Stellingen voor het Atoomtijdperk

Stellingen voor het Atoomtijdperk.

Door Günther Anders2.1959.
werkvertaling j.a.bos

      1. Hiroshima als toestand van de wereld

Op 6 Augustus 1945, Hiroshimadag, is een nieuw tijdperk begonnen: het tijdperk waarin we op elk ogenblik, elke plek, neen, de aarde als geheel in Hiroshima kunnen veranderen. Sindsdien zijn wij modo negativo almachtig3. Maar omdat we elk ogenblik uitgeroeid kunnen worden betekent dat tevens: sindsdien zijn we volkomen machteloos. Of het nu lang of zelfs eeuwig aanhoudt, dit tijdperk is het laatste: de mogelijkheid van onze zelfvernietiging kan niemand meer ongedaan maken. Alleen het einde zelf kan dat.

      1. Eindtijd versus einde van de tijd

Daarom moet men ons bestaan definiëren als ‘Frist’: wij bestaan als nog-net-niet-niet-bestaanden. Hierdoor geldt een andere morele grondvraag. De vraag “Hoe moet ik leven?” heeft plaats moeten maken voor de vraag “Zullen we wel leven?” Op de HOE-vraag bestaat er voor ons die nog in die ‘Frist’ leven slechts dat ene antwoord: “Wij moeten er voor zorgen dat de eindtijd, die elk moment om kan slaan in het einde van de tijd, eindeloos wordt; dus dat die omwenteling nooit plaats vindt”. Omdat wij geloven aan de mogelijkheid van een “einde van de tijd”, zijn wij ‘apocalyptici’, maar omdat we vechten tegen de door ons zelf veroorzaakte Apocalyps zijn we Apocalyps-vijanden. Dat type bestond tot nu toe niet.

      1. De politiek hanteert geen atoomwapens, maar politiek vindt plaats in de ‘atoomsituatie’

Het is misleidend om te zeggen dat er in de huidige politieke situatie onder andere atoomwapens zijn. Want de huidige situatie wordt uitsluitend bepaald door het gegeven van atoomwapens. Dus politieke handelingen vinden plaats in een atomaire situatie.

      1. Niet wapens maar de vijand

Wij bestrijden niet deze of gene tegenstander die met atoomwapens aangevallen of vernietigd kan worden, maar de atoomsituatie als zodanig. Dat is de vijand van alle mensen en daarom moeten allen die tot nu toe elkaar als vijand hadden beschouwd zich als bondgenoten verenigen tegen deze gemeenschappelijke bedreiging. Vredesmanifestaties die hen uitsluiten met wie nou juist vrede gesloten moet worden, lopen uit op huichelarij, eigengerechtigheid en tijdverspilling.

      1. Atoomdreiging is totalitair

Een geliefde theorie – verdedigd van Jaspers tot Strausz – luidt: “De dreiging van het totalitarisme kan alleen maar gekeerd worden met de dreiging van totale vernietiging”. Dat is een loze frase.

  • De atoombom is al eens gegooid, en wel in een situatie dat er voor hen die hem gooiden geen gevaar bestond om slachtoffer van een totalitaire macht te worden.

  • Het argument is een fossiel uit de oertijd van het atoom- monopolie. Tegenwoordig is het suïcidaal.

  • Het trefwoord ‘totalitair’ is afgeleid van een toestand die niet alleen drastisch veranderd is, maar die nog verder veranderen zal; de atoomoorlog echter sluit de kans op zo’n wijziging uit.

  • Dreigen met atoomoorlog, dus met uitroeiing, is naar zijn natuur zelf totalitair: want ze leeft van chantage en verandert de aarde in een concentratiekamp waaruit niet te ontsnappen valt. Het toppunt van huichelarij is de extreme vrijheidsberoving te plegen uit naam van de vrijheid.

      1. Wat ieder kan treffen gaat iedereen aan

Radioactieve wolken bekreunen zich niet om grenspalen en staten en gordijnen. In de Eindtijd bestaan er geen afstanden meer. Iedereen kan iedereen treffen; iedereen kan door iedereen getroffen worden. Als we niet moreel op de prestaties van onze producten achter willen lopen (wat niet slechts een dodelijke schande zou beteken, maar een schandelijke dood) moeten we ervoor zorgen dat de horizon van wat ons aangaat, dus de horizon van onze verantwoordelijkheid, helemaal uitgebreid wordt over het bereik van de wapens over en weer; letterlijk dus globaal. Er zijn alleen maar ‘naasten’ meer.

      1. Een Internationale van de generaties

Onze morele horizon moet niet alleen maar ruimtelijk verbreed worden, maar ook in de tijd gezien. Wat we nu doen, bijvoorbeeld de atoomproeven, raakt ook de komende generaties, daarom behoren die komende ‘naasten’ nu al in onze kring. Alle ‘komenden’ zijn immers al ‘gearriveerd’, namelijk bij ons, omdat het van ons afhangt. Tegenwoordig is er een Internationale van de generaties waar onze kleinkinderen al lid van zijn. Zij zijn onze naaste in de tijd. Als wij vandaag ons huis in de fik steken, dan slaat het vuur over naar de toekomst en tegelijk met het onze zijn dan ook de nog niet gebouwde huizen van de nog niet geborenen in de as gelegd.
Onze voorouders zijn zelfs lid van die Internationale: want met ons einde zouden zij ook – in zeker opzicht voor de tweede keer maar nu definitief – te gronde gaan. “Er slechts geweest” zijn ze weliswaar nu ook al; maar met hun tweede sterven zijn ze er zo geweest als waren ze er nooit geweest.

      1. Het niets zonder gezicht

De ergste dreiging van het apocalyps-gevaar waarin we leven bestaat daarin dat wij er niet ‘op gebouwd’ zijn, dus dat we niet in staat zijn die Catastrofe in beeld te krijgen. Het is al moeilijk genoeg voor te stellen dat bijvoorbeeld een geliefde er niet meer is; maar vergeleken met de opgave die we als bewuste apocalyptici hebben te vervullen, is dat kinderspel. Want dan luidt de opgave niet dat we ons voor stellen dat iets unieks binnen het raamwerk van een bestaande wereld die ook blijft bestaan, er niet meer is. Maar de opgave is dat we dit raamwerk, dus de wereld zelf, of op zijn minst de mensenwereld, als niet bestaand denken. Deze vorm van abstractie (die als voorstelling van denken en voorstellen de prestatie van onze totale vernietiging zou evenaren) gaat de capaciteit van ons natuurlijke voorstellingsvermogen te boven. Transcendentie in het negatieve. Maar omdat wij als homines fabri die prestatie aan kunnen, dwz : omdat we het totale niets kunnen presteren, moeten we ons niks gelegen laten liggen aan die beperkte capaciteit, dus aan onze begrensdheid. We moeten tenminste proberen het niets ook voor te stellen.

      1. Wij zijn omgekeerde Utopisten

Het basis dilemma van ons tijdperk is dus: wij zijn kleiner dan wij zelf zijn. Namelijk: we kunnen ons geen beeld maken van wat we zelf kunnen maken. In dat opzicht zijn we omgekeerde utopisten : terwijl utopisten dat wat zij zich voorstelden niet kunnen realiseren, kunnen wij ons niet voorstellen wat we (wel) kunnen realiseren.

      1. ‘Prometheus op achterstand’

Dit is geen bijkomstige aangelegenheid, maar dit bepaalt de morele situatie van tegenwoordig: Men kan tegenwoordig de mensen niet verdelen naar geest en vlees of naar plicht en neiging maar naar ons vermogen om te maken en ons vermogen ons dat voor te stellen: dus ‘Prometheus op achterstand’.

      1. Over de drempel

Die achterstand scheidt niet slechts de voorstelling van iets en het maken ervan, maar ook voelen en maken, en verantwoording en maken. Als het helemaal moet zou men zich voor kunnen stellen en invoelen en verantwoorden dat men een enkele mens vermoordt; maar dat gaat niet als het om honderdduizend gaat. Hoe groter het mogelijke effect van een daad, des te slechter kunnen we die voorstellen, voelen of verantwoorden; hoe groter de ‘achterstand’ des te zwakker het remsysteem. Met een enkele druk op de knop honderdduizenden ombrengen is oneindig veel makkelijker dan een enkele mens. Uit de psychologie weten we dat een prikkel onder een bepaalde drempel kan blijven, de tegenhanger daarvan is de prikkel boven een bepaalde drempel dan is het te groot om nog een reactie op te roepen, bijvoorbeeld stoppen.

      1. Onze zintuigen duiden vals. Fantasie is realistisch

Omdat de horizon van ons bestaan en die van de effecten die we oproepen grenzeloos is geworden (zie boven, het is de horizon waarbinnen we kunnen treffen en geraakt worden) zijn we verplicht ons die onbegrensde horizon voor te stellen, ook al voelen we ons te zeer geborneerd om dat te proberen.
Als enig orgaan der waarheid komt uitsluitend het voorstellingsvermogen in aanmerking, hoewel het van nature ontoereikend is. In elk geval komt het waarnemingsvermogen niet in aanmerking. Dat is de ‘valse getuige’ en nog veel valser dan die waar de Griekse filosofie al zo voor waarschuwde. Want zintuiglijkheid is per definitie kortzichtig en beperkt, haar horizon is ‘zinloos’ nauw. De escapisten emigreren tegenwoordig niet naar Fantasialand, maar naar het land van de waarneming.
Vandaar ons gegronde onbehagen en ons wantrouwen jegens beelden die geschilderd zijn met normaal verdwijnpunt : hoewel het gebruikelijk is die als realistisch op te vatten, moet dat nog onderzocht worden! Dat imoet je toch gewoon zelf al beseffen dat zijn die in feite onrealistisch, omdat ze in tegenspraak zijn met onze wereld die wereldwijd4 is geworden.

      1. Moed om angst te hebben

De vitale ‘voorstelling van het niets’ is niet identiek aan wat in de psychologie aangeduid wordt als ‘voorstelling’; veel meer groeit ze uit tot concrete angst. Onze angst is te klein die weegt niet meer op tegen de omvang van de bedreiging. – Niets is valser dan de geliefde redenering van de half-beschaafden, dat we toch al in het ‘tijdperk van de angst’ leven. Dat wordt ons alleen maar aangepraat in schrijfsels voor hen die bang zijn dat we echt eens de angst zouden opbrengen die moet dat nog onderzocht worden! Dat imoet je toch gewoon zelf al beseffen dat echt past bij het gevaar. Daarentegen leven we in het tijdperk van de ‘Verharmlosung und der Unfähigkeit zur Angst’5. De plicht om ons voorstellingsvermogen uit te breiden betekent dus in concreto: We moeten onze angst verbreden. Marsorder: Wees niet bang voor angst, heb de moed om bang te zijn. Ook de moed om anderen bang te maken. Maak je naasten bang zoals je zelf. – Maar onze angst moet van een heel speciale soort zijn:

  • Een vreesloze angst want we zijn niet bang voor hen die ons als angsthazen willen wegzetten. Moet dat nog onderzocht worden! Dat moet je toch gewoon zelf al beseffen.

  • Een vitaliserende angst, want in plaats dat die ons binnenskamers houdt, moet die ons de straat op drijven.

  • Een liefhebbende angst die bang is om de wereld, niet voor wat ons kan overkomen.

      1. Productief falen

Het zal steeds weer blijken dat we de opdracht om ons voorstellingsvermogen en onze angst te vergroten niet kunnen uitvoeren. We zouden er de kloof tussen wat we kunnen maken en wat we ons nog kunnen voorstellen mee moeten dichten. Maar er is zelfs geen garantie dat we bij pogingen ertoe voortgang zullen boeken. Zelfs daardoor mogen we ons niet laten afschrikken; als we steeds weer falen, spreekt dat niet tegen de herhaling van de poging. In tegendeel: Elke mislukking is heilzaam, want het houdt ons alert tegen het gevaar dat we iets dat we niet kunnen voorstellen (nl de zelfvernietiging, jab) toch realiseren omdat het ons niks kan schelen.

      1. Verschuiving van wat ver weg is.

Als men wat ik over ‘eind aan afstanden’ en over de ‘kloof’ zei, samenvat – en alleen opgeteld krijgen we een totaalbeeld van onze situatie – dan is het resultaat: afstanden in ruimte en tijd, zijn wel is waar opgeheven; maar dat is duur betaald met een nieuwe vorm van ‘afstand’: en wel door de dagelijks breder wordende afstand tussen het maken van een product en de voorstelling ervan.

      1. Einde van de comparatief

Onze producten en hun effecten zijn niet alleen maar groter geworden dan wij kunnen voorstellen (voelen, verantwoorden) maar zijn ook groter dan wij op een zinvolle manier kunnen toepassen.
Het is bekend dat dikwijls de productie en het aanbod de vraag overstijgen, Maar ons aanbod transcendeert zelfs onze behoefte, want het bestaat uit zaken die we niet nodig kunnen hebben; ze zijn in absolute zin te groot. Daarmee dwingen we ons zelf om onze producten te domesticeren; zoals we tot nu toe deden met de natuurkrachten. Onze pogingen om ‘schone wapens’ te maken vertegenwoordigen een uniek type: want daarmee proberen we producten te verbeteren door ze slechter te maken; namelijk dat we het effect ervan kleiner maken.

Het opvoeren van de producten is zinloos geworden. Omdat het aantal en de prestatie van de wapens die er nu al zijn al voldoende zijn om het absurde doel van de uitroeiing van de mensheid te bereiken, is de opvoering van de productie ervan, zoals die tegenwoordig plaats vindt, noch absurder; en dat bewijst dat de producenten in feite niet begrijpen wat ze geproduceerd hebben. De comparatief, het principe van vooruitgang en concurrentie is zinloos geworden. Doder dan dood kan men niemand dood maken. In de toekomst kan men niet beter vernietigen, dan we nu al kunnen.

      1. Beroep op competentie is een bewijs van incompetentie

Jaspers bv. neemt aan dat de ‘Heren van de Apocalyps’: zij die omwille van hun militaire of politieke machtspositie – hoe ze daar ook maar aan zijn gekomen – nu de verantwoordelijkheid dragen, beter opgewassen zijn tegen de eisen die dit met zich meebrengt dan zij die alleen maar ‘morituri’ zijn; of dat die heren zich dit verschrikkelijke beter kunnen voorstellen. Dat is een lichtvaardige misvatting. Zelfs de aanname dat zij tenminste weten dat ze dat zouden moeten kunnen is lichtvaardig. Hier is veel meer argwaan op zijn plaats: de argwaan dat ze helemaal niks in de gaten hebben.

  • Dat bewijzen ze met name door te beklemtonen dat wij (anti-atoombeweging, jab) op ‘het gebied van de kwesties van atoomtheorie en atoombewapening’ incompetent zouden zijn. En dan raden ze ons aan ons er toch liever niet tegenaan te bemoeien. Dat is precies het bewijs van hun morele incompetentie: want dan geloven ze dat hun rang hun het monopolie en de deskundigheid verleent om over het ‘to be or not to be’ van de mensheid te beslissen; en dat ze de ‘Apocalyps’ voor een ‘vak’ houden.

  • Velen van hen doen alleen een beroep op ‘competentie’ om de antidemocratische pointe van hun monopolie weg te borduren.

  • Als het woord ‘democratie’ iets te beteken heeft dan toch dat wij het recht en de plicht hebben mee te beslissen over aangelegenheden betreffende de ‘res publica’, dus over die zaken die aan gene zijde van onze beroepsmatige competentie liggen en die ons niet als deskundigen aangaan, maar als burgers of mensen.

Er is dus geen sprake van dat wij ons ‘er in mengen’ want als burgers en mensen zijn we er al ingemengd. Ook wij zijn de res publica. Er is nooit een aangelegenheid geweest die meer ‘publica’ is dan de huidige beslissing over ons voortbestaan. Zal er ook nooit zijn. Als wij van deze ‘inmenging’ afzien verzuimen we onze democratische plicht.

      1. Afschaffing van de ‘handeling’

De mogelijke vernietiging van de mensheid lijkt een ‘handeling’ te zijn; wie aan de vernietiging bijdraagt lijkt een handelende te zijn. Is dat juist? Ja en neen. Waarom Neen?

Omdat er bijna geen handelen in behaviouristische zin meer is. Dat wil zeggen:omdat wat vroeger ‘handelen’ was, en wat ook nu nog door de handelende personen zelf als zodanig wordt aangezien, vervangen is door processen van andere aard. – 1. door arbeid. 2. door activering.

Ad 1. Arbeid als vervanger van ‘handeling’. Zij die in de liquideringsfabrieken van Hitler werkten hadden ‘niks gedaan’, geloofden dat zij ‘niks gedaan’ hadden omdat zij ‘alleen maar hun werk’ deden. Onder ‘alleen maar werken’ versta ik de soort prestatie waarbij het ware gezicht van de arbeid van de werker onzichtbaar blijft; neen, dat die de werker helemaal niets meer aangaan mag. Dit is in de huidige fase van de industriële revolutie vanzelfsprekend en heeft de alleenheerschappij. Kenmerk van de huidige job is dat ze moreel neutraal is, ‘non olet’; al is het doel van een baan nog zo slecht, dat kan de werker niet besmeuren. Bijna alle handelingen die mensen opgedragen krijgen, worden aan dat type prestatie gelijk.

  • Baan als dekmantel van de handeling. Door die dekmantel bespaar je het de massamoordenaar schuldig te worden, omdat je je baan niet alleen niet hoeft te verantwoorden, maar die kan zogenaamd niet schuldig maken.

  • Onder de huidige omstandigheden moeten we de bestaande vergelijking ‘Elke daad is een job’ omkeren in ‘Elke job is daad’.

Ad 2. Activering – vervanging van Arbeid. Wat van een baan geldt, gaat helemaal op voor activering. Want activering is die job, waarin het specifieke van een job namelijk de moeite en het vermoeidheidsgevoel afgeschaft zijn. Activering – dekmantel voor baan. Tegenwoordig kan werkelijk bijna alles door activering afgeschaft worden. Zelfs ketens van uitroeiing kunnen door een enkele druk op de activeringsknop op gang gebracht worden; dus ook het ombrengen van miljoenen mensen. Gebeurt dat, dan is deze handeling (in behaviouristische zin) geen job meer, laat staan een daad. Hier wordt eigenlijk zo goed als niets gedaan, hoewel het effect van dit niets doen de vernietiging is en het niets. Niemand die op de knop drukt – stel dat die er is – ervaart nog dat hij wat doet; en omdat plaats van handeling en plaats van lijden niet meer samenvallen, omdat oorzaak en effect uit elkaar gerukt zijn, ziet niemand wat hij doet. – ‘Schizotopie’ naar analogie van ‘schizofrenie’. Opnieuw duidelijk: (zie boven) Alleen wie de voorstelling van het effect aan kan, heeft een kans op de waarheid; de waarneming leidt tot niets. – Deze vorm van vermomming was er nog nooit: vermommingen van vroeger hadden tot doel om het toekomstige slachtoffer van een misdaad, de vijand, te verhinderen het hem dreigende gevaar te onderkennen (of had tot doel de dader te beschermen tegen de vijand) maar vermommingen hebben tegenwoordig tot doel de dader zelf te verhinderen te onderkennen wat hij doet. In zo verre is ook de dader slachtoffer; zo gezien hoort Eatherly6 bij hen die hij omgebracht heeft.

      1. De leugenachtige gedaante van de leugen van tegenwoordig

De voorbeelden van vermomming leren ons iets over de huidige vorm van de leugen. Leugens hoeven tegenwoordig niet meer de vorm van een uitspraak te hebben. (‘Einde van de ideologieën’) Omgekeerd bestaat hun sluwheid er juist in dat zij zich zo verkleden, dat de verdenking van leugen niet meer op komt; zelfs niet dat het een leugen kan zijn. En wel om dat ze niet meer verkleed zijn als uitspraken. Terwijl tot nu toe leugens heel eerlijk als waarheden vermomd gingen, vermommen ze zich nu anders.

  • Naakte losse termen komen in de plaats van onware uitspraken. Die wekken de indruk dat ze niks willen beweren, maar ondertussen hebben ze hun (leugenachtig) predicaat al bij zich. – Zo is bijvoorbeeld het woord ‘Atoomwapen’ al een leugenachtige uitspraak, omdat het veronderstelt dat het om een ‘wapen’ gaat.

  • Vervalste realiteiten komen in de plaats van onjuiste uitspraken over de werkelijkheid. (daarmee zijn we bij het zojuist behandelde) Zo zijn daden die als ‘job’ worden opgevoerd geen daden meer. Dat gaat zo ver dat ze zelfs voor de dader niet meer herkenbaar zijn als daad. En omdat hij dan alleen maar gewetensvol zijn job gedaan heeft, krijgt hij de kans om met een compleet gerust geweten gewetenloos te zijn.

  • Dingen treden in de plaats van valse uitspraken. Zolang een daad nog verkleed gaat als job, is het nog de mens zelf die bezig is. Ook al weet hij niet wat hij met zijn job doet, namelijk dat hij (wel degelijk) een daad7 stelt. De grote triomf van de leugen is dat ze ook dat minimum afschaft – dat is al gebeurd. Want de daad heeft zich (natuurlijk door een daad van de mens) uit het handelen van de mens gehaald en opgeslagen in een andere regio: namelijk in die van de Producten. Dat zijn nu in zekere zin ‘geïncarneerde daden’. De atoombom is (door het blote feit dat ie er is) een blijvend chantagemiddel. – en dat chantage een daad is, is toch wel onbestrijdbaar. – Dat is de hoogste vorm van leugenachtigheid van de leugen: Wij weten nergens van, wij kunnen fatsoenlijk blijven. Onze naam is haas. – Dat is de absurditeit van de situatie: Op het moment dat wij de verschrikkelijkste daad kunnen stellen die er bestaat namelijk de verwoesting van de wereld, is er schijnbaar in het geheel geen sprake meer van daad. Omdat het blote feit dat ons product er is, al een daad is, is de gebruikelijke vraag wat we eens met ons product zullen gaan doen (of we het bijvoorbeeld als ‘afschrikking’ zullen gebruiken) van secundair belang; het is zelfs misleidend, want die daad verdoezelt dat die dingen door hun blote bestaan altijd al ‘gewerkt’ hebben.

      1. Geen verzakelijking, maar pseudo-personalisering

Met de term verzakelijking kun je niet precies aan geven dat producten ‘geïncarneerd handelen’ zijn, want het zegt alleen dat de mens op zijn zaak-functie terug gebracht wordt; maar het gaat hier om de andere kant van dit proces (die tot voor kort door de Filosofie werd veronachtzaamd): namelijk dat wat je aan de mens ontneemt aan de producten aangroeit: dat die producten door het blote feit van hun bestaan, al iets doen, tot pseudo-persoon worden.

      1. De lijfspreuk van de Pseudo-personen

Deze pseudo-personen hebben hun eigen keiharde basisregels. Zo is bijvoorbeeld de basisregel van atomaire wapens puur nihilistisch, want voor hen is alles een. In die wapens heeft het nihilisme zijn hoogtepunt bereikt en is verworden tot een schaamteloos Annihilisme. Omdat onze ‘daden’ in jobs en producten zijn opgeslagen, kun je gewetensonderzoek niet alleen meer uitvoeren door de stem van je geweten te beluisteren, maar je moet ook de stomme principes en lijfspreuken van ons werk en van onze producten beluisteren; en we moeten ook die opslag ongedaan maken: dus alleen die jobs doen voor de effecten waarvan we ook in kunnen staan, alsof ze directe effecten van ons optreden zouden zijn; en dat we alleen die producten zullen hebben waarvan het bestaan die daden ‘incarneert’ die wij ook zelf zouden kunnen doen.

      1. Macabere afschaffing van de vijand

Als plaats van misdaad en plaats van lijden uit elkaar gerukt zijn (zie boven) als dus het lijden niet ter plekke van de daad plaats vindt, wordt een daad een daad zonder zichtbaar gevolg, lijden tot lijden zonder herkenbare oorzaak. Daardoor ontstaat een weliswaar bedrieglijk bestaan zonder vijanden.

Een eventuele atoomoorlog zal de oorlog met de minste haat zijn, die ooit gevoerd is: de aanvaller zal zijn vijand niet haten, omdat hij hem niet zal zien; de getroffene zal de aanvaller niet haten omdat er geen aanvaller te bespeuren is. Niets is meer macaber dan deze vrede (die natuurlijk met positieve mensenliefde überhaupt niets van doen heeft). In de verhalen van de slachtoffers van Hiroshima valt op hoe zelden de daders genoemd worden, (en wanneer dat al het geval is, met hoe weinig haat). Maar men zal vijandschap wel onontbeerlijk vinden in deze oorlog, daarom zal die als apart product geleverd worden. Om die haat te kunnen voeden zal men zichtbare objecten opstellen waar men zich mee kan identificeren, ‘Joden’ van allerlei soort; in elk geval binnenlandse vijanden: want om echt te kunnen haten, heeft men iets nodig waar men de hand op kan leggen. Met de daadwerkelijke gevechtshandelingen zal deze vorm van haat geen enkele betrekking kunnen hebben: hoe schizofreen de situatie is, zal ook daaruit blijken dat haten en toeslaan zich op totaal verschillende doelen richten zullen.

Niet alleen van deze laatste, maar van alle stellingen die ik hier opstelde geldt: ze zijn opgeschreven opdat ze niet waar zullen worden. En ze kunnen alleen niet waar worden, als we onafgebroken in het oog houden, dat ze hoogst waarschijnlijk zijn, en dat we daarnaar handelen. Niks is erger dan gelijk te krijgen.
Zij echter die zich laten verlammen door de donkere waarschijnlijkheid van de Catastrofe en de moed verliezen blijft alleen maar over uit liefde voor de mensen de cynische vuistregel te gehoorzamen: ‘Als ik vertwijfeld ben, wat heb ik daar mee te maken! We gaan door alsof we het niet zijn!’

Bovenstaande tekst niet te verwarren met een tekst die oorspronkelijk in de Frankfurter Algemeine Zeitung was afgedrukt onder de titel “Gebote des Atomzeitalters”,( nb hier bestaat een geluidsopname van) maar later opgenomen werd in Hiroshima ist überall; p. 218 ev. Als onderdeel van de briefwisseling met Claude Eatherly.
De tekst die ik hier vertaal is te vinden in ‘Die atomare Drohung’ p. 93 t/m 105. Daarvan heb ik de pocketuitgave uit Beck’sche schwarze Reihe nr. 238 gebruikt. (jab)

2 In Februari was er een studiebijeenkomst over de problematiek van de ethiek in het Atoomtijdperk in het Klubhaus der Freien Universitãt Berlin. Na afloop daarvan vroeg men mij diskussiestellingen achter te laten. Ik improviseerde haastig een tekst, met het verzoek die alleen voor discussie te gebruiken. Later gaf ik het vrij voor een bredere discussie.

3  Cursiveringen in de tekst zijn van Anders zelf. (jab)

4 Duits: weithorizontig. (jab)

5 Alleen maar te omschrijven, niet te vertalen: “tijdperk waarin we angst niet meer op kunnen brengen, en waarin angst bovendien als onnodig wordt neergezet, omdat het gevaar niet zo groot is”.

6 Piloot van het verkenningsvliegtuig dat de bommenwerper met de atoombom voor Hiroshima aangaf dat de bom afgegooid kon worden wat het weer betreft. (jab)

7 Waar je dus verantwoordelijkheid voor draagt. (jab)

Advertenties