De Drie Wereldoorlogen

De doden

Rede1 over drie wereldoorlogen

door Günther Anders 1964
vertaling j.a.bos

I. De blinde rouw

Wij zijn het restant van twee generaties die men de dood in gejaagd heeft, maar we zijn ook misschien de aspirant doden van een volgende wereldoorlog. Hoe zouden we nu we vandaag bij elkaar gekomen zijn om de doden te herdenken, elkaar aan kunnen spreken met “Dames en Heren”? Wij zijn vandaag geen ‘dames en heren’, maar resterenden2. Wij zijn het restant van de miljoenen die voor niets en nog eens niets vernietigd zijn. Zij zijn niet voor hun vaderland gevallen, maar voor de schande ervan.
Dat klinkt verschrikkelijk in de oren van de resterenden. Het onherroepelijke van de dood van vaders, zonen, broers en mannen is op zich al bijna niet te harden. Het is dan ook heel begrijpelijk dat mensen zich verleid voelen om het verlies dat ze leden dragelijker te maken door de zaak waaraan hun geliefden te gronde gingen op te hemelen.
Maar wij? Mogen wij dat doen? Neen, wij mogen niet voor die verleiding bezwijken. Integendeel wij moeten er geen enkel misverstand over laten bestaan: hun dood is zinloos geweest. We moeten zelfs stellen dat zij hun leven gegeven hebben aan gemeenheid en gewetenloosheid. De miljoenen Duitsers die in de laatste oorlogen gevallen zijn, zijn te gronde gegaan aan een systeem dat al lang te gronde gegaan was, namelijk moreel, nog voordat het vijfentwintig jaar geleden begon landgenoten en vreemdelingen, vaderland en buitenland te verwoesten. En verder moeten we ook luid en duidelijk zeggen, dat de doden die we betreuren misleide uitvoerders en handlangers waren van een niets ontziende oorlog van onderdrukking en vernietiging en als zodanig gestorven zijn. Die oorlog is niet zoals de leugenachtige formule zegt: ‘uitgebroken’, maar die kreeg veel meer de vrije teugel door degenen die hem koudbloedig beraamd hebben. Als we nalaten dat te erkennen en in plaats daarvan ook het respect dat we de dood en onze doden willen bewijzen ook toekennen aan de zaak die hun dood veroorzaakt heeft, dan is dat het ergste wat wij achterblijvers doen kunnen: want dan regelen we achteraf nog de zaakjes van hen aan wie ze ten offer vielen.

Een week voordat Hitler Polen binnen marcheerde zei hij: “Ik ben alleen maar bang, dat op het allerlaatst een of andere schoft nog met een bemiddelingsplan aankomt.” In zijn visie bewees alleen al het feit dat je zou willen bemiddelen om behoud van de vrede, dat je een schoft was. Voor die brutaliteit zijn geen woorden, maar daar zouden wij dan mee instemmen als wij de zaak waar die miljoenen hun leven voor moesten geven, eer zouden bewijzen.
Versta me alstublieft niet verkeerd. Als ik zeg dat die miljoenen om wie we treuren ten offer vielen aan brutaliteit en gewetenloosheid en dat je dat feit op geen enkele wijze mag verdoezelen, dan bedoel ik natuurlijk niet, dat we af moeten zien van ons verdriet, of onze doden niet moeten eren. In tegendeel. Ons verdriet en ons respect krijgen pas hun diep donkere ernst door dat extra weten dat zij daarvoor hun leven hebben moeten geven. En alleen als we die kennis overeind houden eren we de doden echt. Alleen dan namelijk kunnen we bereiken dat ze niet voor niets dood zijn. Alleen dan worden ze ons een waarschuwing tegen herhaling. Alleen zo kunnen we de kracht voor ‘nooit weer’ opbrengen. Slechts dan misschien ons zelf en onze kinderen er voor bewaren aan iets dergelijks deel te nemen. Alleen dan misschien vrede bereiken. Of ze voor niets gestorven zijn of niet, hangt dus af van ons de achterblijvers. Van onze onkreukbaarheid.

Wel, “nooit weer”, – dat wilt U vermoedelijk beslist ook, ieder van U. En evenzeer bent U ervan overtuigd dat U een Hitler met zijn verraderlijke vernietigingsoorlog tegen Polen dit keer Uw ‘neen’ zult laten horen. Maar laten we niet zo zeker van ons zelf zijn. Je herkent niet zo maar dat iets zo’n situatie als met Hitler is. Soms zijn er wel bliksemflitsen die het landschap van de toekomst een seconde lang fel verlichten en laten zien hoe verschrikkelijk het lijkt op het landschap van gisteren. Zo’n flits lichtte bijvoorbeeld in Augustus op toen een speciale afgezant van een zekere grootmacht Franco om hulp vroeg die ingezet kon worden in Vietnam om ‘de vrijheid te redden’, – dat plaatje komt ons spookachtig vertrouwd voor, want ook Hitler heeft tijdens zijn veldtocht tegen Rusland Franco om hulp gevraagd en ook in het belang van de ‘vrijheid’. Maar flitsen die zo’n overeenkomst aantonen zijn zelden. Het front van de werkelijkheid verandert, men wijzigt die elke dag zelfs opzettelijk. Wij mogen vooral niet ontdekken dat wat vandaag gebeurt een herhaling is van wat gisteren plaats vond. Elk vermoeden daarvan moet in de kiem gesmoord worden. Wij mogen ons door die façade geen moment laten bedotten. Wij moeten nu eens voor goed voor ogen houden dat van nu af aan oorlogen zonder uitzondering de zelfde aard zullen hebben als de oorlog van Hitler. Neen, erger en gewetenlozer zullen ze zijn. Dat is daarom het geval, omdat nu elke oorlog automatisch een oorlog wordt die geen onderscheid meer maakt tussen leger en burgers. Ja, een oorlog wordt die zich zal afspelen als machinale productie van lijken, dus een vernietigingsoorlog; die zelfs een oorlog wordt die de totale mensheid kan vernietigen. En dat betekent dat tegenwoordig een oorlog geen doel meer heeft dat niet ook zou ondergaan in de universele ondergang. Die oorlog kan dus geen doel meer hebben, dat als rechtvaardiging van die oorlog kan gelden. Wat geldt voor de mannen en vrouwen van twintig, vijfentwintig jaar geleden: dat ze zinloos en gewetenloos werden geofferd dat zal van nu af aan van alle slachtoffers van alle mogelijke oorlogen gelden. Of juister: dat zal ook van de slachtoffers van de eerst komende oorlog opgaan. Enkelvoud, want na de eerst volgende oorlog is er niets meer dus ook geen oorlog meer; dus is het zinloos om van ‘oorlogen’ nog in meervoud te spreken. Daar volgt dus uit dat we van nu af aan verplicht zijn ons tegen elke oorlog en elke oorlogsvoorbereiding te verzetten.

Maar onze politieke overwegingen nu eerst even ter zijde. Want we zijn hier immers bij elkaar gekomen om de de doden van de wereldoorlogen te gedenken. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Waarom?
Omdat we miljoenen hebben te betreuren. Probeer maar eens dat beeld op te roepen van miljoenen dode mensen.
Daar heeft niemand van ons de kracht voor. En de kracht van de pijn dat je om miljoenen rouwt al helemaal niet.
Wat een beschamende situatie! We leven dag in dag uit op de graven van die miljoenen. (Ik denk dan niet aan individuele graven – wie zou zo’n voorraad hebben – ik bedoel ook niet hier en daar een massagraf – zelfs dat zou een te mooie voorstelling van zaken zijn – neen ik bedoel veel meer dat ene grote kerkhof dat onze aarde is : elke meter, en van land tot land gevuld met skeletten van gisteren en eergisteren.) Wij leven dus dag aan dag op dat kerkhof, wij werken boven op hen, wij produceren boven hun hoofd nieuwe wapens, amuseren ons bovenop hen en slapen op hen, en zelfs op zo’n moment dat we ons er werkelijk toe willen zetten deze doden te gedenken, moeten we met schrik en schaamte vast stellen dat we ook dan nog te kort blijven schieten; we kunnen zo iets reusachtigs niet be-rouwen ook al willen we het. Wij falen als rouwenden. Dat is de derde rouw waartoe we verplicht zijn vandaag.

  • De eerste gold hen die we verloren hebben.
  • De tweede het feit dat die mensen voor niets gestorven zijn.
  • En de derde komt voort uit de schrik over het gegeven dat het verlies groter is dan we zouden kunnen betreuren.

En zelfs daarmee is nog niet alles gezegd over de rouw die vandaag vereist is. Want het getal der doden – zo’n vijftig miljoen in de laatste wereldoorlog, tien in de eerste, en bijna tien in de Korea-oorlog – dat onhanteerbare getal waar we mee te maken hebben, en waarvan we maar niet weten hoe we het in de greep zullen krijgen – dat getal omvat nog niet eens bij benadering allen die we eigenlijk bewenen moeten. Wie aan die berekening ontbreekt? Drie miljard ontbreken nog. Ja, drie miljard. En wie dat zijn?
Wij. Wij de aardbewoners van nu. Wij zijn drie miljoen ‘morituri’. Dat wil zeggen: wij de drie miljard bewoners van de aarde zullen de doden en de vermoorden zijn van morgen tenzij het ons lukt deze bedreiging op tijd te stoppen.
“Moet je ook over hen nu al treuren?” zult U vragen. – Ja ook over hen. Nu of nooit. Later zou er niemand meer zijn die dat gedenken op zich zou kunnen nemen; niemand die ook maar zou kunnen proberen ons te gedenken, zoals wij vandaag proberen de doden van de laatste wereldoorlog te gedenken. Als er überhaupt niets meer overblijft, daar zullen ook geen overgeblevenen meer zijn, doden en treurenden liggen zonder onderscheid naast elkaar. Op grond daarvan moeten we vandaag die gedachtenis al doen; dat moeten wij opbrengen, als we onze eigen nabestaanden zijn. We moeten het op zijn minst proberen. Ook al slagen we daar niet in, net zo min als dat het geval is bij onze pogingen de miljoenen van de laatste twee wereldoorlogen te gedenken.

Je zelf verblinden

Misschien wordt U nu ongeduldig: hij moet niet al maar alleen over ‘falen’ praten.
Ik hoef U wel niet te vertellen dat ik ook blij zou zijn, als ik dat achterwege zou kunnen laten. Maar ik kan er niet om heen, omdat we er alleen maar dan op mogen rekenen een stap verder te komen als we ons geen enkele illusie maken over ons falen en over de oorzaken van dat falen.
Natuurlijk moet U deze woorden niet misverstaan als persoonlijk verwijt. Want U – neen, laten we maar gerust zeggen: wij – wij proberen tenminste ons het reusachtige onheil van een verwoeste mensheid voor te stellen. Veel gevaarlijker dan wij zijn zij die zelfs dat niet kunnen, en wel omdat ze niet eens proberen zich dat voor te stellen. En daarmee ben ik bij het eigenlijke onderwerp van mijn inleiding vandaag. Namelijk de wortels van het gevaar waarin we vandaag verkeren.
Laten we ons niets wijs maken. De meesten van hen die ons lot bestieren doen dat volslagen blind of op zijn minst zonder enige fantasie. Of denkt U soms dat een man als Dulles een voorstelling had van wat hij deed toen hij op het randje van de Catastrofe zijn politieke programma bedreef? Dat hij ook maar geprobeerd heeft zich daar een voorstelling van te maken? Of denkt U dat een man als Goldwater een flauw idee heeft van wat hij voorstelt, als hij de beslissing over de inzet van bepaalde atoomwapens wil over laten aan de generaals? Of dat één van hen, die bescherming door atoomwapens propageren (wat door alle serieuze fysici als gek is verworpen) zich die drie miljard mensen wier existentie op het spel staat voor stellen? Zij denken zich niets in; zij rouwen niet bij voorbaat. Veel meer gebruiken zij het dreigen met de ondergang ervoor om te tonen wat voor kranige lui zij zijn, of zij nemen die in hun tactische berekeningen op. Kunnen deze mensen zich de ondergang niet voor stellen? Dat kan zijn. Wij ook niet. Maar zij weten het; de kans het gevaar niet te kennen heeft tegenwoordig immers niemand meer. Met onwetendheid kan niemand zich er tegenwoordig meer uitkletsen. Maar ze willen het nu juist niet weten. Als ze het wel wilden, zou het immers onverklaarbaar zijn waarom ze onophoudelijk proberen voor ons het ware beeld van de mogelijke Catastrofe buiten zicht te houden. En in plaats daarvan dat ze zich dood schrikken, omdat wat zij weten hun voorstellingsvermogen te boven gaat; in plaats daarvan worden ze gehaaid en handig om dat wat ze enkel weten niet eens meer te weten, dus om hun kennis uit te wissen.
Voorbeeld: als die mannen van een van hun electro-breinen te horen krijgen dat je bij een bepaalde vernietigingsactie met de dood van honderd miljoen mensen moet rekenen, dan noemen ze die honderd miljoen doden ‘ honderd megacorpses’; die taalafspraak is al gemaakt. Dus ‘honderd grootlijken’. Net zoals wij honderdduizend meter ‘honderd kilometer’ noemen. Of zoals wij, als we ons niet interesseren voor het aantal individuele exemplaren, spreken van honderd ton haring. En als die taalmakers zo’n uitdrukking als ‘megacorpse’ hebben geijkt, dan trappen ze ook in die uitdrukking, want dan rekenen ze echt alleen met honderd – ja, en wat is nou helemaal honderd? En omdat ze alleen maar met honderd tellen hebben ze het geheime doel dat ze hebben met hun taalvorming bereikt: dan hebben ze hun remmingen ten aanzien van vernietigingswapens eveneens vernietigd.

II de tijdbom

Maar het gevaar waarin we tegenwoordig verkeren heeft niet alleen maar deze psychologische wortels. Als het afwenden van de Catastrofe vandaag zo grenzeloos moeilijk is, dan komt dat in de eerste plaats daardoor dat de machts- en expansiedrang van het kapitalisme, zonder het welk de eerste twee oorlogen ook niet zouden zijn uitgebroken almaar hectischer wordt namelijk naarmate het duidelijker wordt dat de almacht van de kapitalistische landen over is; dat die macht begrensd wordt door de realiteit van andere systemen. Dat het atoomwapen in onze dagen zo’n reusachtige rol kan spelen is puur toevallig; de kapitalistische wereld begroette de technische almacht die dit middel garandeert als een geschenk uit de hemel voordat Sovjet-Rusland op de zelfde hoogte was. Want daarmee dachten de kapitalistische staten de bedreiging van hun politieke almacht te keren. Hiroshima was alleen maar een manoeuvre geweest. Haar echte rol kreeg de atoombom pas na het einde van de wereldoorlog, toen hij tot een middel tegen de communistische wereld werd omgebouwd. We weten inmiddels hoe kinderlijk de hoop op een wetenschappelijk monopolie in handen van het kapitalisme was: want Rusland heeft ons natuurlijk ingehaald ter wille van zelfbescherming en machtsevenwicht. En desondanks denken we vandaag nog heel vanzelfsprekend dat de slachtoffers van atoomwapens niet-kapitalistische staten zullen zijn.

Bij deze wortel van het gevaar komt nog een tweede: namelijk de rol die de wapenindustrie speelt in het kader van de kapitalistische wereld. Om deze wortel van gevaar helemaal duidelijk in het zicht te krijgen, moeten we het basisprincipe van de kapitalistische productie überhaupt wel even uitleggen. Dat kan tegenwoordig wel ouderwets gevonden worden, maar dan slechts door hen die besloten hebben de kapitalistische wereld taboe te verklaren en niet meer kritisch te analyseren. Kortom dat zijn zij, die hun bangelijkheid en aangepastheid verstoppen onder modernisme. Laten we ongegeneerd onmodieus zijn: we bespreken het kapitalisme.

Ieder kind weet dat de kapitalistische productie haar resultaten moet afzetten. Ze moet zorgen dat ze verkocht en verbruikt worden. Kortom: geliquideerd worden. Liquidatie, dus de vernietiging van haar producten is het doel van alle productie. Als dat doel niet bereikt wordt, als er zich een grote hoeveelheid niet-geliquideerde spullen ophoopt, dan is de voortgang van de productie in gevaar, en dus de winst. Daarom heeft elke industrie de taak om de vraag naar haar producten en het verbruik ervan zeker te stellen, en te bevorderen, zo niet op te roepen, – zo is het bijvoorbeeld de taak van de drankenindustrie om via de reclame onze dorst aan te jagen, of zelfs te wekken. Dat is algemene regel, dus ook voor vernietigingswapens.

Maar wat is nu de ‘consumptie’ van wapens?

Antwoord: oorlog. Alleen oorlogen geven de gelegenheid effectief wapens te verbruiken en massaal. Daarom is het voor de oorlogsindustrie vanzelfsprekend om oorlog of oorlogsdreiging te bevorderen. Zakelijk gezien kunnen zij niet anders. Ze doen het tot op zekere hoogte onschuldig. Maar hoe dan ook, schuldig of onschuldig behalve wapens brengt ze ook de behoefte aan wapens en de kansen voor het gebruik ervan voort. Ze is dus altijd onbetwistbaar een dubbel-industrie.

U zult toe moeten geven: dat is verschrikkelijk. Maar de zaak wordt pas helemaal verschrikkelijk omdat deze dubbel-industrie ook nog een keer tot een vanzelfsprekend onderdeel van doorslaggevend belang van de vredeswetenschap gemaakt wordt. Wat voor elke industrie geldt: dat ze als ze eenmaal op gang is, wil blijven voortbestaan en zich uitbreiden, geldt ook voor de vernietigingsindustrie. En omdat ze in feite honderdduizenden brood oplevert, en niet alleen brood, maar ook huis, auto, vakantie,- kan ze zich zelfs als de hoedster van welvaart en binnenlandse rust voordoen en zelfs als advocaat van maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel. Hoe vaak heb ik in geïndustrialiseerde landen niet horen zeggen: “Oorlogsindustrie afschaffen? Hoe stel je je dat wel voor? Dat is behalve hoogverraad ook sabotage van de economie! Dat saboteert de vrede van de economie! Wat is dat asociaal van U! Denkt U dan überhaupt niet aan de honderdduizenden in de wapenindustrie? Interesseert het U helemaal niet wat er van hen moet worden?”

Wel, me dunkt is het niet zo moeilijk andere producten te vinden waar je een salaris uit kunt halen in plaats van de fabricage van vernietigingswapens. Die tijdgenoten, die alleen kunnen bedenken te appelleren aan ons gevoel voor verantwoordelijkheid en mensenliefde, omdat ze daarmee hopen de vernietigingsindustrie te rechtvaardigen, die hoeven we niet te accepteren als onze rechters. Zij maken ons uit voor de verstoorders van hun vrede omdat wij hun verstoring van de vrede dwarsbomen willen, en omdat wij de voorwaarde voor de vernietiging willen uitschakelen. Maar op die beschuldiging van onze tijdgenoten kunnen we terecht trots zijn.

Nu kunt U tegenwerpen: ja, maar zo veel oorlogen als de industrie nodig heeft kun je niet eens gaan voeren. – In zekere zin hebt U daar wel gelijk in. Maar de oorlogsindustrie kan zich de luxe veroorloven, op zijn minst tijdelijk, af te zien van haar mooiste oorlogen. En wel hierom: ze heeft een ‘oorlogsvervanger’ uitgevonden. Ze beschikt ondanks het feit dat haar ongebruikte producten zich van dag tot dag maar ophopen over een middel om steeds weer een liquidatie-toestand te creëren en daarmee de voortgang van haar productie en van haar winst zeker te stellen. Over welk middel ze beschikt?

wapenverbetering. – Dat is zeker tijdelijk vervanging van oorlog.

Dat klinkt gek. Want men weet wel dat de wapens die er al zijn voldoende zijn om ‘het optimale effect van wapens’ te bewerkstelligen: de volledige uitroeiing van de mensen geschiedenis. En het lijkt logisch dat er niet ‘doder dan dood’ bestaat en er is geen groter getal doden, dan ‘wij allen’. Dan kunnen wapens dus niet nog verder verbeterd worden of perfecter; voorbij dit punt is het begrip ‘vooruitgang’ niet meer geldig. Omdat de effecten niet opgevoerd kunnen worden kunnen ook de middelen niet meer hoger opgevoerd worden.

Wie gaat daarmee akkoord? Inzicht hangt immers niet van intelligentie af, maar van belangen. De industrie wil door gaan met productie, daarom mag ze zich niet inlaten met deze kennis, neen ze moet ook van alles ondernemen om zich voor die wetenschap af te sluiten. Met zo’n stem die klinkt alsof ze stamt uit de diepste diepten van de zalige vorige eeuw, belooft ze een wezenlijk beter leven voor morgen, en overmorgen nog beter.

Maar die belofte is niet zo maar geloofwaardig. Noch voor hen zelf noch voor anderen. Daarom moet ze om haar bedrog uit te voeren een list toepassen,- een zeer verrassende: ze moet namelijk haar eigen prestaties afzwakken; ze moet in zekere zin ‘reclame tegen zich zelf maken’. Ze mag het nooit toe staan dat iemand gaat denken dat de huidige wereld haar beste resultaat is. Dat dat geen anti-reclame is maar een positieve en zeer stevige reclame is wel duidelijk. Want dat is natuurlijk reclame voor haar producten van morgen en overmorgen. Die worden alleen aantrekkelijk als ze die van gisteren en eergisteren overtreffen: die zijn principieel nog maar half gelukt en dus achterhaald. Dus: vanwege de omzet van morgen moet ze die van vandaag kleineren.

Deze schijnbare ‘anti-reclame’ kennen we allemaal ook die van de vernietigingsindustrie. Want er gaat geen dag voorbij of we krijgen bagatelliserende praat over het atoomgevaar te horen, dat wil dus zeggen over de totale vernietigingskracht van atoomwapens. Maar we beseffen alleen niet, dat achter de huidige onophoudelijke vergoelijking van haar eigen almacht uiteindelijk de vernietigingsindustrie zelf staat. Die industrie zelf spoort ons aan om na de bom op Hiroshima weer tot de orde van de dag over te gaan. En dat doen we dan helaas ook.

Hoe onzinnig dat ook is, om ook vandaag nog, te spreken van ‘vooruitgang van de wapenproductie’ – want de wapens die er al zijn, zijn ruim voldoende om het hele mensengeslacht uit te roeien – de vernietigingsindustrie mag nooit toegeven dat dit gek is. Om aan de gang te blijven, moet ze net als elke andere industrie vast houden aan de waan van de ‘vooruitgang’; en vooral zij moet dat doen omdat de twijfel of haar producten wel te verbeteren zijn, heel wat sterker is geworden dan de mogelijke verbetering van andere producten. En dat moet ze vooral daar doen waar het door haar al geleverde vernietigingsmateriaal al groter is dan waar dan ook: de Verenigde Staten. – Omdat er geen industrie is waarvan zijn of niet zijn zo volkomen afhangt van het doorgaan van het vooruitgangsgeloof als de vernietigingsindustrie, zou het me ook helemaal niet verbazen als dat geloof zijn laatste schuilplaats daar zou vinden, waar het ook ten einde toe verdedigd wordt, of in de meningsfabrieken die aan haar gekoppeld zijn. En het is ook zeer wel voorstelbaar, dat nog dagen lang na de ondergang een dreunende stem uit de luidspreker de verstomde woestenij zonder toekomst blijft aankondigen dat er ‘nog grotere, betere, en schonere’, kortom nog betere wapens voor morgen aankomen. Schijnbaar in het belang van de fabrieken die al in puin en as liggen. Die door niemand meer gehoorde aankondiging zal ons aller grafschrift zijn.

Een normaal mens kan al moeilijk vatten dat tijdgenoten die naast hem leven hun technisch vernuft uitsluitend gewijd hebben aan het realiseren van vernietiging, zelfs van de ultieme vernietiging. Maar dat er wetenschappers en ingenieurs zijn, – zelfs duizenden – die hun leven er aan besteden tegen goede betaling hun hoofd erover te breken hoe ze de wapens wier effecten niet meer opgevoerd kunnen worden, toch nog op kunnen voeren, dat gebrek aan zelfrespect is werkelijk absoluut onbegrijpelijk. Die mannen hebben het doel, de mogelijkheid om de mensheid uit te roeien, al bereikt; het zijn immers de zonen van vaders die al geslaagd waren, die al het hoogst haalbare effect haalden. Toch zijn het totaal verouderde types, mannen die zich door het toepassen van nieuwe methoden ontveinzen dat ze zonder te kijken het doel van hun vaders overgenomen hebben. Deze mannen bleef niets anders over dan varianten te bedenken op de middelen van hun vaders. Met andere woorden: dat loopt enkel uit op een spelletje, zij het een fantasievol spel, maar met de werkelijkheid heeft het niets meer van doen, behalve het maken van winst. En dit spel laat voor wat betreft onverstand en blindheid voor de realiteit alle spelletjes uit het verleden ver achter zich, zelfs die van de meest overspannen utopisten. Wat die bedachten en soms nog wilden realiseren ook, waren tenminste ‘doelen’; doelen die nog niet bereikt waren, dat was dus niet waanzinnig (ook al hebben we tegenwoordig door dat ze fundamenteel niet te realiseren zijn.)

Het verachtelijke aan die mannen die tegenwoordig de wapenindustrie dienen als wetenschappers en deskundigen, is trouwens niet slechts dat zij hun talenten uitsluitend voor vernietiging beschikbaar stellen, maar bovendien nog dat ze zonder zich te schamen hun kracht wijden aan zo’n gigantische gekte. (Trouwens ook zonder dat er mensen zijn voor wie ze zich zouden kunnen blameren) Ze onteren daarmee volslagen de spirituele waardigheid van hun beroep die er ergens toch wel aan zit.

Zoals gezegd: alleen vanuit business perspectief valt deze bezigheid te bezien als niet volslagen gek. Daar geldt het zelfs als zeer verstandig. Want de producten worden niet voor niets vervaardigd, zinloos spul vindt kopers. Het is wel de vraag of we dan van ‘vinden’ mogen spreken. Want de groepen die over deze producten nadenken en dan aanschaffen (natuurlijk zonder er zelf bij in te schieten, maar op kosten van de belasting betalers) zijn over het algemeen ten nauwste verbonden met de belangen van de producenten. De meeste offertes die ze krijgen zijn door hen zelf gestimuleerd. Soms is dat verband tussen makers en klanten zo nauw dat het totaal geen zin meer heeft om het gebruikelijke onderscheid tussen zakenpartners in acht te nemen. Het zijn geen transacties meer tussen partijen, maar tussen partners, in zekere zin binnen de familie.

Het springende punt is daarbij echter dat die ‘vervanger voor oorlog’ waar we eerder over spraken, daardoor echt tot stand komt. Want de winst die de verkoop van de spullen opbrengt maakt het mogelijk verder te produceren, en wel producten die steeds weer vernieuwd zijn, maar daardoor veranderen de verkochte artikelen automatisch in ‘schroot’. Praktisch gezien ‘bestaan’ ze dan niet meer, dan zijn ze ‘geliquideerd’. Hoe korter de nieuwe modellen elkaar opvolgen des te sneller verloopt ook de door de producenten gewenste liquidering van hun handel – kortom: dat is een levensvoorwaarde waaraan door verkoop van tot slijt veroordeelde spullen voldaan wordt. Zij het ook niet helemaal zo goed als een echte goeie oorlog feitelijk kan opleveren. – Maar daarover later.

Dat ik het woord ‘versleten’ steeds weer gebruik is natuurlijk geen toeval. Het is beslist het sleutelwoord, het woord dat het begrip opent voor onze hele situatie. Als we van dat woord gebruik maken, moeten we snappen dat de producten die verkocht en gekocht worden niet achterhaald zijn (zelfs al in het uur van hun geboorte) omdat ze zo snel achterop raken bij de steeds maar weer nieuwe ontworpen blauwdrukken, dus omdat de ‘vooruitgang’ zo hectisch is. Maar het is omgekeerd : de blauwdrukken volgen elkaar met zo’n hoge snelheid op, en ‘vooruitgang’ gaat daarom zo ‘hectisch’ vooruit omdat het enige doel van de industrie is, haar producten zo snel mogelijk aan de veroudering prijs te geven en door dat proces het voortbestaan van haar producten te waarborgen. Als de term ‘vooruitgang’ überhaupt nog ergens op slaat, dan dus op de vooruitgang in het maken van wat verouderd is.

Economisch gezien is dus het technische gebrek van iets dat verouderd is, en dat tegenwoordig kleeft aan elk aangeboden en verworven product, geen manco maar een deugd, omdat het de levensvoorwaarde van de industrie betekent. En omdat het bij de vanzelfsprekende taken van elke industrie hoort haar deugden en levensvoorwaarden te verzekeren of (als die niet vanzelf al existeren) te scheppen, baart ze niet alleen onophoudelijk slechts verouderd spul, maar het verouderen zelf. En alleen omdat ze dat proces verwekt mag ze erop rekenen dat ze de ‘verbeterde’ producten van morgen ook verkoopt. Het zou natuurlijk naïef zijn om te beweren dat dit proces de ‘vooruitgang’ vertegenwoordigt omdat het steeds weer nieuwe zaken afscheidt. Omgekeerd draait dit proces er wel op uit dat er ononderbroken ‘achterhaalde producten’ zijn. Die zijn er zelfs niet meer, omdat ze immers moeten achterhaald worden. De bekende titel van Robert Jungk “De toekomst is al begonnen” drukt dus slechts de helft van de waarheid uit. Het kenmerkende van de huidige industrie is niet slechts dat ze met een been altijd al in de toekomst staat, maar dat zij het toekomstige altijd al principieel aanziet voor iets dat potentieel voorbij is, neen zo vervaardigt zij de producten van morgen. Ze dwingt de toekomst ertoe om altijd al met een been in het verleden te staan – kortom dat vanuit haar perspectief ‘het verleden altijd al begonnen is’ (met elk product), – en zelfs morgen al begonnen is. Daar is natuurlijk niet slechts mee bedoeld (dat wist de schrijver van Prediker ook al) dat de toekomst op een mooie of minder mooie dag eens verleden zal zijn, en zelfs vergeten, en dat de kiem van de dood ook vandaag al het nog-niet-zijnde vergiftigt, maar het betekent ook dat het toekomstige het gif van ‘het zal er geweest zijn’ uitdrukkelijk ingespoten krijgt, alsof zo ongeveer zijn stervensuur al van tevoren is vastgelegd. Die SF-auteur die onlangs tot verbijstering van de hele wereld de producten van de moderne industrie bij de categorie ‘tijdbommen’ indeelde, had dus volledig gelijk. Als je onder ‘tijdbom’ die voorwerpen verstaat waarbij de eigen ondergang ingecalculeerd is. En die worden als geslaagd beschouwd als ze het hun toegedachte aantal doden op hun geplande sterfdag ook volgens het boekje leveren. Ze gelden als mislukt, als ze hun termijn overleven – daarmee is er vandaag geen enkel product meer dat niet tot die categorie hoort, of het nu scheermessen, autobanden of vernietigingswapens zijn. En ‘tijdbommen’ in deze betekenis zijn de huidige producten niet slechts per ongeluk, niet als bijkomstig bij het feit dat het scheermessen, autobanden of vernietigingswapens zijn; integendeel zijn het – want dat verschaft hen pas zakelijke werkelijkheid – ‘tijdbommen’ in eerste aanleg. Of de producenten besluiten deze producten in de vorm van scheermessen, autobanden of vernietigingswapens te realiseren is daarmee vergeleken van secundair belang.

Laten we ons niets wijs maken. Deze ‘Productie van veroudering’ is het systeem van de wereld, waar we in de toekomst blijvend mee moeten rekenen, als het tenminste niet door een vernietigingsoorlog te gronde gaat. In elk geval heeft de huidige industrie geen belangrijker doel te realiseren dan dit ‘tijdbom-systeem’ voor eeuwig te conserveren. Dat maakt, ondanks alle technische revoluties haar conservatieve karakter uit. Voor haar is dit systeem zelfs identiek aan haar ‘wereld’. Wat wij dus ‘onze wereld’ noemen is irrelevant voor haar en van tijd tot tijd vat ze ons begrip van ‘wereld’ en onze wens die te conserveren ook als subversief op. Bezwaren tegen het op het spel zetten van onze wereld kent ze niet voor zo ver het erom gaat het voortbestaan van haar wereld te garanderen.

Ik geef het toe: deze toestand is uiterst verwarrend. Des te meer verwarrend is dat het klassieke kenmerk van het kapitalistische systeem, namelijk de concurrentie van individuele ondernemers of groepen van ondernemers, niet meer de enige concurrentie is die uitgevochten wordt, maar daar naast duikt er andere, andersoortige op. Onophoudelijk vindt er een ‘binnencompetitie’ plaats: een die zich binnen de onderneming afspeelt: namelijk tussen hen die de producten ontwerpen en hen die ze realiseren. Ademloos rent de uitvoerder achter de uitvinder aan die op zijn progressie-ladder naar boven stormt; en dat doet hij niet slechts om hem zijn nieuwste blauwdrukken uit de hand te grissen en in producten om te zetten, maar ook om dat product meteen van het podium te stoten en sleets te maken.

Zoals gezegd: hoe sneller producten wisselen, des te sneller vult zich natuurlijk ook het magazijn waarin de afgestoten producten, en de nog niet gebruikte, belanden. En als het daarbij om vernietigingswapens gaat, betekent dat natuurlijk tevens dat ook het gevaar steeds sneller toeneemt. Uiteindelijk zijn de wapens waarvan er almaar meer komen, hoewel ze nooit gebruikt werden ook niet effectief opgeborgen en geliquideerd, en als er zich een ‘Ernstfall’ voordoet zou dat ‘schroot’ immers ook niet onbruikbaar zijn. Of de kopers tot in eeuwigheid bereid blijven nieuwe stukken toe te voegen aan het uitdijende reservoir, is moeilijk te overzien voor de productie, tenzij ze de kopers met huid en haar doorslikt, dus tot haar zakenpartner maakt. De angst dat op een dag haar overbodige producten niet meer te slijten zijn is een van de meest kenmerkende emoties van onze eeuw. Met een goed en zeker gevoel verder werken kan eigenlijk alleen als er uitzicht bestaat op een echte vernietiging van de producten die ze levert; dus als ze er op kan hopen dat de kopers van tijd tot tijd de gelegenheid zullen hebben zich ruimte te verschaffen en dat de voorraden die zich bij hen opstapelen toch zo nu en dan – dat wil dus zeggen : in oorlogen – ‘geconsumeerd’ en ‘vernietigd’ worden. Economisch gezien heeft de voortgaande-wapenproductie-zonder-oorlog iets heel ongezonds, iets van ‘ascetische overdaad’. Als je daar een tijdelijke vervanging van oorlogen in ziet, kan dat terecht zijn, maar het zou zonder meer stom zijn erop te vertrouwen dat oorlogen met behulp daarvan definitief vervangen kunnen worden. Wat als surrogaat voor oorlog begint wordt zelf oorzaak van oorlog. Het is juist die altijd durende accumulatie van wapenvoorraden die voortdurend het oorlogsgevaar bevordert; en op grond daarvan moet de hoop van de industrie op een gezond ‘Ernstfall’ of op zijn minst een stevig oorlogsgevaar steeds weer toenemen. (In zo’n ‘Ernstfall’ worden niet alleen de wapenvoorraden zelf vernietigd, maar ook de miljoenen mensen voor wie die wapens bedoeld waren: dus wij: ‘consumenten van de dood’; maar uit het perspectief van dit productiemechanisme is dat slechts een betreurenswaardig neveneffect. )

III. de staking

Zo is het dus gesteld met de machten die over ons lot beschikken. Dat is al beangstigend genoeg. Maar wij dan?! Zijn wij, miljoenen ‘morituri’ wij die morgen of overmorgen de slachtoffers kunnen worden zijn wij beter dan die machten en dan die mannen die deze machten aansturen?
Nauwelijks. – Wat ik bedoel?
Want bij ons werk in de fabrieken en werkplaatsen en kantoren waar wij plegen te werken hebben we verleerd ons te bekreunen om het effect van waar we aan meewerken en wat we mede-veroorzaken.

U zult daar tegenin brengen dat U noch ik zo ongelukkig zijn in fabrieken te werken waar kernkoppen of dergelijk vernietigingsmateriaal wordt gemaakt. Dat is juist. Maar is dat een verdienste? Is dat niet veeleer toevallig? Toeval, en wel een toeval dat niets garandeert? Want wat we ook doen of waar of waaraan we ook meewerken de mentaliteit waarin we dat doen is zo, namelijk zo zeer niet geïnteresseerd in het door ons mede veroorzaakte effect dat wij zonder meer ook aan de productie van vernietigingswapens mee werken zouden. En inderdaad zijn er honderdduizenden zoals wij die die het doen, en net zo gedachteloos en zonder enig bezwaar als wanneer het scheermessen betrof of autobanden. Ze stellen zich daar niets bij voor en laten zich soms aanpraten dat ze bijdragen aan het belang van de ‘vrije wereld’ of zelfs aan de vrijheid van de wereld. Erg eervol komt me dat nou niet voor. Als ik bedenk hoe dapper onze socialistische grootvaders probeerden zicht te krijgen op de onvrijheden die hun bestaan verwoestten en om ook de wortels van die onvrijheid te bestrijden, dan lijkt het me zelfs dat wij alle reden hebben om ons voor onze voorouders te schamen. En niets is er zo zeer naast als te beweren dat er voor ons vandaag geen verzetstaak meer is; neen dat is een pure uitvlucht, de uitvlucht van hen die überhaupt niet meer overwegen iets te bekritiseren wat ‘arbeid’ heet of als zodanig betaald wordt. Integendeel die doen geheel vanzelfsprekend aan alles mee wat maar ‘arbeid’ heet en als zodanig betaald wordt. Wij geen verzetstaken meer? Het tegendeel is waar. Onze taken zijn groter en urgenter dan die van onze grootvaders. Wat ik bedoel?

Men verhindert ons niet alleen om de eigenaar te zijn van onze productiemiddelen, – zo zagen onze grootvaders dat – maar men verhindert ook dat wij eigenaar zijn van de productiedoelen. Wij zijn bij onze arbeid ook beroofd van de vrijheid om het doel van de dingen die wij mede produceren mee te bepalen: hoe ze toegepast, geselecteerd en gebruikt worden. We mogen vaak niet eens weten hoe het ermee staat; we mogen het nog niet eens willen weten. Als dat geen onvrijheid is, weet ik niet meer wat dat woord voorstelt. Zeker, honderd jaar geleden was dat ook zo: onze grootvader mochten ook niet meebepalen aan welke productie ze mee werkten. Maar die onvrijheid was niet de beslissende, want het aantal producten waarvan het nut twijfelachtig was of die geen productie waard waren, was vergeleken met nu zeer gering. Vandaag staat het maken van mens-vijandige producten centraal in heel wat nationale economieën. Het is een schandaal dat wij werknemers niet reageren op dat schandaal; we vinden het wel best. Dat is niet alleen een schandaal omdat we met onze onverschilligheid onze vrijheid uit handen geven, maar oom omdat we daarmee het overleven van de mensheid op het spel zetten. We moeten ons zelf niet misleiden. Zo lang wij voor ons meedoen netjes betaald krijgen, en zolang we denken dat onze banen blijvend zeker zijn, zo lang sluiten we onze ogen voor dat wat we doen en waartoe we het doen. Zo lang zijn we ook bereid om van de voorbereiding van de ondergang te leven. – Als iemand van U me duidelijk zou kunnen maken waarom die onvrijheid minder noodlottig en minder schandalig zou zijn dan die waar onze grootvaders kritiek op hadden, en waartegen ze gevochten hebben, dan zou ik hem dankbaar zijn. Verklaart U mij dan ook maar eens waarom onze plicht om in verzet te komen geringer zou zijn dan in hun geval!

Luister naar het volgende extreme geval. In een fabriek A – waar die staat is niet moeilijk te raden – werden onderdelen van atoomraketten gemaakt. Op een dag bleek dat dat model verouderd was. Verdere productie had geen zin. Want ondertussen waren de atoomwapens ‘verbeterd’, en de productie van onderdelen voor die nieuwe modellen zou aan ondernemer B worden gegeven. Hoe reageerde het personeel van A daarop? Waren die opgelucht? Waren die blij dat ze niet hoefden mee te doen aan de algemene ondergang?

Helemaal niet. Ze gingen in staking! En wel daarom, omdat ze vreesden dat het overschakelen op ander producten in hun fabriek hun loon wel eens nadelig zou kunnen beïnvloeden. Laten we dat scherp stellen: Ze staakten omdat de kans om niet meer te mogen bijdragen aan de universele dood, dreigde te verdwijnen. Wat moeten zij die in de vorige eeuw de staking als tactisch wapen hebben opgebouwd van dat stakingsmotief denken?

Ik weet wel dat de stakingsparolen van onze grootvaders in onze oren vaak taai en vervelend klinken. Wij, hun kleinkinderen denken dat we met de verovering van brommer en tv-bak ook de vrijheid hebben veroverd, en zelfs een nog grotere dan onze grootouders gehoopt hadden of geclaimd. Alleen al dat we dat geloven en dat we ons dat laten aanpraten is het bewijs daarvoor dat wij onze vrijheid hebben opgegeven. Want echt vrij zijn we alleen dan wanneer we meebepalen wat we maken en wat er (op basis van mee door ons gemaakte producten) van de wereld wordt; alleen dan, als we niet alleen onze verantwoordelijkheid nemen voor wat we privé doen of aanrichten, maar als we in zien dat ook ons ‘werk’ een ‘daad’ is en dat ook ons produceren een ‘uitlokken’ is3 ; als we dus ook onze verantwoordelijkheid nemen voor wat we te weeg brengen.

Wie beweert dat hij afziet van mee-bestemmen en dat dat ‘neutraal’ is bedot zichzelf. Wie zonder stelling te nemen aan de productie van vernietigingsmiddelen deelneemt, kiest, heeft gekozen want die draagt dan positief bij aan de vernietiging. Kortom: wie geen Neen zegt, doet daarmee Ja. De duizenden die zonder erbij te denken mee doen in de vernietigingsindustrie hebben de vrijheid om mee te beslissen over wat ze ‘ervan maken’, voor een bord linzen verkocht: namelijk voor het recht op te mogen ‘mee consumeren’. En dat is in feite geen recht, want ons mee consumeren is immers een plicht die wij moeten vervullen tegenover de productie. En wat voor onze grootvaders ook zo belangrijk was: de internationale solidariteit dat vinden wij, de kleinkinderen ook al net zo’n versleten idee als het vrijheidsparool. Ook dat volstrekt ten onrechte. Want dit idee krijgt haar werkelijk actuele betekenis pas vandaag, nu wij het zo geweldig ver geschopt hebben dat elke aardbewoner vanuit elke plek op aarde dodelijk kan worden getroffen. De huidige parolen zouden moeten luiden: ‘Bedreigden aller landen, verenigt u!’ of: ‘Wees geen bedreiging voor elkaar!’.

Nu zult U vragen hoe we dat allemaal moeten doen. Wij, enkelingen. Neen-zeggen. Ons verenigen. Elkaar niet in gevaar brengen.
Ik hoef U niet te vertellen van de Anti-Atoombeweging. Maar het is niet genoeg als je daar maar bij hoort, want die beweging heeft nog geen bezit genomen van ons leven van alle dag. Wij rennen eens per jaar door het land en behandelen het atoomgevaar als een vrijetijdsthema,- wij met onze Paasmars! Maar dat is niet afdoende natuurlijk. Noodzakelijk is veel meer van elke dag een paasmarsdag maken. Dat wil zeggen geen enkele dag de kleinste gelegenheid laten schieten om onze buren de ogen te openen en ze te doen inzien dat ze met hun steun aan politieke bewegingen die zich inzetten voor het maken van vernietigingsmiddelen of voor een multilaterale atoommacht het gevaar vergroten en zich zelf al schuldig maken, want het ondersteunen van die groepen is ook al ‘hulp’ aan de vernietigingsapparaten. En als ik zeg dat we onze buren moeten voorlichten, bedoel ik dat niet geografisch of de buren aan onze werkbank. Onze wereld is buurt geworden. In onze vakanties – en dat bestond in vroegere tijden van vrede niet – zoeken we met zijn duizenden buurlanden op, zelfs atoommachten, waar feitelijk die vernietigingswapens worden gemaakt en die daardoor zich zelf maar ook ons op de meest verschrikkelijke manier in gevaar brengen. Vindt U het een waardige vertoning, dat wij, de zonen van hen die de mensen van over de grens slechts als slaven van de Hitlerterreur behandeld hadden, – dat wij, hun zonen dus die buurvolken uitsluitend als onze kelners zien? Wij benutten de kans om met duizenden van hen in contact te komen alleen om te kamperen en te zwemmen, of om eens iets anders te eten en te drinken dan thuis. Vindt U dat fraai? Ik ben helemaal voor zwemmen en kamperen en eten en drinken vind ik erg plezierig. Maar moet dat alles zijn? Zouden we die gelegenheid van duizendvoudige contacten met anderen ook niet voor iets anders kunnen gebruiken? Namelijk om met hen de gezamenlijke bedreiging te bespreken en de verplichting die uit die gezamenlijke bedreiging voortkomt.

Ik zou me bijvoorbeeld voor kunnen stellen dat Duitse arbeiders en beambten, die hun laatste vakantie in Frankrijk door gebracht hebben – dat zijn er duizenden – als groep een gezamenlijke brief schrijven aan hun Franse kameraden die bij de productie van atomaire vernietigingswapens betrokken zijn. – Wat zou er in zo’n brief moeten staan?

Dat hun werk, – of het werk van hen die aan de opbouw van de zogeheten ‘Force de frappe’ deel nemen – niet alleen ‘slechts’ het belang van de arbeiders van alle landen tegengaat; en niet ‘slechts’ het belang van alle tijdgenoten, en niet ‘slechts’ het belang van alle toekomstige generaties. Maar er moet ook in komen dat landen die met atoomwapens uitgerust zijn vele malen meer de kans lopen aangevallen te worden, dan landen zonder. Dus zij die werken aan de installatie van die wapens brengen ook hun eigen land op een zeer gewetenloze wijze in gevaar. Kortom – en dat moet het hart van onze brief zijn – we zouden ze moeten oproepen, hun werk neer te leggen. Ik weet dat dat erg ongewoon klinkt. Maar nieuwe en ongewone situaties – en het wereldgevaar waarin we verkeren is stellig iets ongewoons – vergen nieuwe en ongewone middelen. En als je in zo’n situatie terug schrikt voor bepaalde methoden omdat ze ongewoon zijn, dan is dat niet alleen verschrikkelijk bekrompen, maar ook nog eens verschrikkelijk gewetenloos. – We zouden hen dus moeten uitleggen dat er vandaag een staking van een geheel nieuwe aard vereist is. Een staking die zich qua doelstelling onderscheidt van alle stakingen tot nu toe. Het is namelijk nu niet slechts geboden te staken wanneer we ondraaglijke arbeidsvoorwaarden of loonbepalingen moeten bestrijden, maar ook dan wanneer de producten die we geacht worden te maken effecten met zich mee brengen die je niet meer verantwoorden kunt. Het gaat er om dat wie ook maar een vonkje verantwoordelijkheid in zich waarneemt, de plicht heeft te weigeren deel te nemen aan het maken van dergelijk spul, volstrekt afgezien van welk loon hem daarvoor geboden wordt.

Eind september (1965? jab) heeft Robert Kennedy, in zijn race om als Senator voor de staat New York gekozen te worden, werknemers in de wapenindustrie verzekerd dat ze zich geen zorgen hoefden te maken over het voortbestaan van hun fabrieken. – Wat wij te doen hebben is omgekeerd, de werknemers in de vernietigingsindustrie duidelijk te maken, dat ze zich precies daarom zorgen moeten maken, omdat die productie doorgaat. En omdat zij die productie op gang blijven houden.

Natuurlijk zo’n brief als ik daar voorgesteld heb kan niet van vandaag op morgen de wereld veranderen. Maar zegt dat dat dit soort signalen er niet toe doen? Mogen we, omdat er geen direct werkend patentmiddel tegen de Catastrofe bestaat, en omdat het respijt om voorwerk en kleine stapjes te doen niet meer groot genoeg is, – mogen we daarom de handen in de schoot leggen?Is de dodelijke ernst van onze misschien toch al ingeperkte toekomst (‘befristete Zukunft’) een vrijbrief voor gemakzucht?

Overbodig daarop te antwoorden. Hoeveel tijd we nog hebben, weten we niet. Het is wel denkbaar dat die niet eens zo kort is als we wel vrezen. Misschien is ons toch nog wat tijd vergund om het ergste te voorkomen. En dat ‘misschien toch’ verplicht ons onze pogingen voort te zetten, ook als onze eerste aansporingen of onze eerste brieven maar weinigen bereiken en weinig uithalen. Dit staat vast: de idee van deze staking moet verkondigd worden; en ze moet uiteindelijk wortel schieten in de abeidersgemeenschap.

Absurd? Helemaal niet. Want niet vergeten, dat zo’n staking al bestaat. U weet vast wel van de duizenden natuurkundigen, die, nog voor ze gevraagd waren om mee te werken, verklaard hebben, neen plechtig beloofd hebben nooit ook maar een vinger uit te steken voor de vervaardiging van ondergangsspul. Die mannen gebruikten daar het woord ‘staking’ niet voor, maar dat is totaal niet van belang. Zij zijn in staking gegaan. Alleen dat telt. – En van elke arts wordt de belofte geëist dat hij alleen dat zal doen wat mensen helpt; en hij zal weigeren wat de mens schaadt – kortom, elke arts legt de zogeheten ‘Eed van Hippocrates’ af.

Moet de internationale arbeidsgemeenschap het zich laten gezeggen dat ze minder geweten hebben dan fysici en artsen? Zouden ze te bang zijn om de eed af te legen, zoals wetenschappers doen? Zouden we ons laten beschamen door deze mensen die ons voorgingen?
Onlangs heeft Linus Pauling een bezoek aan Duitsland gebracht. Hebben we het recht om mensen als hij te verwelkomen, als wij zelf niet de moed opbrachten om iets dergelijks te riskeren?

U zult tegenwerpen: wij maken dat ondergangstuig niet; dus hoort het niet tot onze plichten om werk aan vernietiging te weigeren. Wij kunnen in deze situatie überhaupt niets doen, en dat was ook nooit het geval. Neem me niet kwalijk, maar die tegenwerping is kortzichtig. De zaken waartoe de atoomtoestand verplicht zijn in ons land evenzeer verplicht als in andere. Zelfs al klopt het (en meestal is dat juist) dat hier nog geen vernietigingswapens worden gemaakt, – dan weet U net zo goed als ik, dat er ook hier machtsgroepen zijn, die het enthousiast zouden toejuichen dat we zelf de productie ervan opzetten, dan wel dat we via de omweg van een multilaterale atoommacht over die wapens zouden beschikken. Dus moeten we ons tegen die tendens verzetten (want tendenzen zijn ook realiteiten); Daarom moeten we nu al besluiten, om nooit als het zo ver is mee te zullen werken aan het maken of het transport of de montering van zulke producten. Laten we blij zijn dat we niet hoeven te staken in een productie die al op gang is gekomen; dat is een benijdenswaardige positie. Nu hoeven we dat niet achteraf te herzien. Wij kunnen daarentegen van tevoren , dus vandaag al, onze opstelling tegenover dat geval dat zich kan voordoen vastleggen en publiceren. Dat is het tweede voorstel dat ik doe: het maken van onze ‘eed van Hippocrates’ van arbeiders.

Maar laten we nu eens aannemen, dat we helemaal zeker wisten, dat dat uiterste geval zich nooit zou voordoen – ook die zekerheid zou ons niet van onze plicht ontslaan. De politieke en militaire samenhang tussen de staten – denkt U maar aan de NAVO – is nu sterker dan ooit tevoren. Deze samenhang heeft tot gevolg dat ook landen, die zoals bijvoorbeeld de Bondsrepubliek, tot de ‘have nots’ behoren, politiek geen enkele stap meer kunnen zetten die niet in een wereld van atoombewapenende en bewapende machten plaats vindt. En met die bewapening is de wereld dus in gevaar gebracht. Indirect bevordert de politiek van staten die geen atoomwapens hebben, zoals de Bondsrepubliek de catastrofe en kan die zelfs ontketenen. In vele landen hoor je Ewiggestrige (vaak om stemmen te winnen) een grote mond opzetten en de wildste politieke doelstellingen verkondigen. En als men er in slaagt die doelen te bereiken zouden ze het principe van het bondgenootschap opblazen en in bepaalde gevallen zelfs de inzet van vernietigingswapens veroorzaken. Het is geen toeval dat dergelijke keiharde types zeer talrijk zijn in landen zonder nucleaire wapens. Die mannen weten precies wat de afhankelijkheid van hun landen van de atoommachten betekent. Namelijk dat elke luidkeels geuite overspannen eis indirect tot het ergste kan leiden. Want zij die we geacht worden als ‘vijand’ te beschouwen, en die zich (na de ervaring van de laatste vijftig jaren) bedreigd voelen, kunnen in dergelijke eisen al gauw een door de geallieerde atoommacht gedekte eis zien. Maar daar zitten die mannen niet zo mee. En velen eisen van alles omdat ze zich daardoor gedekt weten. – Een van de opgaven die we hebben te vervullen, is deze lieden weer in het gareel te krijgen,

IV. Wie dreigt er eigenlijk?

Deze of gene zal misschien wel denken: “Helemaal onmogelijk; de vrije wereld heeft wapens nodig om zich te verdedigen”.

‘Vrije wereld’.

Hebben die mannen die met de ondergang een spelletje spelen en die uitdrukking zo graag in de mond nemen, werkelijk vrijheid op het oog? En zetten zij die deze wijze van redeneren napraten zich zelf niet als totaal onvrij te kijk? Namelijk als mensen die zich nu een eigen oordeel hebben laten ontfutselen. Want wat betekent tegenwoordig ‘vrije wereld’? Willen ze werkelijk beweren, dat wat er zich afspeelt in Zuidoost-Azië gebeurt ter bevordering van welke vrijheid dan ook? Of dat Zuid-Afrikaanse huurlingen of Cubaanse ballingen die uit Amerikaanse vliegtuigen springen in Congo vrijheid verdedigen? Welke vrijheid? Vrijheid van wie? Reken zelfs maar op uw eigen vingers uit welke machten tegenwoordig bij ‘de vrije wereld’ gerekend worden. Behalve de grote en kleine kapitalistische landen slechts die vazallen die zich niet verzetten tegen de aanspraken van de grote mogendheden. Of zou het toeval zijn, dat bijvoorbeeld Cuba zolang het af moest zien van onafhankelijkheid en zolang het de ‘vrije wereld’ gehoorzaamde ook zogenaamd bij de ‘vrije wereld’ hoorde? En kan je nog van ‘vrij’ spreken als er een presidentskandidaat op de Republikeinse Conventie in San Francisco, bejubeld wordt omdat hij aankondigt na verkiezing het inzetten van bepaalde atoomwapens over te zullen laten aan het leger?
Neen als je de wereld blijft verdelen in een ‘vrij’ deel en een ‘onvrij’ deel, dat betekent slechts dat je slaafs kreten napraat, – dus dat je onvrij bent. Laten we ons zelf geen illusies maken: het is volkomen ongerechtvaardigd om te veronderstellen dat de zogenaamde ‘vrije wereld’ er geen schuld aan zou hebben, als de catastrofe losbarst. In tegendeel: zij heeft al vaak genoeg de ergste spelletjes gespeeld, vaak genoeg extreem geprovoceerd – en dat doet ze vandaag weer. Dat kun je nauwelijks van de Sovjet-Unie zeggen. En ik geloof dat dat ook nu na de jongste gebeurtenissen ook nog geldt. (Mijn tekst was natuurlijk voor de afzetting van Chroetsjow geschreven en voor de hervorming van het sovjet staats- en partijapparaat, en voor de explosie van de Chinese atoombom. Over de komende Russische politiek kan ik natuurlijk niets voorspellen.) Zo veel staat in elk geval vast, dat de Sovjet-Russische buitenland politici in de laatste jaren duidelijk getoond hebben dat hun land na de duistere tijden die het onder eigen of vreemde dictatuur door gemaakt had zou opademen als het de zekerheid kreeg dit begin van liberalisering verder te kunnen uitbouwen en ervan te genieten. Ontegenzeggelijk heeft Chroetsjow heel precies geweten wat een atoomoorlog zou betekenen – en ook Kennedy schijnt dat na de Cuba crisis begrepen te hebben.
Peking zult U zeggen. Maar dat ligt niet zo eenvoudig. (Ik herhaal: de tekst die ik hier breng was geschreven voor de explosie van de Chinese bom. Ik leg U mijn overwegingen van destijds nu voor omdat wat nu gebeurd is slechts het eindspel is van een muziek die al veel langer klonk. Na deze analyse zal ik van het heden uit spreken over wat er een paar dagen geleden gebeurde.)
Peking dus. Van die kant dreigt vooralsnog niet het gevaar van een nucleaire aanval. Je kunt China nog geen volwaardige atoommacht noemen. En het wil ook geen atoomoorlog. Je kunt alleen maar het tegendeel beweren als je de uitgebreide briefwisseling die er jaren geleden plaats heeft gevonden tussen de verschillende communistische partijen, niet ernstig genomen hebt. Of als je (wat helaas een mogelijkheid is) ermee rekent dat die correspondentie de meeste mensen toch onbekend blijft, Of als je ertoe beperkt die terminologie van ‘papieren tijger’ eenvoudig na te kletsen. Er zijn wel degelijk beangstigende Chinese uitspraken; die wekken de indruk dat de Chinezen de nucleaire dreiging tot een lachertje maken. Als er al sprake is van een bagatellisering door de Chinezen dan is staat die diametraal tegenover de bagatellisering ervan door het Westen. Want de Chinezen moeten reageren op het atoomspel dat met hen gespeeld wordt, niet omdat zij met de atomaire dreiging spelen (wat ze tot nu toe niet konden). Peking weet ook heel best dat de mogelijkheid van een atoomaanval op China sinds de tijd van McArthur overwogen is: en dat het voor en tegen van een nucleaire aanval op China zelfs door elektronische robots is doorgerekend; en dat zij de eerste slachtoffers zouden zijn als de atoomoorlog zou uitbreken. Het is pure dwaasheid om onder dergelijke omstandigheden toe te geven dat het gevaar dodelijk is, want dat zou betekenen dat je voor eeuwig capituleert voor de dreiging – en dat voor een volk van 700 miljoen dat na decennia van anarchie en plundering volop bezig is met reorganisatie.

U zult aarzelen, omdat China immers die eerste stap naar ontspanning, het verdrag over de gedeeltelijke stopzetting van atoomproeven, resoluut afwijst. Maar het is verkeerd daaruit te concluderen dat die afwijzing duidt op hun lust tot aanvallen. Die weigering wijst op iets heel anders: namelijk de zeer begrijpelijke angst van de Chinezen. China is bang. China is bang dat het voorzetten van deze overeenkomst tussen de twee atoomgiganten tot gevolg heeft dat de status quo zich verhardt: dat de chantage met atoomwapens die gewoonweg gegeven is met het bestaan van atoomwapens, eeuwig zal kunnen gaan duren. Ze is (daarbij) bang dat het schandaal dat het land met de meeste inwoners der aarde niet in de veiligheidsraad van de VN zit, definitief zou kunnen worden; en dat ook de imperialistische heerschappij van de Verenigde Staten definitief zou worden: ze zijn er wat laat mee, maar halen nu de Europese koloniale machten wereldwijd in. Imperialisme is al oorlog, want het is onderwerping van andere landen. Een oorlog die echter in het woordenboek van de imperialisten ‘vrede’ heet. Als die oorlog in een hete oorlog zou omslaan – dat zou geenszins de schuld zijn van de slachtoffers van het imperialisme.

Men moet ook onderkennen dat de situatie waarin de Chinezen zich nu bevinden sterk lijkt op die van de Sovjet-Russen in het begin van de atoomtijd, toen ze nog niets gelijk hadden getrokken, China reageert op de afspraken tussen VS en Rusland niet anders dan Rusland op het Amerikaanse monopolie reageerde. Toen Rusland destijds alle moeite deed om zich op te werken tot tegen- atoommacht deden ze dat bepaald niet om met die bommen te dreigen; veel meer om niet voortaan en voorgoed door de bom bedreigd te blijven. En als het desondanks tegelijkertijd thuis de verschrikkelijkheid van de bom afzwakte , dan was dat niet om al van tevoren een eventuele eigen aanval als ‘niet zo heel erg’ voor te stellen, maar om de periode van hun eigen nucleaire ontoereikendheid psychologisch te overbruggen, dus om in die tijd paniek te voorkomen. Ik ben ervan overtuigd dat de houding van China vandaag de dag op dezelfde gedachte stoelt.

Zeer schokkend is wel de gedachte aan de gevolgen die een eerste Chinese kernproef of zelfs een serie proeven zou kunnen ontketenen. Want het is zeer goed denkbaar dat die ontploffing in de Gobi woestijn een politieke kernreactie zou kunnen ontketenen; dat ze een signaal wordt. Dus een signaal aan andere staten om nu met ‘goed geweten’ – wat men tegenwoordig al niet goed geweten noemt – weer proeven ter hand te nemen; daarmee zouden ze niet alleen de natuurlijke atmosfeer van de wereld radioactief besmetten, maar ook de politieke: de kleine beginnetjes van wederzijds vertrouwen zouden weer verstoord worden. Dat mag niet gebeuren. En of dat gebeurt hangt van China af. Peking zou er wijs aan doen dat het na de eerste demonstratie die waarschijnlijk niet meer tegen te houden is, voorlopig van verdere proeven af te zien, en als het een voorstel voor een conferentie inclusief China zou doen op grond van de door de eerste proeven veranderde situatie.

Ik ben benieuwd of U mij op grond van deze overwegingen nu classificeert als ‘Chinees’, zoals dat tegenwoordig heet. Maak het U daarbij niet al te makkelijk. Ruiger en onvoorwaardelijker dan ik dat sinds jaar en dag doe – mijn stellingen staan zwart op wit – kan men de eis van een universele afbouw van atoombewapening wel niet formuleren. En ik neem geen titel of jota terug van die positie. Maar het is niet alleen unfair om China te verachten omdat het niet nog langer uitgeleverd wil zijn aan wapens waar de anderen nog niet van afzien en dus dat wapen ook wil hebben, maar onoprecht. Want het wil zeggen dat je de zwakke agressief noemt die het vertikt om te wijken voor bedreiging.

U ziet: het is onmogelijk om de alternatieven waartussen we vandaag moeten kiezen te accepteren. Maar het betekent ook dat ik weiger Moskou te veroordelen omdat ik Peking niet veracht. Daarom herhaal ik, hoe paradox dat ook mag klinken, na mijn excurs over China: we moeten het Amerikaans – Russische verdrag over de gedeeltelijke opschorting van atoomproeven zonder enige terughoudendheid bevestigen. Want het vormt na de voortdurende apocalyptische spanning waarin we leven sinds Hiroshima werkelijk een eerste stap in de richting van ontspanning. En ondanks Peking moeten we zeer nadrukkelijk eisen dat in die richting zonder onderbreking verder gewerkt moet worden. Om geen kans, hoe klein die ook maar mag zijn, te laten schieten.

Hoe moet je die paradox oplossen?

Het is geen paradox. Maar we moeten de uitdrukking onze inspanningen ‘ondanks Peking‘ veranderen. We moeten dat namelijk met Peking doen. Ja zeker: met.
Laten we goed beseffen wat er nodig is om de gevaarlijke toestand te ontspannen. Het verlangen van China naar atoomwapens is slechts een reactie, een symptoom. De reactie op een onverdraaglijke toestand, waar China van huis uit geen schuld aan heeft. We moeten een situatie proberen te krijgen waarin China geen atoomwapens meer hoeft te willen. Daar komt het op aan.

Dat is echter makkelijk gezegd. Als men dat doel wil bereiken stuit men op heftig verzet. Zoals bekend is China in het kader van de imperialistische Azië-politiek van Washington verketterd geworden. En omdat het bestaan van China de kansen op een overeenkomst tussen Rusland en Amerika bemoeilijken, heeft die verkettering van China nu ook in Rusland om zich heen gegrepen. In Washington gaat deze demonisering zo ver dat tegenwoordig nog slechts de allerdapperste Amerikaanse politici de moed op brengen – en daar moet je ze werkelijk om bewonderen – een verandering te eisen. Want wie dat doet moet ermee rekenen, dat hij de voor ‘vaderlandslievend’ versleten haat schoffeert en daarmee zichzelf, en op zijn minst zich onpopulair maakt. En omdat ook de marionettenregering van Formosa gesanctioneerd is als permanent lid van de Veiligheidsraad, schijnt er een toestand van totale verlamming ingetreden te zijn.

En toch moet die verandering er komen. De huidige atoommachten hebben alleen het recht om van China te eisen dat het bereid is te onderhandelen en mee te werken in zake het atoomvraagstuk als ze zelf afzien van die wapens waar China zich door bedreigd voelt, en die ze niet graag in Pekings handen zien. Dat recht hebben ze ook pas dan, als ze China de stem in de Verenigde Naties geven die hun toekomt. Zolang dat niet gebeurt, zullen alle ontwapeningsonderhandelingen in een denkbeeldige ruimte plaats vinden; en zo lang raken we dat slechte gevoel niet kwijt dat die ruimte bewust denkbeeldig gehouden worden. Kortom: erkenning van China en opname in de Veiligheidsraad van de VN is een fundamentele voorwaarde om vrede in onze wereld te krijgen.

Tot zo ver mijn inzichten van destijds.
Nu hebben er dus gebeurtenissen plaats gevonden die ik weliswaar niet voorzien heb, toen ik dat schreef, maar ze weerspreken de toenmalige beoordeling van de toestand niet. Wat er van de jongste ontwikkelingen te zeggen valt?

  1. Ten aanzien van de Chinese proef: overbodig om te benadrukken dat elke proef te veroordelen is, ook deze. Maar de situatie zou alleen dan catastrofaal worden, als een van de atoommachten iets van stal haalt om daarmee China te verhinderen zich tot atoommacht te ontwikkelen of als deze explosie de reactionaire krachten in Amerika bij de aanstaande verkiezingen omhoog zouden stuwen; of als andere machten zich nu op het precedent van China zouden beroepen en nu zelfs elke ministaat een almachtige chanteur van allen zou worden.

  2. Volgens mij is de verklaring die China meteen na de proef uitgaf geloofwaardig: dat China dit wapen nooit voor aanvalsdoelen zal gebruiken; en speciaal ook lijkt dat China nu de tijd gekomen acht om een Internationale Conferentie bijeen te roepen met het doel de daadwerkelijk afschaffing van deze wapens. Dat is precies wat nu vereist is. En dat klopt ook helemaal met de vele uitspraken die U al in eerdere Chinese documenten kunt nalezen, zij het helaas vaak verstop tussen vulgaire beledigingen.

  3. Wat betreft de ombouw van de leiding van staat en partij in Rusland, dat is werkelijk schokkend. Chroetsjew heeft daadwerkelijk een eind gemaakt aan het Stalinisme, en hij heeft helemaal ondogmatisch de nieuwe nucleaire toestond onderkend, en dat tot basis van zijn handelen gemaakt. Aan hem is het ook de danken dat we er vandaag nog zijn. Dat moet ondubbelzinnig uitgesproken worden. Dat hij zo abrupt aan de kant is geschoven, is beangstigend. Maar er staat geen terugkeer naar het Stalinisme op het program, denk ik. Dat hoorde bij een productiestadium dat niet meer terug keert. En misschien kan het aantreden van een nieuwe garnituur zelfs wel tot iets positiefs leiden. Dan namelijk als het Moskou nu lukt van de nood van haar tussenpositie tussen het Westen en China de deugd maakt van te kunnen bemiddelen. Als de Sovjet-Unie namelijk aan de ene kant de overeenkomst met de Verenigde Staten die in een deelovereenkomst ten aanzien van de proeven een aanzet kreeg, echt door zou zetten; en als ze anderzijds de betrekkingen met China zou kunnen zuiveren – dan zou het in het wereldgevecht dat zich tegenwoordig toespitst op een strijd tussen China en Amerika, dan zou het de grote en noodzakelijke brugfunctie kunnen vervullen van de ‘derde macht’, dat wil zeggen: de macht die de vrede waarborgt. De zogenaamde ‘ongebonden Landen’ zouden dan niet meer de rol van ‘derde macht’ spelen, maar juist dat land dat enerzijds in industrieel opzicht steeds meer gaat lijken op Amerika maar anderzijds ook vandaag nog fundamentele zaken gemeen heeft met het economisch natuurlijk nog niet gesynchroniseerde China. En we zouden echt niets beters kunnen wensen dan dat Moskou opgewassen blijkt tegen deze taak die ze toegeschoven kreeg.

Dat over onze geo-politieke toestand. Laat ik tenslotte nog terug mogen komen op waar ik mee begonnen ben: op de doden.
Ik herinner me een massabijeenkomst in 1936 in Parijs. Op het spreekgestoelte stond André Malraux, buiten zinnen van ongeduld en vertwijfeld over de blindheid en geestelijke luiheid van hen die niet erkenden en niet erkennen wilden, dat Hitler oorlog betekende. Daar verzon hij ter plekke een middel waarmee hij van het ene op het ander ogenblik zijn toehoorders de ogen opende: Hij begon namelijk de bijeengekomen schare te tellen. Zijn wijsvinger ging van plaats tot plaats, rij na rij; en bij elke tiende die zijn vinger aanwees riep hij alsof hij de man ter dood veroordeelde: “Mort” – dood.
Zij wij ook weer zo ver? Moeten we nu weer elke tiende aftellen?
Neen, dat kunnen we ons besparen. Maar niet omdat de toestand minder dreigend zou zijn dan achtentwintig jaar geleden. Maar omdat de dreiging nu onvergelijkbaar veel groter is. We leven in de eindtijd, in de tijd dat we daadwerkelijk een eind aan elkaar kunnen maken. En als we dat niet verhinderen zal die eindtijd omslaan in het eind van de tijd. – Iedere tiende? Goede tijden toen je nog maar tien procent hoefde te berekenen als aanstaande doden. Die tijden liggen achter ons. Hier en heden zou een enkel gebaar volstaan. Dat gebaar zou ons allen omvatten, en dan bedoel ik niet U allen, zoals U hier in deze zaal zit en niet slechts de mensen op de straten of slechts die in andere landen en steden, – neen dat gebaar zou veel meer de totale huidige en toekomstige mensheid omvatten. En je hoefde maar een keer ‘Mort’ te zeggen.

Beste eindtijdgenoten! We zijn hier bij elkaar gekomen om de doden van drie wereldoorlogen te gedenken. We weten toch dat we niet voldoende kracht hebben om ons die miljoenen daadwerkelijk voor te stellen. En het lukt ons niet echt de verschrikkelijke klacht te horen die al die duizenden miljoenen doodsschreeuwen af zouden geven. Wat kunnen we dan toch doen om hen te gedenken?

Ik denk dat we niets anders kunnen doen dan dat ieder van ons probeert een dode te gedenken, een enkele. Maar zo mogelijk een die niet bij je persoonlijke doden hoort.

  • Iemand gedenkt een uit elkaar gestraald kind in Hiroshima.
  • Een ander een verbrande vrouw in Dresden.
  • Een derde een vergaste Jood in Auschwitz.
  • Een vierde een Amerikaan die op de Oceaan verdronk.
  • Een vijfde iemand die in een kelder van de Gestapo in elkaar werd geslagen.
  • Een zesde een gemartelde Algerijn.
  • Een zevende een in Stalingrad tot ijs gevroren Rus.
  • Een achtste een kind dat er morgen kapot van de straling bij zal liggen.
  • Een negende een matroos die morgen zal verdrinken.
  • Een tiende een kind dat morgen het levenslicht niet meer zal zien.

Laat iedereen proberen er een te gedenken. Iemand van vroeger of van straks. Misschien dat de som van onze rouw in de buurt komt van wat we eigenlijk te betreuren hebben. En misschien krijgen we uit deze gedachtenis de kracht te besluiten om door te zetten, zodat zij die wij vandaag van tevoren bewenen, toch verder leven; dat dus het verschrikkelijke niet gebeurt.

Tot die gedachtenis en voor dat uit rouw geboren besluit vraag ik U op te staan.

(afgesloten 18 Oktober 1964)

1 Ik kan niet vast stellen waar, wanneer en voor welk gehoor de rede gehouden is. In het GA-Archiv is een bestand, dat vermeldt dat de eerste uitgave van 1965 is.

2 Cursivering is van Anders zelf. Ik gebruikte de uitgave ‘Hiroshima ist Überall’ Becksche Reihe 1982. Aan het begin van deze uitgave licht Anders deze redevoering toe. Daaruit: “Een document uit het verleden veroudert niet doordat het een document uit het verleden is.” Hoe veel gelijk kun je hebben!

3 Anders speelt hier met Duitse woorden als ‘herstellen’ en ‘anstellen’.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s