Atoomdreiging: Voorwoord 2e druk

(Werkvertaling door jan anne bos van ‘
Atomare Drohung,
radicale Überlegungen’ door Günther Anders.
Uitg C.H.Beck. München 1983, 4e druk
.)

Voorwoord tweede druk

Toen deze bundel essays negen jaar geleden voor het eerst verscheen, bevatte ze geen ‘laatste werken’ maar stukken die tussen 1958 en 1967 waren ontstaan. Ze waren buitengemeen actueel – daarmee probeer ik niet mijn teksten te prijzen, maar het feit dat het gevaar waarin de wereld anno 1972 verkeert nog net zo acuut was als in 1958 toen de eerste bijdrage verscheen.
Wat van 1972 gold, geldt nu ook van 1981.
De overwegingen in dit boek kunnen niet in-actueel worden, want hun thema: het gevaar van de totale catastrofe bestaat voortdurend. Ze bestaat niet alleen voort omdat we de methoden van de zelfvernietiging niet meer afleren kunnen,  maar ook omdat we niet meer schrikken: zo zeer zijn we gewend aan het bestaande gevaar. De uitdrukking ‘leven met de bom’ vinden we al lang en breed saai. We zijn niet alleen ‘Apokalyse-blind’ (zoals ik dertig jaar geleden onze toestand omschreef) maar ook ‘Apokalypse-stom’ want we weten nu wat op het spel staat.
Fundamenteel is er niets veranderd sinds ik dertig jaar geleden mijn eerste opstel over dit ‘thema’ afsloot. Het parmantige gereken over de vermenigvuldiging van de explosie kracht en de reikwijdte en de niet bij te houden vermenigvuldiging van het aantal opgeslagen wapens, en de door die opslag in gevaar gebrachte regio’s is fundamenteel niets nieuws.Ze bewijst slechts de idiotie die destijds al bestond bij technocraten, staatslieden en leger, die niet kunnen begrijpen, dat we het ‘einde van de comparatief’ bereikt hebben. Je kunt de mogelijke, om niet te zeggen waarschijnlijke vernietiging van het leven op aarde niet nog meer opvoeren. De comparatief ‘doder’ bestaat niet.

Fundamenteel is het ook niets nieuws dat het aantal bezitters van atoomwapens toeneemt,- tegenwoordig is er bijna geen land dat die wapens niet heeft of niet in staat is ze te maken. Ik heb dat probleem al behandeld in het eerste artikel van mijn bundel uit 1958 over de fabricage van de Franse bom. – Ook de uitvinding van de neutronenbom stelt niet echt iets nieuws voor. Ondanks de perverse nuance, die aangeeft dat het sparen van dode dingen belangrijker is dan het sparen van mensen. De vernietiging van de mensheid, dus het ‘annihilisme’ is hun doel net zo goed als van de ouderwetsere modellen.
Neen, fundamenteel nieuw in de huidige situatie is het feit dat duizenden, misschien honderdduizenden die zich twintig jaar geleden bijna ‘vanzelfsprekend’ aansloten bij de anti-atoom beweging, de kinderen van hen die twintig jaar geleden de straat opgingen, dat die nu, hoe paradoxaal dat ook mag klinken ,- dat die nu door het atoomprobleem zelf verre gehouden worden van het probleem van de atoomoorlog. Wat betekent dat?
Ik ben heus de laatste die het vernietigingskracht die in de atoomreactoren schuilt onderschat. Maar de jeugd van nu focust zo uitsluitend op het reactorprobleem, dat ze het gevaar van nucleaire oorlog nauwelijks meer zien. In feite staat de anti-atoomenergiebeweging de anti-atoomoorlog beweging in de weg.
Aan de jonge generatie van de ‘groenen’ wier ouders nog Paasmarsen hielden die zich er nu toe beperkt ‘Harrisburg’ te verhinderen – wat natuurlijk even noodzakelijk is,- aan deze jonge generatie ‘groenen’  stuur ik nu deze deze tweede druk van mijn boek, dat maar nooit oud wordt. Laat geen cynische grappenmaker spreken van ‘groene jongens’

Wenen, februari 1981                                                           Günther Anders

Anders Arendt

Günther Anders en Hannah Arendt

 

Opmerking vooraf

In deze bundel is alles wat ik over de nucleaire situatie geschreven heb bijeen gebracht, behalve wat ik al in boeken had aangeboden. Ik schreef deze teksten ongeveer 10 jaar geleden, de eerste zijn zelfs al in 1958 ontstaan, dus nog vóór mijn reis naar Hiroshima en vóór mijn boek ‘De man op de brug’, waarin ik van die reis verslag heb gedaan. Een heel kort stuk, geschreven tgv de 20e verjaardag van de bommen op Hiroshima, stamt uit 1965. Oorspronkelijk had ik gehoopt deze studies,die ik nu aanbied snel nadat ze klaar waren te kunnen publiceren. Dat ik dat niet gedaan heb kwam omdat al doende enige twijfel bij mij opkwam. Want de teksten bevatten, vond ik, geen helder definitief antwoord op de vraag wat tegen het dreigende atoomgevaar gedaan kon worden. Daarom begon ik te aarzelen, en hield ik ze tenslotte achter.
Mijn twijfel betrof vooral die stukken, waarin ik de zgn ‘Productiestaking’ besprak. Daaronder verstond ik een staking die niet, zoals de gebruikelijke, aandringt op loonsverhoging, arbeidstijdverkorting enz , maar op het weigeren mee te werken aan moreel niet te verantwoorden producten, in dit geval dus nucleaire wapens.
Zo’n staking hield ik in 1958 , toen ik met het opschrijven begin, wel niet voor een kinderspel, maar toch wel voor uitvoerbaar. In de begindagen zag de ‘anti-atoom beweging’ en veel hoopvoller uit dan tegenwoordig. Daar kwam voor mij persoonlijk nog bij dat ik direct na mijn terugkeer uit Japan nog sterk onder de indruk was van de massabeweging die ik daar had meegemaakt; en daardoor was ik lange tijd verhinderd de moeilijkheden waarmee wat ik als enige redding zag gepaard ging, in hun volle omvang te onderkennen.Spoedig -zoals gezegd: ik was nog druk aan het schrijven) werden me die complicaties helderder en helderder. Ik frommelde de twijfel niet weg, maar ik nam die openlijk in mijn teksten mee; en de het ontbreken van resultaat, zoals ik het zag, heeft me toen ertoe gebracht af te zien van publicatie toen.
Nu na ongeveer een decennium heb ik de teksten nog eens opgepakt en bekeken, en uiteindelijk heb ik besloten tot publicatie. Dat is niet omdat ik nu op meer succes van mijn geschrijf van toen reken of omdat ik de ’productiestaking’ heden makkelijker uitvoerbaar vind dan toen. Maar alleen op grond van het volgende:
De bespreking van deze problemen is nu urgenter. Omdat de anti-atoom beweging’ die tien jaar geleden op hun hoogtepunt was – denk maar aan de Paasmarsen in Engeland en aan ‘Vechten tegen de atoomdood’ in Duitsland – die is ondertussen ter ziele, of minstens bijna ter ziele. Ze is ter ziele gegaan deels aan verveling (omdat er onvermijdelijk steeds maar weer voor een en hetzelfde doel reclame gemaakt werd). Maar deels ook aan het verzet tegen de Vietnamoorlog dat belangrijker was geworden (geheel terecht) en wel in dezelfde kringen die tien jaar geleden de ‘anti-atoom beweging’ hadden gedragen. En tenslotte nog de dagelijks groeiende angst voor een veelsoortige en eveneens apocalyptische vormen aannemende milieuvervuiling. (ook geheel terecht)
Met dat laatste motief is het als volgt gesteld.
Door de angst voor de veelvuldige gevaren waar de mensheid tegenwoordig aan bloot staat, is in de ogen van miljoenen de absolute dreiging in de vorm van atoomwapens een relatieve geworden; minstens een – wat op hetzelfde neerkomt,- een bedreiging onder andere bedreigingen. Tenslotte kun je je niet dagelijks bezig houden met alle bedreigingen tegelijk. (en neem het ze maar eens kwalijk). Bovendien is het ook zo – deze achterdocht lijkt me niet onterecht- dat het verstoppen van de atoomangst onder andere angsten, zekere politieke en militaire kringen goed uitkomt. Als bepaalde kringen die angst al niet opgeroepen hebben en manipuleren om de anti-atoom beweging te verzwakken.
Hoe dat ook zij, het ‘nucleaire gevaar’ speelt geen rol op de voorgrond meer in het publiek debat, het is ook nauwelijks een thema meer van de oppositie en is al bijna vergeten. De dreiging dreigt vergeten te worden en dat is nu de reden het thema weer op de voorgrond te plaatsen. Al klopt het wel dat mijn teksten van toen niet uitputtend behandeld hebben en zekere beslissende vragen überhaupt niet hebben beantwoord,- waar het mij nu vóór al het andere op aan komt is, dat de zaak weer in de aandacht komt, want ze is geen greintje minder gevaarlijk geworden in de tussenliggende tijd.

En daar is tenslotte nog een laatste reden die me deed besluiten deze oude teksten toch te publiceren. In de loop van die tien jaren die verliepen sinds het gereed maken van deze aantekeningen, ben ik namelijk tot het inzicht geraakt dat het tekortschieten van mijn toenmalige opstellen, niet alleen aan mijn persoonlijk falen moet worden toegeschreven: aan het gebrekkige van mijn theorieën, of mijn zwakke presentatie. Veel meer geloof ik nu dat die tekortkomingen (het feit dus dat ik geen uitweg uit de calamiteit kon wijzen) zijn reden in de zaak zelf heeft. En dat andere auteurs die zich aan dit thema hadden gewijd, net zo min als ik in staat waren geweest de nucleaire problemen van een bevredigend antwoord te voorzien. Kortom: ik ben bang dat wij de moeilijkheden van de atoomsituatie niet aankunnen.
Als dat zo is, dan lijkt het me altijd nog beter dat ik het voorlopige dat ik toen voor tien jaren opschreef, voorleg dan me radicaal op een alles-of-niets-standpunt terug te trekken, dwz op een niets-standpunt, en helemaal af te haken .  Zonder iets te verhullen heb ik destijds de onoplosbaarheden van de atoomsituatie voorgelegd. Dat is meer dan niets. En die onoplosbaarheden leg ik nu voor.

Tenslotte drie korte technische opmerkingen:

  1. De volgorde van de stukken is voornamelijk chronologisch.
  2. Ik heb ze heel licht bewerkt. Inhoudelijk heb ik niets veranderd; alleen wat stugge taal heb ik gladgestreken. Stukken die eerder al eens in tijdschriften waren verschenen  – dat betreft ‘Die beweinte Zukunft’, ‘der Sprung’Thesen zum atomzeitalter en ‘das monströseste Datum’ heb ik in het geheel niet aangepakt.
  3. Tenslotte, om steeds weer eraan te herinneren dat het niet gaat om een nu geschreven boek, heb ik elk stuk het jaartal meegegeven waarin ik het afmaakte.

Wenen, december 1971                                                          Günther Anders.