Het immorele atoomtijdperk

V

De onmoraal van het atoomtijdperk, waarschuwing tijdens een windstilte

Günther Anders, 1959; pretentieloze
werkvertaling door Jan Anne Bos, 2019

‘Een industrie die voorop wil lopen
mag niet zonder reden afzien
van bewapeningstechniek,
want het is de motor van vooruitgang.
(Decenniumbericht van het verbond van
Duitse industrieën, 1959)

De taal kent het woord ‘vrede’ alleen in het enkelvoud. Je kunt niet, analoog aan ‘oorlogen’ van ‘vredes’ spreken. Dat is geen toeval. Want vrede geldt als het continuüm – terecht of ten onrechte dat laten we nu zitten – en oorlogen als de onderbrekingen.
Goeie ouwe tijden, toen er nog oorlogen waren. Want vergeleken met tegenwoordig waren dat vreedzame tijden. Elke oorlog was nog een afzonderlijke bloederige vlek die zich aftekende tegen de witte landkaart van de tijd.
Die gelukkige vreedzame tijden toen er nog oorlogen waren, zijn nu voorbij. Achteraf gezien bemerken we dat ze al een halve eeuw voorbij zijn. Want de verhouding tussen oorlog en vrede is omgedraaid. Sinds de Balkanoorlogen (1912-1913 jab) is de keten van oorlogen niet meer onderbroken. Of juister: sindsdien is het meervoud ‘oorlogen’ onjuist [67] geworden. Sindsdien is het altijd oorlogstoestand geweest. Tegenwoordig in elk geval bevinden we ons in een continue oorlog. De tijden van vrede – indien al –  duiken daarin op als kleine eilandjes lege uitgespaarde plekken, zoals vroeger de oorlogen uit de vrede. En zelfs deze leegtes gelden niet echt als vrede, maar slechts als varianten van wat ze onderbreken. In de cynische taal die heden opgeld doet heten ze dan ook ‘koude oorlog’. Als we zouden proberen de vrede waarin we de laatste tijd geleefd hebben te definiëren dan moeten we zeggen: afkoelpauze van de hete oorlog, als de noodzakelijke voorbereidingsfase daarvan. Niet : ‘si vis pacem para bellum’ is de huidige leus, maar ‘si vis bellum para pacem’, als je oorlog wilt zorg dan voor een vredes intermezzo  waarin je je kunt klaar maken.
U wilt misschien bezwaar maken, dat deze woorden tot gisteren klopten. Want intussen is een beslissende nieuwe situatie ontstaan, een conferentie van de machtigste machten en de voorbereiding van de discussie over totale afschaffing.
Ik deel die hoop met u. Het ziet er echt naar uit dat we een troostvol moment meemaken in een verschrikkelijke tijd; alsof voor vandaag en morgen de Apocalyps stil gelegd is. Of deze politieke weersverbetering tot stand is gekomen doordat de mannen die over ons zijn of niet zijn beslissen van goede wil waren of omdat ze angst voor elkaar hadden dat is egaal. Laten we dus opademen.
Maar aub niet langer dan een paar seconden. Want niets zou noodlottiger zijn dan te geloven dat we het er nu van mogen nemen. Laten we niet vergeten: het werkelijke gevaar schuilt niet in de fysieke wapens die we hebben, maar in de stand van onze technische ontwikkeling. In onze ’know how’. We zijn in staat om het afgeschafte op nieuw te maken. Het basisprincipe van techniek is de herhaalbaarheid ervan.
Het apocalyptische gevaar kun je niet uitbannen. Hoe je de moderne oorlogsmonsters moet maken is onvergetelijk, dat kun je niet afleren. De mens kan veel leren. [68]  Maar afleren, dat afleren dat heeft hij nog nooit geleerd. En dat zal hij ook nooit leren. –
Een paar maanden geleden sloot ik een toespraak op een school voor volwassenenonderwijs in Tokio af met de woorden: ‘Ik weet het, wat ik u zei is weinig troostrijk. Wie, zoals wij zijn kracht wijdt aan het bereiken van een doel, doet dat in de hoop zijn doel op een dag voor goed te bereiken. Als ik u vandaag die hoop op ‘eens en voorgoed’ afneem, dan is dat omdat u zich geen illusies moet maken, maar duidelijk beseffen dat de strijd die we een paar jaar geleden zijn begonnen, en waar we nu middenin zitten, vanaf nu een nooit meer eindigend gevecht zal zijn. Elke dag die we winnen is wel een gewonnen dag, maar geen gewonnen dag zal een garantie zijn dat de dag van morgen ook gewonnen wordt. We zullen nooit aankomen.
We staan voor de eindeloze onzekerheid. En het zal onze niet eindigende opgave zijn, er minstens voor te zorgen dat die onzekerheid geen einde zal nemen.

Nogmaals: ik deel deze gedachten niet met U om u de moed om te vechten te ontnemen, of omdat ik onze strijd als vergeefs zie. Als dat het geval zou zijn, was ik niet uit Europa hierheen gekomen. Veel meer leg ik er de nadruk op omdat ons gevecht op voorhand zal mislukken als we de aard ervan verkeerd inschatten. Het is niet slechts onze opgave, niet slechts die van onze generatie, maar van nu af aan die van de hele mensheid. Het is dus ons lot. Dit testament zullen we onze kinderen nalaten, voor zover men ons onze kinderen laat. En die moeten het hun kinderen weer doorgeven, eveneens: als hun kinderen gelaten worden. Het is noodzakelijk de strijd te  winnen. Maar geen winst is definitieve winst. Maar wie de strijd verliest, zal hem eens en voorgoed verliezen. Voor zijn voorgeslacht want na hun nederlaag zal niets meer aan hen herinneren. En voor zijn nakomelingen: want die zijn er na zijn nederlaag niet meer. [69] Beste vrienden, ik weet hoe onbeschaafd het is om als gast van een zo beschaafd en gastvrij volk zo onverbloemd en verschrikkelijk te spreken, zoals ik hier doe. Excuseer mij, aub. Maar er zijn helaas situaties waarin het onverantwoord is hoffelijk te blijven. Dat we nu in zo’n situatie zijn, is noch mijn noch uw schuld. Wat ons verbindt is het verdriet daarover dat we gedwongen zijn onhoffelijk te zijn’.

Zoals gezegd: op dit moment beleven we een relatief veilige situatie. Maar de geschiedenis gaat verder. Anderen zullen die mannen die ons voortbestaan veilig gesteld schijnen te hebben voor dit moment, aflossen. En die mannen van morgen, overmorgen en overovermorgen zijn ons onbekend. Onder hen kan morgen of overmorgen ook een Hitler zitten. En een kleine Hitler van een klein staatje in de marge kan al genoeg zijn. Want wie atoommacht heeft, heeft almacht. En daarmee een macht die het onderscheidt tussen grootmachten en kleinere machten annuleert.
Zelfs als we nu al op het punt zouden zijn, dat alle vernietigingsmonsters die huichelachtig nog ‘wapens’ worden genoemd, al echt afgeschaft zouden zijn, ook dan zou daarmee de dreiging niet uit de wereld geholpen zijn. Dan zouden wij of onze kinderen toch weer geconfronteerd worden met zo’n verschrikkelijke tijd, waarvan we nu even mogen opademen.

Tegenstanders van oorlog waren er al vaker. Maar wij zijn een nieuwe generatie. Wij zijn, omdat oorlog tegenwoordig ondergang betekent, ondergangsbestrijders. Wij zijn de eerste generatie daarvan, en zo lang er mensen zullen zijn moeten wij worden opgevolgd door generaties ondergangsbestrijders. Omdat de dreiging nooit afbreekt, mag de keten van generaties van onze opvolgers ook nooit afbreken. [70]

Daarom moeten wij ook vandaag de dag , in plaats van ons over te geven aan dit relatief goede moment, concentreren op het ontzettende tijdperk waar dit moment van opluchting binnen geschoven is. Het is het tijdperk van de mogelijk geworden door ons zelf gemaakt apocalyps. Het wezen daarvan is dat het mogelijk is dat het in het wezenloze zal wegzinken, dus niet voortbestaan kan.
Als we dat willen verhinderen, moeten we dit tijdperk goed analyseren. Want alleen wat we kennen kunnen we de baas, c.q. verhinderen.
Vandaag leg ik u een bijdrage aan die kennis voor. Door een paar gedachten te ontwikkelen over ‘de onmoraal van het atoomtijdperk’.
Ja wel, ‘de onmoraal van het atoomtijdperk’. Want vandaag zal wel nauwelijks iemand meer beweren dat moraal en onmoraal onafhankelijk zijn van de tijd. Drie dingen zijn vergeleken met vroeger fundamenteel veranderd:

  1. de effecten van onze handelingen.
  2. de partners van onze handelingen.
  3. het verloop van onze handelingen zelf.

ad 1. De effecten van onze handelingen kunnen , vergeleken met alle effecten van handelingen in het verleden zo immens zijn dat ze gelijk staan met de verwoesting van de wereld. De mensheid liep niet alleen nog nooit het gevaar zo iets extreems te moeten ondergaan, maar ze was ook nog nooit in de situatie dat zelf te doen; dus in die handelingspositie. Dat vereist een nieuwe moraal en een nieuwe ethiek.

ad 2. De partners (begrijp ik niet dat Anders ze zo noemt, jab)  van ons handelen waar we mee te maken hebben, en die wij ‘behandelen’ zijn geen enkelingen meer, maar allemaal samen. Wie tegenwoordig handelt in de meest serieuze zin van het woord, komt niet meer in de situatie waarin hij een enkele mens kan doden. Als hij het doet (met de atoombom, jab) gaat het om duizenden en miljoenen. Miljoenen overal. En bovendien niet eens meer slechts in het heden. We hebben dus te maken met de mensheid. We zijn in staat bijv, door atoomproeven laat staan door daadwerkelijke atoomgevechten, elke levende ziel op de globe te treffen, daarom gaat iedereen ons aan. [71]  De wereld is een dorp geworden. Hier is daar; en daar is hier geworden, Elke tijdgenoot is nu onze naaste.- En zoals dat ruimtelijk zit, zit het ook qua tijd. Want onze nucleaire proeven en oorlogen treffen nu niet slechts onze tijdgenoten, maar ook de komende generaties. Die zijn ook onze buren geworden. Wat je vandaag doet, doe je al gedeeltelijk morgen, want de gevolgen van wat je vandaag doet slaan op morgen. Elk stukje heden is om diezelfde reden al een stukje morgen.

ad 3. Hoe ons handelen verloopt en eruit ziet is in onze moderne apparatenwereld fundamenteel veranderd. Daarmee bedoel ik niet slechts de handelingen die we aan robots hebben toevertrouwd, maar ook die in onze handen bleven. Die zijn onzichtbaar geworden, op zijn minst onzichtbaar als handelingen. Want meestal bestaat ons handelen niet meer als doelgerichte aparte akten. Veel meer is het ingebouwd en ingebed in iets wat we als handelingen noch herkennen noch erkennen. Ook niet moeten herkennen of erkennen. En ook helemaal niet meer wensen te herkennen en erkennen ; namelijk in arbeid. Als ‘arbeid’ is het huidige handelen vermomd. Maar dat valse etiket ‘arbeid’ helpt ons niet, redt ons niet. Of we willen of niet – arbeidend handelen wij. En wel met onoverzienbare consequenties. Bij voorbeeld wanneer we een machine bedienen die, ook al is dat totaal niet zichtbaar en volstrekt indirect, onderdelen voor een atoomwapen maakt. Op dit reusachtige gebeuren dat handelen in arbeid ondergaat tegenwoordig, kom ik nog terug. Eerst moeten deze drie aanduidingen volstaan om aan te tonen, dat de ethici tot nu toe ineens achterhaald zijn en dat de filosofie moet besluiten zich opnieuw uit te vinden.

Waarin bestaat nu de onmoraal van onze tijd in het bijzonder?
Ten eerste, oppervlakkig gezegd, dat de meesten van ons zich voor de nieuwe verhoudingen afsluiten. Ze zijn te lui voor nieuwe inzichten. Want er bestaat niet [ 72] alleen wat ik ooit al eens ‘apocalypseblindheid’ heb genoemd, maar ook apocalypse-luiheid. En daarin, dat de meesten van ons te laf zijn om de angstaanjagende feiten en mogelijkheden onder ogen te zien. Ze durven niet bang te zijn voor de angst die heden op zijn plaats is, en voor hun noodzakelijke angst-quotum, en ze noemen deze angst voor de angst bedriegelijk:  ‘moed’. (Dat is hun luiheid, jab)
Maar met deze ondeugden ‘luiheid’, ‘angst’, ‘lafheid’ en ‘bedriegen’ is de huidige onmoraal nog niet ten volle gekarakteriseerd. De hoofdwortels van onze onmoraal liggen dieper. Deels zijn ze antropologisch van aard, dwz: ze hebben te maken met hoe de mens in elkaar zit; deels zijn ze van technische en politieke aard.
Eerst de antropologische wortel. Niet alleen ons verstand dat Kant naar zijn kracht van begrijpen en presteren ‘kritisch bekeken’ heeft, is ‘begrensd’. Veel eer zijn al onze vaardigheden gelimiteerd. Zo staat het met onze fantasie, ons vermogen te voelen, ons vermogen te verantwoorden. Een individuele dode kunnen we ons desnoods voorstellen. Twintig doden zeggen ons al niets meer dan tien, tenminste voor ons gevoel. En de mededeling dat er honderdduizend zijn omgekomen komt helemaal niet bij ons binnen. Hoe meer nullen achter een cijfer van te vernietigen of vernietigde mensen des te minder wordt ons begrijpen.  Op zich is de beperktheid van ons voorstellingsvermogen natuurlijk geen moreel gebrek. Net zo min als de beperktheid van onze lichamelijke kracht. Maar nu is deze beperktheid een gebrek geworden. Omdat wij bovendien bezitters geworden zijn van vaardigheden die niet onderhevig zijn aan beperkende wetten. Want met behulp van de natuurkrachten die we in de greep kregen, dan wel ontketenden kunnen we resultaten boeken, die onbegrensd zijn. Als technici, minstens als technici van atoomwapens, zijn wij – en deze uitdrukking is nauwelijks meer een metafoor – almachtig geworden. Maar wij zijn wezens die geestelijk daar niet tegen opgewassen zijn. Met andere woorden: door onze techniek zijn we in een situatie terecht gekomen, waarin we dat wat we maken kunnen , niet meer voorstellen kunnen. [73]

Wat betekent dat uiteen lopen van maken en voorstellen?
Dat betekent dat we op een vreselijke wijze ‘niet meer weten wat we doen’. We hebben het einde bereikt van wat we voor onze verantwoording kunnen nemen. Want ‘iets verantwoorden’ is niets anders dan staan voor een daad waarvan men van tevoren de effecten heeft ingedacht en werkelijk heeft kunnen indenken.
Dat is dus de immorele status waarin we als kinderen van de technische eeuw terecht gekomen zijn, waarin de kinderen die nu geboren worden ‘hinein geboren’ worden. In zekere zin is deze situatie een ‘erfzonde’. Als ik deze theologische term gebruik dan is dat omdat we ons van tevoren in die situatie bevinden, nog voordat we ons persoonlijk aan een of andere daad of nalatigheid schuldig gemaakt hebben.
Maar de toestand laat zich ook geheel ontheologisch formuleren. We kunnen die ook als een ‘kloof’ aanduiden die is ontstaan tussen onze praxis, (namelijk ons produceren) enerzijds en ons beperkte voorstellingsvermogen anderzijds.  Geloof me: die kloof is volstrekt niet smaller of minder noodlottig dan de kloof die we uit filosofieën en religies kennen; niet smaller dan ons ‘vlees en geest’ of tussen ‘ neiging en plicht’. Nu loopt hij dus tussen ‘voorstellen en maken’. En de imperatief die uit deze discrepantie voortkomt luidt: Train op je fantasie! Probeer die zo te verbreden, dat ze opweegt tegen de producten die je maakt en de effecten van je handelen.

Wel, dat alles klinkt uiterst abstract. Daarom wil ik graag voor ik verder ga concreter worden door voorbeelden te geven voor de ontoereikendheid van onze fantasie. Maar ik waarschuw u. U zult van de voorbeelden schrikken. Ik begin met iets wat je de ‘schande van de eeuw’ zou kunnen noemen.
Enige tijd geleden heeft het nieuwsagentschap AP een ‘syndicated article’ aan kranten in de USA aangeboden; dat is een artikel [74] ter publicatie in honderden bladen. Daarin neemt Hal Boyle, een bekende Amerikaanse journalist, op zijn manier stelling tegen de kikkers met drie ogen en vijf poten die in Gainesville (Florida) waren aangetroffen. Verschrikkelijke misgeboortes die volgens een hypothese van wetenschappers was toe te schrijven aan nucleaire fall out . Boyle schrijft:
‘Neem een aan dat ons zoiets overkomt. Zeker: drie benen is in het tijdperk van de auto verspilling; volstrekt niet te verantwoorden want broeken met drie pijpen zijn duurder dan de gewone. Het voordeel van een derde oog echter, een vooruitgang die een dergelijk aanvullend orgaan zou betekenen, kan wel door niemand serieus bestreden worden. In het huidige verkeer zullen voetgangers en bestuurders dat derde oog enthousiast verwelkomen. Om van een derde hand nog maar te zwijgen, omdat als dat eenmaal is uitgevonden, geen huisvrouw kan klagen dat ze ‘maar twee handen heeft’. Maar tweehoofdigheid zou natuurlijk de top van de vreugde zijn ( zo concludeert mr Boyle met zijn povere ene hoofd), want dat zou onze intelligentie verdubbelen. Maar niets’, zo gaat hij verder, ‘is is zekerder dan dat op het moment dat zulke mutaties opduiken een handvol rare snuiters ( a bunch of old fogies) komt aanrennen en schreeuwen: ‘Stop de waterstofbomexplosies! Wij willen geen kinderen met twee hoofden! Of met zes ogen, vier oren, of vijf handen’ Altijd, zo eindigt deze journalist,  zijn er ‘sufferds’ (fuzzy old people) die ‘in de modder van het moment blijven vast zitten en alles bij het oude willen laten , en die elke poging tot vooruitgang blokkeren’.

Tot zover deze bekende journalist. Dames en Heren, die ‘sufferds’ die deze man beschimpt, die ‘in de modder van het moment blijven steken’ en die ‘de vooruitgang blokkeren’ dat zijn wij. Laten we rustig als sufferds gezien worden, en laten we daar trots op zijn zulke sufferds te zijn. [75]

Geloof maar niet dat ik geen gevoel voor humor heb. Integendeel. Ook niet dat ik geen orgaan voor cynisme heb – want ook cynisme kan door geest op een hoger plan gebracht worden, maar alleen door de geest van verduistering. maar daarvan kan bij Boyle geen sprake zijn. Neen hier gaat het om iets heel anders om een veel slechtere mentaliteit. En omdat die karakteristiek is voor de fantasieloosheid van onze eeuw moeten we er dieper op ingaan. Ze is namelijk obsceen.
Ja, obsceen. Dat is hier het passende woord. Want dat begrip is niet alleen streng beperkt tot het seksuele. Obsceen zijn veel meer alle acties die ontluistering van de mens tot een voorwerp van genieten of verleiden maken.
En dat is hier aan de hand, Als het waar is – wat ik niet kan beoordelen – dat wij mensen te maken krijgen met een variant van driehandigheid of tweehoofdigheid, en nog wel door eigen toe doen, dat we morfologisch aan het dwalen raken dan stelt deze mogelijkheid een schending van het menselijk geslacht voor – een ontluistering waar geen ontluistering tot nu toe aan kan tippen. Wie deze mogelijke ontluistering ( en wel voor de ogen van hen die door deze ontluistering bedreigd worden) belachelijk maakt, (en wel belachelijk in de zin van ‘belachelijk onbelangrijk’) die is obsceen (bezig) en zonder meer verachtelijk. In die zin is Hal Boyle verachtelijk. Hij krijgt van mij bij dezen de lauwerkrans van de schande.
U vindt misschien dat ik overdreven reageer. Dat zou zo zijn, als Mr Boyle alleen stond. Maar daar is geen sprake van. Veel meer is hij de primus inter pares. En het getal der pares is helaas legio.
Inderdaad zou het onbegrijpelijk blijven, als het om een enkel geval zou gaan, om een individuele smakeloosheid, dat een agentschap met de statuur van AP dit maaksel aan zijn klanten, de kranten, zou hebben verspreid. (en onbegrijpelijk) dat de kranten dit maakwerk hebben gebracht en dat er geen openbare storm van verontwaardiging opstak. Dat is allemaal [76] alleen begrijpelijk omdat deze tot obsceniteit opgelopen impotentie van de fantasie de norm is geworden. Die obsceniteit is zo algemeen geworden dat het al helemaal niet meer als obsceen gezien wordt. Veel meer wordt ze enkel als komisch gezien. –  En als ze algemeen is, dan natuurlijk slechts omdat ze algemeen gemaakt is. Ja, ‘gemaakt’. Want de wortels heeft deze obsceniteit in de officiële houding tegenover de atoomsituatie.
Zo’n bewering vraagt natuurlijk om bewijzen. Dat is uiterst simpel, helaas, We hoeven alleen een blik te werpen in het officiële ‘Woordenboek van de onmens van heden’.
Al in een artikel dat ik jaren geleden schreef had ik erop gewezen hoe obsceen de naamgeving is van de proefexplosie. Die explosie, die voor de eerste keer bewees hoe dodelijk het radioactieve stof werkte ondanks grote afstand van het explosiecentrum: de Bikini actie waar radioman Kuboyama aan te gronde ging luisterde naar de gemoedelijke bijnaam ‘Akte Opapa’. Infamer dan het gebruik van plagerige en grappige namen voor horror-zaken bestaat wel niet. Deze officiële verleuking schijnt ons zelfs nog obscener, noch stuitender dan de reclame-idee van de New Yorkse confectiebranche, die haastig beslag legde op de naam ‘Bikini’; om er een merknaam voor meisjes badkleding van te maken, die zo klein uitviel dat ze er een onbegrensd bom-effect mee hoopte te bewerken.  Wisten die mensen van de confectie zonder enige betrokkenheid veel van de impact van de atoomproeven? Maar de militairen die de ‘aktie Opapa’ opzetten, doopten en uitvoerden, behoorden alles te weten. Maar stelden er zich nu juist niks bij voor.
Misschien zegt u in alle eerlijkheid dat dat jaren geleden is gebeurd. Destijds zal zelfs de militairen de apocalyptische impact van hun daden niet helemaal duidelijk zijn geweest.  Daarentegen kan tegenwoordig zoiets niet meer passeren, omdat die impact uiterst publiekelijk aan de orde is gekomen.
Dat klopt echter niet. Integendeel. Als er al iets veranderd is, dan hoogstens ten kwade. [77] Want juist de manier waarop er tegenwoordig officieel over atoomwapens etc wordt gesproken wordt tot in de laatste vezels,,tot in haar laatste woorden door deze obsceniteit gekleurd. Voorbeeld:
De burgerbescherming van de landen die atoomwapens hebben, rekent er zoals bekend mee dat in geval van een grote atoomoorlog het grootste deel van de bevolking afval wordt. Dus honderden miljoenen.
Wat doet men nu, omdat men zich honderden miljoenen niet voor kan stellen en niet wil voorstellen? Wat doet men om deze verschrikking hanteerbaar te maken, en voor de te voorziene slachtoffers zolang ze nog leven dragelijk te maken?
Men speelt het mild. Men schrapt die nullen uit dat catastrofale getal. Men ziet ervan af het kleingeld van de massamoord nog na te tellen. In de taal die de ‘Civil Defence’ van de verenigde Staten gebruikt wordt elke miljoen doden een ‘ one megacorpse’. Zo praat men nu officieel.

U kent allemaal de term ‘megaton’: dat is de aanduiding van een explosie die gelijk is aan een miljoen ton TNT. Wel, – vragen dan de fantasielozen- waarom zal men voor het resultaat van vernietiging die miljoen doden dus, niet net zo’n term kiezen als bij het middel van de vernietiging. Zo gezegd; zo gedaan.  Men heeft de term ‘megacorpse’ nagebouwd van megaton, en bedoelt er een miljoen doden mee.
Bij een aanval op een reuze stad, laten we zeggen steden met vele miljoenen inwoners, zoals Londen, Tokio rekent men dus met vijf of zes ‘megacorpses’. 5 of 6 – dat is toch niet zo erg. Daar kunnen toch niet alleen robots makkelijk mee rekenen, maar wij allemaal wel. Ook dat enkele lijk dat ooit tot dat megacorpse zal horen. 5 of 6 dat laat zich toch wel verantwoorden.
Laten we onszelf niets wijs maken. Hier hebben we niet slechts te maken met falende fantasie, maar met bewuste vernietiging [78] van de fantasie.  Zowel van die van je zelf als van anderen. Vermoedelijk zijn degenen die deze termen in zwang brengen bang dat ze zich door het mateloze dat ze in hun vermetelheid voorbereiden een gepaste voorstelling maken en daardoor hun dynamiek zouden kunnen verlammen. Om dat te voorkomen veranderen ze het maatloze tot iets waarvan ze de grootte kunnen overzien, dus tot de kleine cijfers waar ze vertrouwd mee zijn.
Ze gebruiken daarbij de truc die regeringen toepassen om een munt die door inflatie onoverzienbaar en dus ongemakkelijk geworden was te saneren. Dan besluiten ze tenslotte zoals bekend: een miljoen Franc (of Marken of zoiets) noemen we vanaf nu ‘één franc’ (of Mark of iets dergelijks). Analoog daaraan heten een miljoen lijken vanaf vandaag ‘one megacorpse’.

Geloof maar niet dat deze vergelijking ver gezocht is. Want het atoomtijdperk speelt zich voor een heel aanzienlijk deel af in het idioom van handel en public relations. Ook hiervoor kan een voorbeeld uit de ‘civil defence’ dienen. Die gebruikt namelijk bij de werving van burgers als medewerker, bijv om bunkers te verkopen, en om deze medewerkers of kopers toch niet lastig te vallen met de voorstelling van een algemene catastrofe de troostrijke zin; ‘Miljoenen blijven leven’.
Onbetwijfelbaar is deze zin gekopieerd van reclameleuzen, dat hoor je nog wel als je morele nuances nog kunt onderscheiden. Alsof je een wasmiddel aanprijst, of een frisdrankje, zo verzekert deze zin iedereen (voor zover hij meedoet aan de Civil Defence en dus het spul koopt) dat hij en juist hij ermee zou kunnen rekenen dat hij erop vooruit kan gaan dwz: in leven kan blijven. Terwijl miljoenen van zijn buren, die niet meedoen door eigen schuld op de koffie komen. De reclamekreet appelleert tegelijk aan – vergeef me de uitdrukking – onfatsoenlijk godsvertrouwen dat overtuigd is dat altijd anderen getroffen gaan worden. Blijkbaar heeft men een [79] reclame vakman ingehuurd en die opgedragen  effectieve reclame te maken voor het meest probate middel tegen de zelf te maken Apocalyps, die men juist door zogenaamde bescherming te organiseren als onvermijdelijk voorstelt en daardoor aanwakkert.
Of anders geformuleerd: vanzelfsprekend is de vooronderstelling van de slogan ‘miljoenen zullen overleven’ , dat er met een massa afval van miljoenen verbrande en door radioactiviteit vergiftigde lijken gerekend moet worden, en dat deze massa veel groter zal zijn dan het aantal geredden. Anderzijds heeft men deze massa afval teruggebracht tot 5 à 6 lijken, om te verhinderen dat de voorstelling die men van de te verwachten lijken maakt, in de buurt van de waarheid zou komen.

Ik neem aan dat het bedrog van de voorstelling en de impotentie van de voorstelling en de moedwillige verwoesting van het voorstellingsvermogen door dit voorbeeld voldoende is onderbouwd; nu kan ik overgaan naar een nieuw aspect van ons probleem.

Eerder heb ik beweerd dat de fantasieloosheid in de natuur van de mens gegrond is. De capaciteit van onze fantasie is beperkt, – net zoals dat geldt voor onze andere natuurlijke prestaties en capaciteiten. Dus van nature zijn we niet in staat de mateloze producten en effecten die we als technici zelf maken, ons voor te stellen. Maar daarmee was slechts de helft van de verhouding tussen voorstellen en maken gekarakteriseerd.
Bij techniek horen niet alleen apparaatachtige dingen (zoals machines); niet alleen producten daarvan en de effecten van die producten. Bij techniek hoort ook in elk geval het bedrijf (eerder bedrijvigheid dan bedrijf/gebouw, jab) waarin wij werkenden als onderdelen van een toestel geplaatst zijn; en dat noemen we niet ten onrechte ook ‘apparaat’.
Mijn stelling is nu, dat dit apparaat bewust alles doet om ons van nature al beperkt voorstellingsvermogen nog meer in te perken, zelfs om dat te vernietigen. Waar ik het over heb? [80]
Over arbeidsdeling en specialisatie. Want arbeidsdeling schermt de individu af van het geheel waarin zijn werk functioneert. Arbeidsdeling en specialisering zijn oogkleppen.
Stel we werken als fabrieksarbeider aan een machine A waarin delen voor machine B worden gemaakt. Wat zou onze taak zijn? Zeker niet types va machine B te maken. Neen nog niet eens dat wij de gewenste delen van machine B maken. Maar alleen daarin onze machine A plichtsgetrouw te bedienen, die op haar beurt (maar dat gaat ons in zeker zin niets aan) delen van machine B uitspuwt. Dat die machinedelen van B uit onze machine A komen, dat is slechts het gevolg van ons werk. Wij werkers zijn niet op dat doel gericht, maar alleen op plichtsgetrouw onze machine A te bedienen. Feitelijk is het niet alleen overbodig maar zelfs ongewenst als wij ervan weten, of ons voorstellen, of er ons hoofd over breken voor welke machine B de delen die onze machine A uitspuwt bestemd zijn. Ook niet welke machine van type C met behulp van machine B gemaakt moet worden. Of welke doelen D men met behulp van machine C probeert te bereiken. – En wat ongewenst is dat is ook onmogelijk op zijn minst bijna onmogelijk. Want het bedrijfsapparaat waarin wij werken heeft ons op een speciale prestatie aan onze machine A vastgepind, en daartoe beperkt. Dat maakt ons ‘begrensd’ namelijk niet in staat ons met de impact van ons werk, dus de zin ervan en de impact op B en C en D bezig te houden , daar het hoofd over te breken of ons die voor te stellen.
En deze beperktheid is als zodanig een morele beperktheid: want ‘moreel’ is degene die de gevolgen en de gevolgen van de gevolgen van zijn daden afweegt, en die zijn daden stelt op grond van deze afwegingen, ze doet, wijzigt of achterwege laat.
Bij het merendeel van onze daden van tegenwoordig wordt nu – het zou zelfs immoreel zijn daar niet op te letten – [81] zelfs een minimum aan moraliteit niet meer gevraagd: namelijk dat je je bekommert om de consequenties van je handelen. Omdat, zoals we al aan het begin gezien hebben, ons handelen slechts bestaat uit ‘werk’ en slechts geldt als ‘werk’.
‘Slechts als werk’. Want één van de beslissende gebeurtenissen van het industriële tijdperk is dat het door ‘handelen’ te etiketteren als ‘werken’, omgevormd heeft tot iets wat moreel neutraal is. Dan zijn we, zo lang we slechts werkend bezig zijn met een daad bijvoorbeeld het voorbereiden van agressie principieel geabsolveerd, mogen we principieel alles doen, dan zijn principieel de consequenties ervan niet als ons pakkie an te beschouwen en die dus hoeven we die niet te verantwoorden. Maak je geen illusies: de geheime code van de arbeidsmoraal luidt tegenwoordig als volgt:
Zo lang het werk duurt, moet je de houding waarin je weet van ‘moeten’ en ‘niet moeten’ op nul zetten. Je moet plichtsgetrouw zijn ipv een geweten hebben! Dit was ook het devies van de werknemers in de vernietigingskampen. En we volgen het allemaal. We zijn overtuigd dat we geen infectie oplopen van het kwaad van een daad, zolang we er alleen maar als werk aan deelnemen.
Daarom moet ons devies nu luiden: Wedersta de geheime code van de arbeidsmoraal! Wedersta hen die je ‘beperkt’ maken!  Vergeet nooit dat al je werk ‘meedoen’ is, en meedoen is handelen. En laat nooit achterwege rekenschap af te leggen van welke soort handelen jouw werken is! Voor alles geldt: Gehoorzaam ‘gij zult niet doodslaan’ niet alleen als je een mes of een revolver in de hand hebt – dat gebeurt bijna nooit, en van die uitzonderingen hangt het lot van de wereld niet af – maar ook dan, vooral dan, als je een apparaat voor een moordapparaat mee helpt te maken.Wat geldt voor hen die in fabrieken werken geldt met kleine wijzigingen van alle tijdgenoten. Want we zijn allemaal in apparaten ingebouwd. Als men van ons verwacht,  [82] neen eist dat we in onze boxen zo werken dat de effecten van ons specialisme door schuttingen van ons gescheiden zijn, en als we aan die verwachting voldoen, dan zijn we beperkt geworden; met hoeveel intelligentie de natuur ons ook heeft uitgerust, en van welke verstandige of domme, ware of onware inzichten we ook in onze vrije tijd voorzien mogen zijn . Wat ons moreel beperkt maakt zijn niet meer ( zoals we tot voor kort overtuigd waren) valse of vervalste opvattingen, dus ‘ideologieën’, – die zijn tegenwoordig bijna overbodig geworden. Veel meer beperkt de objectieve situatie ons waarin we ons bevinden, onze werkplek in het apparaat. En daarom mogen we onze huidige beperktheid een ‘objectieve beperktheid’ noemen.

Fundament van deze beperktheid is een vergelijking, een zin over identiteit. De mens wordt geïdentificeerd met de rol in zijn beroep en zijn beroepsprestatie. Met zijn Als, dwz met dat als wat hij (in zijn bedrijf, in de staat of waar dan ook) dient, als wat hij in het apparaat benut wordt.
Van het bedrijfsapparaat uit bekeken is namelijk het feit dat de vergelijking nooit helemaal opgaat, een onvolkomenheid. Altijd blijft er wel een restje over dat vreemd blijft aan de prestatie. De fysicus is niet slechts fysicus maar hij sleept iemand van dezelfde naam altijd mee als een dood gewicht, dat onnuttig en oneconomisch is. Er wordt naar gestreefd om (en niet maar in ‘totalitaire staten’ waar het openlijk gebeurt en als principe toegejuicht wordt) dat ieder compleet opgaat in zijn beroep, en wel zo helemaal als een teller van een zuivere breuk geheel in zijn noemer opgaat: dat iedereen de rest die niet bij zijn prestatie hoort, genaamd ‘mens’ tot een minimum reduceert; liefst tot nul. ongeveer zoals de mieren, [83] waar elk dier (al anatomisch)  samen valt met zijn functie (bv ‘soldaat’)
Wie totalitarisme slechts zo definieert dat het de mens totaal probeert te benutten, die treft daarmee slechts de helft van het totalitaire principe. Het is echter geen hamer die slechts van één zijde op ons inhakt, maar een tang die ons van twee kanten tegelijk aanpakt. Want het hoort ook bij totalitarisme (van het geheime van de zogenaamde ‘vrije wereld’ niet minder dan van het openlijk politieke) dat het probeert de te benutten mens tot dat te ‘beperken’ en vast te leggen wat bruikbaar aan hem is. Dan verstoort het zijn totaliteit, en ontkracht het die mensdelen die duidelijk niet opgaan in de prestatie en toch aan hem kleeft. Ik gebruik zeer bewust het woord ‘ontkrachten’ want paradoxaal staat en valt de gewenste prestatie met het voortbestaan van wat aan de prestatie vreemd is. Dwz het apparaat kan het zich niet veroorloven, dat restje dat niet bij de prestatie hoort uit te roeien. Als het apparaat een natuurkundige nodig heeft dan heeft het het feit dat deze natuurkundige ook nog een mens van vlees en bloed is, op de koop toe te nemen. – Waarin bestaat dan de ‘ontkrachting’ waartoe men zich beperkt ter vermijding van uitroeiing?
We komen dichter bij een antwoord op deze vraag via een bezwaar dat voor de hand ligt. Het bezwaar namelijk dat het restje dat niet bij de prestatie hoort tegenwoordig erkend is, de ‘rest’ is vrij, wij hebben immers het recht op privé bestaan en op liefhebberijen in onze vrije tijd, op hobby’s, zelfs hebben we een plicht die te cultiveren.In die ons gegunde tijd heeft de rest immers (dus de mens die aan de arbeider of de kernfysicus ‘hangt’) de kans om te bestaan. Onze voorouders hadden geen van allen ook maar een schijn van die kans gehad.
Is dat bezwaar raak?
Neen.
Waarom niet?
In de eerste plaats natuurlijk niet, omdat tegenwoordig de vrije tijd, dus de invulling ervan net zo voorgebakken is [84] en gedirigeerd wordt en ons opgediend wordt als onze prestatietijd. Ze is ingevuld en dus helemaal niet ‘vrij’. Maar nog afgezien daarvan.
Belangrijker is, dat het privé bestaan dat men ons gunt naast de prestatietijd, of de cultivering ervan waar men zo bij ons op aandringt, ‘privatief’ bedoeld is. Wat wil dat zeggen?
Het latijnse woord ‘privare’ betekent ‘beroven’. Ons privaatleven is ons gegund als een toestand waarin we van iets beroofd zijn. Waarvan?
Van verantwoording.
Want het maakt niet uit waarmee we ons in onze vrije tijd bezig houden , TV kijken, sport of wat ook maar , dat is ons gegund als een toestand waarin we vrij van verantwoording moeten zijn. Dat klinkt wondermooi. In beschaafde oren mag het zelfs klinken naar de vrijheid die Kant en Schiller vierden in het spel waarin je geen verantwoording droeg. Maar noch Kant noch Schiller mag je aanhalen als beschermgoden van onze vrijheid. Deze vrijheid is in een heel andere zin bedoeld:
Terwijl wij ‘vrij zijn van verantwoording’ moeten we ‘geen recht hebben op verantwoording’. Wij worden niet toegelaten tot verantwoording. Dat is het element ‘privatief’ aan onze huidige privaatheid, daarvan zijn we beroofd.- Herinner je nog even de uitbarsting, waarmee een bekende staatsman nog niet zo lang geleden op de actie van onze vrienden uit Göttingen heeft gereageerd. U zult wel begrepen hebben, dat ik Adenauer bedoel. Die vond het maar uiterst vreemd, zo niet volledig onverantwoordelijk en gewetenloos dat deze mannen geloofden iets te moeten verantwoorden wat buiten de grenzen van hun terrein van prestatie lag. En dat die mensen in hun vrije tijd gewetenswroeging hadden over zaken die buiten hun vakgebied lagen: die namelijk de effecten van hun prestaties betroffen.
De beslissing daarover, of het nu zoals bij de reactie van Adenauer om pure naïviteit handelt, of om het symptoom voor een reeds naïef geworden ethische desoriëntatie [85] kunnen we in het midden laten. Evenals de vraag of het van verantwoordelijkheid getuigt dat een natie een zo naïeve mens dan wel een zo gedesoriënteerde waardig acht het hoogste staatsambt te bekleden. Waar het mij om gaat is slechts de desoriëntering in zo’n reactie te belichten. Laten we dat doen:
Alle verantwoordelijkheid heeft betrekking op de toekomst. En echte verantwoordelijkheid is het pas als ze beperkingen doorbreekt: hetzij de begrenzingen van het moment, hetzij die van het werkterrein. Andere verantwoordelijkheid bestaat niet.  Wie, zoals die staatsman pretendeert mij mijn verantwoordelijkheid te gunnen, maar nu juist niet voor de effecten van mijn handelen die buiten mijn grenzen liggen, die raakt verstrikt in tegenspraak. Iedereen die handelt, iedereen die werkt, weet dat zijn terrein van presteren uiteindelijk geen volledig dichtgetimmerde speelvelden zijn, geen schaakborden zonder consequenties, geen laboratoria zonder vensters. En zelfs daar waar laboratoria zonder vensters zijn, zijn die vensters door de wereld voor de wereld weggelaten. Alleen als stukken wereld zijn geïsoleerde laboratoria of gesloten arbeidsterreinen echt. En moreel-zijn betekent dat men begrijpt in een wereld te leven bij wier wezen het hoort, dat men van haar uitgesloten blijven moet, en dat men die positie in de wereld afwijst.

Zoals gezegd: Adenauer zal in de verste verte de wetenschappers niet ‘het recht op geweten’ hebben willen ontzeggen. Maar wat heeft hij dan onder ‘recht op geweten’ kunnen verstaan , dat hem de actie van de wetenschappers zo verblufte? Hij moet er een soort privé emotie in hebben gezien, zonder consequenties, die in de buurt komt van de emotie die we opdoen als we ‘s avonds na de ‘ernst van de dag’ muziek maken. Kortom: wat ons wordt toegestaan, is een ‘vrijheid om te voelen’ sec- en dwz pure ongein, een spelletje, hoe ‘serieus’ de muziek en ons gevoel ook mogen zijn.
Ja, men staat ons ongein en spel toe (men verlangt het zelfs van ons). Want we moeten afgesloten blijven van het echte, ‘van het serieuze werk’ dwz van het handelen dat zijn consequenties meebrengt. Ondanks alle mooie woorden over [86] democratie is handelen al afgeschaft. (en vooral in die landen waar dat woord het meest uit monden of apparaten klinkt). Daarmee bedoel ik dat voor de meeste inwoners van hoog geïndustrialiseerde landen tegenwoordig de activiteiten te verdelen zijn in ‘werk’ en ‘fun’. – Daarbij krijgt werk (gewetenloze) plichtsgetrouwheid toebedeeld; en ‘fun’ geldt als vrij van verantwoordelijkheid. Algemeen bekend is dat wat vroeger als ‘handelen’ werd betiteld in dictaturen afgeschaft werd, juist waar doen en laten gedicteerd werden. Minder bekend is daarentegen dat deze afschaffing slechts de politieke versie is van een afschaffing die een technische afkomst heeft; en dat deze afschaffing bijvoorbeeld in de Verenigde Staten al een fait accompli is. Waar echter, door die splitsing van alle handelingen in ‘werk’ en ‘vrije tijd’ alle handelen uitgeschakeld is, daar geldt dit, als het toch zo  nu en dan nog opduikt, (zoals in het geval van de mensen uit Göttingen) als overval, en daarmee als ongepast of zelfs als ‘moreel onmogelijk’. Zo geperverteerd is de moraal tegenwoordig. Zo ziet onze huidige situatie eruit. Of je nu eindeloos ‘democratie’ in de mond neemt, serieus en op den duur is deze toestand natuurlijk niet in overeenstemming te brengen met democratie. Want ‘democratie’ betekent het recht en de plicht van iedere burger, ongeacht het specifieke beroep dat hij uitoefent, door de tralies van dat beroep heen te kijken en daar doorheen te roepen. Het betekent: je bekommeren om de res publica, omdat die jou aangaat. Of het woord betekent helemaal niets. Als een staatsman zoals die ik noemde, verontwaardigd is dat zijn burgers de tralies van hun beroep minachten en opmerkzaam maken op de effecten van hun werk en de mogelijke verwerking ervan, dan is hij – met welke termen men dat ook wil verwisselen – verontwaardigd over zijn burgers die handelen in plaats van tevreden te zijn met het alternatief ‘werk of hobby’. Kortom: verontwaardigd dat ze van hun basis grondrechten gebruik maken.
Ik zei dat de huidige ‘beperktheid’ doorgaans niet ontspringt aan de slechtheid van het individu maar veel meer [87] een gevolg is van een objectief kenmerk van onze eeuw. Versta dat niet verkeerd, aub. Dat ik van ‘objectief kenmerk’ spreek wil in de verste verte niet zeggen dat dat beperkt zijn moreel iets onbelangrijks  is. Integendeel : Er is moreel gezien geen slechtere situatie als die waarin het kwaad al zo zeer een integrerend bestanddeel van de situatie zelf is geworden, dat ze het de individuele mens kan besparen zelf slecht te zijn. Als er een ‘Boze’ (in theologische zin) zou bestaan, die de bedoeling heeft het kwaad te realiseren, – dan zou die ‘Boze’ nu zijn triomfen kunnen vieren, omdat hij erin geslaagd is een toestand in de wereld te scheppen, die al objectief zo slecht is dat individuen geen boze plannen meer hoeven te koesteren of uitdrukkelijk kwaad hoeven te stichten. Er is niet alleen (met Hegel) de moraal die tot ‘objectieve geest’ is geworden, dwz instituut (in de vorm van het recht); er bestaat ook een tot ‘objectieve geest’ geworden immoraliteit (Unmoral), en wel in de vorm van die werkverdeling die de mens objectief van de effecten van zijn bezig zijn afsnijdt, en daardoor de objectieve toestand van gewetenloosheid bevordert. En in het beeld van deze gewetenloosheid hoort, dat ze als plichtsgetrouwheid wordt geprezen en gecultiveerd.  Plichtsgetrouw wordt hij genoemd, die binnen de grenzen die hij opgelegd kreeg werkt, zonder naar links of rechts te kijken, dwz zonder zich om de moraliteit van zijn doen en laten te bekreunen.
Je hoeft tegenwoordig niet meer slecht te handelen. Je bent al slecht, al slecht gemaakt, omdat je of je dat nu wilt of niet, deel bent van een objectief slechte wereld. Deze morele toestand is zo vreselijk, dat we in vergelijking daarmee, de tijd hiervoor, toen boosheid herkenbaar was toen ons de slechtheid nog niet afgenomen was, onschuldig mogen noemen. Schuldig worden is ons door de apparaten van onze wereld afgenomen, net zoals brood bakken en statistieken berekenen. We schijnen absolutie te hebben, omdat we het kwaad dat we doen, niet meer zelf doen. De schuld is van ons afgenomen, omdat wij de daden waardoor de schuld in de wereld komt, aan dingen overgedragen hebben, die nu in onze plaats handelen. De apparaten zijn de door ons aangestelde [88] beulen. Wij staan bescheiden met onze schone handen achter hen. Maar daarin zit nu juist het kwaad van onze tijd. Die is kwaad omdat wij niet meer slecht hoeven te zijn om het slechtste te doen. Ze is kwaad omdat wij het meest verschrikkelijke kunnen doen, doen zullen zonder dat ook maar iemand van ons iets gedaan zal hebben. Want wat er zal gebeuren ziet er zo uit:
Een apparaat (bv een registratiewijzertje) zal iets opvangen wat het (vermoedelijk per abuis) voor ‘nucleaire aanval’ zal aanzien Op grond van dit misverstand zal het een ander apparaat waarschuwen (honderden mijlen ver weg). En op grond van die informatie zal dat op zijn beurt een zekere actie (u weet wel) in gang zetten, geheel argeloos en zonder het te weten.  En terwijl die actie loopt (binnen een oogwenk) zal er onder ons niemand zijn die iets zal vermoeden van dit stomme apparatencomplot dat zich boven onze hoofden of achter onze ruggen afspeelt. Veel meer zal de bliksem ervan ons slechts treffen als die mannen vrouwen en kinderen in Hiroshima, van wier verkoolde figuren men ook nu nog de dagelijkse dingen waar ze mee bezig waren toen de bom insloeg kan aflezen. Ik heb deze figuren gezien. Ik spreek als hun afgezant.
Die oorlog zal helemaal niet door ons gestreden worden; maar door een ‘tweede lichting’. Door reservestrijders die we nu al vooruit sturen of al vooruit gestuurd hebben.- [89]

Dat is een spookbeeld, zult u zeggen. Dat zal ik niet ontkennen. Integendeel. En om u het spookachtige zonder iets weg te laten te verduidelijken, zal ik ze vergelijken met de spoken van vroeger.
We moeten ons realiseren dat een zekere spookachtigheid ook wel bestond in vroegere gevechten, met name in de laatste twee wereldoorlogen. En wel omdat zich tussen de strijdende partijen altijd de geesten schoven van ‘vals bewustzijn’, de bovenbouw, de ideologieën. Als bijvoorbeeld Duitsers en Fransen met elkaar vochten dan bestreden de Duitsers het eidolon, het ideologische beeld van Fransen zoals Duitse belangengroepen dat gepropageerd hadden. En de Fransen vochten tegen het ideologische beeld van Duitsers, dat door Franse interessegroepen was geschapen. In zekere zin waren ook toen de gevechten al beeld-gevechten, die boven de hoofden woedden van de daadwerkelijk vechtenden. Beide kanten schoten op een beeld van de ander.- Of toen men tijdens Hitler zes miljoen Joden ombracht toen bracht men in feite de karikatuur uit Der Sturmer om – alleen werd het lijden in beide gevallen niet gedragen door de beelden. Het sterven moesten de werkelijke mensen ondergaan. Zoals gezegd deze (beeld-)slachterijen waren ook al spookachtig, en deze soort spookachtigheid bestaat nu ook nog: de beelden die de werkelijkheid vervangen bestaan ook nu nog. Maar ideologieën, bovenbouw, beelden, die men over de wereld stulpte om ons een vals bewustzijn te verschaffen en om ons te verhinderen de naakte waarheid, de naakte wereld te zien, die zijn tegenwoordig bijna overbodig geworden. Nu hoeft men voor ons de wereld niet onzichtbaar te maken doordat men er [90] valse wereldbeschouwingen overheenstulpt.  Onze wereld zit nu onder de stolp van een apparaten-kosmos. De leugen is wereld geworden, daarom zijn uitgesproken leugens overbodig. Precies zoals Marx dat van filosofie geloofde, dat die ooit overbodig zou zijn omdat de waarheid eenmaal wereld zou zijn. We zullen nu geen beelden in plaats van mensen bevechten, maar automatische systemen van apparaten, van robots en raketten. En wij zullen die apparaten niet bestrijden, raketten zullen raketten bestrijden, apparaten gaan als tegenstander van apparaten het gevecht aan. Het gaat een oorlog van ‘marteaux sans maîtres’ (hamers zonder meesters; Boulez 1955) worden, een oorlog van dingen tegen elkaar. Van haat vervuld zullen machines zich op elkaar storten, en installaties zullen in de wurggreep van installaties stikken. Eigenlijk zullen we niet zelf elkaar slagen toebrengen, veel meer zullen de dingen aan wie we diep in vredestijd kracht en verantwoordelijkheid voor het commando hebben overgedragen, op elkaar afgaan, hoog boven ons hoofd – zoals de goden bij Homerus die hoog boven het Grieks-Trojaanse krijgsgewoel deels voor de Grieken, deels voor de Trojanen partij kiezend, op de Olympus op hun manier hun twist uitvochten,
Alleen het sterven zullen ze aan ons overlaten. Of aan onze kinderen, of onze kleinkinderen.Tenzij het ons eerder lukt onze plaatsvervangers aan wie we onze verantwoordelijkheid en onze slechtheid hebben overgedragen terug te fluiten. Vandaag al terugfluiten. Terugfluiten voor ze zich op elkaar storten.
Dat is onze taak nu. De taak die we moeten waarnemen zolang het ons nog vergund is ervoor te vechten dat de geschilderde strijd niet plaats gaat vinden. Vrede is de enige kans op het veroveren van vrede.
De kans om daarvoor te vechten schijnt vandaag groter dan ooit. Want – en daarmee ben ik bij mijn eerste woorden terug – we bevinden ons in een gunstig ogenblik in een vruchtbare tijd. In een windstilte. Maar juist omdat dit ogenblik zo goed is, omdat het zo stil is, en juist omdat [91] voor morgen het onweer niet verwacht wordt, bergt het ook bijzondere gevaren in zich. De verleiding is namelijk dat we de handen in de schoot leggen en eindelijk eens opademen. Die verleiding moeten we weerstaan. Er is een gezegde dat luidt: ‘Het is makkelijk om tijdens onheil groot te zijn. Karakter bewijst zich pas tijdens geluk’.

In die zin dan.

Advertenties