Over verantwoordelijkheid  heden

(door Günther Anders. Rede gehouden op
Studentencongres tegen atoombewapening
januari 1959
In: die atomare Drohung; 4e druk uitg C.H.Beck 1983
Werkvertaling jan anne bos 2019.
Tussen [  ] paginering origineel.)

Een ethisch gebod is niet al vervuld op het moment dat je je je terugtrok van iets waarvoor je niet langer verantwoording kon dragen. Dat weigeren is wel geboden, zoals bijv. het meewerken van wetenschappers, maar het is slechts de eerste stap, een begin van de vereiste morele houding. We moeten in geen geval geloven dat we ons doel al bereikten als wij onze eigen handen schoon hielden. We moeten ook niet geloven dat schoon blijven het hoogste goed is of het laatste doel. Afschaffing van deelname aan moord is nooit een vervanging van afschaffing van moord. Wie zijn handen in onschuld wast, smaakt geen zuiver genoegen als hij tijdens en na het wassen weet dat zijn collega’s op de achtergrond met het zuiverste geweten ter wereld, dat is: geen geweten, bezig zijn in zijn plaats ‘vuile’ of ‘schone’ bommen te maken. Als je dat weet is het plezier om de schoonheid van je eigen handen toch wat minder. Waarop het aankomt is niet de garantie van je eigen onberispelijkheid  -deze op de voorgrond te schuiven kan omgekeerd zelfs hoogst berispelijk zijn – maar de garantie van het leven van miljoenen.

1.

Precies vierenhalf jaar geleden stond ik voor een andere bijeenkomst. Die werd niet in een gebouw gehouden, maar op een marktplein onder de onbarmhartig brandende Juli-zon. Mijn publiek zat niet op banken maar op het wegdek.[24]  De taal die ik sprak was niet Duits, maar een van tevoren met het oog op de directe vertaling zo simpel mogelijk gehouden Engels. Want de bijeenkomst vond plaats in Kioto, en de mensen die ik toe sprak waren de duizenden die op hun vredesmars van Hiroshima naar Tokio Kioto aan deden.
Ik kom dus, zoals dat heet, uit het ‘verre Oosten´. Neen. Ik kom van daar, omdat dat daar geen ‘verre Oosten’ meer is. Omdat er geen ‘ver Oosten’ meer is. Want ‘ver’ bestaat niet meer.

In deze korte zin is de hele situatie van nu en van alles wat nu moreel vereist is, in een notendop samengevat.  En omdat die twee bijeenkomsten daar en hier (dus) buren zijn zullen mijn woorden hier in principe niet van die van daar verschillen. Maar dat betekent niet dat de reactie hier gelijk zal zijn aan die van daar. Want voor de mensen tegen wie ik daar sprak was het atoomtijdperk al een ‘ervaring’. Terwijl het hier nog altijd, zoals men dat zo mooi zegt, ‘een probleem’ is.
Ik heb daar ervaren, met oog en oor geleerd, wat het betekent ‘het atoomtijdperk mee te maken’. Wie de verhalen van de overlevenden heeft gehoord, die (alsof ongeluk een schande is) schuw en beschaamd gebrachte berichten, die gaat veranderd terug naar Europa.
Als mijn woorden scherper klinken en bozer, dan wat men hier in deze gehoorzaal gewoonlijk hoort, wees dan niet verbaasd. Maar geloof me: die scherpte is het kind van de pijn. En de boosheid is slechts de echo van de vastberaden wil niet te rusten voordat we het gevaar van de vernietiging vernietigd hebben. – en ‘wij’ betekent: zij daar en wij hier.

U verwacht van me dat ik zal spreken over de ‘verantwoordelijkheid van de wetenschapper’.
Als ik mijn Japanse vrienden zou gevraagd hebben, of een wetenschapper verantwoording mocht nemen, en dat is vandaag in eerste instantie : om te waarschuwen; en indien ja hoe ver de wetenschapper als waarschuwer mocht gaan – mijn vrienden [25] zouden overtuigd zijn dat ze me verkeerd hadden begrepen. Want deze formulering van de vraag is al ongeoorloofd. Als we er in mee gaan deze vraag als een probleem te erkennen, dan sluiten we al bijna een compromis; dan zijn we al half overwonnen. Want die vraag vooronderstelt de mogelijkheid dat we iets uitzonderen als we geloven ergens verantwoordelijkheid voor te mogen nemen. En dat we misschien niet ‘mogen moeten’. Dan maakt de vraag ons geweten tot probleem.

‘Maar alstublieft!’, zullen zij die in competenties denken uitroepen, ‘natuurlijk heeft u alle recht op een geweten! Daar mag nooit op beknibbeld worden! Alleen kan dat niet betekenen, dat u ook het recht hebt u er mee te bemoeien!’.

Maar dat het ene niet ook het andere inhoudt, is dat wel zo natuurlijk? Mij schijnt het tegendeel heel onnatuurlijk. Ja, mij schijnt deze onderscheiding, ook de gedeeltelijke tegemoetkoming, die er zich op beroept, zeer bedenkelijk. Geweten is tenslotte geen mooi achtbaar of neutraal ethisch gevoel, waar je je aan zou kunnen overgeven ‘s avonds na  het werk en binnen je vier muren. Zonder actie is geweten gewoon niks. Geweten is überhaupt pas geweten, als het ons zegt wat wij moeten doen of laten. Als we alleen maar een ‘geweten zonder actie’ mogen hebben, dus alleen de vrijheid om onze opdracht te horen, maar niet die om de opdracht te volgen, dan is dat verlof bedrog, vermomd als welwillendheid. Dan wordt ons het recht op geweten ontnomen.
Nu heeft het geweten van een gewetensvol mens de hinderlijke eigenschap dat het niet alleen opklinkt binnen het kader van het gewetensvol bewaakte terrein van de arbeid. Want of het roept helemaal niets, of het roept op tot ingrijpen. Niet terugschrikken van het woord ‘ingrijpen’. Hij schrikt alleen hen af die deze taakverdeling voor de hoogste wijsheid en deugd houden. [26]

Maar mogen we dat wel?Als de staat waar u in leeft een democratische heet, dan is dat toch omdat ze u het recht garandeert dat u mag leven als wie dan ook: als schoenmaker, dokter, mijnwerker, fabrieksdirecteur, fabrieksarbeider of student en aan beslissingen mag deelnemen die niets te maken hebben met uw werkterrein. Wie het geweten van burgers beperkt tot de terreinen waar ze zijn ingedeeld, hun ambten, hun werkterreinen, die vervangt geweten door stiptheid, die ook in de vernietigingskampen gepraktiseerd kon worden. Laten we meteen vaststellen: omdat de ‘gewetensvol’ getrokken grenzen van de werkverdeling hun bestaansgrond en verloop niet vinden in ethische principes, ligt de enige doorslaggevende functie van ons geweten in het negeren van die grenzen van competentie. Dat geldt voor iedereen. En dan met name voor iedereen als de daden en besluiten die zogenaamd het monopolie van een enkel terrein zijn, grenzeloze gevolgen meebrengen; dus gevolgen die over het lot van allen beslissen. En omdat dat voor allen geldt, niet alleen voor ons wetenschappers, zie ik ook geen apart filosofisch probleem in de verantwoordelijkheid van wetenschappers. De stem van ons geweten heeft niks van een ‘ons als (wetenschapper, jab)’ ; niet wetenschappelijke medemensen evenzo. Ons geweten heeft geen academische titel.
Wat ik echter wel zie – levensgroot!- dat is dat de wetenschapper als hij zijn  geweten volgt, heuse moeilijkheden krijgt. Naar ik vrees, loopt hij het gevaar als onethisch te worden verboden. Want er is niets dat immorele mensen liever en makkelijker tegen morele mensen in het geweer brengen, dan een moraal vocabulaire. En wat mij als extreme mogelijkheid beangstigt, dat zich die situatie die we kennen uit de terreurperiode zou kunnen herhalen: dat het natuurwetenschappers fysiek onmogelijk werd gemaakt ethisch te handelen.
Met de afwijzing van een bijzonder ethiek voor wetenschappers is natuurlijk niet gezegd, dat de problemen waar zij tegenwoordig mee geconfronteerd worden, opgelost zijn. Veel meer is de situatie [27]  waarin ze zich reeds bevinden zo nieuw dat ze kan eisen zo duidelijk mogelijk aan te worden gegeven. En voor het grote publiek is het uiterst verrassend (te weten) dat wat al gebeurd is, namelijk het feit dat er al natuurwetenschappers zijn, die als vooruitgeschoven vleugel van de moralisten de stem van het geweten zeer scherp hebben gehoord en toen hebben doorgegeven. Voor velen was dat wellicht pijnlijk. Tenslotte was men eraan gewend om filosofie die aan de natuurkundige praktijk ten grondslag ligt als ‘jenseits von Gut und Böse’ te beschouwen. De natuurwetenschap had dat ook vaak genoeg openlijk geclaimd: de natuur heeft geen doel, dus ook ‘geen waarden’. Strikt monisme heeft geen ‘gij zult’. Dat was men gewend, daar kon men mee rekenen,daar kon men schitterend gebruik van maken. En dan ineens, net als je denkt deze mensen van ‘jenseits von Gut und Böse weer eens te kunnen gebruiken, gooien ze de kont tegen de krib. Daar plegen ze ‘verraad’ jegens hun ethische neutraliteit waar men zo goed op had kunnen bouwen.
Maar uiteindelijk is die omslag van waardeneutraal naar ethisch niet zo speciaal. Juist omdat natuurwetenschappelijk werk zogenaamd geen doel had en moraal-vrij was, kon ze op onvermoede manier en in een veel hogere graad dan elke andere wetenschap, door iedere macht voor haar doelen ingezet en misbruikt worden. Juist omdat de kloof tussen neutraal onderzoek (bv ‘waardenvrij’ onderzoeksgebied van ‘de natuur’ ) en de feitelijke doelen waaraan de methoden en resultaten van het onderzoek dienstbaar werden gemaakt in de praktijk, (met name de militaire) zo groot was geworden (groter dan tussen welke andere geesteswetenschap en zijn toepassing dan ook) juist daarom moest de situatie hoog oplopen. Juist daarom moest op een dag een morele schok komen. Daarom konden oprechte wetenschappers hun principe van ‘doelvrij’ niet meer overeind houden. Ze moesten erkennen wat een groot geschenk het is dat ze zo de nadruk legden op het principe van waardeneutraal, voor de gebruikers van hun werk. Voor hen zelf dreigde dat principe [28] in hoge mate een alibi te worden. Ze erkenden hoe zeer ze uit te buiten waren en feitelijk uitgebuit werden.
Ik bedoel dit historisch belaste woord ‘uitbuitbaar’ helemaal niet metaforisch. De uitgebuiten zijn tegenwoordig inderdaad de natuurwetenschappers. Het feit dat deze mannen vergeleken met het uitgebuite proletariaat doorgaans goed verdienen,  zegt niets tegen deze aanduiding. Hoe royaal ze ook beloond worden, – doorslaggevend is dat zij iets presteren wat daarna niet meer van hen is, en dat ze juist beloond worden voor het afstaan van hun wetenschappelijk eigendom.
De samenlevings kritiek van de negentiende eeuw had de plicht aan te tonen dat de industriearbeider geen eigenaar is van de productiemiddelen waarmee hij de wereld van de producten opbouwt, Zo is het onze plicht vandaag vast te stellen dat door een rolverwisseling in het uitbuitingsspel de natuurwetenschappers de voornaamste slachtoffers zijn geworden in het productieproces van tegenwoordig.

Als wetenschapper’ klinkt het steeds weer, ‘hebben onderzoekers geen recht zich met de politiek te bemoeien’. Dat ‘als’ is een sleutelbegrip. Daar moeten we bij stilstaan om het te onderzoeken.
Een half jaar geleden bekeek ik met een Japanner en een Europese vriend een stuk puin van wat eens de grootste katholieke kerk van het verre Oosten was, de kathedraal van Nagasaki. Dat stuk puin ligt echter niet meer waar het hoorde; niet meer op de puinhoop: want die is er ook niet meer. Het ligt, al gemusealiseerd in een park waarin men de  ‘plaats delict’ veranderd heeft. ‘Jullie brachten het; jullie vernietigden het’, zei de Japanner toonloos, ‘jullie hebben de kerk gebracht en hebben haar verwoest’. Of hij met ‘het’ slechts het gebouw bedoelde, waar het stuk puin uit kwam, liet hij open. In elk geval ging hij verder: ‘ En nu vraagt menigeen van ons zich natuurlijk af hoe we jullie verder nog kunnen geloven’. In het ceremoniële taaleigen van Japanners betekent het woord ‘menigeen’ [29] natuurlijk ‘velen’. – Ik zweeg, Maar de man naast me bloosde. Tegenwoordig is er ook voor het eerst de werkverdeling tussen ‘doen’ en ‘zich schamen’. Sommigen doen iets,- en anderen schamen zich erover. Kortom, mijn vriend die bloosde namens zijn medemensen die de daad op hun geweten hadden, zocht naar een antwoord. Aarzelend vond hij: ‘Zeker als christen hebben degenen die besloten de bom te gooien of degenen die hem gooiden die daad niet gepleegd.’ De Japanner beantwoordde dat met een beslist hoofdschudden. (Wat daar al geldt als bijna maximaal onbeschaafd). ‘Met dat ‘als’, vond hij, wel is waar zonder zijn stem te verheffen, maar toch stellig, ‘kan ik niet veel beginnen. Ik zie geen rechtvaardiging voor zo’n werkverdeling tegenwoordig. De situatie die we nu hebben is niet zo dat sommigen naastenliefde mogen doen en andere hun werknemers massamoord mogen laten uitvoeren, dus de on-christelijkheid’. – ‘Zo bedoelde ik dat ook niet’ antwoordde mijn vriend nog slapjes. – ‘Weet ik wel”, zei de Japanner, ‘maar wat voor de werkverdeling geldt, geldt even zo precies van de tijdsindeling. Die laat zich ook niet rechtvaardigen.’ ‘Hoe bedoelt u dat?’, vroeg mijn vriend. ‘Er is geen rechtvaardiging voor het splitsen in een tijd waarin het je toegestaan is laten we zeggen tot negen uur voormiddags iets als naastenliefde te praktiseren; en dan een paar uur pauze te nemen waarin je zoiets doet als hier in Nagasaki, en dan laten we zeggen om twee of drie uur ‘s middags pak je de draad van naastenliefde weer op.’ Wij zwegen. ‘Het afwerpen van de bom’ vervolgde de Japanner geduldig, ‘wordt niet minder schuldig omdat het in een pauze tussen de christelijkheid  voor de daad en de christelijkheid na de daad gedaan werd. Dan bestaat de schande precies daarin dat christenen zo ‘n pauze inlassen. Het omgekeerde is waar: door wat er in de pauze is gedaan werd wat voor en na de pauze aan christelijkheid gedaan werd volstrekt ongeloofwaardig.’ Dat gaven we beschaamd toe. ‘Maar dat is helaas nog niet alles’, ging [30] de Japanner verder. ‘U zei dat de Amerikanen het niet ‘als’ christenen gedaan hebben. Als u zoveel hecht aan dat ‘als’, dan moet u, neen dan behoort u zich ook af te vragen als wie de tweehonderdduizend die getroffen werden, omgekomen zijn’. – Wij knikten. –  ‘Als’ christen?’. Wij gaven geen antwoord. – ‘Of als vijanden?’ – Wij bleven zwijgen. – ‘Ja, als wat eigenlijk? Vijanden waren ze immers als niet meer, want Japan was al KO en de bereidheid om zich over te geven was al bekend gemaakt. Als soldaten? Maar het onderscheid tussen leger en burgers was al uitgewist; het merendeel van de omgekomenen bestond uit burgers – waar we de soldaten ook  onder rekenen, want in verhouding tot jullie enorme wapen waren ze net zo weerloos als burgers, namelijk absoluut weerloos. Maar laat dat maar zitten. Maar wel dit: die tweehonderdduizend hebben jullie omgebracht als dreiging naar Stalin. Jullie wilden hem door deze massamoord laten weten wat hij en de zijnen bij gelegenheid zouden kunnen verwachten. Maar van dat ‘als’ hebben de stervenden natuurlijk niets geweten. als dat zijn ze natuurlijk niet gestorven, ze zijn alleen maar omgebracht. – Geloof me,: uw beroemde ‘als’ is op het moment van de eerste nucleaire explosie mee geëxplodeerd.’. – Wij knikten. – ‘Ik ben blij’, zei hij lachend, ‘dat we dat met elkaar eens zijn. Mag ik nog een laatste opmerking maken?’- ‘Ga uw gang!’ – ‘Als degenen die iets aangedaan wordt (maakt niet uit ‘als’ wat ze geleefd hebben als soldaat of als burger, als Shintoïst of als christen, als socialist of als niet politiek ) zonder dat ‘als’ van jullie in aanmerking te nemen omkomen, dan moeten de daders (of nog juister: degenen die hun daad hadden kunnen  voorkomen of verhinderen) hun ‘als’ ook afschaffen. Neem nooit, nooit, nooit vraag ik u, stelling tegenover iets wat gebeurd is of zou kunnen gebeuren als natuurkundige, als parlementslid, als militair deskundige, als verdediger van de cultuur . Elk ‘als’ is door het gooien van de bom, op zijn minst die op Nagasaki, in diskrediet gebracht. Elke ‘als’ is misplaatst.’ [31]
Wij knikten.
‘En geloof me’, besloot hij, ‘het zijn niet de klappen op Hiroshima en Nagasaki die de reputatie van de witte mens bij ons beschadigd hebben. Maar ook de manier waarop er daarna gesproken is over wat gebeurd is en mogelijk is, ook nu nog. Of al weer.’
Tot zo ver de Japanner. Ik geef u zijn woorden beschaamd door.

Stelling: wanneer de effecten van onze daden of werken het menselijke ‘als’ kapot maken, dan verliezen we daarmee het recht ons vrij te pleiten door ons terug te trekken op ons eigen ‘als’. Als we onverschillig blijven tegenover verwoesting die we aangericht hebben, omdat niet ‘wij’, maar ‘wij als…..’ (beambte,  industriearbeider, werknemer in een instituut of wetenschapper) die verwoesting hebben aangericht dan is dat huichelarij dan wel beperktheid. En meestal beide tegelijk.

Er is een oud verhaal uit India: de ‘fabel van de badmeester van Pentapur’. Die vertelt het volgende: Toen de badmeester van de maarschalk van Pentapur tot zijn schrik moest vaststellen dat hij de watertoevoer niet meer af kon zetten, waarschuwde hij de vrouw van de maarschalk die in een vertrek ernaast op haar tapijt lag. Hij was zeer bezorgd om haar niet te vervangen kostbaarheden. Ter waarschuwing riep hij dus dat het water al gauw onder de deur door zou stromen. Maar Mevrouw riep terug : ‘Eerst maak je er een bende van en nu matig je je ook nog aan je met mijn zaken te bemoeien. Als wie roep je daar eigenlijk. Jij bent de badmeester! Jij hebt alleen te maken met de badkamer. Knoop dat in je oren!’
Het komt op hetzelfde neer of wij zeggen, dat de fabel de lezer heeft willen bijbrengen dat ‘het als’ onzin is, of wel dat ‘gevolgen zich niet bekreunen om scheidsmuren’. 

Inderdaad is de zin ‘Gevolgen bekreunen zich niet om scheidsmuren’ een van de meest fundamentele  grondslagen van de ethiek. [32] Neen zelfs meer dan grondslag, want het gaat hier om één van de feiten die moraal mogelijk maken.
Want de grenzen die we getrokken hebben tussen sociale, beroepsmatige en wetenschappelijke velden, die weten niets van gevolgen en hebben er helemaal niets mee. Dat geldt destemeer naarmate een daad groter is. Of juister: Alleen die daden gelden terecht als ‘groot’, waarvan de gevolgen uit de bedding van haar specialisme treden en onbekend terrein overstromen.’  Als dat het geval is, betekent dat voor degenen die verantwoordelijk zijn, dat ze om überhaupt verantwoordelijk te kunnen blijven, verplicht zijn om ook uit de bedding van hun specialisme te treden en de gevolgen van hun daden of werken na te springen. Dus de zogenaamde grenzen van hun werkterrein als ethisch misleidend te beschouwen zo niet als onethisch af te wijzen, in zoverre ze valse claims leggen. Dat en dat alleen is de taak van de verantwoordelijkheid. Want ze is de correctie op de werkverdeling. – Omgekeerd geldt de zin ‘verantwoordelijkheid moet zich binnen de grenzen van haar terrein houden’, slechts daar (zoals in de mierenkolonie of de totalitaire staat) waar de grenzen in de natuur liggen, of zelfs als ethische feiten verondersteld worden.

Elke handeling gaat , zoals Kant dat heeft beschreven, op het moment dat ze verwerkelijkt wordt het rijk der ‘verschijningen’ binnen, het rijk waar de causaliteit heerst. Ze lijken dan op die bewust afgeschoten kunstmatige objecten die, eenmaal op weg,  kleine hemellichamen worden en daarmee ‘natuur’ worden. Wie verantwoordelijk wil zijn, probeert dan niet dat feit te verhinderen, – dat is onmogelijk – maar toch te vertragen, namelijk met de effecten van zijn daden, zo lang mogelijk; dus ze bij te houden, ook dan nog als ze in het rijk der causaliteit zijn binnengegaan. Dan wel de gang van de causaliteit zo lang als maar mogelijk is, bij te sturen. of ons en onze medemensen  voor de effecten die zich nu ‘los gemaakt’ hebben (namelijk los van onze vrijheid) te waarschuwen. Of als laatste, die handelingen waarvan hij voorziet [33] dat ze onoverzienbare, ondenkbare, onvoorstelbare onherroepelijke effecten met zich kunnen meebrengen of zelfs zullen brengen, op te schorten.

Zoals de natuurwetenschapper, op zoek naar oorzaken in het oneindige terug moet gaan, zo moet de verantwoordelijke mens in het oneindige naar voren gaan. Terwijl de ene beginnend bij het effect de oorzaken naloopt in de richting van de bron, ziet de verantwoordelijke mens zich als de bron en volgt de loop in de richting van de laatste effecten.
Wel, helemaal tot het laatste effect door te dringen, dat is pure ‘idee’ in de zin van Kant en dat lukt niemand hoe verantwoordelijk hij ook is. Misschien gelukkig niet, want eindeloze nauwgezetheid zou ons verlammen.  En vóór het atoomtijdperk begon zou het eindeloze vervolgen van onze handeling meestal ook overbodig zijn geweest, omdat de effecten ervan in het onbewuste of in de nevel van morgen verdwijnen.
Maar nu niet meer. Het oneindige heeft in zekere zin zijn plaats veranderd: oneindig is nu niet meer de tijd die maakt dat de effecten van onze effecten steeds verder golven slaan – deze tijdspanne is nu misschien zelfs eindig. En als ze eindig is dan komt het omdat het onmiddellijk-effect van onze handelingen oneindig is geworden. Want oneindig is het ‘einde van het menselijk geslacht’ dat wij, omdat we minsten modo negativo almachtig geworden zijn, in één klap uitroeien kunnen. (welke secundaire werkingen of tertiaire dat einde dan in de eindeloze na-menselijke tijd zou kunnen hebben, dat is een overbodige vraag, die niemand iets aangaat) Deze ‘plaats verwisseling van het oneindige’ heeft nu begrijpelijkerwijs een beslissende betekenis voor onze verantwoordelijkheid. Als de macht van de producten , de energieën die we kunnen maken dan wel ontbinden, zelf oneindig zijn, dan is onze verantwoordelijkheid ook oneindig.

Stelling: Onze verantwoordelijkheid reikt zo wijd als de directe en indirecte effecten van onze daden, en van wat we nalaten en ons werk. In elk geval moet ze [34] proberen zo ver te reiken en even groot te worden als wat wij veroorzaakten. Als het tot het wezen van een handeling die we verrichten hoort, dat die grenzen kan opblazen, dan moeten we proberen die explosieve kracht te ‘evenaren’. (En dan gaat het niet alleen over grenzen tussen landen, of die temporele tussen heden en toekomst, maar ook die tussen zijn en niet-zijn.) Dwz opwegen tegen de explosie. Kortste formule: Blijf moreel op niveau met de effecten van wat je doet! Voorkom dat ze je ontkomen!
Wie dat gispt als ‘overschrijding van competentie’ , die is ‘beperkt’. En wel in een veel bredere zin dan het gewone woord ‘beperkt’. Want hiermee is niet slechts intellectuele beperktheid bedoeld, maar het onvermogen om de beperkingen van het alledaagse zicht op de dingen te verbreken; en de onwil te zien, dat deze beperkingen overwonnen moeten worden, Dat is een morele beperktheid.

Met dit begrip van ‘beperktheid’ benaderen we nu de specifieke boosheid, het ‘malum’ van nu. Willen we het verantwoordelijkheids probleem van nu verstaan, dan moeten we dat ‘malum’ bepalen.
Het ‘malum’ van nu onderscheidt zich namelijk wezenlijk van dat wat in de traditie van Europa, namelijk de christelijke, als ‘kwaad’ gegolden heeft Als we de mens tegenwoordig wantrouwen, dan niet op grond van zijn erfzonde, maar op grond van een bijkomende onvolmaaktheid, die hij pas aangeschaft heeft.
Eerst maar negatief: de status van het slecht zijn, waar over het gevecht nu moet gaan, kun je niet definiëren als: de mens is  ‘sarx’. De kloof waar het nu om gaat is niet die tussen ‘vlees’ en ‘geest’ of tussen ‘neiging’ en ‘plicht’. Maar veel meer die tussen de mens als producerend wezen en de mens als wezen dat zijn productie verstaat. Wat ons slecht maakt, is dat wij als handelende of bezig zijnde mensen niet tegen onze werken, onze producten op kunnen: dat wij niet doorhebben, welke daden onze werken opleveren,[35] en wel puur vanwege het feit dat we ze gemaakt hebben en dat ze er nu dus zijn. Dit huidige ‘we weten niet wat we doen’ van ons is ons huidige ‘malum’.
De kloof zit niet tussen geest en vlees, maar tussen product en geest. Voorbeeld: de bom kunnen we maken. Maar we kunnen ons niet voorstellen wie we (daardoor) zijn geworden als eigenaars van wat we zelf maakten, en wat we als bezitters ervan zouden kunnen doen en al gedaan hebben (in Hiroshima en Nagasaki) en dagelijks door onze nucleaire experimenten nog doen. En hoe we nu als de eigenaars daarvan zouden moeten handelen.
Historisch gezien is dit verschil er voor het eerst en daarmee ook in de geschiedenis van de ethiek. Het element ‘natuur’( ‘zinnelijkheid’ , ‘cupiditas’) dat tot nu toe het ‘malum’ steeds tenminste mee bepaald heeft, valt hier weg. Het is geen positieve ‘cupiditas’, een die klopt op de geest, die ons in deze staat van boosheid geduwd heeft, of duwt. Integendeel: omdat het ons voorstellingsvermogen betreft, is het uitgerekend de ‘geest’ die zwak blijkt te zijn.
Vermoedelijk is er in de wereldgeschiedenis nog nooit een tijdperk geweest waarin slechtheid zo zeer neer is gekomen op ‘beperktheid’ ( om niet te zeggen: op domheid) , geen tijdperk waarin die twee zo moeilijk te ontwarren waren, als vandaag.
Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat de huidige politici absoluut gesproken beperkter zouden zijn dan hun voorgangers in het verleden. Maar aan hen mogen we die van nu niet meten,maar alleen aan de opgave van nu en dat wil helaas zeggen: aan de taak waar geen maat op staat, waar ze nu mee geconfronteerd worden. En gemeten aan de grootte van wat ze zich vandaag moeten indenken en op grond daarvan moeten doen of laten zijn ze inderdaad onvergelijkelijk veel dommer dan staatslieden vroeger met hun zaken konden omgaan. Het is niet ironisch bedoeld als ik zeg: ‘Stakkers!’. Want de opgaven zijn de stakkers echt boven het hoofd gegroeid. Een ex-generaal of een ex-secretaris of een ex-burgemeester [36] zou je overvragen als je van hen verlangde het inbeeldingsvermogen op te brengen dat zou passen bij een mogelijke Apocalyps, want dan zouden ze hun fantasie oneindig wijd moeten maken. Maar de morele eis van nu is juist dat overvragen; het is de minimumeis zelfs. Want als zij die het lot van de wereld nu in handen hebben aan die eis niet voldoen (en tot nu toe hebben ze gefaald omdat ze nog niet eens begonnen zijn) dan is dat falen hun ‘slechtheid’. Want het kan het einde van ons allemaal ten gevolge hebben.
Met een zeker recht kan men stellen, dat de ‘morele’(c.q. immorele) situatie waarin we (‘wij mensen’) terecht zijn gekomen, meer heeft van de situatie waar religies op doelen, dan waarop de moderne ethieken op doelen. Niet zo zeer omdat onze verafgoding van de productie verwant is met afgoderij, maar omdat wij in de zin van ‘peccatum originale’ (erfzonde, jab) ook dan in de boosheid zitten, ook dan onbekwaam tot het goede zijn, als we niet concreet iets kwaads doen; omdat het zo zijn waarin we terecht zijn gekomen al kwaad is. Regeringsleiders en ministers van bewapening of parlementsleden kunnen dan nog zo vriendelijk spelen met hun buren of hun kleinkinderen – hun vriendelijkheid blijft een quantité négligeable, hun welwillendheid telt niet: want de enige handeling die nu als echt handelen meegeteld mag worden, bestaat in het feit dat we een wereld laten doorgaan (met een wereld rekenen, op een wereld vertrouwen ) die we wel ‘aankunnen’, maar verder ook niet. ‘De deugden van de heidenen zijn verblindende ondeugden’, heet het bij Augustinus. Dat geldt nu van ons allen, vooral van regeringsleiders. Ook onze deugden die buiten de wereld van de techniek spelen en zich amuseren, zijn zo niet echt kwalijk dan toch versiersels en verhullingen van de situatie: puur bijwerk dat ons en de anderen weghoudt van wat wezenlijk is. Want afgezien van wat we ook nog zijn of doen, slecht zijn we alleen al door het feit dat we in deze wereld, dwz in een nucleaire afpersers wereld leven. [37]

Om het speciale ‘malum’ waar het tegenwoordig om gaat, helemaal helder voor de geest te halen, zal het nuttig zijn om de eisen voor nu af te zetten tegen die van de periode die qua tijd nog het dichtst bij ons ligt, dus met die van het Duitse idealisme. Dan kom ik tot de conclusie dat Kant ook niet meer afdoende is, maar dat bewijst dan alleen maar dat de revolutie in de wijze van productie en de soort producten die zich heeft voltrokken sinds zijn dagen, zo ontzettend is geweest dat de door hem gemaakte vooronderstellingen mee geannuleerd zijn.

Kant heeft – en voor zijn dagen stellig terecht – gesteld dat afzonderlijke handelingen existeren, op zijn minst mogelijk zijn. Die vooronderstelling geldt vandaag niet meer. Want beslissend voor onze situatie is, dat wij gestopt zijn met in de eigenlijke zin van het woord te ‘handelen’. Wij hebben veel meer altijd al gehandeld door wat wij gemaakt hebben (maken heeft doen opgeslokt), zonder het te weten. Dwz onze werken, onze producten gaan altijd vooraf aan de daden die wij met behulp van deze werken kunnen uitvoeren. Onze producten zijn al , of we dat nu willen of niet, onze daden. En wat we met deze ding geworden daden dan gaan uitstukken, ons (naar wij geloven) ‘eigenlijke doen’ is altijd een naspel, achteraf en bijkomstig.
Daar komt dan bij dat mensen die in dat handelen als subject ingeschakeld worden, niet meer in eigenlijke zin ‘handelend’ zijn; ze doen alleen ‘nog maar mee’, of ‘ze sluiten af’. Dat gaat zo ver dat ze heel simpel en onmetaforisch niet weten wat ze doen. Om deze uitdrukking die ik al vaker gebruikte hier nog maar eens te citeren. Zo heeft men bijvoorbeeld de man die met kerstmis een amerikaanse raket ( raket van de blijde boodschap) afschoot niet verteld wat er gemoeid was met zijn afsluitende druk op de knop. Maar, omdat elke druk op de knop lijkt op de andere had het bij zijn handeling net zo goed kunnen gaan om het starten van een nieuwe plaatselijke energiecentrale . Niets spreekt ervoor dat het bij deze ene keer blijft. Veel meer spreekt alles ervoor dat dit de nieuwe norm wordt. Dwz [38] het wordt dagelijks kost dat je als je iets doet (en vooral bij acties van groter formaat, omdat die ‘gevaar zouden kunnen lopen’ door ouderwetse morele terughoudendheid)  verhinderd wordt te weten wat je doet. En ook naderhand zullen ze er niet achter komen. Van weinig dingen ben ik zo overtuigd als dat de man – vermoedelijk een tijdgenoot van ons – die bij het uitbreken van een (niet officieel verklaarde) oorlog de eerste nucleaire raket afschiet, een in de makaberste zin onschuldige mens zal blijven namelijk ( in zoverre hij overleeft) dat hij naderhand niet zal weten dat hij ‘degene die’ is geweest. – Er is een spreekwoord dat gedurende de vorige wereldoorlog vaak gebruikt werd als motto van de contraspionage. Het luidt: ‘A chain is as weak as its weakest link’ (Een ketting is zo sterk als de zwakste schakel.’) We moeten nu een variant verspreiden: ‘An action is as morally blind as its blindest participant’. Of: ‘Een handeling is zo gewetenloos als de erbij betrokken werknemer die beroofd was van de kans een geweten te hebben’.
Dat betekent: Omdat ons handelen vervangen is ( deels door maken, deels door afsluiten van het product) en door die vervanging afgeschaft is, is ook de mogelijkheid om juist te handelen mede afgeschaft.
Of in andere woorden: Omdat ons handelen qua uiterlijk, qua gedragstype geen ‘handelen’ meer schijnt te zijn, (maar slechts arbeiden of afsluiten) denken we dat we ook arbeidend of afsluitend niets doen; we schijnen dus  absolutie gekregen te hebben voor het moeten afleggen van verantwoording van ons arbeiden en afsluiten. Wij hebben altijd een alibi; het alibi niks gedaan te hebben. In deze zogenaamde absolutie en in dit alibi bestaat onze huidige morele – dwz: onze immorele- situatie.

En daarom hebben wij niet meer voldoende aan de handelingsdeviezen van de ethiek tot nu toe. Onze categorische imperatief zou weer moeten luiden: ‘Handel!’ Of meer gespecificeerd – ik probeer hier de meest diverse formules -’Begrijp dat je ook handelt wanneer je handelen er niet meer uitziet als handelen!’ Of: ‘Grijp in, om te verhinderen [39] dat jouw niets doen, of meedoen, of als arbeiden of als afsluiten vermomde bezig zijn tot effecten leidt ,die je, als ze rechtstreeks zichtbaar waren als effecten van jouw doen, nooit voor je verantwoording zou nemen!’ Of: ‘Haal je zelf weer in!’  – een mateloos grote opgave omdat immers dat wat ingehaald moet worden onze maaksels en hun effecten zijn, die mateloos zijn geworden, – En we hoeven onze maaksels niet in te halen in de zin van dat we ons moeten aanpassen aan het mateloze dat wij aanrichten. – daarin bestaat omgekeerd het ‘human engeneering’ en niets is noodlottiger dan de gewoonte om ‘aanpassing’ als normaliteit en deze normaliteit als norm te verkondigen. Het woord ‘inhalen’ kan hier alleen bedoeld zijn in de zin van en te ver weg geworpen hengellijn die je weer inhaalt: ‘weer naar zich toe halen’. Wat te doen staat is terugroepen. Namelijk dat niet doen wat we ons niet kunnen voorstellen.
Nu zal menigeen misschien tegenwerpen : dat is een oproep tot ‘bestorming van de machines’. Laten we niet te bang zijn. De uitdrukking kan ons niet bang maken. Die angst is (maar) gewoonte. Hij heeft de roep van een archaïsche tijd: uit de tijd van de strijd tussen handwerk en machinearbeid. Maar die strijd is er niet meer. Zo lopen de frontlinies heden niet meer. Geen enkele ‘machinenbestormer’ van nu eist, zoals de wevers van toen, dat de producten van nu ( dus bv de waterstofbommen) niet machinaal worden gemaakt,maar in thuisarbeid. De discussie gaat nu niet over hoe iets gemaakt wordt, maar over wat en of. Wie pleit voor het herroepen van kernwapens of daar zelfs voor vecht, is al een machinenbestormer. Alleen zonder de moed voor dat woord. Laten we er rustig een erenaam van maken!

2

Wel, we mogen deze problemen natuurlijk niet bespreken zonder een blik op het boek dat op zijn minst [40]  in het huidige Duitsland als de filosofie van het atoomtijdperk gepropageerd wordt. Ik bedoel natuurlijk het werk van Jaspers.

De hoofdstelling van dat boek – ik noem dat het ‘twee-hellen-axioma’- zegt dat we tegenwoordig voor twee gevaren staan. Het gevaar van het einde van de wereld, en ik benadruk dat Jaspers dat zonder een spoor van bagatelliseren en volstrekt onverbloemd toegeeft. En het gevaar dat we ‘door het totalitaire Sovjet Rusland plat gewalst’ zullen worden. In de woorden van Jaspers: ‘Daar is het bestaan, hier het bestaan dat het leven waard is, verloren (p 22) Of nog eens in Jaspers’ woorden: ‘Hier is het leven van de mens… daar het wezen van de mens definitief verwoest.’ (p 230)

Deze alternatieven van Jaspers zijn indiscutabel. Ik maak twee uitzonderingen.
Ten eerste. Hij overdrijft met zijn manicheïsche opsplitsing van de wereld in een lichte en een donkere helft het gevaar van een Russische invasie van Europa geweldig. Hij ontkent dat Rusland veel harder bouwt aan zijn eigen land en veel meer geïnteresseerd is in Azië dan in een veroveringstocht tegen het Westen.

Ten tweede. Rusland heeft in de periode dat het drie maal door het Westen werd aangevallen (1914, 1921 en in de laatste oorlog) geen enkele echte veroveringstocht naar het Westen ondernomen. Zoals gezegd, dat bespreek ik hier niet.

Ik beperk me veel meer tot een zuiver filosofisch argument. Het is niet alleen maar wonderlijk, maar ook uitermate beschamend, dat een filosoof bedreiging door een historisch fenomeen (het bestaan van Sovjet Rusland) dat net als elk ander fenomeen in beweging is, in één adem noemt met een gevaar dat het onherstelbare en onomkeerbare einde van de mensheid inhoudt. Een filosoof die de bedreiging door iets wat aan verandering onderhevig is gelijk stelt aan het gevaar van een uitroeiing van de mensheid.
Hoe merkwaardig dat ook moge klinken, Jaspers laat deze tegenwerping niet weg, zoals hij überhaupt nauwelijks aan mogelijke tegenargumenten voorbijgaat. De uitzonderlijkheid, om niet te zeggen: de oneerlijkheid van zijn boek  [41] ligt veel meer daar aan dat hij deze tegen-gedachten niet voldoende ruimte geeft. In vergelijking met de punten waar het hem op aan komt vermeldt hij ze wel, maar laat ze dan liggen. Hij maakt zich in zo hoge mate gevangene van zijn eigen twee-hellen-axioma dat hij de tegengedachten zich niet echt laat ontvouwen en niet op hun consequenties komt. Omgekeerd baseert hij zijn boek op de zogenaamde gelijkwaardigheid van de beide gevaren.
De demonisering van Rusland brengt met zich mee, dat de kritiek van/op de rest van de wereld (die bij hem, zoals gezegd ook voorkomt) geen gewicht krijgt, niet naar een pointe voert en zonder gevolgen blijft. Ze verhindert Jaspers in elk geval niet elke westerling tot twee vaderlanden te rekenen (waarvan het tweede Amerika is); de ‘absolute solidariteit’ met Amerika wordt bezegeld (p 184). Adenauer krijgt een voldoende als vertegenwoordiger van de ‘vrije wereld’. En – wat wel de meest beschamende onkunde aantoont – ‘kapitalistische ideologie schuift hij terzijde als een marxistische insinuatie aan het Westen’. Dat alles brengt natuurlijk met zich mee, dat feiten die niet minder inhumaan zijn dan de partijdictatuur in Sovjet Rusland, eenvoudigweg verstopt blijven. Het feit dat de bom niet door de duivelse staat is geworpen, maar door een andere ( en wel, zoals we meteen door het Franck-Rapport weten, overbodig) dat feit wordt in de 500 pagina’s niet gebruikt om de moraal van het Westen en van Amerika zo stevig te kritiseren, dat ze zijn conclusies wezenlijk beïnvloeden. Stel u nu eens voor, aub, dat Hiroshima door een Sovjetbom was vernietigd, en dat de Sovjet-Unie die eerste bom nog had laten volgen door een tweede, terwijl Japan al op de grond lag en bereid was te capituleren,- je kunt het je niet eens indenken hoe die daden dan uitgebeend zouden worden . Of beter: dat is wel te denken: deze daden zouden uitgebeend worden als de kroon op alle andere bloederige en rokende bewijzen voor het zogenaamde devies van het totalitarisme: [42] : ‘Het doel heiligt de middelen’. Als typische bewijzen van totalitaire gewetenloosheid.
En dat zou terecht zijn. Daarmee ben ik bij het basale valse kernpunt van Jaspers, dat een gebrek is dat het boek, ondanks menige ware en imposante pagina’s simpelweg onbruikbaar maakt.
Nucleaire dreiging ( die, zoals we weten al bestaat in het ‘hebben’ van atoommacht sec) is namelijk geen alternatief voor totalitarisme maar de buitenlands politieke versie van het totalitarisme. Het definitieve alternatief luidt niet: ‘Totalitarisme of atoomdreiging’ maar: ‘ofwel een macht dreigt met atoombommen, omdat ze toch al totalitair is, of wel en macht wordt totalitair omdat ze dreigt met atoombommen.’

Versta mij niet verkeerd. Ik beweer natuurlijk niet dat de Verenigde staten of Groot-Brittannië concentratiekampen hebben of dat daar massa liquidaties plaatsvinden. De nucleaire dreiging heeft nog niet de verschrikkelijke interne verschijnselen van het totalitarisme met zich gebracht. Maar het was natuurlijk ook geen toeval dat het gevaar van een totalitaire staat lijkend op het fascisme zijn hoogtepunt had toen het nucleaire monopolie nog niet ontploft was. Toen bestond in de USA het gevaar van een omslag van zachte en onbloedige terreur van conformisme naar een harde en bloedige; maar het monopolie was al wel bedreigd).Dat de donkere wolk boven Amerika, dus het Mc-Carthy gevaar, voorbij getrokken is, hangt zeker samen met het feit van het verlies van het atoommonopolie.
Hoe dan ook wat ik bedoel is niet intern totalitarisme. Maar wie nucleaire almacht bezit, wordt door het feit van dat bezit automatisch en onvermijdelijk een totaal-afperser. Hij kan niet anders dan de niet-bezitters als ‘likwideerbaar’ opvatten. Die zijn automatisch veranderd in wezens die overgeleverd zijn aan de voorwaarden van de bezitters. Zij voelen zich voortdurend [43] likwideerbaar. Ze zijn alleen nog maar in leven omdat de afpersing niet waar gemaakt is. Of nog niet.
‘Leven als nog-niet-gelikwideerden’ is de definitie van leven in een totale staat.En zo leven betekent natuurlijk alleen nog maar fysisch leven. Zonder de kans het ‘wezenlijk menselijke’, namelijk vrijheid, nog  te kunnen realiseren.

Met andere woorden: niet alleen het totalitarisme vernietigt het wezen van de mens,de atomaire toestand doet dat ook. En de huidige situatie nu er alleen nog maar mee gedreigd wordt doet dat al. En anders dan het totalitarisme zal deze (gesteld al dat het fysische leven van de mensheid behouden blijft) het ‘wezen van de mens’ zelfs definitief vernietigen. Definitief: want de dreiging zal nooit een einde nemen, omdat ook dan als alle atoomwapens afgeschaft zouden zijn, de ‘know how’ niet mee afgeschaft zou zijn, en niet mee afgeschaft zou kunnen worden.
Het alternatief dat Jaspers tot kernpunt maakt van zijn boek, sijpelt door onze vingers weg. Als de dubieuze uitdrukking ‘totalitair’ toch gebruikt moet worden, dan moet je zeggen: de atomaire situatie is al totalitair.  En de gedachte dat je een totalitair middel: namelijk het dreigen met de atoomoorlog die het er zijn en het wezen van de mensheid vernielt, als middel inzet tegen het gevaar van Sovjet Rusland (die hooguit een bedreiging van voorbijgaande aard jegens het wezen van de mens is, maar zeker niet van zijn er zijn)  die gedachte is simpelweg niet goed doorgedacht. Hij kan alleen als goed doorgedacht gelden, als men Jaspers niet vraagt: ‘Wat vindt U?’ maar ‘Voor welke lezers hebt u dat geschreven?’

Tot zover over het grondgebrek van de positie van Jaspers. Nu nog een paar opmerkingen over zijn houding. Jaspers blijft een pure apoclypticus-van-de-preekstoel. Wat is zijn advies?
Aan het eind van zijn boek, op de laatste dertig pagina’s beantwoordt Jaspers deze vraag, die hem herhaaldelijk is gesteld. Zoals gezegd – en ik onderstreep dat nogmaals – ik ken maar [44] weinig schrijvers, die het gevaar zo onverholen hebben geschilderd als Jaspers. En eveneens onze verplichting om onszelf en anderen te informeren zo ondubbelzinnig hebben uitgesproken; neen meer dan dat: onze verplichting om bewust onze angst op te voeren. En toch: een vreemde angstvalligheid , om niet te zeggen een burgermans braafheid weerhoudt hem ervan zijn advies, c.q. zijn waarschuwing aan alle tijdgenoten gelijkelijk te adresseren. Hij maakt juist een uitzondering voor die mannen die, zoals ik hierboven heb gezegd, tot wie het morele appèl als eerste , ja bijna uitsluitend gericht zou moeten zijn. Hij schrijft namelijk: ‘De angst van leidinggevende politici die hoeft misschien niet groter te worden’. (p .473)duidelijk toch wel niet, omdat die weten wat ze doen; wat, als dat zou kloppen- het atomaire gevaar nergens over zou gaan. Want dat gevaar bestaat immers nergens anders in dan dat juist zij die beslissen over zijn of niet zijn niet weten wat ze doen. En daarin dat juist zij niet de moed opbrengen voor de angst die heden geboden is: ze weten nog niet eens dat de moed die nu gevraagd wordt bestaat in de moed tot die angst. Helemaal lekker voelt ook Jaspers zich niet bij deze inperking die de staatslieden in het gevlei komt. Hij wordt er zo bang van dat hij in de volgende bijzin weer een beperking geeft. Maar waarheden bestaan niet uit beperkte beperkingen.
Hoe dan ook bijna het hele advies van Jaspers is: zelfverandering.
Wel, enige van u zullen wel weten dat ik daar heel dicht bij zit. Al in 1954 heb ik ‘De vorming en uitbreiding van de morele fantasie’ als een opgave aangemerkt die nu helemaal moet. (Jahresring 55/56 p 97 e.v.) Maar natuurlijk zou het nooit bij me opkomen die zelfverandering te claimen zonder de daarbij vanzelfsprekende vooronderstelling dat degene die het probeert de volgende stap in de simpelste wijze maakt: de stap naar actie. In zeker zin [45] zou men misschien kunnen beweren dat Jaspers die stap ook gezet heeft: want om te besluiten tot zijn rol als Magister Germaniae of Magister Mundi, die hij in zijn Rede in de Pauluskerk gespeeld heeft, moest hij inderdaad uit de intimiteit van zijn filosofie naar buiten komen en uit zijn stijl van communiceren.
En toch: hoewel hij zelf publiek ging heeft hij ons niet naar de openbaarheid geroepen en ons niet de straat opgejaagd, om de dreiging die hij zo goed kent te bestrijden en hen die met de dreiging spelen, die hij zo weinig kent.
‘De …. angst’, lees je in zijn boek, ‘mag zich niet slechts omzetten in planbare maatregelen, in verdragen etc. Het redden van de mensheid lukt niet als doel dat je kunt plannen’(wel goed vertaald? jab). Zeker niet. Maar uit angst voor ‘planning’ vergeet Jaspers, dat er een manier van handelen bestaat, namelijk een soort oppositioneel handelen die met planning in de door hem alleen bedoelde dodelijk-administratieve zin, niets van doen heeft. Hij komt niet op het idee om ons tot wereldwijd protest op te jutten, of tot een staking bij het meewerken aan atoomwapens of bij de aanleg van raketbases e.d. – kortom hij komt niet op het idee echte tegenacties te bevorderen of te eisen, die als ze door miljoenen worden ondernomen het gezicht van de wereldsituatie zouden veranderen. Vermoedelijk schrikt dit vulgaire idee hem diep van binnen af. Hij blijft voornaam gereserveerd. Hij blijft een zuivere apocalypticus- van – de – preekstoel.
Want zijn boek eindigt niet alleen voor de daad; niet slechts voor de oproep om iets te doen; maar zelfs voor het instemmen met zo’n oproep. Alleen zo is zijn afwijzende, hier en daar tot verachting opgelopen stellingname te verstaan tegenover de mensen uit Göttingen. Hij geeft die natuurkundigen aan het eind van zijn kritiek toe ‘het grote thema publiekelijk voelbaar te hebben gemaakt’ (p 277), maar kan daarmee zijn verachting niet uit de wereld helpen.

Hij weigert in elk geval zelf alle actie. ‘Een docent filosofie moet zich bescheiden opstellen.’ onderstreept hij in zijn voorwoord. Waarom eigenlijk? Heeft Plato zich [ 46] bescheiden opgesteld toen hij scheep ging naar Syrakuse? Waarom ‘moet’ hij? Ziet u een andere mogelijke verklaring dan dat de geboden en verboden die voortvloeien uit zijn ‘als’, uit zijn functie als ‘Docent filosofie’, veel strikter voor hem zijn dan de geboden en verboden die hij als moriturus van het atoomtijdperk te doen heeft? Ik vraag u: mag iemand die over deze zaken schrijft zijn burgerlijk beroep wel uitoefenen? Zijn leerstoel filosofie?
Mij dunkt dat filosofie betekent: niet als iemand spreken. Niet bv als specialist, of als ambtenaar. Neen, hoe paradoxaal dat ook mag klinken, nog niet eens als filosoof. En daarom kunnen we Jaspers’ spijtbetuiging dat hij slechts docent filosofie is en zich dus bescheiden moet opstellen, niet accepteren.
En waar staat dat het filosofisch is om onder alle omstandigheden docent filosofie te zijn? Alles op zijn tijd. In elk geval heeft Jaspers het niet inmengen en de zelfbeperking van de academische filosofie van de laatste eeuw (waarin als mannen die zich wel degelijk inmengden alleen de niet academici, Kierkegaard, Nietzsche en Marx te noemen zijn) niet doorbroken. Heel bijzonder hoe hij het pathos van de ‘magister mundi’ verbindt met neutralisme.

Die formulering zal Jaspers wel een doorn in het oog zijn. Want – en daarmee kom ik op mijn tweede punt – het woord ‘neutralisme’ (of liever het motto dat hij zonder enig wantrouwen jegens buitenlandse woorden gebruikt) staat voor hem gelijk met ‘immoreel’ (Unmoral). U weet dat tegenwoordig dat woord niet anders wordt gebruikt dan 35 jaar geleden het woord ‘untermensch’.  Dus als vogelverschrikker; een middel om iemand in diskrediet te brengen.
Zoals Japsers de uitdrukking gebruikt heeft het een exclusief voor-atomaire zin. ‘Neutralist’ noemt hij namelijk uitsluitend personen uit de zwerm (? Folie) van de tegenstelling Oost-West; hen die als het hard tegen hard gaat nergens willen staan en ook nergens gestaan willen hebben, En die hun handen in onschuld wassen en hopen (omdat de zaken waar het om gaat hen zogenaamd niet aangaan) [47] er ook niet door getroffen te worden. Omdat in deze definitie de atoomsituatie nog niet verdisconteerd is, is ze vandaag de dag simpelweg onzin. Het begrip ‘neutralisme’ , als men dat dan per se overeind wil houden, zou helemaal nieuw gedefinieerd moeten worden m.h.o op de atoomsituatie.
Als we dat doen, dan hebben we onder ‘neutralisten noch-noch-figuren  te verstaan, die (zoals de meeste staatslieden tegenwoordig) noch oorlog willen noch ertoe bereid zijn de stappen te zetten die beslist gezet moeten worden om de vrede in het atoomtijdperk te garanderen. Een ‘neutralist’ in deze zin is Jaspers zelf natuurlijk.
Als je ons , zoals Jaspers dat doet, ‘neutralisten noemt, of de mensen uit Göttingen, – dan is dat pure misleiding. Inderdaad verdenkt Jaspers de mensen uit Göttingen van een ‘zonder-mij-mentaliteit’. De ‘zonder-mij-man  of -staat’ is de ‘neutralistische’. Wat simpelweg absurd is, omdat een van de belangrijkste stellingen van de fysici, ook van die uit Göttingen van tegenwoordig is, exact de bewering dat er in geval van een atoomoorlog überhaupt geen ‘zonder-mij-kansen’ meer kunnen bestaan. Juist omdat zij dat weten ( zelfs beter weten dan Jaspers) juist daarom hebben ze hun verklaring uitgegeven. En juist omdat wij dat ook weten, staan wij een ‘neutralisering’ van de nucleaire bedreiging voor.

En nu nog twee slotopmerkingen.
Ten eerste: Blijkbaar vindt Jaspers het onwaardig ( om niet te zeggen: ordinair) om uitsluitend voor het voortbestaan van de mensheid op te treden; dus voor het bestaan sec. Waarom zou ‘sein’ ook ‘waarde’ zijn? Het komt op het wezen van de mens aan. [48]

Laten we gerust toegeven: er bestaat geen – hoe zal ik dat noemen? – geen leger, geen minder geestrijk doel dan het redden van het bestaan sec van iets.  Elke particuliere en specifieke onderneming of het nu bestaat in het onderwijs aan een kind, of in de oprichting van een instituut of in het schrijven van een roman , is kenmerkender en meer geestelijk dan het meest algemene doel dat er bestaat. Maar is het misschien onze schuld, [49] dat wij tegenover deze meest lege doelstelling staan? Hebben wij dat doel gekozen? Er zal wel niemand onder ons zijn,die niet liever een meer bijzonder doel zou willen nastreven. Het is een schande dat wij dit zo algemene doel moeten najagen. Maar het zou een nog grotere schande zijn als we ons te goed vinden om dat doel tot het onze te maken, ja tijdelijk zelfs tot ons enige en uitsluitende doel te maken. ‘Wezen’ is vandaag  van later zorg, en de essentie van de mens helaas een luxe. Opdat die weer op de voorgrond zou kunnen komen te staan, moeten we ons vandaag beperken tot zorg voor de existentie. Als ‘existentialisme’ tegenwoordig (maar dan zeer sterk afwijkend van zijn academische zin) zin heeft, dan deze.
Als een medemens het gevaar loopt in een ravijn te storten, dan moet je niet  zijn ‘wezen’ bij de kraag vatten, maar hemzelf.
Ten tweede – en daarmee ben ik bij de laatste opmerking aangaande het boek van Jaspers. Als zodanig ligt het namelijk vlak tegen het komische aan. Er zijn formats die de waarheid zo flagrant schenden, dat ze absurd aandoen. Op het moment dat er oneliners, stellingen en regels geboden zijn, komt hij met een vijfhonderd pagina’s dik boek. Het is alsof hij een drenkeling een reddingsboei toewerpt met het gewicht van een universiteit.
Ik vraag u: Wie behalve wij academici lezen zo’n boek? Wie in de wereld van vandaag is genoeg geoefend, bedreven genoeg  en geduldig genoeg om dat te doen? En als het gelezen is, dan is het OF ‘alleen maar gelezen’- U begrijpt wat ik daar mee bedoel. OF het resultaat is dat de lezer dat zelfgerechte genot ervaart dat hij een moeilijk boek over een moeilijk thema toch doorgeworsteld heeft; en dan heeft hij bovendien het goede gevoel dat hij ‘niets wijzer is dan te voren’; dus dat hij zich niet gedwongen voelt een bepaalde positie in te nemen. – OF het resultaat is tenslotte dat het boek uitgebeend wordt, bijvoorbeeld door de parlementariërs die met plezier en ernstig gezicht die plaatsen die hun goed uitkomen (namelijk de pijnlijke richting de mensen van Göttingen en de pro Adenauer plaatsen) eruit pikken om ze [50] te citeren als ze over atoombewapening spreken. Boven tafel pronken ze met filosofische spreuken; onder tafel wrijven ze hun handen van plezier over de onverwachte bijval die ze krijgen van de existentiefilosofie. Als Jaspers de vredesprijs (van de Duitse Boekhandel 1958. jab) gekregen heeft dan is het in eerste instantie omdat hij Adenauer met rust heeft gelaten.

De huidige situatie is zeer merkwaardig. Want de gebeurtenissen ontwikkelen zich al op verschillende niveaus tegelijk:
Terwijl de oorlogsministers van verschillende landen hun legers proberen uit te  rusten met Atoom- en waterstofbommen, komen de wetenschappers uit Oost en West bij elkaar om het gezamenlijke gevaar te keren
En niet alleen wetenschappers : want in Genève houden ook vertegenwoordigers van de grootmachten zitting en vaak niet zonder resultaat.
Maar bovendien zijn er overal volksmassa’s, die geprikkeld door het besef van gevaar of door inzicht in het mogelijke gevaar, bijeenstromen – wat ik bijvoorbeeld in Augustus op het Japanse Nationale Congres tegen atoomwapens en voor afbouw mee heb mogen beleven; daar kwamen 12.000 mensen bij elkaar. En een maand later bij de sluiting van de Pugwash Conferentie in Wenen, die door niet minder dan 10.000 mensen werd bezocht.
Mijne heren van de oorlogsministeries! De zaak ligt niet meer alleen in uw handen! Uw angst dat u misschien door deze of gene groep ondergraven zult worden, of ondermijnd, die is al achterhaald.
Want u bent al ondergraven. En wel door miljoenen, die het door hebben dat het atoomprobleem ver boven het hele politieke, militaire, tactische bedrijf uit gaat.
Noem het internationale karakter van deze volksbeweging gerust verraad. Daar geven we niet om. Integendeel. We kunnen ons dat woord toe-eigenen. Want wat wij doen [51] is alleen de wereld verraden, zoals die er nu bijstaat. Omdat het gevaar internationaal is, moet de redding ook internationaal zijn. Omdat raketten, atoomstof, en fantasieloosheid internationale fenomenen zijn, en omdat die de internationale grenzen uitgewist hebben, moeten ook wij die grenzen uitwissen bij wat we doen en denken. De horizon van onze technische prestaties is globaal, daarom moet de horizon van onze internationale solidariteit het ook worden. Omdat we door onze daden iedereen overal op onze ineengeschrompelde planeet treffen kunnen, en omdat wij door iedereen overal vandaan getroffen kunnen worden heeft het doen van iedereen impact op iedereen.
En niet alleen onze buren qua ruimte gaan ons aan, omdat ze zich binnen het bereik van wat we gooien kunnen bevinden, maar ook onze buren temporeel. De naasten die we moeten ‘liefhebben’ leven vooral niet in wat we tot gisteren ‘verre’ of ‘vreemde’ landen noemden. Maar ook in de tot gisteren ‘ver’ genoemde of überhaupt nog niet ontwaarde regionen van de toekomst. Omdat die door dat wat wij vandaag doen, bijv. door onze nucleaire tests ook getroffen zullen worden, raakt hun welzijn ons net zo goed als dat van onze tijdgenoten. Onze alliantie is dus breder dan allianties ooit geweest zijn. Alliantie van alle generaties. De ‘Internationale der eeuwen’ is begonnen. De komende geslachten staan aan onze kant. En het ‘Koor der nog niet geborenen’ begeleidt smekend onze inspanningen.
Versta aub deze bijeenkomst ook in die zin. Ze is er een van honderden; een stuk alliantie, een toevallig exemplaar van de ene bijeenkomst die sinds vele maanden – zij het iedere keer in andere ‘bezetting’ – zitting houdt. Die eergisteren in Tokio, gisteren in Londen en vandaag hier plaatsvindt en morgen ergens anders zal plaats vinden.
En een tweede opmerking naar onze tegenstanders:
Het is niet onze uitzonderlijke wereldwijde solidariteit alleen, waar U moeilijk tegenop kunt, en waar u niet van weet hoe erop te reageren [52] maar ook het uitzonderlijke systeem van de alliantie, dat werkelijkheid is geworden binnen elke groep apart. Mijnheer Bondskanselier, kijk bijvoorbeeld eens naar die mensen, die bij deze beweging horen. Wij komen uit alle bestuurslichamen, verenigingen, groepen, klassen, godsdiensten die u zich maar voor kunt stellen. Het weten van natuurkundigen is hier verbonden met het geweten van kerkbestuurders, en die ziet u vriendelijk naast agnostische schrijvers en schrijvers naast vakbondslieden. Zou u weten hoe je moet reageren op zo’n bont gezelschap van goede wil, Mijnheer de Bondskanselier? Op een cursus over de ‘morele plichten in het atoomtijdperk’ die in Augustus in Tokio plaatsvond, zaten naast mij artsen uit Indonesië, protestantse theologen uit Duitsland en Amerika, vakbondsmensen uit Indië, boeddhistische priesters uit Japan, kernfysici uit de meest uiteenlopende landen en studenten uit Afrika. Kortom: Daar was het principe van alliantie dwars door alles heen nog breder. En dat gaf ons zelfvertrouwen, dat gaf ons het gevoel een ‘derde macht’ te zijn. Omdat we nationaal, wereldbeschouwelijk, godsdienstig, partijpolitiek en qua klasse niet te plaatsen waren, waren we ook bijna onkwetsbaar.
We zijn een Hydra van goede wil: als bijvoorbeeld een anti-nucleaire wetenschapper monddood gemaakt zou worden, dan zou een geestelijke in zijn plaats op staan om zijn stem te doen horen, of een vakbondsman. Of als een vakbondsman ergens op moeilijkheden zou stuiten dan zou een arts in zijn plaats spreken, of een student. En als de beweging in land A geblokkeerd wordt dan zouden bijeenkomsten in land B of C bij elkaar geroepen worden. U krijgt met ons te doen, mijne heren. Want de vreedzame Internationale van goede wil is op weg.
Ik, kom net uit Japan en kan ook zeggen: ‘de beweging marcheert’. Want daar hebben de organisatoren van de beweging zichzelf met honderdduizenden uit stad en dorp werkelijk op mars begeven; namelijk [53] een werkelijke mars gehouden om daarmee de opmars van de beweging zichtbaar en onherroepelijk te maken. Of laten we het liever, omdat het woord ‘mars’ te militaristisch klinkt: een processie noemen. Ik heb het over de tocht, onder aanvoering van de jonge boeddhistische priester Nishimoto in Juli en Augustus vorig jaar. Ze legden duizend gloeiende kilometers af van Hiroshima naar Tokio; twee rijen priesters met trommels voorop, daarachter burgers, boeren, arbeiders uit het explosiegebied, waaronder een afvaardiging van blinden uit Hiroshima. En daar weer achter, steeds wisselend, duizenden inwoners van de streek waar de processie doortrok. Drie niet-Japanners, die zich toen in het land bevonden, een Nederlander, een Peruaan en ik hebben stukken van de tocht meegelopen om van hun kant aan het Japanse volk te laten weten dat allen op hetzelfde doel afstevenden. Bij die gelegenheid sprak ik, zoals in het begin gezegd, op het marktplein in Kioto. Ik kom daar nog een keer op terug, omdat ik daar precies hetzelfde gezegd heb als hier: namelijk dat ook hun processie slechts een onderdeel van een onvergelijkelijk veel grotere processie is, die vandaag al niet meer af te breken is. Een processie waarvan stukken nu eens hier dan weer daar over het aardoppervlak trekken. Om mijn bewering te staven vertelde ik de Japanners van de tocht van de leerlingen, die ik vier maanden eerder in München meemaakte. En zij waren blij toen ze vernamen dat er heel ergens anders hetzelfde gebeurde als bij hen. Zoals u zich hier verheugen mag dat dat wat hier gebeurt elders eveneens gebeurt. Wij zijn ook slechts een stukje van de processie, die niet voor zichzelf loopt, maar voor het overleven van alle tijdgenoten en van alle komende generaties. En tenslotte ook voor het overleven van hen die nu nog zo blind zijn dat ze ons ignoreren of zelfs bestrijden, en die door die strijd hun eigen toekomst en die van hun kinderen bestrijden. [54]

Advertenties