooit gebeurt – zou weigeren ‘Taylor’ te gehoorzamen of als zou blijken dat hij dat niet aan kon; dus dat hij het tempo niet bij kon houden van ‘zijn’ lopende band. Ik denk nu vooral aan het tot nu toe absoluut onopgeloste (als het überhaupt al oplosbaar is) probleem van atoomafval depots. Dat kunnen we alleen dan de baas, als we profetisch in de geodetische geschiedenis van de komende duizenden jaren kunnen kijken. En ik denk aan het feit dat de industrie en de politici die haar zaken behartigen, (niet op eigen gezag maar op dat van de wetenschappen) de problemen uiterst stupide bestempelen als ‘morgen natuurlijk opgelost’, (ik citeer een vooraanstaand Kanselier), ‘want er is in de geschiedenis van de mensheid geen enkel technisch probleem opgedoken dat niet tzt een oplossing kreeg’. Zo beredeneren en rechtvaardigen ze  – vooral met het oog [ 295 ] op kortzichtige partijpolitieke successen.- hun gewetenloze maatregelen met verwijzing naar oplossingen van uitvinders van overmorgen of oplossingen die vermoedelijk nooit gevonden zullen worden. Denk je in waar dat op uitloopt: op niets minder dan aanpassing aan een vermoedelijk nooit intredende toekomst.  ‘Je moet klaar staan’ zo besloot de rede van de boven geciteerde politicus.
En dat is inderdaad uniek. Want bij de aanpassingen die we tot nu toe als slachtoffer of als toeschouwer meegemaakt hebben, ging het steeds om aanpassing aan aanwezige toestanden; hoogstens aan die gepland stonden voor overmorgen. Die waren steeds door een autoriteit besloten of afgedwongen aan wie je toebedeeld was. Maar geen van beide is hier aan de orde. De mensen die zo redeneren als onze fameuze politicus, passen zich aan aan een (denkbeeldige) toekomst ; en omdat ze zichzelf aanpassen kan men ook niet zeggen dat ze toebedeeld zijn aan een aanpassende instantie. Tenzij men beweert, dat men door de techniek gedwongen is af te stemmen op een denkbeeldige technische situatie.
Ook hier dient zich weer een vergelijking met een situatie op het werk. In zekere mate lijkt het mee racen met de tijd dat we zojuist schilderden, op het mee racen van de arbeider met zijn lopende band.  De huidige politici werkend gejaagd om de lopende band van de techniekgeschiedenis bij te kunnen houden. En het is zeker niet overdreven, te zeggen dat het Taylorisme dat aanvankelijk slechts een speciale en uiterst winstgevende vorm van werken in de industrie was, nu het principe van de geschiedenis is geworden. Het tempo dat de ‘geschiedenis-band’ aanhoudt zien de politici als verplichtend, niet anders dan bij de werkenden aan de echte lopende band. Als ze het over angst hebben, dan gaat het niet over de onafzienbare gevolgen van hun handelen (dus over wat ze doen voor bouw van de reactoren) of over de evt uitroeiing van het menselijk geslacht (door atoomoorlogen of de besmetting van het milieu). Die angsten vinden ze ‘overspannen‘. Want hun fantasie is niet bij machte zich zo in te spannen als de huidige realiteit het vereist. Overspannen is een uitdrukking waarmee een bekende recensent mijn weergave van de aanstaande wereldoorlog  en mij [ 296 ] probeerde te diskwalificeren. Neen, als ze angst hebben dan is het de angst om historisch achterop te raken;  als ze al niet helemaal uit het wereldbedrijf geschopt worden en uit het gezelschap van hen di ervoor in aanmerking komen: dat wil zeggen: de concurrentie aan kunnen. Inderdaad hebben talloze politici van vandaag, gisteren nog kanselier Kreisky, dit argument naar voren gebracht om de bouw van een atoomcentrale er door te krijgen.De gedachte dat ze het niet bij kunnen benen, dus achterop zouden kunnen raken, verbijstert deze politici, c.q. de achter hen staande industrie die hen pusht. (ook socialistische politici spreken zo in stille opdracht van de industrie, die ze niet kunnen weerstaan, al willen ze niet weten of mogen ze ook niet weten dat ze daar spreekbuizen van zijn). De gedachte – zo zei ik – dat ze evt achter zouden kunnen blijven, vervult die politici met zulke diepe verbijstering dat ze die als ‘onethisch’ ja, al naar gelang de politieke kleur ‘asociaal’ of ‘antinationaal’ verketteren. Positief gezegd: ze aanvaarden de tempi en de effecten van de technische ontwikkeling als geboden, zelfs verheugd hoewel die tempi al lang niet meer na te doen zijn, en de effecten al lang onvoorstelbaar. En zoals zij zijn wij natuurlijk ook, zowel de regerenden als de geregeerden mee- of naloper geworden van de huidige (soms zelfs als voorlopers van een geanticipeerde) techniek geworden. We rennen met de tong uit de bek achter haar aan, en gaan daar zelfs mee door als we al vermoeden dat ze niet slechts ons lot geworden is, maar ook het einde ervan zal zijn. Maar we proberen dat vermoeden te overstemmen door ons gejaag. Vanwege onze angst om bij iedereen achterop te raken, zullen we het zo ver weten te krijgen, dat wij de laatsten zullen zijn en dat van ons allen werkelijk niets ‘achterblijven’ zal. 

§ 14

We zijn allemaal proletariërs.

Ik had graag afgesloten met het woordspel hierboven, dat niet als grapje bedoeld is. Maar er is nog één laatste gedachte. Namelijk dat wij allemaal, of we nu werkgever over werknemer zijn [ 297 ] of we in het Westen dan wel in het Oosten morituri (aanstaande stervenden, jab) zijn, in de tijdspanne die ons nog vergund mag zijn, een heteronoom leven zullen leiden, neen al leiden. Daarom worden we allemaal proletariërs. Neen we zijn het al. – Ik weet hoe zwaar de betekenis van dit begrip door deze nieuwe toepassing verandert – Naast het paar mens/machine dat tot nu toe (behalve in de nog ontoereikende aanzetten voor een milieubeschermingsbeweging en een antireactorenactie ) geen strijd heeft opgeleverd, laat staan een ‘klassenstrijd’ (in een nieuwe betekenis) is de klassenstrijd in de gebruikelijke zin nu irrelevant geworden. Het is zeer onwaarschijnlijk dat wij neo-proletariërs ons ooit verenigen zullen, om de gemeenschappelijke vijand in te tomen.Dat is zo onwaarschijnlijk omdat we, of we nu in ‘hutjes’ of in ‘paleizen’ wonen, al verenigd zijn. Want we rennen schouder aan schouder de gezamenlijke vrede van het kerkhof tegemoet.

§ 15 

Door techniek worden we onhistorisch. Het beeld van Benjamin.

Terug naar de verandering van de mens door de techniek. De mens raakte er niet alleen, zoals gezegd, door in een andere periode van de geschiedenis, maar veel meer in een toestand die men alleen maar duiden kan als vernieuwde onhistoriciteit. Elk jaar, neen elke dag confronteert ons met een . nieuwe wereld’, daardoor schuift de mensheid nu zonder enige (boze of nostalgische ) ‘blik achterom’ voort van de ene dag in de andere of juister: slechts verder. Geheel anders dan de ‘Engel’ van Klee die Benjamin als symbool figuur geïntroduceerd heeft, want die heeft zijn gezicht naar achteren gekeerd (hoewel hij vooruit wordt gestuwd door de storm van de geschiedenis in zijn vleugels). Want de mensheid van heden kijkt net zo min terug als dat ze vooruit kijkt. Haar ogen blijven veel meer dicht tijdens haar stormvlucht, of in het beste geval gefixeerd op het huidige moment.
En zelfs de bewering dat wij, sinds de techniek over ons beschikt, leven zonder geschiedenis is niet toereikend. De volledige waarheid is veel meer: dat onze geschiedenis in een continue geschiedenis [ 298 ] van het vergeten nu veranderd is. Maar dan in een geschiedenis die zich nooit van zichzelf bewust wordt, dus helemaal niet door zichzelf vergeten kan worden, dus niet eigenlijk ‘geschiedenis’ is. Het is niet meer dan puur niet waargenomen na elkaar. Maar dat betekent dan – en daarmee keer ik terug naar de gedachte waarmee ik dit essay begon : het is zinloos om te verwachten van de huidige mens, zelfs niet van de huidige proletariërs, die ‘het toch zo goed hebben’ , dat ze zich maar moeten vergelijken met de levensstandaard van hun voorouders, om te weten dat ze geen proletariërs meer zijn. Ondanks de lading geschiedenisboeken die er tegenwoordig is (alleen door de bourgeoisie gelezen) maakt hij die vergelijking niet, kan hij die niet maken. Als je die vergelijking direct van arbeiders zou verlangen, dan stuit je op dove oren en volledig onbegrip. Van zichzelf kijken ze niet terug.En behalve een paar kerken en bruggen (en niet elke stad is zo antiek als Praag , en ook de aanblik van Praag levert geen beeld van het leven van vroeger) herinnert nu niets meer aan ‘hun’ wereld van vroeger of die van hun voorouders. Hun verleden is helemaal niet meer van henzelf. Verdoofd van de massaliteit, de snelheid en het lawaai van de historische veranderingen hebben ze niet slechts ingeboet op hun verlangen, maar ook op hun vermogen om te herinneren. De zogenaamde ‘golf van nostalgie’, dat wil zeggen: de massale productie van kunstmatige herinneringen, dat herinneren niet meer ‘vanuit zichzelf’ werkt. Het probleem van het zogenoemde ‘onhanteerbare  verleden’ is veel breder dan we het doorgaans zien.Uitzondering is dat er inhouden zijn die verdrongen moeten worden. Wie van ‘verdringen’ spreekt, veronderstelt altijd wel dat iets wat men beleefd heeft uit de kelder van het onbewuste naar de hogere etages van het bewustzijn dringt. Maar daar kan geen sprake van zijn. Want er is geen kelder meer, alleen het vlakke nu dat van diepte en hoogte uitgesloten is en daarom hoeft er niets in de kelder teruggedrongen te worden.
Kortom: wij mensen zijn weer geworden wat we altijd al geweest zijn op een paar luizige duizenden jaren na: onhistorische wezens.

Aantekeningen

1 Het begrip stamt van Marx en Engels. Ze maken verschil tussen ‘ungeschichtliche’ en ‘geschichtliche’ volken. Als ‘ungeschichtlich’ zagen ze wel vooral de volken met een landbouwcultuur,waarom Marx het landleven ooit ‘idiotisch’ noemde. Polen , dat herhaaldelijk offer van ‘geschichtliche’ machten is geweest, kende hij geen geschiedenis toe.

2 Hoe raar die bewering ook mag klinken, ze is nog volstrekt onschuldig vergeleken met de spectaculaire these van Plotinus, dat zelfs de tijd er niet altijd is geweest. (Enneaden 45, 98 e.v.)

3 De volken die nu pas de 19e eeuw inhalen en hun nationale identiteit proberen te veroveren, zullen niet op kunnen tegen deze tendens van de wereldgeschiedenis. De Arabische en Zionistische nationale bewegingen, zijn in het perspectief van de wereldgeschiedenis een absurde anachronismen.

4 Brecht heeft de vraag opgeworpen wie de piramiden gebouwd hebben en daarmee gewezen op het feit dat de slaven niet vermeld worden en dus onhistorisch zijn. Hij probeerde hen daarmee achteraf na 6000 jaar voor de eerste keer in het licht van de geschiedenis te plaatsen dat hun toekwam. Hij wilde ze – om een uitdrukking van Rilke te gebruiken – ‘redden’ – waar ze helemaal niets meer aan gehad hebben.

5 Zola heeft deze zeden-loosheid (niet te verwarren met onzedelijkheid) bijv in ‘Germinal’ meesterlijk vastgelegd – des te bewonderenswaardiger omdat de schildering van een dergelijke ‘leegte’ bij een levende groep veel moeilijker is dan van een groep die in een positief systeem van zeden functioneert. 

6 Waarschijnlijk gaat dat zelfs op nadat het proletariaat de macht gegrepen heeft, dus in de Sovjet-Unie, omdat het in werkelijkheid niet de heersende klasse is.

7 In de Tweede Wereldoorlog was de situatie anders: de oorlog tegen Hitler was wel in het belang van het proletariaat (op zijn minst ook).

8 Je kunt betwijfelen of het bij kinderen van de bourgeoisie in dit opzicht veel beter gesteld is.

9 Wetenschappers willen soms dingen weten die hun geheel eigenlijk niet aan gaan,- dat is een uitzondering; die moet je niet onderschatten, die is zelfs filosofisch-antropologisch van betekenis. De mens is inderdaad het enige dier dat ‘werk maakt van’ objecten die ‘hem niet aangaan’; het enige dat niet ‘beperkt’ is, dat ‘vreemd gaat’; om maar van transcenderen te zwijgen. Met het begrip ‘interesseloosheid’ heeft Kant in de ‘Kritik der Urteilskraft’ al in die richting gewezen.

10 Daarom zijn geheugen tests met allerlei zinloze woorden, getallencombinaties etc compleet zinloos, ze zeggen niets over het geheugen van de proefpersonen (destemeer over het onbenul van de onderzoekers) Zinloze stof (bv spoorboekjes) hennen alleen gestoorde kinderen. Nieuwsgierigheid in het wild is maar heel zelden ‘retro-gierig’ (‘Altgierde’) dus nieuwsgierigheid naar wat geweest is. De ‘archeologie-golf’ die in de huidige pocket literatuur heerst is daarmee niet in tegenspraak. Want de voorwerpen waar deze interesse zich op richt zijn plaatsvervangers, de interesse ontspringt voornamelijk aan de angst om het jongste verleden te managen. In plaats daarvan zet men het verre verleden. Beelden van de moorden in Auschwitz worden verdrongen, het gat dat dan ontstaat wordt opgevuld met beelden van de Etrusken of Hettieten.

11 De laatste die dit vertegenwoordigde is de beroeps hoper Ernst Bloch geweest, die zich door geen Auschwitz of Hiroshima heeft laten intimideren of frustreren.

12 Op het tafelblad van een Duitse universiteit vond men het volgende versje ingekrast:
Het principe vertwijfeling, of eens wat anders
Ernst Bloch zegt:
‘we zijn (er) nog niet’.
Ernstiger dan Bloch zou zijn:
‘net nog’.
Anders zou zijn:
‘Niet meer’. 

13 Zie ‘Eindtijd en einde van de tijd’ door de schrijver, p 170 e.v. (in werkvertaling van jab)

14 De Doe-het-zelf beweging, vegetarisme, nachtcultuur en wat er allemaal nog meer is waarmee de kleine man de machinewereld wil bestormen en terug wil naar de natuur,- dat zijn maar uitvluchten die de regel bevestigen. Overigens zijn die niet uitvoerbaar dan door technische hulpmiddelen: men vliegt naar het naaktstrand en de rauwe groenten perst men elektrisch tot sap.

15 Zie schrijvers Fabel ‘Das Ende’ in ‘Der Blick vom mond’ München 1968 

16  Zie schrijvers Fabel ‘Die Kanne’ in ‘Der Blick vom mond’ München 1968 

17 Auschwitz kun je zien als proefstation voor deze ‘zuivere mensenvernietiging’, want daar classificeerde men honderdduizenden als omhulsel van haren en tanden, om dan de omhulsels te vernietigen en zich meester te maken van de inhoud. De neutronenbom wordt inderdaad als ‘schoon wapen’ aanbevolen . 

18 Het reusachtig oplopen van de conservenindustrie, die schijnbaar geen slijt maar eeuwigheid of op zijn minst duurzaamheid beoogt, is niet in tegenspraak met deze stelling. Ook conserven gebruiken we maar één keer, die verbruiken we door ze te gebruiken. Dat we dus de ‘canned peaces’ of de ganzenlever ‘ontzien’, daar kan geen sprake van zijn. Wat we feitelijk winnen is dat we praktisch vrij zijn zelf te bepalen wanneer we iets verbruiken door het te gebruiken.

19 Gevolg daarvan is het wonderlijke feit dat in de socialistische landen dat dus dat ‘mooie’ van de voorwerpen van alle dag, waarvan ik eerder zei dat die bij ons al uitgestorven waren, nog niet ouderwets geworden zijn; daar was zoals een reiziger verbluft vast stelde de houding van onze overgrootvaders nog bewaard gebleven.

20 Omgekeerd hebben de Vietnamezen de reusachtige hoeveelheden metaal die in de vorm van bommen op hun land zijn gestort, als grondstof gebruikt voor hun eigen kleine industrie; ze gebruikten de vijand ook als leverancier van gratis spullen.

21 De poging om die behoeftes te kweken kan ook mislukken. We maakten het een paar jaar geleden mee, dat miljoenen tv-kijkers die door de uitzendingen over de Vietnamoorlog, eigenlijk voor die oorlog hadden moeten gewonnen worden, maar ze reageerden tegen dat programma, en nog niet eens met desinteresse, maar met afschuw en woede. Feitelijk heeft de anti-vietnamoorlogsbeweging zonder het dagelijkse aanbod van de tv-zenders over de oorlogsgebeurtenissen nooit de politieke stootkracht kunnen krijgen die ze feitelijk wel wist te winnen. Deze ontwikkeling weerspreekt de karakterisering van de televisie die ik in Band I heb ontwikkeld. De Vietnam gruwel die je op de TV zag bereikte de kijkers blijkbaar niet als ‘fantoom’. Mijn analyse van toen moet herzien worden. 

22 Na deze weergave van de vernietiging als doel van de productie, moet de neutronenbom anders ingeschat worden. Blijkbaar maakt deze situatie waarin de productiewereld, de wapens ontzien worden helemaal niet zo zeer het karakter uit van onze wereld als wel aangenomen wordt. Misschien is het wel een doolweg.- wat de uitvinding en hun eventuele inzet natuurlijk niet beter maakt. Het zou mij trouwens niet verbazen, als overmorgen de ‘negatieve neutronenbom’  uitgevonden zou worden, die net het omgekeerde principe van de huidige neutronenbom heeft: dat wil zeggen, – en dat zou het belang van de industrie nog veel meer dienen – dat ze uitsluitend producten vernietigt en geen speciaal belang heeft bij de liquidering van mensen. Ik kan nu al de ‘humanistische’ rechtvaardiging van deze uitvinding horen.

23 ‘Endzeit und Zeitenende’ p 183

24 Ja we mogen hem een ‘halfgod’ noemen, en niet alleen op formele gronden omdat hij tegelijkertijd een menselijke gestalte [ 454 ] en bovenmenselijke krachten heeft, maar ook om meer speciale redenen, omdat hij de pendant is van de belangrijkste halfgod uit de Oudheid: namelijk Prometheus. Hij heeft als de moderne Prometheus het vuur dat ons was ontglipt (zogenaamd) weer teruggebracht. – Deze classificering is ook daarom terecht, omdat hij, zoals bijna elke god of held die wat voorstelt, volgroeid en wel ter wereld is gekomen, en sindsdien überhaupt niet meer verouderd is. Voor zover men tegenwoordig ‘eeuwig’ kan zijn, is Superman dat- dat wil zeggen: hij zal ons begeleiden zolang onze technische eeuw en daarmee mens en wereld überhaupt zullen bestaan.

25 Ook dat heeft superman gemeen met alle mythische figuren: zijn uitvinder blijft anoniem (in onderscheid van alle beelden sinds de 15e eeuw). Zelfs als zijn naam al achterhaald kan worden (wat vermoedelijk mogelijk kan zijn, omdat hij zijn uitgevonden god – een eer die geen god voor hem ooit te beurt is gevallen – door een copyright nummer beveiligd heeft) dan nog blijft de naam van de uitvinder voor miljoenen bewonderaars en fans irrelevant, want zij zien de figuur als een die er al sinds hun vroege kindertijd, neen al sinds altijd geweest is.

26  ‘Endzeit und Zeitenende’ p 155

27 Behalve in de communistische wereld – daar is de Amerikaanse god die politiek gezien altijd bij het systeem paste en tijdens de koude oorlog geen hand voor de mond c.q. voor het tekstballonnetje genomen heeft, natuurlijk politiek niet te verteren. Of het in de sterk opkomende (en deels zeer geestige) Sovjet-Russische en Poolse Science-Fictie-literatuur een pedant van superman bestaat dus een figuur van de mensgeworden techniek, weet ik niet,

28 Niet slechts chronologisch.

29 Zelfs de vernietiging van de Joden is door het nationaalsocialisme zover mogelijk discreet uitgevoerd. Maar dat die überhaupt uitgevoerd kon worden, dat normale tijdgenoten als mijn buren gewetensvol miljoenen van mensen zoals zij hebben kunnen ombrengen, dit feit bleef, als onze imperatieven niet zouden gelden, compleet onbegrijpelijk.

30 Maar de ‘gebeurtenis van de eeuw’ My Lai schijnt nu, drie jaar nadat het geval zijn publicitaire hoogtepunt beleefde al vergeten, dat wil zeggen verdrongen, zelfs diep weg zoals Auschwitz 25 jaar geleden. Overigens waren er daarvoor al talloze My Lais en vermoedelijk hebben er zich na dat beroemde geval nog talloze afgespeeld. – Dat juist dat ene geval zulke publiciteit kreeg is zuiver toeval.

31 Het gaat hierbij niet om een echte imperatief, maar om een vergunning , een Anrechtsanmeldung.

32 Natuurlijk probeerde men de schuld uitsluitend op een ‘little fish’ te [ 455 ] schuiven, die genoemde Calley. Maar zelfs als men zo fair geweest zou zijn de verantwoordelijkheid ook in hogere rangen te zoeken en hen aan te klagen, hoe het geval werkelijk, ‘technologisch’ in elkaar stak zou daarmee niet opgehelderd zijn.

Advertenties