De wereld als fantoom en matrix

Filosofische beschouwingen over Radio en TV.

De koning vond het maar niks,
dat zijn zoon zo maar door het veld zou struinen
en zich, buiten de gebaande wegen om,
een eigen beeld zou 
vormen van de wereld;
daarom gaf hij hem
een paard en wagen cadeau.

‘ Nu hoef je niet meer te lopen,’ zei hij.
‘ Nu mag je het niet meer’ , betekende dat.
‘ Nu kan je het niet meer’ , was het resultaat.

Uit:’ Kindergeschichten’I

I

De wereld die je thuis bezorgd krijgt

§ 1

Een middel is nooit alleen maar middel.

De eerste reactie op de kritiek die hier op radio en tv wordt geoefend, zal luiden: het is verboden zo te veralgemeniseren; het komt er uitsluitend op aan wat wij ‘ ervan maken’ ; wel gebruik wij ervan maken; voor welke doelen we deze middelen inzetten: voor goede dan wel slechte, voor humane of inhumane, voor sociale dan wel voor antisociale.

Dit argument, dat uit de tijd van de eerste industriële revolutie stamt, is optimistisch als je dat zo mag noemen, en het is een bekend argument; en op alle niveaus leeft het voort met overal dezelfde onnadenkendheid.

Maar de geldigheid ervan is meer dan twijfelachtig. De vooronderstelling is dat je vrij over de techniek kunt beschikken; en dat er gebieden van onze wereld zijn die alleen maar ‘middel’ zijn waar je naar believen ‘goede doelen’ aan kunt hangen, maar beide zijn pure illusie. Die instellingen zelf zijn feiten; en wel feiten die ons tekenen. En dat feit, dat zij ons tekenen – afgezien van de doelen waar we ze voor gebruiken, kun je niet uit de wereld helpen door ze verbaal tot ‘middelen’ te degraderen.

In feite heeft de grove indeling van ons leven in ‘middelen’ en ‘doelen’ zoals die in dit argument gepleegd wordt, niets met de werkelijkheid van doen. Ons bestaan zit stampvol techniek maar valt niet uiteen in netjes van elkaar afgebakende stukjes weg waarvan sommige zich tooien met het bordje ‘middel’ en andere met ‘doel’. [100] Zo’n indeling gaat alleen op voor enkelvoudige handelingen en losstaande machinale processen.

Waar het om het ‘totaal’ gaat, in de politiek of in de filosofie niet. Als je het totaal van ons leven ziet uitgedrukt in deze twee categorieën zit daar het model van een doelgerichte handeling achter, ja dat is al een technische manier van doen: daarmee is het bewijs geleverd dat het zo’n barbarij is, waar men bij voorkeur zo boos over is, als het gaat over de uitspraak: ‘het doel heiligt de middelen’. De afwijzing van deze formule is net zo ruw als de instemming ermee  (die overigens hoogst zelden uitdrukkelijk voorkomt): want ook wie de uitspraak afwijst stemt – ook zonder het te zeggen – in met de rechtmatigheid van die twee categorieën; ook hij geeft toe dat het helemaal in orde is dat je ze gebruikt voor het leven als geheel. Maar de echte humaniteit begint daar waar die onderscheiding zonder zin is. Nl. waar middelen zowel als doelen zo zeer gemarkeerd zijn door levensstijl en zeden dat het bij aparte onderdelen van het leven of van de wereld helemaal niet meer vast te stellen is, of het daarbij gaat om een ‘middel’ of een ‘doel’; ja dat dat niet eens meer gevraagd kan worden. En daar is dan

‘ de gang naar de bron
net zo goed als de slok water’  

We kunnen de TV natuurlijk gebruiken om aan een kerkdienst deel te nemen. Daardoor worden wij of we dat nu willen of niet, net zo zwaar ‘gestempeld’ of ‘veranderd’ als de kerkdienst zelf. Dat zit hem in het feit dat wij namelijk niet deelnemen aan die kerkdienst, maar alleen het beeld ervan consumeren. Dat plaatjesboek-effect is niet alleen iets anders dan ‘bedoeld’ was, maar het tegendeel ervan. Wat ons stempelt en niet stempelt, wat ons vormt en misvormt, zijn niet alleen de dingen die door ‘de middelen’ geleverd worden, maar ‘de middelen’. Dat zijn geen objecten om eventueel te benutten, maar ze leggen door hun vaste structuur en functie het gebruik ervan al vast en daarmee de stijl van ons bezig zijn en van ons leven kortom: ons. [ 101]

Als lezers van de volgende bladzijden stel ik me consumenten voor, dus luisteraars en kijkers. Beroepsfilosofen en Radio- en tv-vaklui pas op de tweede plaats. Filosofen zal het onderwerp dat ik behandel vreemd zijn; de vaklui de manier waarop.  — In feite wend ik me niet tot alle consumenten maar slechts tot hen die het al eens overkomen is dat ze zich tijdens of na een uitzending verbijsterd af vroegen : ‘ Zeg, wat doe ik nu eigenlijk? Ja, wat doet men hier eigenlijk met mij?’ Op de volgende pagina’s een paar ophelderingen over die verbijstering. —

§ 2

Massaconsumptie bedrijf je solistisch —
Elke consument is een onbetaalde thuiswerker
voor de productie van de massamens.

Voordat men de cultuurkranen van de radio’s in al hun huizen installeerde, stroomden de Schmids en Müllers, de Smiths en Millers in de bioscopen samen om de massaal en stereotyp voor hen gemaakte waren collectief, dus ook als massa te consumeren. Je kon in deze situatie gemakkelijk een zekere eenheid van stijl zien: zelfs het samenvallen van massaproductie en massaconsumptie; maar dat zou onjuist zijn. Het oogmerk van de massaproductie wordt door niets harder weersproken dan door consumeren van een en hetzelfde exemplaar van iets door meerderen of zelfs talrijke consumenten tegelijk. Het interesseert de massaproducent in het geheel niet of het bij die massa consumptie ‘een echte gemeenschapservaring’  betreft of slechts de optelsom van vele individuele ervaringen. Het gaat hem niet om de (GA: massierte) massa als zodanig, maar om de in een zo groot mogelijk aantal kopers uitgesplitste massa; niet om de kans dat allen hetzelfde consumeren, maar dat allen vanwege dezelfde behoefte (waar je ook hard je best op moet doen) hetzelfde kopen. In talloze industrieën is [102] dat ideaal compleet of toch zo ongeveer bereikt. Maar of het voor de filmindustrie optimaal haalbaar kan zijn, weet ik nog niet zo net. En wel hierom: omdat deze als voortzetting van de theatertraditie haar waren nog als een show voor velen tegelijk opdient. Maar dat is ongetwijfeld een ouderwetse rest. Geen wonder, dat de radio- en tv-industrie de concurrentie aan kon met de film ondanks haar gigantische ontwikkeling : beide industrieën hadden daar bovenop nog de mogelijkheid om behalve de te consumeren waren ook nog de voor de consumptie benodigde instrumenten als waren af te zetten. En dat nog wel, in onderscheid van de film aan bijna iedereen. En deste minder verwonderlijk is het, dat bijna iedereen toehapte, omdat de waren aan huis werden geleverd en bij de film kan dat niet. Al gauw zaten dus de Schmids en de Smiths, de Müllers en de Millers op de vele avonden die ze vroeger samen in de bioscopen doorbrachten, thuis hoorspelen of de wereld te ‘ontvangen’. De gebruikelijke situatie van de bioscoop : consumptie van een massaproduct door een massa was nu afgeschaft, maar kwam natuurlijk niet in mindering op de massaproductie. Veel meer draaide de massaproductie op dagelijks hogere toeren voor de massamens,- ja dagelijks werd de productie van de massamens hoger opgevoerd. Miljoenen luisteraars kregen hetzelfde luistervoer opgedist; allemaal werden ze door dat massaproduct als massamens, als ‘onbepaald artikel’ behandeld; iedereen werd bevestigd in zijn eigen eigenheid of in het niet hebben daarvan.  Alleen was door de massaproductie van ontvangstapparatuur de collectieve consumptie niet meer nodig. De Schmids en de Smiths consumeerden de massaproducten nu en famille, of zelfs individueel. Hoe eenzamer deste gretiger: het type massa-kluizenaar was geschapen. En daar zitten ze nu in miljoenen exemplaren allemaal afgeschermd van de anderen en toch allemaal aan allen gelijk gehuisvest als kluizenaars – alleen niet om de wereld op te zeggen, maar om in godsnaam maar geen beeldje van een stukje wereld te missen.

Iedereen weet dat de industrie haar centralisering die een generatie terug nog onomstreden gold als grondgedachte opgegeven heeft, ten gunste van het principe ‘spreiding’ [ 103 ]. Daarentegen weet men niet dat dit principe vandaag de dag ook al geldt voor de productie van de massamens. Ik zeg : voor zijn productie hoewel we het zojuist slechts over consumptie hadden.Maar die sprong van consumptie naar productie is hier gerechtvaardigd omdat die op eigenaardige wijze samenvallen; omdat (in een niet materialistische zin) de mens ‘is wat hij eet’ : Massamensen maak je door ze massaproducten te laten consumeren. Dat betekent tegelijk dat de consument van massaproducten door consumptie meewerkt aan de productie van de massamens. ( c.q. meehelpt zichzelf om te vormen tot een massamens). Consumptie en productie vallen hier dus samen. Als de consumptie ‘gespreid’ plaatsvindt dan de productie ook. En wel overal waar de consumptie plaatsvindt: voor elke radio; voor elk tv-toestel. Iedereen heeft een aanstelling en is in de weer als thuiswerker. Maar een thuiswerker van zeer bijzonder soort. Want hij doet zijn job: de verandering van zichzelf in een massamens door zijn consumptie van massaproducten, dus door ontspanning. (Musze) — Terwijl de klassieke thuiswerker producten maakte om zich een minimum aan consumptiegoederen en vrije tijd te verschaffen consumeert de thuiswerker van nu een maximum aan vrijetijdsproducten om de massamens mee te helpen produceren. Helemaal paradoxaal wordt dat proces omdat de thuiswerker in plaats van voor zijn meewerken betaald te krijgen, nu ervoor moet betalen; namelijk voor de productiemiddelen (voor het apparaat en in ieder geval in veel landen ook voor de uitzendingen). Door het gebruik ervan laat hij zich dan in de massamens veranderen.Hij betaalt er dus voor dat hij zichzelf verkoopt.  Ja zelfs zijn onvrijheid, ja juist daar werkt hij aan mee want dat is ook koopwaar geworden, en die moet hij zich verwerven door te kopen.—

Ook als je deze rare constatering afwijst, dat je in de consument van massa-spullen de medewerker kunt zien van de productie van de massamens, dan kun je toch niet bestrijden dat je om het gewenste type hedendaagse massamens te maken, niet meer de mensen daadwerkelijk door massaverzamelingen tot massamens hoeft te maken.   [104]

Le Bons beschouwingen over de massasituaties die de mens veranderen zijn ouderwets geworden, omdat de oplossing van de individualiteit en de afvlakking van de rationaliteit al thuis klaar werden gemaakt.  Massaregie à la Hitler is overbodig: als je de mens tot een niemand wilt maken (die er zelfs trots op is een niemand te zijn) dan hoef je hem niet meer in oervloedgolven te verdringen; overbodig is het om hem in een betonnen massabouw te gieten. Je kunt de mens niet met meer succes nivelleren, niet met meer succes machteloos maken, dan door schijnbaar de vrijheid van de persoonlijkheid en het recht op individualiteit in takt te laten. Terwijl het proces van ‘conditioning’  bij iedereen afzonderlijk zich voltrekt, lukt het zich in de woning van de enkeling, in de alleenheid van de miljoenen eenzamen toch eens zo goed. Omdat de behandeling zich voordoet als ‘fun’ ; omdat ze het offer niet verraadt wat ze van haar slachtoffers vraagt; omdat ze hem in de waan laat van zijn privacy, minstens van zijn privé-ruimte blijft ze geheel discreet. Waarachtig het oude gezegde ‘eigen haard is goud waard’ is opnieuw waar geworden; zij het in een totaal nieuwe betekenis. Want hij is geen goud waard voor de bezitter die de aanpassingssoep opschept maar voor de bezitter van hen die de massa bezitten: de koks en leveranciers die de soep als Hausmannskost aan de eters opdienen.

§3

Radio en TV worden een negatieve gezinstafel;
het gezin wordt publiek in het klein

Het is wel begrijpelijk dat deze massaconsumptie doorgaans niet bij zijn werkelijke naam wordt genoemd. In tegendeel: het werd gebracht als een kans op renaissance van gezin en privacy — wat wel begrijpelijk was, maar een begrijpelijke huichelarij: nieuwe uitvindingen beroepen zich maar al te graag op die aloude idealen die bij geval zouden kunnen optreden als krachten die het kopen afremmen. ‘Het franse gezin heeft ontdekt’   [ 105 ] zo staat te lezen in de Weense ‘Presse’ van 24 -12-54, ‘dat TV een uitstekend medium is dat jonge mensen van duur tijdverdrijf afhoudt en kinderen aan huis ketent… en een nieuwe prikkel geeft aan het samenkomen van het gezin’ . Omgekeerd bestaat de kans die deze wijze van consumeren in werkelijkheid inhoudt daarin dat ze het gezin helemaal oplost, maar dan zo dat de oplossing het aanzien van het aloude gezinsleven behoudt of zelfs aanneemt. Maar opgelost wordt het: want wat in huis de toon zet is de uitgezonden – werkelijke of fictieve – realiteit; en die heerst zo onbeperkt dat ze daardoor de werkelijkheid van thuis – niet slechts die van de vier muren en het meubilair maar zelfs die van het samen leven ongeldig en spookachtig maakt. Als wat veraf is te dichtbij komt verdwijnt het nabije of het vervaagt. Als een spook werkelijk wordt, wordt de werkelijkheid spookachtig. Het echte thuis wordt nu gedegradeerd tot  een ‘container’ en zijn functie gaat helemaal op in het beeldscherm op de buitenwereld te bevatten. ‘hulpverleners’ , zo staat er in een WP-bericht van 2. 10. 54 uit Londen, ‘haalden uit een woning in Oost-Londen twee verwaarloosde kinderen van één en drie jaar. De kamer waar de kinderen speelden, was gemeubileerd met een paar kapotte stoelen. In een hoek stond echter wel een pompeuze nieuwe TV-ontvanger. Het enige aanwezige voedsel bestond uit een plak brood, een pond margarine en een blikje gecondenseerde melk’ . De laatste resten van wat doorsnee landen als huiselijk milieu, als samenleven, als atmosfeer nog had bestaan, zijn hiermee verwoest. Zonder dat ook maar een wedkamp tussen het rijk van thuis en van het spook uit zou breken, zonder dat die ook hoefde uit te breken, heeft dat al gewonnen op het moment dat het apparaat zijn intree doet in de woning: hij komt, laat kijken en heeft al gewonnen. Meteen ritselt het in het metselwerk, de muren worden doorzichtig, het cement tussen de leden van het gezin verbrokkelt, de gezamenlijke privacy is kapot.

Decennia geleden al kon men waarnemen dat de massieve tafel die midden in de woonkamer stond, waaromheen de gezinsleden zich verzamelden [ 106 ] aan aantrekkingskracht begon in te leveren, ouderwets werd, en bij herinrichting helemaal weggelaten werd. Pas nu heeft hij in het tv-apparaat een echte opvolger gevonden; pas nu is hij door een meubelstuk afgelost dat zich kan meten met de symbool- en overtuigingskracht van de tafel; wat niet wil zeggen dat de TV nu het centrum van het gezin geworden zou zijn. In tegendeel: wat het apparaat aangeeft en incarneert is juist de decentralisering van het gezin, de ex-centriciteit ervan; het is de negatieve gezinstafel. Hij brengt niet het gezamenlijke middelpunt, maar veel meer vervangt hij dat door het gezamenlijk vluchtpunt van het gezin. Terwijl de tafel van een gezin middelpuntzoekend is gemaakt, en de om hem verzamelde leden daartoe uitgenodigd had, de weefspoelen van belangen, blikken, gesprekken heen en weer te laten flitsen en verder te weven aan het gezinsdoel, zet het beeldscherm het gezin centrifugaal in het gelid. Inderdaad zitten de gezinsleden immers niet tegenover elkaar, de stoelen voor het scherm staan naast elkaar; je kunt elkaar slechts per ongeluk zien, aankijken; met elkaar praten (als men dat überhaupt nog kan of wil) kan alleen toevallig. Ze zijn niet meer samen maar slechts bij elkaar, neen, naast elkaar, enkel toeschouwers. Van een doek waaraan ze samen weefden; van een wereld die ze samen vormden of waaraan ze samen deel namen kan geen sprake meer zijn. Wat er speelt is slechts dat de leden van het gezin tegelijkertijd , in het beste geval samen maar nooit gemeenschappelijk naar het vluchtpunt voor een rijk der onwerkelijkheid uitvliegen of in een wereld die ze eigenlijk met niemand delen.  (want ook zij zelf nemen er niet werkelijk deel aan) Of als ze delen dan alleen met al die miljoenen ‘solisten van de massaconsumptie’ die net als zij en gelijktijdig met hen naar hun beeldscherm turen. Het gezin is nu omgebouwd tot een klein publiek, de woonkamer tot een kijkerskamer in het klein en bioscoop is model geworden voor thuis. Het enige wat de gezinsleden niet alleen maar gelijktijdig, niet alleen maar los van elkaar maar echt gemeenschappelijk beleven of ondernemen, is slechts de hoop op dat moment [107] , dus alleen werken ze naar dat moment dat het apparaat definitief uitgekletst zal zijn en hun bij elkaar zijn volledig over zal zijn. Het onbewuste doel van hun ultieme samenzijn is dus het verdwijnen ervan.

§4

Omdat de apparaten ons het spreken ontnemen,
veranderen ze ons in onmondigen en horigen

Ik heb gezegd: de mensen die voor het scherm zitten zouden alleen nog bij toeval met elkaar spreken, als ze dat überhaupt nog willen of kunnen. Dat geldt eveneens voor radioluisteraars. Ook zij spreken slechts per abuis. En feitelijk willen en kunnen ze het elke dag een beetje minder — wat nu ook weer niet betekent dat ze in positieve zin zwijgzamer zouden worden; het betekent slechts dat hun gewauwel een passieve vorm aanneemt. Zo stond het in het fabeltje dat ik als motto hier boven schreef met de woorden van de koning: ‘ Nu hoef je niet meer te lopen’ , dat werd uiteindelijk : ‘ Nu kun je het niet meer’ . Zo wordt voor ons ‘Nu hoeven jullie niet meer zelf te praten’ , tot ‘Nu kunnen jullie niet meer zelf praten.’  Omdat de apparatuur ons het spreken afneemt, berooft die ons ook van de spraak. Ze beroven ons van ons vermogen ons uit te drukken. Van onze spreekvaardigheid, ja van onze lust om te spreken. — net zoals de muziek van radio en grammofoon ons beroofd heeft van onze huismuziek.

De verliefde stellen die hun ‘portable’  laten spelen tijdens hun wandeling langs de oevers van de Hudson, de Theems of de Donau, spreken niet met elkaar maar luisteren naar een derde: de publieke, meestal anonieme stem van het programma dat ze als een hondje uitlaten, of juister gezegd: waardoor ze zich laten uitlaten. Ze doen hun wandelingetje omdat ze immers dat mini-publiek zijn dat de stem van het programma volgt, niet met z’n tweeën, maar met z’n drieën. Gelegenheid voor intiem gesprek, daar kan geen sprake zijn; die is op voorhand geblokkeerd; en als [108] het tussen de twee desondanks nog tot intimiteiten komt, dan hebben ze de aanleiding en de prikkel daartoe, en zelfs de opwinding eigenlijk niet aan elkaar te danken, maar juist aan die derde persoon: de hese of zwoele of krassende stem van het programma, dat – want wat betekent ‘programma’ dan anders- dat beiden voorschrijft hoe ze zich moeten voelen of wat ze moeten doen op dat punt van de dag of de nacht. Omdat ze wat voorgeschreven is doen in tegenwoordigheid van een derde doen ze dat dus in een akoestisch indiscrete situatie. Hoe aangenaam de twee hun volgzaamheid ook kunnen vinden, je kunt niet beweren dat ze zich met elkaar bezig houden. Veel meer worden ze bezig gehouden door die derde die als enige stem heeft: en die houdt hen niet alleen bezig in de zin van ‘causeur’ ook niet alleen in de zin van ‘vermaker’ maar ook in de zin van ‘pooier’. Die twee weten niet  wat ze met elkaar moeten beginnen, weten niet wat ze elkaar kunnen geven en daarbij helpt deze derde dan een handje. Je hoeft niet beschaamd te verzwijgen dat de liefde tegenwoordig vooral bedreven wordt met de radio aan (niet alleen bij zwijmelmuziek), want daar heb je juist een wereld voor nodig die dat weet en dat heel vanzelfsprekend praktiseert. Tegenwoordig komt de overal toegestane of gewenste radio overeen met de conductrice die de mensen van vroeger als getuige van hun liefdesplezier benutten ??? (In der Tat entspricht das heute in jeder Situation zugelassene oder gewünschte Radio jener fackelhaltenden Schaffnerin, die die Alten als Zeugin ihrer Liebesfreuden in Anspruch nahmen; ) het enige verschil is dat de conductrice van nu een mechanisch ‘public Utility’  is; laat ze met haar fakkel niet slechts bijlichten, maar ook verhitten; en laat ze in vredesnaam de mond niet houden, maar integendeel kletsen, zodat ze als achtergrondruis  die angst voor de leegte (horror vacui), waar de twee zelfs in actu niet van loskomen, overstemmen met songs of woorden. Deze ‘ background’ is zo fundamenteel van belang dat men ze opgenomen heeft in de ‘voicepondences’, die sinds 1954 in opkomst zijn. Dat zijn magnetofoonbanden die men elkaar opstuurt. Als een verliefde zo’n analfabetenbrief inspreekt, dan spreekt hij op een basis van akoestische, muzikale grondverf omdat alleen maar zijn stem voor zijn aangebedene die het krijgt, waarschijnlijk een te bloot cadeautje zou zijn. [ 109 ]
Als ze het krijgt is het die derde stem die werkelijk spreken of aanspreken moet; in zekere zin als een gematerialiseerde koppelaar,

Maar de liefde is slechts een voorbeeld, het heftigste. In elke situatie laten ze zich op gelijke wijze onderhouden, ja bij elke bezigheid; en zelfs dan wanneer ze per ongeluk met elkaar praten praat achter hen als hoofdpersoon, als tenor, de stem van de radio en dat geeft hun het troostrijke en zekere gevoel dat dat nog door zal gaan als ze zelf al uitgepraat zijn. Zelfs na hun dood.

Eigenlijk hielden ze op te bestaan, omdat hun spreken gegarandeerd en kant en klaar in het oor gedruppeld wordt; zoals ze ook op hielden homines fabri te zijn, toen ze brood alleen nog maar aten. Net zo min als ze hun brood nog zelf bakken, bereiden ze hun verbale voeding nog. Woorden zijn voor hen niet meer dingen die je spreekt, maar die je alleen maar hoort. Spreken is niet meer iets dat je doet, maar dat je krijgt. Het is duidelijk dat je de ‘logos’ dan op een heel andere manier ‘hebt’ dan Aristoteles het gedefinieerd heeft. Eveneens dat ze daarmee in de etymologische zin van het woord tot infantiele: dus onmondige wezens werden. — In welke burgerlijk-politieke ruimte dit zich ontwikkelt in de richting van ‘zonder woorden zijn’ het resultaat waarop het uitdraait moet overal hetzelfde zijn: namelijk er ontstaat een type mens dat niets meer te zeggen heeft, omdat het zelf niet meer spreekt. En dat, omdat het slechts hoort en wel constant, een ‘horige’ is. Het is nu al duidelijk wat het eerste resultaat is van deze beperking tot alleen maar horen. Dat is de taalverruwing die in alle cultuurtalen opduikt. En taalverarming en afkeer van taal. En daarin niet alleen, maar ook in de verruwing en verarming van ervaring, dus van de mens zelf. En dat komt doordat het ‘innerlijk’ van de mens : zijn rijkdom en subtiliteit zonder rijkdom en subtiliteit van het verstand niet in takt blijft. Want niet alleen dat taal is hoe de mens zich uit, maar ook dat de mens het product is van [110]  spreken; kortom: omdat de mens zo gearticuleerd is als hij zelf articuleert. En hij wordt zo ongearticuleerd als hij niet articuleert. *

§ 5

Gebeurtenissen komen op ons af; wij niet op hen

De mens wordt behandeld op de wijze van thuisbezorging. Precies zoals dat het geval is met gas en elektriciteit. Geleverd worden niet maar kunstproducten, niet alleen maar muziek en hoorspelen, maar wat er werkelijk gebeurt, juist dat. Tenminste wat er als ‘werkelijkheid’ of vervanger daarvan voor ons wordt geselecteerd, chemisch gereinigd en geprepareerd wordt. Wie ‘op de hoogte’ wil zijn, wie weten wil wat er daarbuiten speelt moet naar huis gaan, waar de gebeurtenissen ‘geshowed’ worden. Ze loeren erop om als water uit de kraan eruit te kunnen spuiten. Hoe zou je daarbuiten in de chaos van de werkelijkheid in staat zijn iets echts te ontdekken dat van meer dan lokale betekenis is? Want de buitenwereld verhult de buitenwereld. Pas als de deur achter ons in het slot is gevallen kunnen we buiten zien; eerst als wij eenlingen zonder vensters zijn geworden gaat het universum voor ons op; pas als we ons zo compleet aan de (ivoren jab) toren verslingerd hebben dat we in plaats van op hem, in hem zitten valt ons de wereld ten deel, bevalt de wereld ons, worden we Lynkeus.* In plaats van de minimale verzekering “Kijk, het goede ligt zo dichtbij’  waarmee onze ouders zich moesten laten troosten w. b. de vraag ‘ Waarom in de verte dwalen?’  zou nu de verzekering moeten komen: ‘Kijk het verre is zo dichtbij, of zelfs ‘Alleen het verre is nog dichtbij’ En daarmee zijn we bij het onderwerp. Want de verpletterende revolutie van Radio en Tv is dat wat er gebeurt – en niet slechts het bericht erover – voetbalwedstrijden, kerkdiensten, atoomexplosies bij ons op bezoek komen in plaats van andersom wij bij hen. De berg komt naar de profeet; de wereld naar de mens. Dat alles naast de creatie van de massa-kluizenaar en de omvorming van het gezin tot mini-publiek.* [ 111 ]

Deze revolutie is dus het eigenlijke thema van onze studie. Want die gaat bijna uitsluitend over de specifieke veranderingen die de mens ondergaat als met-wereld-bekleed wezen. En verder met de niet minder specifieke gevolgen die de thuislevering van de wereld brengt voor het concept wereld en de wereld zelf. Om aan te geven dat het hier om werkelijk filosofische vragen gaat, noem ik eerst wat van die consequenties, nog nauwelijks in systematische volgorde. Die werk ik dan verder uit in het vervolg.1Als de wereld naar ons toe komt, in plaats van wij naar haar dan zijn wij niet meer ‘in de wereld’ maar zijn we uitsluitend haar luilekkerland consumenten.

  1. Als de wereld naar ons toe komt, in plaats van wij naar haar dan zijn wij niet meer ‘in de wereld’ maar zijn we uitsluitend haar lanterfanterende consumenten.
  2. Als zij naar ons komt, maar dan slechts als beeld, is ze half aan- en half afwezig dus spookachtig.
  3. Als wij ze elk moment op kunnen roepen (weliswaar haar niet beheren, maar aan en uit kunnen zetten), bezitten wij een macht als aan god gelijk.
  4. Als de wereld ons aanspreekt zonder dat wij haar aanspreken kunnen wij ertoe veroordeeld zijn monddood, dus onvrij te zijn.
  5. Wanneer wij haar kunnen waarnemen, maar alleen dat, dus niet dat we haar in de hand hebben, zijn wij verworden tot luistervinken en voyeurs.  
  6. Als een gebeurtenis die op een bepaalde plek plaats vindt verzonden kan worden en ertoe gebracht kan worden om als ‘uitzending’ op te treden op een andere plaats, dan is het veranderd in een mobiel, ja in een bijna alomtegenwoordig iets, en heeft het zijn ruimtelijke plek die hem wezenlijk kenmerkt ingeleverd.
  7. Als het mobiel is en in bijna ontelbare exemplaren optreedt hoort het naar zijn soort tot de serieproducten; als er voor de toezending van het serieproduct betaald wordt, is de gebeurtenis een goed.
  8. Als het pas in zijn gereproduceerde vorm , dus als beeld, maatschappelijk van belang wordt, is het verschil tussen Zijn en Schijn, tussen werkelijkheid en beeld opgeheven.
  9. Als een gebeurtenis in zijn gereproduceerde vorm maatschappelijk van meer belang wordt dan in het origineel dan moet het origineel zich naar de reproductie schikken dan moet de gebeurtenis dus puur de matrix worden van haar reproductie. [112]
  10. Als de dominante wereldopvatting zich voedt met zulke serieproducten, dan is ( voorzover men onder wereld nog datgene verstaat waar in wij zijn) het begrip ‘wereld’ afgeschaft. De door de uitzendingen veroorzaakte houding van de mens is ‘idealistisch’ gemaakt.  —

Zo veel is dus wel duidelijk: aan filosofische problemen geen gebrek. Ze worden allemaal in het vervolg doorgesproken. Behalve dat laatste punt: het vreemde gebruik van de term ‘idealistisch’; die moet meteen opgehelderd worden.

Voor ons radio- en tv-consumenten treedt de wereld niet meer als buitenwereld op, waarin wij zijn; dat is al gesteld in punt 1. Inderdaad is de wereld op een speciale manier verhuisd.: ze bevindt zich wel is waar niet , zoals dat in de populaire vorm van het idealisme wordt geformuleerd ‘in ons bewustzijn’ of ‘in onze hersenen’; maar omdat ze toch van buiten naar binnen is verschoven, omdat ze niet meer buiten plaats vindt, maar in plaats daarvan in mijn kamer haar plek heeft gevonden, en wel als te consumeren beeld, als puur beeld; daarmee lijkt ze toch wel heel precies op de klassiek-idealistische verplaatsing. De wereld is nu van mij geworden, mijn voorstelling, ja, als u het begrip ‘voorstelling’ tweevoudig wilt verstaan: niet alleen in de zin van Schopenhauer, maar in de theaterversie, in een ‘voorstelling voor mij’ veranderd. In dat ‘voor mij’ zit nu het idealistische element. Want ‘idealistisch’ in de breedste zin van het woord is die houding die de wereld in mijn, onze, wereld verandert: in iets waar je over beschikt, kortom bezit: dus in mijn ‘voorstelling’ of in mijn (Fichtesches) ‘ Produkt des Setzens’ . De term ‘idealistisch’ kan hier verrassen, dat zit dan in het gegeven hij doorgaans slechts speculatief protesteert tegen het mijn-zijn, en hier slaat het op een situatie, waarin de gedaantewisseling van de wereld waarover ik beschik echt technisch is voltrokken. Het is duidelijk dat alleen al [113]  dat protest stamt van een mateloze aanspraak op vrijheid, want de wereld wordt daarin als eigendom opgeëist. — Hegel heeft de uitdrukking ‘Idealisme’ in deze meest uitgebreide zin gebruikt en in zijn ‘ Philosophie des Rechts’ heeft hij niet geschroomd het vretende dier voor zover het zich wereld in de vorm van buit toe-eigent, inlijft (und sich einbildet,) dus erover beschikt als ‘van hem’ een ‘idealist’ te noemen. — Fichte was een idealist, omdat hij de wereld beschouwde als wat hij ‘neer gezet’ had, dwz als produkt van een daad van zijn ik, dus als zijn product.  — Alle idealismen in de breedste zin gaan ervan uit dat de wereld er voor de mensen is, hetzij als gave hetzij als een zelfstandig maaksel – zodat de mens zelf eigenlijk niet bij de wereld behoort; geen onderdeel van de wereld is, maar de tegenpool van de wereld is. Deze gave, dit ‘datum’ als ‘ Sinnesdatums’  te duiden is slechts een variant van idealisme onder vele en bepaald niet de meest verhevene.*

Van alle varianten van idealisme geldt dat ze de wereld voor een possessivum inruilen: voor een domein (Genesis); voor een waarnemingsbeeld (Sensualisme); voor consumptie (het dier van Hegel); voor een maaksel (Fichte); voor een eigendom (Stirner) —  dan mag je zeker in ons geval die term met een goed geweten gebruiken, want hier zijn alle nuances van possessief verenigd.

Hoe ruim radio en tv de vensters op de wereld ook mogen oprekken, ze maken hen die de wereld consumeren tot ‘idealisten’.

Deze bewering klinkt natuurlijk vreemd en vraagt om tegenspraak, want we hebben net de overwinning van de buitenwereld op de binnenwereld gesproken. Voor mij ook. Dat je beide beweringen kunt doen duidt op een antinomie in de verhouding mens-wereld. Die is ook niet 1,2,3 op te lossen. Als dat wel mogelijk zou zijn, dan zou onze hele studie overbodig zijn. Want die is op gang gebracht door die tegenspraak; is uiteindelijk alleen maar de poging om deze meest omstreden situatie op te helderen. [114]

§ 6

Omdat we het thuis bezorgd krijgen, gaan we er niet op uit;
we leren dus niet bij

In een wereld die wel naar ons toekomt is het niet nodig dat wij haar zelf tegemoet treden, en dan is wat we tot en met gisteren ‘ervaring’ noemden overbodig. De termen ‘op de wereld in gaan’ en ‘ervaren’ hadden tot voor kort voor de filosofische antropologie buitengewoon vruchtbare metaforen geleverd. * De mens is een instinct-arm wezen , daarom moet hij om op de wereld uit de voeten te kunnen achteraf dwz a posteriori op de wereld in gaan, haar mee maken en leren kennen, totdat hij bedreven was en ervaring zou hebben. Het leven was een ontdekkingsreis. Terecht stelden de grote opvoedingsromans niets anders voor dan de paden, omwegen en avonturen die je door moest, om hoewel al lang op de wereld tenslotte toch bij haar aan te komen. — Maar nu wordt de wereld bij de mens gebracht, en wel in beeld, dus hoeft hij niet op haar in te gaan en nu zijn dat zwerven en ervaren overbodig, en omdat iets wat overbodig is verpietert, onmogelijk geworden. * Het is duidelijk dat het menstype ‘bedrevenen’ gestaag afneemt. Want we zijn vergelijkbaar met vliegeniers in tegenstelling tot voetgangers : we hebben geen wegen nodig en dan vervalt ook de kennis van de wegen op aarde, die we vroeger gingen en die ons bitwijs maakten; en daarmee vervallen de wegen zelf ook. De wereld wordt weg-loos.  In plaats van dat wij wegen afleggen, wordt de wereld nu voor ons ‘afgelegd’ (in de zin van opgeslagen spullen); en in plaats van dat wij op het gebeuren af gaan worden die nu aan ons voorgeschoteld. —

Dit beeld van onze tijdgenoten kan er op het eerste gezicht vertekend uit zien. Want het is gebruikelijk om in de auto en het vliegtuig de symbolen te zien van de mens van nu, ja, man heeft hem zelfs gedefinieerd als  ‘homo viator’, het wezen dat reist (Gabriel Marcel). Maar het is de vraag hoe terecht dat is. Hij waardeert trekken niet omdat de omgeving, waar hij doortrekt hem interesseert [ 115] of de plaatsen waar hij zich als expresgoed heen laat verslepen dan wel zichzelf versleept; niet om ervaren te worden maar omdat hij naar alomtegenwoordigheid hunkert en naar snelle afwisseling als zodanig. Bovendien berooft hij zich juist door de snelheid van de kans op ervaring (zo zeer zelfs dat die snelheid nu zijn enige en laatste ervaring wordt) — geheel daarvan te zwijgen dat hij door de vervlakking van de wereld, die hij efficiënt voltrekt, het aantal dingen dat je meegemaakt moet hebben en waar je ervaren van kunt worden, feitelijk vermindert; hij zit vandaag al, waar hij ook neergestreken is, thuis en heeft geen behoefte aan verdere ervaring. ‘Met ons’, zo spoort een bekende vliegtuigmaatschappij ons aan – woorden die provincialisme en globalisme totaal door elkaar gooien, ‘met ons reis je overal heen alsof je thuis bent’. ‘Zoals thuis’ : het is dus over het algemeen niet ongegrond om aan te nemen dat voor de mens van nu al dat gereis al iets achterhaalds is ( en hij mag zelfs elektrisch verwarmd met de noordpool onder zich zijn reisdoel tegemoet slapen). Het is ongemakkelijk en ontoereikend ja gaat zelfs de verkeerde kant op als methode om overal te zijn. Hij doet het er echter nog maar mee, omdat het hem ondanks al zijn gezwoeg nog niet volledig lukt alles in huis te krijgen— waarop hij eigenlijk aanspraak maakt.

Zeker is die radio- en tv-consument die daar thuis in miljoenen exemplaren als in een mal gegoten in zijn fauteuil zit en de wereld in beeld van daaruit bestiert: haar aanzet, haar laat opstijgen en weer uitzet —  zeker is deze ‘heer der beeldscharen’ minder typisch voor ons dan de vliegenier of automobilist; en al helemaal niet omdat die over de wegen rollend de radio aan heeft: want hij verschaft zich ook het genot en de troost te weten  dat hij niet alleen de wereld in moet, maar de wereld ook naar hem moet. ; und daß sich diese (nun zur Strafe hinter ihm her und mit ihm mit-rollend) eigentlich ausschließlich zu dem Zweck abspiele, um ihm aufzuspielen.* [116]‘Om zich voor voor hem af te spelen’. ‘Om hem te bespelen’. ‘Als thuis’.

Deze uitdrukkingen duiden op een vorm van zijn, een verhouding tot de wereld die zo diepgaand verkeerd is, dat zelfs het kwade bedriegelijke genie van Descartes niet in staat zou zijn ons naar een te loodsen die nog erger verkeerd is; een bestaan dat, als we dan de term idealistisch gebruiken in de betekenis die zojuist werd aangegeven, idealistisch in de meest geprononceerde vorm is. In tweeërlei opzicht. 

  1. Hoewel we in feite in een vervreemde wereld leven wordt de wereld ons zo opgedist alsof ze er voor ons is, alsof ze van ons is en van onze gelijken.
  2. Als zodanig ‘nemen’ (= beschouwen en bekijken)  we haar, hoewel we thuis in onze fauteuil zitten ; dwz hoewel we haar in feite niet , zoals dat vretende dier, nemen, of de veroveraar, en haar in feite niet tot de onze maken of zouden kunnen maken; in elk geval wij doorsnee radio- en tv-consumenten.  Veel meer ‘nemen’ wij haar zo omdat ze ons in de vorm van beelden opgedist wordt. Daardoor worden wij voyeuristische heersers over wereldfantomen.

We starten met het eerste punt. Het tweede is voor heel hoofdstuk II.

§7

De wereld die we thuis bezorgd krijgen, ‘verburgerlijkt’

Het is natuurlijk onmogelijk de oorsprong, de oorzakelijheid en de symptomen van de vervreemding te behandelen. De literatuur erover is niet te overzien. Dat procedé zij  voorondersteld. * Het verneukeratieve waarop ik doel, bestaat zoals gezegd, hierin dat wij hoewel we in een vervreemde wereld leven als film- radio- en tv-consument – maar niet alleen als deze – met alles en iedereen, met mensen, omgevingen, gebeurtenissen, zelfs met de meest rare ja juist met deze op zeer vertrouwde voet schijnen te staan. De ontploffing van de waterstofbom op 7 maart 1955 kreeg de gemoedelijke naam ‘ Opa’ , ‘ouwe pa’ dus. [ 117] Dit proces van pseudo-familiaire omgang dat ( op grand van zaken die in de volgende paragraaf aan het licht komen) geen naam heeft, noemen we de ‘verburgerlijking van de wereld’. — ‘Verburgerlijking’ en niet ‘aanpappen’, want  wat er speelt is niet de vreemde en het vreemdste in de armen werpen; maar dat men ons vreemde mensen, dingen voorvallen en situaties levert als waren ze vertrouwd; dus al in ‘verburgerlijkte’ toestand. *

Voorbeelden: Terwijl (om twee willekeurige voorbeelden van vervreemding te geven) ons gebruik en ons maken uit elkaar gerukt zijn, ( want wat wij gebruiken is altijd al gereed, maar wat wij er mee uithalen blijft ons ons hele leven ofwel onduidelijk  of levensvreemd) …. terwijl onze naaste buur wiens deur we jarenlang dagelijks passeren ons doorgaans niet kent en de vervreemding tussen hem en ons niet overbrugt — draven die filmsterren bij ons op, die vreemde meiden die we in persona nooit treffen of zullen treffen, maar die we talloze keren gezien hebben en wier fysieke en psychische details we beter kennen dan die van onze collega’s. Ze gedragen zich als onze kennissen, als ‘maten’; die we automatisch tutoyeren, en we noemen hen als we over hen spreken bij hun voornaam, Rita of Myrna. Er is geen distantie meer; geen kloof. Welke betekenis men hecht aan de afgeschafte kloof blijkt wel uit de 3D-film. Die werd niet alleen uitgevonden en ingevoerd als technische verbetering; ze kwam niet voort uit concurrentie (tegen de TV). Maar ze kwam voort uit de wens om een opperste mate van ruimtelijk-zintuigelijke geloofwaardigheid te leveren aan het wegwerken van de afstand tussen het geleverde en de beleverde. Als het mogelijk zou zijn – en wie kan vooruit zeggen wat ons nog te wachten staat bij de tegenwoordige stortvloed van kunstmatige vooruitgang? – dan zou men ons ook nog verrassen met ‘tele-haptischen effekten’, waardoor we dan ook de uppercut op onze kaak zouden kunnen proeven. Dat is echt dichtbij. Maar nu al belooft de 3D-film: ‘You are with them, they are with you.’ [118]

Als die ons-kent-ons relatie op gang zal komen moeten de beelden beginnen te tutoyeren. En er is dan ook geen uitzending die die kwaliteit mist. Alles wat we in huis krijgen straalt dat uit. Als ik de president aanzet, dan zit hij , hoewel duizend mijlen ver weg, naast mij bij de haard, om een praatje met mij te maken.(Dat hij die gemoedelijkheid die uitgezonden wordt met duizenden exemplaren tegelijk uitstrooit, dat terzijde) Als de tv-presentatrice in beeld komt dan buigt ze zich opzettelijk-onopzettelijk naar mij toe alsof ze wat met mij heeft. (Dat ze dat met alle mannen heeft, dat terzijde) Als de radiofamilie met haar zorgen uitpakt neemt ze me in vertrouwen alsof ik haar buurman ben, of de huisarts of de dominee. (dat ze iedereen in vertrouwen neemt,  dat ze bestaat om ons in vertrouwen te nemen, dat ze de absolute buur is, dat terzijde). Dat is allemaal intieme of brutale visite, ze treffen mij dus kant en klaar. Niemand van wat er bij mij binnen vliegt heeft ook maar een spikkeltje vreemdheid bij zich. En dat geldt niet slechts van de uitgezonden mensen, maar van alles op de wereld; van de wereld als zodanig. De toverkracht van de vertrutting is dus zo onweerstaanbaar en de speelruimte om die metamorfose te realiseren zo groot dat niets zich er aan kan onttrekken. Dingen, plaatsen, gebeurtenissen, situaties, die veranderen allemaal zodat ze met een benepen glimlachje, met een grof ‘tatwamasi’ op de lippen bij ons aankomen. Tenslotte staan we op net zo vertrouwde voet met de sterren aan de hemel als met de sterren aan de filmhemel; dan kunnen we met evenveel recht van ‘good old Cassiopeia’ spreken als van Myrna of Rita. Dat is niet grappig bedoeld. Want tegenwoordig wordt openlijk, zelfs in  de academische discussie over vliegende schotels voor mogelijk ja zelfs voor hoogst waarschijnlijk gehouden, dat vermoedelijke bewoners van andere planeten evenzeer en vooral nu interplanetaire ruimtevaart als hoogste zorg hebben. Dat zou dan bewijzen dat men alles ziet als ‘net zoals wij’. Anthropomorfisme dus waarbij het anthropomorfisme van de zogenaamde ‘primitieve’ culturen [ 119 ] verbleekt. Zij die dit verburgerlijkte universum leveren hebben de plotinisch-goethiaanse formule van identiteit ‘War nicht das Auge sonnenhaft’ vervangen door een commerciële slogan: ‘Machst du die Sonn’ nicht augenhaft’.  Als je dat nalaat kun je de natuur niet verkopen en mis je een virtueel goed. — Maar wij worden daardoor systematisch tot makker van de aardkloot en het universum. Dus slechts makker: want van een echte verbroedering, van pantheïsme, van ‘verste-liefde’ kan natuurlijk geen sprake zijn, helemaal niet van ‘een van gevoel’ zo is de mens van nu niet geconditioneerd.  —

Wat opgaat voor het sociaal meest vreemde of voor het ruimtelijk meest verwijderde, geldt ook voor wat qua tijd heel ver weg ligt, het verleden: die wordt ook ‘vermakkerd’. Ik zwijg van de historische films waar dat gebruikelijk is. Maar ik vond toch bijvoorbeeld in een tamelijk serieus en uiterst levendig geschreven academisch boek van een amerikaan Socrates betiteld als ‘quite a guy’; deze categorie brengt dus de grote man uit de verte schijnbaar dichtbij de lezer: want die is natuurlijk ook ‘quite a guy’. Dan geeft  deze karakterisering je onbewust de genoegdoening dat Socrates, als hij niet toevallig destijds had geleefd wezenlijk niets anders was dan wij, en wezenlijk niets anders te melden had. En in geen geval op een andere autoriteit aanspraak zou kunnen maken dan wij. — Volledig ongegrond denken velen, zal hem dat niet overkomen zijn dat hij terugverwezen is naar die tijd van toen die je niet helemaal serieus kon nemen en zo in de achterhoede raakte. Voor hem is Socrates dus minder dan wij; meer zeker niet: vooruitgangsgeloof en wantrouwen jegens privileges van welke aard dan ook maken dat onmogelijk. — Anderen vinden ( getuige hun reactie op historische films etc) de figuren uit de geschiedenis als provinciaaltjes-van-de-tijd, als wezens die niet in de hoofdstad van het Nu groot zijn geworden, en die zich dus als dorpsidioten-van-de-geschiedenis gedragen, of als bijgelovige holbewoner. Alle elektrische uitvindingen die toen nog niet gedaan waren worden hun als miskleun aangerekend. —Veel tijdgenoten [ 120 ]vinden de figuren uit de geschiedenis zelfs nonconformisten, verdachte snuiters omdat ze iets extra lekkers willen hebben: want ze geven er de voorkeur aan om niet als wij nette mensen in het Nu te leven, maar in een grot van voorbij.  — Hoe dan ook, ‘quite a guy’ of provinciaal — het zijn categorieën van de gestampte pot en daarmee varianten van verburgerlijking.

Wat nu het basisgeval ‘Sokrates, the guy’ betreft, daaraan ligt blijkbaar het politieke principe van de ‘Verklaring van de rechten van de mens’ aan ten grondslag: ‘Alle mensen zijn van geboorte gelijk’, maar dat wordt nu op avontuurlijke wijze verbreed tot ‘gelijkheid van alle burgers van het gemenebest van voorbij en vandaag’: gelijkheid dus van alle burgers van de geschiedenis. Zulke verbreding van het principe van gelijkberechtiging spiegelt  niet alleen een valse historische nabijheid voor, maar ook een valse inschatting van de generale noemer van alle mensen— want het wezenlijke van Socrates is natuurlijk wat ons ontbreekt — dat ligt wel voor de hand. Het resultaat van deze methode die fingeert iets dichterbij te brengen is dus juist dat dat weggemoffeld wordt: vervreemd, zelfs afgeschaft. Ja wel, afgeschaft. Want op maatjesniveau geprojecteerd is het verleden als geschiedenis opgeheven. Dat is misschien nog wel plausibeler dan onze algemene stelling dat namelijk de wereld als wereld weggemoffeld is als alle streken die op verschillende afstanden van ons liggen allemaal even dichtbij ons  komen.

§ 8

Bronnen van verburgerlijking:
het democratische heelal.
Verburgerlijking en Warenkarakter.
Verburgerlijking en wetenschap

Wat zit er nu achter deze ‘verburgerlijking’ ?

Het gaat om een dermate breed verschijnsel dat het over-bepaald is, dwz : het dankt zijn bestaan aan bronnen [121]  van zeer uiteenlopende aard, die naar elkaar toe moesten buigen en zich verenigen om tot historische realiteit te worden.

Voor we de hoofdwortel natrekken wil ik snel drie bijwortels onder de aandacht brengen.

(I. GA vergeet hier de nummering te beginnen.jab) Één daarvan is zojuist al genoemd toen we het over Socrates hadden. We noemden dat ‘de democratisering van het heelal’. Daarmee werd bedoeld: als alles en alles of het nu dichtbij is of veraf, dichtbij voor mij is; als alles en alles met hetzelfde recht zijn stem mag verheffen om even familiair door mij ontvangen te worden; als elke voorkeur al aan te wrijven is dat het een privilege is, dan is daarmee, stellig onbewust, een structureel democratisch heelal verondersteld. Daarop zijn de (moraal-politieke) principes toegepast van gelijkberechtiging en tolerantie. Historisch gezien is een dergelijke verbreding van morele principes naar het kosmische niet ongebruikelijk. De mens heeft het universum steeds weer geschapen naar het beeld van zijn eigen samenleving. Ongebruikelijk was in tegendeel dat in het Europa van de laatste decennia het wereldbeeld werd opgedeeld in een praktisch deel en een theoretisch deel dat daar volkomen van vervreemd was. Het verrast dus niet dat men in de Verenigde Staten met hun sterke democratische traditie een uitbreiding van deze principes aantreft. Er bestond daar immers een academische filosofie die, als je haar helemaal uit dacht, door haar pluralisme dat parallel liep aan de democratie in feite een ontkenning zou betekenen van de monistische of dualistische principes van de klassieke filosofie: de filosofie van William James. —

II. Het is duidelijk dat het fenomeen verburgerlijking neutraliseert omdat het alles in dezelfde nabijheid dan wel schijnnabijheid haalt; wie naar de wortels zoekt moet eens goed rond kijken onder de basis krachten van neutralisering, dat is ook wel duidelijk. Ook democratie (c.q. de zinloze verbreding ervan naar niet-politieke horizonnen) is een neutraliserende kracht. —

De fundamentele neutralisator van vandaag is echter niet van politieke, maar van economische aard: de aard van alle verschijnselen is koopwaar. Is dat ook een wortel van verburgerlijking? [122]

Je eerste reactie is: onmogelijk. En wel omdat zoals bekend iets vervreemdt als het koopwaar is. En ‘verburgerlijking’ die vertrouwelijkheid schept schijnt juist de antipode van vervreemding te zijn.

Maar zo eenvoudig ligt het niet. Hoe waar het ook is dat alles wat in koopwaar is veranderd vervreemdt, zo waar is het evenzeer dat elk goed dat gekocht wil worden en een stuk van ons leven wil worden ook verburgerlijken moet. Preciezer gezegd ziet dat er zo uit:

Elk goed streeft er naar zo te zijn dat het bij gebruik makkelijk is, toegesneden op behoefte, levensstijl en levensstandaard smakelijk en mooi.De kwaliteit wordt bepaald door de mate waarin het daaraan voldoet. Negatief uitgedrukt: het hangt af van hoe weinig de weerstand is tegen gebruik, en hoe weinig restjes van vreemdheid bij het genieten achterbleven. Radio en TV zijn ook goederen, daarom moet dat ook zo opgediend worden dat ze ogen en oren optimaal genot bereiden. Dat lukt alleen als ze helemaal ‘ont-vreemd’ zijn totaal ont-pit en opneembaar. Dus zodanig dat ze ons  als onze gelijke aanspreekt, op onze maat toegesneden, als onszelf.

Zo bezien schijnt de verburgerlijking haar blaam eigenlijk te verliezen. Ze komt op niets anders neer dan het fundamentele feit dat wij als homines fabri ‘van iets iets maken’. We snijden de wereld op onze maat. Dat is ‘cultuur’ in de breedste zin. Al ons maken is in zekere zin ‘verburgerlijking’; dat is wel onbetwistbaar. Toch is dit heel brede gebruik van het woord waar wat verachtelijks inzit, niet op zijn plaats. Want de hoofdzonde zit niet in het maken als zodanig. Bv het timmeren kun je niet verwijten dat het ons niet het hout als hout bezorgt, maar als een uit hout gemaakte tafel; dat past ons veel beter. Daar steekt heus geen bedrog in. Bedrog wordt bewerking eerst als die iets aanbiedt alsof het datgene zou zijn waaruit het gemaakt werd. En dat is het geval met de verburgerlijkte wereld: want dat is een product dat ter wille van zijn verkoopbaarheid in de specificaties  van de koper [123] aangeboden wordt zodat het gemakkelijk zit : het tovert juist die eigenschappen van de wereld voor ogen die – omdat de wereld het ongemakkelijke is – de wereld doorgaans vertoont; en dat beweert dan toch nog dapper en naïef dat het de wereld is. —

III. Als laatste wortel van de verburgerlijking waarbij alles gelijkelijk nabij is, noemen we tenslotte de wetenschappelijke houding. Diens trots is immers het meest verre tot het meest nabij te maken van zijn onderzoek, en het meest nabije van zijn leven al onderzoekend te vervreemden; hij wil dat wat hem als individu niet uitmaakt toch  vlijtig te lijf gaan en zonder vooringenomenheid dat wat hem zeer nabij treft (?? jab)  neutraliseren, kortom:  het verschil tussen nabij en ver neutraliseren (sine ira an dasjenige, was ihn aufs Nächste betrifft, kurz: die Differenz zwischen Nah und Fern zu neutralisieren). — De wetenschapper kan echter zijn houding die alles neutraliseert: zijn ‘objectiviteit’ alleen door een geweldige morele truc , ja door een soort zelf-verkrachting : door ascese van het natuurlijke perspectief van de wereld, veroveren en vasthouden. Het is een misverstand te geloven dat je die neutraliteit los kunt maken van haar morele wortel en kunt geven aan iedereen, dus ook aan hem die volledig onascetisch leeft en niet gericht is op kennis maar zwaar in tegenspraak met die neutraliteit. Dat misverstand bestaat niet alleen in de wetenschap maar ook in de morele opgaven der popularisering. Maar dat misverstand is het principe van de praktijk. In zekere zin wordt tegenwoordig elke lezer, radioluisteraar, tv-consument, filmbezoeker tot een vulgair dubbel gemaakt van de wetenschapper: ook van hem wordt verwacht dat hij alles even dichtbij en even veraf vindt — wat vooral echter niet betekent dat hij ieder fenomeen nu gelijke rechten op te worden gekend toekent, maar het gelijke recht op ‘maatje worden’. Maar omdat tegenwoordig ‘weten’ en vreugde’ en ‘leren’ als ‘entertainment’ voorkomen zijn de grenzen uitgewist. [124]

§ 9

‘Verburgerlijking’ is een geraffineerde vermomming
van de vervreemding zelf

Met deze verwijzingen hebben we de hoofdwortel van de verburgerlijking nog niet aangegeven. En we hebben hiermee nog niet plausibel wat de oorzaak is van het merkwaardige feit dat dit proces dat zo vaak en verschillend werd aangetoond, geen eigen naam heeft. Het is inderdaad heel opvallend dat dit fenomeen zo verborgen heeft kunnen blijven, hoewel het niet minder krachtig is, niet minder symptomatisch voor onze tijd, niet minder noodlottig ook, dan de vervreemding. Ze is duidelijk ook de tegenspeler van die vervreemding. Ondertussen was de vervreemding niet onbekend gebleven (wel is waar door verburgerlijking van het woord)

Maar is de verburgerlijking echt wel de tegenspeler van de vervreemding?
Helemaal wel. Dan zijn we bij de hoofdwortel, die wortel die tevens begrijpelijk maakte dat ze geen naam had tot nu toe. Hoofdwortel van de verburgerlijking is namelijk – hoe paradoxaal dat ook moge klinken – de vervreemding zelf.

Wie namelijk de verburgerlijking braaf gelooft; wie daarin de werkelijke tegenkracht ziet tegen de vervreemding, die trapt in de misleiding die ermee beoogd werd. Als je simpelweg overlegt of verburgerlijking nuttig of schadelijk is voor de vervreemding, dan stelt de gedachte dat de verburgerlijking de tegenpool van de vervreemding is, niets voor. Want het antwoord op die vraag luidt ondubbelzinnig: ze is nuttig voor de vervreemding.  Haar hoofdtaak is werkelijk om de oorzaken en symptomen van vervreemding te verstoppen. Ze moet de mens die men van zijn wereld beroofd heeft en wiens wereld men van hem beroofd heeft verhinderen om dat feit te onderkennen. Kortom ze moet de vervreemding een vermomming opzetten, en de realiteit der vervreemding ontkennen om zodoende de weg voor haar vrij te maken zodat ze ongeremd haar gang kan gaan. Dat realiseert ze door constant [ 125 ] de wereld vol te stoppen met beelden van wat zogenaamd vertrouwd is. Ze stelt de wereld zelf inclusief haar verst verwijderde regionen qua tijd en ruimte voor als een universum van gemoedelijkheid. Die prestatie is de bestaansgrond van de verburgerlijking. Haar opdrachtgeefster is de vervreemding zelf.  Het is onzin om in de twee krachten afzonderlijke zusters te zien of zelfs vijandige, en net zo naïef als ondialectisch. Veel meer werken die beide prima samen als een paar handen. De ene hand brengt de wond van vervreemding toe en de andere giet de balsem van de familiariteit in. Als het al niet dezelfde hand is: want uiteindelijk kan men die twee processen ook als een enkel bezien. De verburgerlijking is dan een vermomming van de vervreemding zelf; ze treedt onschuldig verkleed als tegenspeler op om schijnbaar tegen zichzelf te getuigen; om te protesteren tegen een evenwicht van de krachten; om haar alleenheerschappij als leugen neer te zetten…. precies zoals Metternich het deed, toen hij een schijnbaar tegen hem opererend liberaal oppositieblad oprichtte.

In een molussisch sprookje komt een boze fee voor, die een blinde geneest; maar niet doordat ze hem voor de mal houdt, maar door hem een aanvullende blindheid te geven: ze maakt hem blind voor het feit dat hij blind is. Ze laat hem vergeten hoe de werkelijkheid er werkelijk uit zag. En dat regelt ze door hem constant dromen te sturen. Deze fee lijkt op de als verburgerlijking verklede vervreemding. Die is er ook op uit om de mens die van zijn wereld is beroofd door beelden de illusie te wekken dat de hele wereld van hem is. Ja zelfs het heelal is van hem want al zijn onderdelen zijn hem zo vertrouwd, zo van hem, zo aan hem gelijk. Zij speelt het klaar om hem te doen vergeten hoe onvervreemd bestaan en onvervreemde wereld er überhaupt uitzien. — De toestand waarin we ons bevinden is nog wat gekker dan van die blinde in dat sprookje: want bij ons is de fee die ons tegen onze blindheid afschermt nou juist degene die ons eerst blind maakte. [126]

De vervreemding voert deze operatie van zelfverloochening in het geheim uit; en ze laat zich nog niet eens onderkennen met een eigen naam. Dat is helemaal niet verbazingwekkend. Wat maakt het die machten die onze wereld vervreemden uit om onze aandacht te vangen? Wat hebben ze er aan ons slechts door de invoering van een term erop te wijzen dat ze hun vervreemding verhullen in de levering van surrogaatbeelden, en dat ze daar succesvol in zijn? Wel verbazingwekkend is echter dat het hun werkelijk lukt om een verschijnsel van alledag zo vreselijk breed en openbaar als ‘verburgerlijking’ zo zeer geheim te houden, alleen al door er geen naam aan te geven. Maar het is ontegenzeggelijk zo. Daarom leveren ze hun beelden , maar verzwijgen de gebruiksaanwijzing erbij. En dat gaat des te gemakkelijker omdat wij, de klanten,  ons juist graag laten bedriegen en ons als bedrogenen door en door gezond voelen. Het is alsof wij, verwond door de vervreemding niet meer kunnen merken dat wij onder de verdoving van de verburgerlijking zitten. En de verdoving is zo sterk dat we niet meer merken dat we verwond zijn. Alsof die twee toestanden elkaar opheffen.

Maar stel ook maar dat de verburgerlijking niet ontstaat door de vermomming van bedrog en vervreemding, dan nog valt niet te betwisten dat ze zelf vervreemdt. Ja, zij ook. Want of je nu wat dichtbij is veraf maakt , zoals de vervreemding opereert, of dat je wat verweg is intiem maakt, zoals de verburgerlijking – het effect is in beide gevallen gelijk: neutralisering.  In beide gevallen is de wereld en hoe de mens zich in die wereld ziet staan door die neutralisering kapot gemaakt. Want het hoort immers bij de structuur van in-de-wereld-zijn dat de wereld zich in concentrische cirkels van dichtbij en veraf om de mens groepeert. En wie alles even ver al even dichtbij is die is of een onverschillige god of een volledig gedenatureerd mens. Maar we hebben het hier niet over stoïcijnse goden. Er is werkelijk niets dat ons op aarde meer noodlottig van onszelf vervreemdt dan het feit [ 127] dat we ons bestaan vrijwel non stop in het gezelschap van die valse vertrouwelingen, die spookslaven doorbrengen, die we als eerste slaapdronken op morgen-audiëntie in onze kamer roepen. Zij moeten onze dag, die niet van ons is,  beginnen met ons aan te spreken, toe te zingen, op te vrolijken, te troosten en week dan wel sterk te maken. Want het alternatief is niet meer slapen of waken, maar slapen of radio-luisteren. Er is ook niets dat de zelfvervreemding zo definitief maakt als onder dekking van deze schijnvrolijkheid de dag voort te zetten. Want ook als echt gezelschap beschikbaar zou zijn, blijven we liever in het gezelschap van onze draagbare maatjes, want die beleven we niet meer als surrogaat voor echte mensen, maar als onze werkelijke vrienden.

Op een keer zat ik tegenover een mevrouw in een coupé; zij luisterde overgegeven naar een blijkbaar zeer dure mannenstem, die pittig uit haar kleine apparaatje klonk; ik wenste haar ‘goedemorgen’ maar ze schrok  hevig, alsof niet de mijnheer in het kastje een fantoom was, maar ik. Alsof ik de vreselijkste huisvredebreuk gepleegd had. Namelijk in de werkelijkheid van haar liefdesleven. Ik ben er van overtuigde dat er tegenwoordig talloze mensen zijn, die gruwelijker gestraft zouden voelen als men hun hun radio’s afpakte, dan die gevangenen die men dan wel hun vrijheid had ontnomen maar hun apparaten had gelaten. Die mochten uitbundig doorgaan met zich uit te leven want hun wereld en hun vrienden staan hun onverminderd ter beschikking – wat is er dan veranderd? – De arme drommel die je van zijn apparaat berooft wordt door panische angst gegrepen dat hij daar doof in het niets staat en van eenzaamheid en wereldloosheid dreigt te stikken. Ik bedenk dat in mijn tijd in New York een 18-jarige knaap uit Puertorico de woning van zijn hospita binnenstormde – zijn radio was om een of andere reden plotseling stil gevallen: end van de wereld – Hij wilde nu uit haar apparaat de geliefde stem van een fantoomvriend horen uit Los Angeles, die hij beslist niet mocht missen. Hij had met een enkele draai aan de knop de stem te pakken – want hij wist niet alleen op welke golflengte de vriend woonde, maar had het adres natuurlijk blind paraat — Daar stond hij dan nu [128]  zachtjes en bevrijd voor zich weg mee te murmelen: precies als een schipbreukeling die op het strand wordt gesmeten en gelukkig weer grond onder zijn voeten voelt en dan in tranen uitbarst. De hospita of zelfs mij ook maar een blik te gunnen, zat er natuurlijk niet in. Naast de terug gevonden maat die hij nooit had gezien waren wij onwerkelijk

§ 10

Of de vervreemding nog wel een proces is

Misschien klopt er toch niets aan de stelling dat we ons van onszelf vervreemden omdat we aangewezen zijn op ‘maatjes-vrienden’ en op een ‘maatjes-wereld’. Niet omdat die stelling te ver zou gaan, maar omdat ze niet ver genoeg gaat. Want de veronderstelling dat wij, wezens stampvol vervanging, sjabloon en fantoom nog ikken zijn en die een zelf hebben en dus nog weerhouden kunnen worden ‘onszelf’ te zijn of ‘tot onszelf’ te komen, is wellicht tegenwoordig onterecht optimistisch. Ligt het ogenblik waarin de ‘ontvreemding’ als actie of procedé nog mogelijk is al niet achter ons? Op zijn minst in bepaalde landen? Bevinden we ons al niet in de toestand waarin we zelfs niet meer ‘onszelf’ zijn maar nog slechts wat men dagelijks aan surrogaat in ons gepompt heeft? Kun je de beroofde beroven? De uitgeklede uitkleden? Kun je de massamens nog verder van zichzelf vervreemden? Is die vervreemding dan een procedé? Of is het meer een voldongen feit?  

Lange tijd hebben we die ‘psychologieën zonder ziel’ die spotten met categorieën als ‘ik’ en ‘zelf’ want dat waren dan belachelijke overblijfselen van metafysica op hun beurt bespot. Maar hadden we daar wel het recht toe? Was onze spot niet pure sentimentaliteit? Hadden deze psychologen dan de mens vervalst? Waren ze al niet psychologen van de vervalste mens, waren ze niet als robots gelegitimeerd [129] om robotologie te bedrijven in plaats van psychologie? En waren ze niet tot hun leugens gelegitimeerd, omdat de mens die zij bestudeerden al de mens in zijn leugen was?

II

Het Fantoom

We krijgen de wereld thuis bezorgd. Gebeurtenissen worden ons voorgetoverd.
Maar als wat worden ze ons voorgeschoteld? Als gebeurtenissen? Of slechts als hun afbeeldingen? Of slechts als berichten over de gebeurtenissen.

Om deze vraag die de volgende paragrafen beheerst te kunnen beantwoorden, vertalen we ze eerst in een wat andere taal. We vragen: Hoe zijn de uitgezonden gebeurtenissen bij de ontvangers? Hoe is de ontvanger bij hen? Echt tegenwoordig? Slechts schijnbaar tegenwoordig? Afwezig? En op  welke manier tegenwoordig of aanwezig?

§ 11

De relatie wereld-mens wordt eenzijdig (unilateral,)
de wereld, noch tegenwoordig, noch afwezig wordt fantoom

Aan de ene kant schijnen ze werkelijk ‘aanwezig’ te zijn: als we een radiouitzending horen van een oorlogsscène of een parlementsdebat, dan horen we niet slechts meldingen over de ontploffingen of over de sprekers maar die zaken zelf.— Betekent dat niet, dat die gebeurtenissen die we vroeger niet konden meemaken en ook niet mochten (en ook niet moesten) nu toch werkelijk bij ons zijn? En wij bij hen?

En toch ook niet. Want is dat wel echte aanwezigheid, als wel is waar de stemmen van de wereld ons vrijelijk kunnen bereiken; maar wij [130] geen enkel recht hebben en geen enkele stem hebben in die gebeurtenissen die we aangeleverd krijgen? Als wij niemand van de sprekers ooit antwoorden kunnen, zelfs niet die ons schijnt aan te spreken; en als wij in geen enkele gebeurtenis die luidruchtig om ons gonst ingrijpen mogen? Hoort het niet bij een echte relatie mens – wereld dat die wederzijds is? Hier is de relatie toch geamputeerd? Is die niet eenzijdig geworden? Namelijk zo dat de wereld wel voor de hoorder waarneembaar is maar de wereld niet voor de hoorder? Hij blijft toch fundamenteel veroordeeld tot ‘don’t talk back’? Deze stomheid is toch onmacht? We zijn met alomtegenwoordigheid begiftigd, maar het is de tegenwoordigheid van de gevangen. En is de onvrije omdat hij als niet-zijnde, als lucht behandeld wordt en zelfs niet te melden kan hebben, dan niet afwezig?

Duidelijk ook afwezig. En toch zou het ook mogelijk kunnen zijn om die eenzijdigheid tegengesteld te duiden, namelijk als geheide vrijheid en als aanwezigheid: het is toch vrijheid als we op grond van die eenzijdigheid aan elke gebeurtenis op afstand zonder gevaar en onkwetsbaar deel kunnen nemen? Dat is het privilege om het als genot, entertainment te gebruiken. En is degene die door geen enkele gebeurtenis waar hij getuige van is, op de vlucht gejaagd kan worden om zo afwezig te worden,- is die niet de echte aanwezige?
Ook dat klinkt weer plausibel. En dan is het ook wel begrijpelijk dat iemand interrumpeert met de verklaring dat het nergens over gaat bij het aanwezig of afwezig zijn bij een uitzending. Ik hoor hem zeggen : ‘Wat Radio en TV leveren zijn beelden. Re-presentatie, geen presens! En dat beelden ons niet laten ingrijpen en ons als lucht behandelen dat is vanzelfsprekend; dat feit staat al lang bekend als ‘esthetische schijn’.’

Maar hoe redelijk dat ook klinkt het heeft een vals argument. Ten eerste – en dat is een fundamentele fenomenologische bewering – omdat er geen ‘akoestische beelden’ bestaan. Zelfs de grammofoon levert ons geen beeld van een symfonie maar de symfonie zelf. Als er een massameeting bij ons komt op de radio dan is wat wij menen te horen geen ‘beeld’ van een lawaaiende menigte, maar het lawaai ervan. Ook als de menigte zelf ons fysiek niet bereikt. [131] — Bovendien bevinden we ons als luisteraars in een esthetische houding; niets minder dan dat behalve als er een kunstwerk (bv een drama) uitgezonden wordt inclusief zijn schijnkarakter: Wie de voetbalwedstrijd beluistert doet dat als opgewonden fan en denkt dat die echt aan de gang is; die weet niets van het ‘alsof’ van de kunst.

Neen, de interruptie is onterecht. Het zijn niet alleen maar beelden, die we ontvangen. Maar tegelijk zijn we ook niet werkelijk tegenwoordig bij de werkelijkheid. De vraag: ‘Zijn we aanwezig of afwezig’ gaat in feite nergens over. Maar nu juist niet omdat het antwoord ‘beeld’ (en dus ‘afwezig’) vanzelfsprekend is. Maar omdat het speciale van de situatie van de uitzending is dat ze ontologisch dubbelzinnig is. De gebeurtenissen die uitgezonden worden zijn tegelijk aanwezig en afwezig, tegelijk werkelijk en schijn; ze zijn er en ze zijn er niet kortom: ze zijn fantomen.

§ 12

Beeld en afgebeelde op TV lopen synchroon.
Synchronie is de verloederingsvorm van het heden

De interruptie gaat verder: ‘Maar wat voor audio-zendingen geldt, geldt toch niet zo maar ook voor TV. Die leveren toch ontegenzeggelijk beelden’  Nauwelijks. En toch, dat zijn ook geen beelden in de gebruikelijke zin. Want fundamenteel was voor beeld tot nu toe dat er tussen het beeld en het erdoor afgebeelde voorwerp een blijvend verschil in tijd, een ‘tijdskloof’  bestaat, ook blijft die onbenoemd. Die kloof heeft in het Duits zinvol een ‘na’ meegekregen. Dwz men schildert iets naar een model. Of iets is gemaakt naar een model. Of het beeld volgde dus zijn subject, als kopie of herinnering, om het verleden ervan weer op te roepen, of diens vergankelijkheid te herroepen, dus om het te redden en [132] het heden ervan vast te houden; of het liep vooruit op zijn voorwerp, als magische uitdaging of als idee, blauwdruk, voorbeeld, om dan te verdwijnen als de gerealiseerde gebeurtenis of het gerealiseerde ding het beeld ingehaald heeft. Of het was alleen maar een middel waardoor we ons in een andere dimensie dan het heden, misschien zelfs buiten de tijd verplaatsten of meenden te verplaatsen. – zelfs deze neutraliseringsmodus duidt nog op een verhouding tot tijd – Het zou moeilijk zijn om beelden te noemen waarin geen verhoudingen van de mens tot de tijd meekwamen; en of je vormen waar die  kloof niet in zit wel ‘beelden’ kunt noemen is twijfelachtig. Maar dat zijn wel de vormen die door de TV overgebracht worden: Want er kan niet meer gesproken worden van een tijdsverhouding naar het afgebeelde, hoewel ze filmisch aflopen. Wat we ‘tijdkloof’ noemden is bij hen tot nul ingeschrompeld. Ze treden met de door hen afgebeelde gebeurtenissen simultaan en synchroon op. Ze tonen, net als de telescoop heden. En dat betekent toch ‘aanwezigheid’! Zijn vormen die aanwezige dingen tonen beelden? *

Het probleem was niet onopgemerkt gebleven, maar de beantwoording bleef ontoereikend. Men greep namelijk terug op de reeds bestaande uitdrukking ‘momentopname’, wat voor de hand lag. Men dacht daarmee het probleem te kunnen regelen. Maar die uitdrukking versluiert het probleem juist. Momentopnamen zijn er immers, omdat we het vergankelijke moment willen vasthouden, beelden in zeer legitieme zin: namelijk denkbeelden. Qua beeldfunctie liggen ze dichter bij standbeelden, mummies zelfs, dan bij TV-fantomen. Want vasthouden doen die niet meer omdat ze niet alleen maar tegelijk met de gebeurtenissen, die ze reproduceren, optreden, maar ook tegelijk ermee verdwijnen. Tenzij ze zelf nog eens vast gehouden worden zijn ze dus net zo van korte duur als deze. Als het beelden van het moment zijn, zijn het hoogstens beelden van het moment voor het moment, verwant aan spiegelbeelden, want die zijn simultaan en synchroon en sterven mee met de gespiegelde afbeelding. Ze zijn in alle opzichten heden.

Maar is dit niet gewoon een woordspelletje met ‘heden’? [133]. Maken we geen gebruik van het feit dat dat woord toevallig twee kanten op kan om denkbeeldige problemen op te roepen?  Want we gebruiken het duidelijk op twee manieren; ten eerste om concrete tegenwoordigheid uit te drukken. Dus de situatie waarin mens en mens of mens en wereld werkelijk in contact zijn en elkaar aangaan, elkaar treffend en betreffend samen groeien tot ‘situatie’ ( concrescunt). Maar ook om de pure simultaneïteit aan te duiden namelijk dat een mens en welke gebeurtenis ook maar op dezelfde punt van de ‘nu-naald’ staan; een wereldmoment delen. — Maar dat het woord deze betekenis krijgt – niet slechts in het Duits – is dus geen toeval. Dat woord heeft deze dubbele betekenis op grond van het feit dat de grens waar een gebeurtenis of een stuk wereld ons nog maar zo weinig zegt dat het ‘heden’ is in de zin van simultaan, in werkelijkheid niet te trekken is. Het tegenwoordige gaat in het slechts simultane over; dat is een grensgeval. Het is wat mij helemaal niet aangaat, dus het verste weg ligt. Maar wat anderzijds – omdat het zich nog niet in ‘helemaal er niet zijn’ (Ungegebenheit) terugtrekt – bewijst dat het mij toch nog aangaat.*

Maar ook al zou er wel een grens te trekken zijn tussen die twee betekenissen, : dan nog zijn wij het niet die met deze twee betekenissen spelen. Dat doet de TV zelf veel meer. Ja dat spel is zelfs het principe van het uitzenden. want dat brengt het voor elkaar om het slechts of bijna uitsluitend gelijktijdige zo weer te geven dat het als echt heden overkomt. Ze levert het slechts formele heden de schijn van concreet heden. De op zich al onduidelijke grens tussen de twee ‘hedens’ lost ze volledig op, en daarmee ook die tussen wat relevant is en wat niet. Elke beelduitzending zegt: ‘ Nu ben ik er – en niet alleen ik, de uitzending; maar  ik de uitgezonden gebeurtenis.’ En door dit ‘nu ben ik er’ door deze actualiteit, maakt ze zichzelf tot een fenomeen dat boven alles uitgaat wat slechts beeld is. Ze maakt zich een tussending want ze is tegelijkertijd niet een werkelijk heden. Tussending tussen zijn en schijn, dat we zojuist toen we over de radiouitzending spraken, ‘fantoom’ hebben genoemd.— [134]

Niet alleen zou er tegen het uitwissenvan de grenzen van de twee tegenwoordigheden niets in te brengen zijn,- als ze goed werd toegepast zou ze ook verwelkomd moeten worden. Want er is tegenwoordig veel te veel wat we, ondanks dat het onszelf betreft en kan treffen,(en door ons getroffen kan worden) ten onrechte als ‘slechts tegelijkertijd’ wegschuiven; het doet er niet toe. Terwijl het ondertussen wel nostra res en ons hoogst concrete en hoogst bedreigde heden is. Het gevaar van provincialisering is net zo groot als dat van valse globalisering. Technieken ter verbreding van de horizon van ons heden zouden dus zeker vereist zijn. Een morele horizon die ver boven onze zintuiglijke omgeving uit zichtbaar moet blijven. Maar die verbreding levert de TV nu juist niet. Veel meer verslapt ze onze horizon zo compleet, dat we echte werkelijkheid überhaupt niet meer kennen. En zelfs een gebeuren dat ons werkelijk aan zou moeten gaan, daar geven we nog slechts schijnbaar onze belangstelling aan zoals we dat van de ons thuis bezorgde schijntegenwoordigheden geleerd hebben.

Niet nodig om hier nog aan toe te voegen dat het aantal tegenwoordigheidsfantomen onbeperkt is. Want het principe dat consument en gebeurtenis op één noemer brengt is abstract en puntsgewijs en het bestaat juist in puur gezamenlijk heden, en daarom is het universeel. Er bestaan geen gebeurtenissen die uit het wereldwijde heden vallen. Dus ook niets wat niet in een zogenaamd aanwezig zijn veranderd kan worden. Maar hoe meer er aanwezig gemaakt worden, deste minder ze aanwezig gemaakt worden. Ik zou onder de radio en tv-fans die ik leerde kennen geen enkele weten die door zijn dagelijkse portie gelijktijdigheden werd opgevoed tot wereldvriend of alleen ook maar tot tijdgenoot. Daarentegen ken ik er vele die door dit dagelijks voedsel wereldloos zijn geworden, zonder relatie, versnipperd: dus alleen maar nu-genoot  geworden. [135]

§ 13

Excurs: Terugblik op een uitgebrande hartstocht
De versnipperde woont slechts in het heden
Apparaten veroorzaken kunstmatige schizofrenie
— Het individu wordt ´Divisum’

Enige tientallen jaren geleden was er een stel dichters (zoals Apollinaire, de jonge Werfel) die om een oud gezegde te wijzigen steeds ‘op meerdere bruiloften tegelijk’ waren. Serieuzer geformuleerd: ze waren in de metafysische zin van ‘ubique simul’  overal ‘vluchtig’ en verstrooid. In hun gedichten die vaak beginnen met ‘Nu’ somden ze op wat er nu allemaal op hetzelfde moment gebeurde in Parijs, in Praag, in Kaapstad, in Shanghai. Het is nauwelijks te bestrijden dat het echte metafysische opwinding was die hen tot zulke hymnische Wertstückkataloge dreef. Misschien begrepen ze ‘non percipi’ verkeerd voor ‘non esse’ (niet kennen voor niet zijn) ; misschien vonden ze dat als ze geen nota namen van al het zijnde, dat het dan niet bestond, verloren zou zijn. In elk geval waren ze uiterst verontrust dat zij zelf omdat ze zich alleen maar in dat ene contingente Hier konden bevinden, al dat zijnde moesten mislopen. Ze hoopten nu door een soort bezwering de versplinterde, dus afwezige ‘gindsen’ aanwezig te kunnen maken. Ze probeerden die vertwijfeld bijeen te brengen en samen te dwingen, in het brandpunt van dat ene alomtegenwoordige ‘Nu’ waarin al die plaatsen en hun gebeurens zich bevonden, en waar ze allemaal aan deel namen. Je zou wel van een poging tot metafysische magie kunnen spreken: Waar ze naartoe wilden was die onverdraaglijke onderscheidenheid ongedaan te maken van de uit elkaar gerukte (en dus afwezige)  gebeurens waar de wereld uit bestaat, door de kwaliteit van alomaanwezigheid te bezweren. Ze wilden dus het ogenblik inzetten als een tovermiddel tegen de ruimte als ‘principium individuationis’. Hoe zeer hun hartstocht ook er naast zat, ze was stellig nog een laatste variatie van het eleatische: namelijk het verlangen om de veelheid metafysisch in diskrediet te brengen. [136] Het was bijna tragisch dat ze uitgerekend in het minst realistische: het exacte Nu het ‘eigenlijk Zijnde’ zagen, en dan was omgekeerd het vele bewezen als waan. Dat bewees wel dat ze niet meer konden beschikken over metafysische, zelfs niet over de goedkoopste pantheïstische principes. Ze hadden nog niet eens het late hulpmiddel van ‘het systeem’ dat ‘het geheel tot het ware’ maakt. Ook zij waren dus beslist al laatsten. Maar hoe levendig waren ze nog vergeleken met de fans-van-het- nu van tegenwoordig. Het kon wel eens heel moeilijk zijn om in hen ook maar het geringste vonkje van die hartstocht voor het nu te ontdekken. —

Het is natuurlijk geen toeval dat deze dichters juist in dat historische moment opdoken: toen immers begon de verstrooiingstechniek (door geïllustreerde bladen etc) massale omvang aan te nemen. Alleen: die dichters probeerden net zo wanhopig het verstrooide samen te ballen. Terwijl het doel van de verstrooiingstechniek en de entertainmentspullen omgekeerd daarin bestaat de verstrooiing te plegen of te bevorderen. Waar de ‘verstrooiing’ ( meestal veel te ‘verstrooid’, namelijk  als metafoor begrepen) op uit was, was de mensen te ontdoen van de mantel van individuatie. Meer precies gezegd: ze wilde de mensen het bewustzijn van dat verlies benemen; en wel daardoor dat ze hen hun individuatie principe ontnam: hun ruimteplek. Ze (de verstrooiing, jab)verplaatste hen dus in een toestand waarin ze ubique simul, altijd ook ergens anders , geen bepaalde plaats meer in namen, en zich dus nooit bij zichzelf, bij een zaak, kortom, nergens bevonden. — Men zal tegenwerpen dat de offers van deze verstrooiingstechniek helemaal geen offers zijn geweest. De industrie is met haar aanbod alleen maar tegemoet gekomen aan een behoefte. Dat is niet helemaal onjuist, maar ook niet geheel juist, want de behoefte wordt juist zelf geproduceerd.

Je mag van mensen die voor hun job  uiterst gespecialiseerd werk moeten doen dat ze nauwelijks aangaat, en anderzijds aan verveling zijn uitgeleverd, niet verwachten dat ze du moment dat ze de druk en de verveling uit zetten, dus in hun vrije tijd, zo maar terug zijn in hun humane verhoudingen; dat ze dan zichzelf (als dat nog bestaat) zouden kunnen of willen hervinden. [ 137] Zouden ze dat wel willen kunnen?De afloop lijkt heel erg op die samengeperste druk van een explosie: en omdat de ineens bevrijde mens vanwege zijn werk niets anders meer weet dan vervreemding, storten ze zich als ze niet domweg totaal uitgeput zijn op duizend vreemde zaken wat dan ook. Op alles wat in staat zou zijn na de windstilte van de verveling de tijd weer op gang te brengen en wat in staat is om in een ander tempo te veranderen: in snel wisselende scènes.

Er is niets dat deze begrijpelijke honger naar alomtegenwoordig zijn en naar de snelle afwisseling zo volledig bevredigt als Radio en TV uitzendingen. Want die komen tegelijkertijd aan de zucht en de uitputting tegemoet. Spanning en ontspanning, tempo en rust,  Gängelung und Muße — alles dienen ze tegelijk op. Ze besparen het ons zelfs ons gretig op deze verstrooiing te storten, want die wordt op ons afgevuurd — kortom: Dergelijke veelvoudige verleiding te weerstaan, dat kun je niet. Geen wonder dan ook dat de vloek van op twee of honderd bruiloften tegelijk te zijn, waaronder die dichters hebben geleden, nu een (schijnbaar) zeer argeloze vrijetijdsnorm is geworden. In die toestand verkeren allen die hier zitten maar daar zich ophouden. En ze zijn zo gewend overal tegelijk dus nergens te zijn dat ze eigenlijk al nergens meer wonen; in elk geval niet op een plek, laat staan in een woning, hooguit nog in hun ‘tijdpunt’ : het Nu

Maar daarmee is de ‘verstrooidheid’ van onze tijdgenoten nog niet volledig beschreven. Want haar hoogtepunt zit in een toestand die je wel ‘kunstmatige schizofrenie’ moet noemen. Dat is niet zo maar een neveneffect van verstrooiingsapparatuur maar ze wordt nadrukkelijk bedoeld en ook door de klanten verlangd; maar natuurlijk niet onder die naam.

Wat verstaan we hier onder ‘Schizopfrenie’?
De toestand dat het ik in twee of meer deel-wezens, op zijn minst in twee of meer deelfuncties verknipt is. Die wezens en functies zijn niet alleen niet gecoördineerd, maar ook niet coördineerbaar [138]. En ze zijn niet alleen maar oncoördineerbaar, maar het ik stelt er ook geen prijs op. En dat niet alleen: het ik wijst die coördinatie ook energiek af.

Descartes heeft in zijn tweede Meditation gesteld dat het onmogelijk is ‘a concevoir la moitié d’aucune âme’. Gehalveerde zielen zijn vandaag een alledaags verschijnsel. De meest karakteristieke trek van onze tijdgenoten is tegenwoordig, tenminste voor de mens in zijn vrije tijd, zijn neiging zich aan twee of meer onderscheiden bezigheden over te geven.

Neem de zonnebadende man, die zijn rug laat bruinen. Tegelijkertijd flitsen zijn ogen door een tijdschrift, en zijn oren volgen een voetbalwedstrijd ; in zijn mond kauwgom — deze figuur van passieve simultaanspeler en ‘vieltätigen Nichtstuers’ is internationaal een alledaags verschijnsel.
Het feit dat die vanzelfsprekend is en als normaal wordt geaccepteerd wil niet zeggen dat ze oninteressant is; veel meer heeft ze dringend een verklaring nodig.
Als je die zonnebadende man zou vragen wat zijn ‘eigenlijke’  bezigheid is, waar zijn ziel echt bij betrokken is, dan zou hij dat natuurlijk niet kunnen beantwoorden. En wel hierom niet omdat de vraag naar iets dat ‘eigenlijk’ is, van een verkeerde vooronderstelling uitgaat; namelijk dat hij het subject van de bezigheid is, en van het zich daar ophouden. Als er überhaupt van ‘subject’ of van ‘subjecten’ sprake kan zijn, dan bestaan die alleen in zijn organen: zijn ogen die vertoeven bij de beelden, zijn oren die de sportwedstrijd volgen, zijn kaken die met zijn kauwgom bezig zijn — kortom: zijn identiteit is zo grondig gedesorganiseerd dat de zoektocht naar ‘hem zelf’ een zoektocht naar iets dat niet bestaat is. Zijn identiteit is dus niet zoals vroeger verstrooid over een meervoud van plaatsen ter wereld, maar in een veelvoud van aparte functies.*

Daarmee is ook de vraag wat deze man tot die gedesorganiseerde bezigheden dreef eigenlijk al beantwoord; en ook de vraag wat maakte dat die aparte functies zo zelfstandig zijn(of zo schijnbaar autonoom).

Ik herhaal : Het is de horror vacui, de angst voor zelfstandigheid en vrijheid. [ 139] Meer precies de angst om de ruimte van de vrijheid die de vrije tijd hem geeft, de leegte waaraan hij in zijn vrije tijd bloot gesteld is, zelf te benoemen, zijn vrijheid zelf te moeten invullen.
Zijn werk heeft hem zo definitief daaraan gewend bezig gehouden te worden, dus onzelfstandig te zijn, dat hij op het moment dat zijn werk stopt, de opgave om zichzelf bezig te houden niet meer aan kan. Want hij vindt geen ‘zelf’ meer dat die bezigheid aan zou kunnen. Alle vrije tijd lijkt tegenwoordig familie van werkloosheid.
Als je hem op dat moment aan zichzelf overgeleverd laat dan breekt hij in zijn aparte functies uit elkaar, want hij laat het als organiserend principe af weten. Maar zijn functies zijn natuurlijk net zo goed aan puur bezig gehouden worden gewend als hij zelf. Daarom grijpen ze — stuk voor stuk — op het moment dat de ‘werk-loosheid’ intreedt naar het eerste beste houvast (inhalt). En dat eerste is meteen ook het beste omdat het überhaupt een houvast is, een stop waar de functie zich aan kan vastklampen.* Een houvast, een stop is beslist niet genoeg, elk orgaan heeft zijn eigen nodig. Want als er ook maar één orgaan niet bezig gehouden wordt, dan wordt dat een bres waar het niets toch nog door kan binnendringen. Alleen horen, of alleen zien is ontoereikend — nog helemaal afgezien daarvan je voor dat exclusieve een ‘alleen maar doen’ moet kunnen abstraheren en concentreren en dat lukt je niet bij afwezigheid van een organiserend centrum. Dat is overigens de reden dat we bij stomme films altijd muziek nodig hadden en naar adem begonnen te happen als de muziek stopte en het alleen-optische verder ging. Kortom : Om je tegen het niets af te dichten moet elk orgaan ‘bezet’ zijn. En bezet zijn omschrijft het volstrekt juister dan ‘bezig gehouden worden’.  Maar omdat — het betreft immers vrije tijd — de bezetting niet in werk bestaan mag kunnen alleen genotmiddelen de organen bezetten. Elk orgaan, elke functie volgt zijn eigen consumptie en consumptie-lust.[140]

Dat hoeft niet per se een positief genot te zijn. Maar – de taal heeft er helaas geen eigen woord voor – maar enkel de angst of de honger die zou optreden als het genot niet zou komen, en/of niet uitbreekt. Adem halen hoeft op zich geen positief genot op te leveren – doet het ook maar zelden – maar ontbreken van lucht heeft ademnood en paniek tot gevolg. Het is een soort honger. Want elk orgaan voelt iets als honger zodra het bloot gesteld wordt aan de leegte, in plaats van bezet te zijn. zodra het dus vrij is. Dat moment van niet-consumptie voelt al als nood. Topvoorbeeld: de kettingroker. Zo wordt horribili dictu, vrijheid (— vrije tijd — niets doen — niet consumptie) gelijk nood. Dat is ook de reden voor de vraag naar consumptiemiddelen, die zonder onderbreking te gebruiken zijn. Die niet het gevaar in zich hebben van verzadiging. Ik noem het ‘gevaar’ want verzadiging zou het genot inperken, en dan zou het dialektisch gezien weer in niet-consumptie omslaan, dus in behoefte. Dat verklaart het eindeloze rolletje kauwgom  en van de altijd aanstaande radio.*
Maar deze perverse gelijkstelling van vrijheid met behoefte c.q. vrijheidsberoving met geluk niet van vandaag of gisteren. Alle kunst van de 19e eeuw speculeerde over de horror vacui en leverde werken die de hele mens veroverden en al zijn zintuigen tegelijk overvielen. Het is historisch bekend hoe dronken ze waren die erdoor overvallen werden, hoe ze genoten van de overweldigende totale vrijheidsberoving . Hoor in de bekende uitdrukking ‘overweldigend’ maar eens de oorspronkelijke betekenis die we meestal niet meer horen, dan begrijp je wat ik bedoel. En het was bon ton om voor ‘overweldigende’ voorstellingen zeer hoge prijzen te betalen. Nietzsche was de eerste en tot nu toe de enige die dat dubieuze van deze ‘overweldiging’ aan den lijve ervoer en onder woorden bracht. Maar die overweldiging van toen, die in Bayreuth ten doop werd gehouden was vergeleken met die van tegenwoordig nog tamelijk humaan. Want hoe dan ook ging de idee van ‘totaal kunstwerk’ nog uit van een ouderwetse [ 141] eerbiedwaardige mens . Dwz de mens bleef toch nog altijd als een wezen erkend dat zelfs als het overvallen en overweldigd werd er aanspraak op kon maken dat hij een in zich compleet werk kreeg,  en zelf ook kon claimen een compleet werk te zijn. Dat verdient het ook een in zich homogene nederlaag te lijden. (das eine doch immerhin noch in sich homogene Niederlage verdiente.)

Het restje daarvan is nu weg. Het bescheiden principe van pure aanvulling geldt als volstrekt voldoende. Normaal is nu dat totaal aparte elementen tegelijk geleverd worden. Niet alleen zakelijk apart; maar ook qua stemming. Niet slechts qua stemming , maar ook verschillend van niveau. Niemand zit er tegenwoordig mee dat je bij het ontbijt meemaakt in een strip dat het jungelmeisje een mes tussen de met sex overgoten ribben krijgt terwijl tegelijkertijd de triolen van de Mondscheinsonate in je oren druppelen. En niemand heeft er moeite mee om dat tegelijkertijd op te nemen. — Nog tot voor kort had de academische psychologie de mogelijkheid van die simultaan-consumptie van twee volledig gescheiden inhouden en stemmingen bestreden. Je kunt het feit tegenwoordig dagelijks miljoenen malen vaststellen en dat maakt de mogelijkheid toch wel erg waarschijnlijk.

Tot nu toe had de cultuurkritiek de ondergang van de mens uitsluitend gezien in diens standaardisering. Dus daarin dat een individu dat in een seriewezen was veranderd nog slechte een numerieke individualiteit overhield. Zelfs die numerieke individualiteit is nu dus verspeeld; de numerieke rest is zelfs nog ‘gedeeld’, het individu is in een ‘gedeelte’ veranderd en in een meervoud van functies uitgesplitst. Verder kan de verwoesting van de mens blijkbaar niet gaan. Inhumaner kan de mens kennelijk niet worden. Des te  verwarder en schijnheiliger is de ‘wedergeboorte van totaalvisies’ die door de huidige psychologie met pathos en vol aplomb gevierd wordt; ze is feitelijk slechts een truc om de scherven van de mens onder de toga van de theorie te verbergen. [142]

§14

De hele werkelijkheid wordt spookachtig, fictie wordt werkelijk
Bedrogen grootmoeders haken voor fantomen
en worden opgevoed tot afgoderij

Keren we nu na deze lange maar niet overbodige excurs over de ‘verdeeldheid’ van de verstrooide mens weer terug naar de kern van ons onderwerp: de bedreiging van de mens door Radio en TV.
Zoals we gezien hebben, blijft wat de mens in huis ‘gezonden’ krijgt iets dat ontologisch zo dubbelzinnig is dat we de vraag of we het aanwezig of afwezig moeten noemen, als werkelijk of als beeldspraak, niet konden beslissen. We hebben daarom dat dubbelzinnige ding een eigen naam gegeven en het ‘fantoom’ genoemd.
Nu was erop die stelling van dubbelzinnigheid een interruptie gekomen om die te bestrijden. Die beweerde dat het nutteloos is om te vragen naar ‘af- of aanwezigheid’ want de uitzendingen zijn esthetische schijn en daarmee zitten wij in de esthetische modus. En het probleem van de schijn is in de esthetiek al lang afdoende geformuleerd.
Maar deze redenering is nieuwe wijn in oude zakken. Die oude categorieën redden het niet meer. Niemand die onbevangen bekijkt hoe hij voor zijn apparaat zit, zal op de idee komen te beweren dat hij ‘een esthetische schijn’ geniet. Alleen al daarom niet omdat hij het niet kan. Dwz het bijzondere en het bijzonder verontrustende van de uitzendingen is nu juist dat het om de alternatieven ‘zijn of schijn’ gaat. Hoe waar het ook is dat gebeurtenissen als ze uitgezonden worden fantomen worden, toch is het onwaar dat ze daardoor het alsof-karakter van de kunst aannemen. De houding waarin we een uitzending van een politieke rechtszaak bijwonen, onderscheidt zich fundamenteel van die die we bijvoorbeeld bij de opvoering van de rechtbankscène in ‘Danton’ van Büchner tot ons nemen. Het is niet alleen moeilijk die ondubbelzinnig te beschrijven, omdat onze theoretische begrippen nog niet in de pas lopen [ 143 ]  met de nieuwe werkelijkheid – wat ze niet doen- maar omdat het het bewuste doel van de uitzendingen is die dubbelzinnige opstelling op te roepen. Het resultaat moet zijn onserieuze ernst of serieuze onernst dwz een toestand van trillen en zweven waarbij het onderscheid tussen ernst en onernst niet meer geldt. Daarbij kan de hoorder de vraag hoe de uitzending hem aangaat (als zijn of schijn, als informatie of ‘fun’) of als hoedanig hij de uitzending moet ontvangen  (als moreel-politiek wezen of als vrijetijdsconsument) niet meer beantwoorden, ja niet eens meer stellen.
De dubbelzinnigheid van ernst en scherts, wordt helemaal duidelijk in hoorspelen en tv-spelen, dus daar waar men het begrip ‘schijn’ dat uit de theaterwereld stamt, toch nog wil blijven gebruiken. Dan gaan de ‘fictief’ bedoelde gebeurtenissen (omdat ze door dezelfde techniek die echte gebeurtenissen fantoomachtig maakt overgedragen worden) dialectisch over in werkelijke gebeurens. Zoals bij dromen, daar geldt het leven als droom, en dromen als het leven, zo komt elk fantoom als werkelijkheid voor, omdat de werkelijkheid als droom verschijnt. Omdat elk werkelijk voorval doordat het uitgezonden wordt iets van schijn krijgt, moet het optreden van schijn (de actuele dramatische scène) bij het uitzenden zijn specifieke esthetische  schijngestalte inboeten. Inderdaad zie je dat kenmerk niet meer, in elk geval maar heel gering, zodat de fictieve gebeurtenis ons doet geloven dat wij er echt getuigen van zijn, echte deelnemers, echte slachtoffers. Ik denk vooral aan Orson Wells ‘War of the worlds’ het hoorspel dat de invasie van de wereld als onderwerp had (1938). Bij deze gelegenheid nam de Radio grofweg het Hamlet-principe van ‘theater in het theater’ over, en speelde een radioreportage (en daarin bestond bij de opvoering van deze schone schijn de artistieke prestatie van de uitvoering) en zo maakte dat überhaupt geen enkel verschil meer met een echte radioreportage. Of ze zich daarvan wel wilde onderscheiden, en wat in zo’n geval heftiger was: de domheid of de gewetenloosheid, laten we maar zitten. Overigens de verklaringen over het spel-karakter van de uitzending zouden [144] ook niet gedeugd hebben, want de luisteraars die zo’n invasie überhaupt voor mogelijk zouden houden zouden geen van allen met de catastrofale mededeling ‘De marsmannetjes zijn er!’ in het oor vreedzaam tot de volgende verklaring verder kunnen luisteren en op hun stoel blijven zitten. In elk geval bereikte de schijnbare schijn ons deels als een echt gebeuren, en deels als een werkelijke mededeling over deze gebeurtenis die bij dit gebeuren hoorde, en riep daadwerkelijke paniek op. Dat was overigens de eerste ‘solistische massapaniek’ want ze brak uit zonder contact met de buren, tussen je eigen vier wanden. Die paniek had net zo min iets te maken met ‘esthetische opstelling’ als de angstschreeuw bij een brand met de jubel bij vuurwerk.  —
Dit is al een ‘klassiek’ geval in de historie van de radio en staat niet op zich. Wat daar geldt, geldt van ieder hoorspel, op zijn minst van wat onopgesmukt speelt in de tegenwoordige tijd. Zelfs van die spelen die qua inhoud geheel onschuldig schijnen te zijn. Want ook die halen zijn en schijn, deelname en schijn-deelname zo erg door elkaar, dat de luisteraar geen schijn van kans krijgt om serieus te zijn. Begrijp me niet verkeerd: het onserieuze zit in dit geval niet zo zeer daarin dat iets ernstigs als onernstig wordt opgediend en verorbert, maar dat het onserieuze als serieus wordt aangeboden en opgevat. Die ernst is zogenaamd de grap. Ik spreek van die series waarin zich jarenlang het dagelijks leven van fictieve gezinnen ontrolt; die zijn beslist niet bloedserieus, soms zelfs tranentrekkend. Die zijn alles behalve ongevaarlijk.
Ik heb in de Verenigde Staten een aantal vereenzaamde oude dames gekend, wier leefkring, dus wier wereld compleet bestond uit deze niet bestaande wezens. Ze nemen zo levendig deel aan hun belevenissen, dat ze, als een van die fantoomgestalten sterft of zich verlooft niet kunnen slapen. Hun contacten zijn fantomen; hun omgang met de spookfamilie vult de zin van hun leven. Zonder hen zouden ze niemand hebben. Zonder hen verder leven zou de moeite niet waard zijn. Voor hun fantomen haken ze in de winter handschoenen. Als er een fantoombaby op komst is [145] dan stapelen zich in de studio’s de pakjes op met babykleertjes, gehaakte jasjes, en mutsjes. Die worden dan achter de rug om van de gefopte geefsters aan wel is waar helemaal onbekende, maar dan toch echte baby’s in tehuizen doorgesluisd.  

‘Hoe gaat het met Walt’ vroeg iemand in 1943 aan een van deze tobbers.
‘Krijgsgevangen in Duitsland’, antwoordde ze zonder aarzelen.
De eerste was afgebluft: ‘In Duitsland? Ik dacht dat hij in de Pacific zit’.
‘O, je bedoelt die Walt!’. Had dat dan meteen gezegd. Ik dacht dat je Walt bedoelde’.
‘Walt’ was een nationale bekendheid uit de soap-opera ‘Porcia faces Life’, en in zekere zin familie van die radioluisteraar.  

Deze bezige oude dames lijken misschien komisch of ontroerend. Ik vind ze spookachtig. Als schikgodinnen haken ze onze fantoomwereld bij elkaar. — Eerder heb ik de term ‘unilateraal’ gebruikt voor de zeer bedenkelijke situatie waarin de mens wel is waar zogenaamde werkelijkheid ervaart , maar die niet kan aanspreken, terwijl anderzijds de wereld geen notitie neemt van de mens, maar hem wel constant aanspreekt. Dan belichamen deze schikgodinnen op een ontzettende manier de absurditeit van deze situatie. Aan de ene kant kunnen ze niet op tegen die eenzijdigheid: anders zouden ze immers niet aan het haken zijn. Anderzijds schijnen ze die toch als volkomen natuurlijk geaccepteerd te hebben. Ik heb die oude dames nooit erover horen klagen dat hun fantomen nooit nota van hen namen, dat ze door hen steeds als lucht behandeld werden; werkelijke communicatie bestond niet voor hen; ze moesten het maar doen met de rol van iemand die aan de muur luistert. Het treurige, ja schandalige [ 146] aan deze situatie zit hem daarin dat het de namaak-familie lukt de echte te vervangen. Ze kan echt de moederlijke en grootmoederlijke gevoelens en de lieve dingen die in het echte leven te recht bestonden, stukscheuren, bezetten en bevredigen. Die situatie houdt anderzijds, omdat ze volledig ‘beeld’ is, geen enkele rekening met het bestaan van de lieverds. Ze maken dus de echte gevoelens die bij hen spelen (en die ze massaal levert, om ze solistisch te laten verorberen)  op die manier belachelijk
‘Waarom niet?’ hoor ik iemand tegenwerpen, ‘waarom zou je die oude dames die aangename gevoelens misgunnen? Voelen is toch iets goeds? Dan zijn het toch goede impulsen die ze ondergaan? En zijn die emoties dan ook fantoom of namaak?’  — Daarop kun je in ouderwetse waarheidsliefde, waar geen enkele reden voor bestaat, antwoorden dat wie in nog zulke echte, nog zo aangename of goede gevoelens leeft, die nergens op uitkomen, die dus niet op iets echts slaan, nog erger en schandaliger bedrogen wordt dan wie met leugenachtige opvattingen leeft. Liegen wordt niet beter doordat de bedrogenen ze volkomen oprecht voor waar houden. Liegen heeft veel meer geen enkele andere bedoeling, en geraakt zo aan haar doel en viert triomf.  — De fans van de fantomen worden gefopt in hun mens-zijn. Want subjectiviteit en wereld worden voor hen definitief uit elkaar gerukt. En het is moeilijk uit te maken wat groter schandaal is: het feit dat hier gevoelens en wel vergelijkbaar met die voor je kleinkind machinaal en masse wordt geproduceerd en miljoenen vrouwen ingegoten wordt. Dan wel dat al die vrouwen verplicht worden tenslotte in plaats van ‘hun’ kleinkind (want dat bestaat helemaal niet) slechts hun eigen grootmoederlijke gevoel lief te hebben, dus eenzaam te worden en sentimenteel.
Het gerotzooi dat hier gepleegd wordt met menswaardige gevoelens is deprimerend. Het is stuitend dat mensen van alle leeftijden veranderd worden in solistische voelers of luistervinken of voyeurs. En tenslotte is het helemaal bedroevend dat kritiek op deze verschijnselen als teken van afgunst geldt [ 147]
Eeuwenlang hebben afgodsbeelden echte gevoelens als eerbied en ootmoed mogen wekken en claimen,dus mogen misbruiken. Dat scheen voorbij te zijn, Totdat men de plaats van afgoden bezette met namaak mensen. De jasjes die zich in de studio’s opstapelen onderscheiden zich maar heel weinig van de afgodsgaven die vroeger op de treden van valse altaren werden opgehoopt. Het misbruik dat gemaakt wordt van de gevoelens is niet minder dan vroeger. Waarom de verontwaardiging over het tegenwoordige misbruik minder heftig en minder gerechtvaardigd zou zijn dan over dat van vroeger valt niet te ontdekken.  —*

§ 15

De spookverhalen van nu :
Fantoomwereld en wereld botsen —
Een fantoom wordt afgeperst

De bedrogen grootmoeders die eigenlijk al niet meer van deze wereld zijn, of wel alleen nog maar aan deze wereld hangen omdat ze in de wereld de kans van fantoomgevoelens kunnen smaken, zijn een uitzonderlijk zuiver geval. Slechts bij uitzondering lukt het het fantoom volledig om de concurrerende werkelijkheid uit te schakelen en haar geheel te vervangen en zich monopolistisch van de emoties van de consument te verzekeren. Doorgaans gaat het om een mengvorm. De schepsels van de twee verschillende werelden stoten op elkaar, botsen, wedijveren met elkaar, vermengen zich. NB dat zijn twee ontologisch verschillende werelden niet, zoals in de (vergeleken met de fantastische realiteit van nu fantasieloze) Science Fictie verhalen. Schepsels van twee ontologisch verschillende planeten. Kortom: gevallen uit de praktijk zijn spookverhalen. Die uitdrukking moet je niet figuurlijk nemen want het hoort bij het wezen of onwezen van spoken dat ze als ze het gezelschap waar ze thuis horen verlaten over de drempel stappen in die van ons. Dat is wat ze nu doen. Daadwerkelijk zijn er ieder ogenblik spookgevechten aan de gang in [148] ieders wereld. Als ze vaak niet opgemerkt worden dan komt dat niet alleen omdat ze al bij het leven van alledag behoren (precies als alle gevecht tussen geest en vlees). Maar het komt ook doordat veel van die creaties waaruit de werkelijke wereld samengesteld is al definitief verslagen zijn door de fantomen. Het zijn al reproducties van fantomen die er haarfijn op lijken. Het verschil tussen de strijdenden is niet meer te zien door de overwinning van de spoken. Talloze echte meisjes zien eruit als filmplaatjes: als reproducties van reproducties lopen ze rond omdat ze wanneer ze eruit zien als zichzelf niet op kunnen tegen de sex appeal van de fantomen; dan zouden ze op geheel fantoomachtige wijze : nl in hun echte en moeizame leven achterop raken. Bewijs overbodig.  —
Een buitengewoon opvallend voorbeeld van zo’n botsing tussen fantoom en werkelijkheid en wel het gevecht tussen een tv-fantoom met een burger uit Londen haalde onlangs de pers. Hier komt het:

Er leefde  — of er leeft — dus een vrouw in Londen, klein-burgerlijke huisvrouw, die zo erg gefascineerd was van een Apolloachtige TV-ster dat ze geen enkele kans om hem bij zich te zien onbenut liet voorbij gaan. Geen uitverkoop kon haar meer lokken, geen bedreigingen van haar man konden haar stoppen — elke morgen op een bepaalde tijd werd haar jammerlijke keuken , nadat ze zich zij het ook voor een minnaar in beeld, met haar zondagse zeep had gewassen en haar mooiste kleren had aangetrokken, een hemels kwartier lang een stormvrije stek; en dat was een hoogst reële  zaak voor haar. Dat ze hem met honderdduizend andere vrouwen moest delen, als ze erover nadacht, dat zou ze wel toegegeven hebben. Maar ze had hem nooit anders dan op de solistische massaconsumptie toer gezien daarom was de ervaring van gemeenschappelijk bezit (die je in het theater of in de bioscoop onvermijdelijk op moet doen) [ 149] maar heel rudimentair gebleven. Kortom, ze ‘had’ iets met hem. Dat had haar gevleid,des te meer omdat hij begonnen was; hij had haar aangesproken. Hij die haar dagelijks bezocht, en met haar praatte al kon ze ook niet ontkennen dat de zaak iets voyeuristisch had en hij nam nooit kennis van haar liefdesbetuigingen. — Je ziet wel: de zaak is zo al ingewikkeld en stellig spookachtig. Daar kwam nog bij dat het hier om een minnaar ging, een echte heer, vol charme en altijd goed gehumeurd, met niet aflatende flirt-ideeën. Daartegen had haar echte man ( een kleine geplaagde werknemer in een gasfabriek, met wie ze eerder niet bepaald enthousiast, maar toch ook niet bijzonder slecht geleefd had) natuurlijk in de verste verte geen schijn van een kans. Voor ze het in de gaten had was de echte op haar zenuwen gaan werken. Ja, al gauw begon ze hem regelrecht te haten, niet in de laatste plaats omdat hij bepaald uit boosheid juist dan van het werk thuis kwam en uitgehongerd om zijn eten placht te roepen, als haar minnaar (die op basis van zijn fantoomwezen de deugd bezat nooit eten te begeren en haar nooit aan te brullen; daar kan niemand mee concurreren) net met zijn namiddag rendevous begonnen was. De echte en het fantoom stonden dus tegenover elkaar: botsing. Maar zelf ook fantoom, die botsing, of half-fantoom want de echte knarste wel met zijn tanden maar het fantoom floot lustig verder en behandelde hem als lucht. De echte moest wel mee aanzien dat zijn vrouw aan de lippen van de ander hing, maar het fantoom moest niks. De echte was dan wel weerloos omdat de ander maar een spook was, maar op dezelfde gronden bleef het fantoom de baas. Alles was daarmee klaar voor een clownerie tussen man en vrouw. Het begin er mee dat hij de gehate rivaal uitschakelde en zij hem weer aanzette; als een speelse ouverture voor dat wat zich spoedig tot een furioso zou ontwikkelen. —  De verleiding was natuurlijk levensgroot ‘om hem eens wat te laten zien’; en wel eens en voor goed. [ 15O] maar hij kon daar natuurlijk niet aan toe geven. want het was tenslotte zijn tv-toestel, zijn reputatie-meubel, dat bovendien nog niet voor de helft was afbetaald. Om maar helemaal te zwijgen dat het toestel hem ook diende als enige bezigheid, ja als enige troost op zijn avonden. Als hij zijn woede zou laten begaan zou hij zich dus in zijn eigen vingers snijden. Omdat er niets je zo boos kan maken als een stom gevecht dat woedt tussen je lust om te vernietigen en die om te bezitten, en omdat niets je wilde woede zo aanwakkert als geremde woede, kortom: omdat je toch ergens op moet timmeren, het liefst wat minder kostte dan het apparaat en tegelijk toch beter houdbaar was, sloeg hij op haar in. Maar ook dat was tevergeefs want ze liet het pak slaag zonder een kik over zich heen komen met de blik van een martelaar op haar geliefde gericht (die er echter weinig notitie van nam en zacht verder floot). Dat lukte haar des te beter omdat, zoals later de getuigenissen voor de rechtbank bewezen de vechtersbaas blijkbaar nooit helemaal vergat dat zij ook een houdbaarheidsdatum had en dat ook haar prijs niet te onderschatten was en dus het pak slaag doseerde. Het lukte hem dus niet haar de bezoeken van het fantoom te verbieden. En al helemaal niet de aloude liefde voor hem er bij haar in te rammen. —
Vermoedelijk zou de man die zo vergeefs boos was duizend maal liever een concurrent van vlees en bloed gehad hebben die zijn vrouw zelfs echt verleid zou hebben, maar die kon hij ook lijfelijk de trap af smijten, dan deze ongrijpbare. Die rustig huisvredebreuk kon plegen en die maakte dat de man zijn huis ging haten en die zijn eten verziekte zonder zelf te eten, die verwoeste zijn huwelijk zonder zelf lief te hebben en zonder zelf te kijken zijn vroeger zo alledaagse vrouw in een kijkgeil wezen veranderde. Geen wonder dat de vertwijfelde man niets anders overbleef dan het vervloekte fantoom een ultimatum te stellen dwz hij stuurde een chantagebrief ‘get out or…’ Het toppunt werd bereikt in de moorddreiging. De postbode die niets wist van het verschil tussen fantomen en echte mensen leverde de brief af bij acteur X [ 151 ] die van het bestaan van zijn geliefde nooit iets had gehoord, maar wel serieus bezorgd was voor zijn niet-fantoom leven, volgde het juridisch naspel dat door de Engelse pers ging. Er is nog geen vonnis.

§16

Vanwege zijn kleine formaat
verandert de TV elke gebeurtenis
in een synchrone prulscène

De uitgesproken bedoeling van productie is ‘onserieuze ernst’ te kweken in de consument en ‘serieuze onernst’ : want alleen als je de consument heimelijk kunt laten wennen aan deze trillende niet te beslissen toestand kun je ook op hem rekenen als massamens; namelijk als een mens, die ook niet meer in staat is te beslissen. Misschien was het op zich een toevallige fenomenologisch eigenschap van radio/tv maar dat je niet kunt uitmaken wat zijn en wat schijn is, werd als moreel geschikt effect gebruikt.
Hoe fictieve zaken veranderen in iets verschikkelijks of half-serieus hadden de voor fantomen hakende schikgodinnen en het hoorspel van Orson Welles bewezen. Het voorbeeld van de fantoom-chantage toonde aan hoe half serieuze of fictieve zaken in conflict kunnen komen met de werkelijkheid, en zodoende echte consequenties hebben. Nu moet aangetoond worden hoe werkelijke zaken in entertainment veranderen of ongevaarlijk worden.  We pakken daarmee het ons vertrouwde thema weer op. Maar anders dan in de eerste analyse gaan we nu geen algemene beweringen doen over de ‘verburgerlijking’ maar er wordt een technische truc van verburgerlijking getoond. De truc die ik op het oog heb is het mini-formaat van beelden die op het beeldscherm verschijnen
Natuurlijk zal men tegenwerpen dat dat mini-formaat geen technische truc is, maar een technisch gebrek. En bovendien nog tijdelijk. Die kan men beslist verhelpen. [152]. Echt wel. Maar of men dat doen wil, of men dat gaat doen is betwijfelbaar.* En wel daarom, dat dat kleine hoewel van aanvang niet bedoeld, toch uiterst geschikt is gebleken als een welkom gebrek . Want het is tegen een heel speciale opgave opgewassen namelijk om de macrocosmos voor microkosmos uit te geven. En elke gebeurtenis in de tijd kan zo in een snuisterij veranderd worden. * Ik zeg ‘snuisterij’ omdat het miniatuurformaat van de TV die functie overgenomen heeft die vroeger aan prullaria hing. De porseleinen kop van Napoleon bijvoorbeeld, die op de schoorstenen van onze grootvaders stond heeft meer geholpen om de catastrofe van de ‘grande armée’ weg te poetsen dan de dikste geschiedenisfolianten. Nu is men daar veel sneller mee klaar. Want als je tegenwoordig iemand een ongevaarlijk bestaan in een ongevaarlijke wereld wilt aanpraten, dan serveer je hem de onschuldige versie niet pas naderhand, maar tegelijkertijd met de gebeurtenis als ‘synchroon snuister’ (misschien zelfs wel heel voorkomend en beschermend vóór de gebeurtenis). Als we voor het kleine vlak zitten, dan hebben we plotsklaps ogen in ons hoofd die als omgekeerde theaterkijkers ons in staat stellen elke scène van deze wereld humaan en ongevaarlijk te bezien. Of beter — want de meeste geschenken van nu zijn vermomde belemmeringen — ze maken dat we niet meer op een andere wijze kunnen kijken. Ze verhinderen ons dus te ontdekken dat de wereld, de gebeurtenissen, besluiten, verraad waar we getuige en slachtoffer van gemaakt worden. niet te missen en onafzienbaar zijn. Men geeft ons dus een vals overzicht. Vals niet slechts omdat wij daardoor onze tijd ‘over het hoofd zien’ (in de zin van niet-zien) maar omgekeerd dat men ons aanpraat dat de TV de wereld voor ons overzichtelijk maakt.  (in de zin van ‘mentaal te behappen’) Vroeger probeerden filosofische systemen ons de totale wereld aan te bieden,- zelfs als het beeldscherm ons optisch datzelfde  zou kunnen leveren, dan nog zou dat ’geheel’ hegeliaans gesproken nog niet ‘het ware’ zijn. Juist niet omdat het het totale is . Dwz omdat het de grootte van onze wereld en de onafzienbaarheid van onze daden door het feit van het overzienbare model heeft verduisterd. TV-schermen zijn beslist niet de [ 153] enige apparaten die zo afmetingen verduisteren. Landkaarten schijnen zich aan een dergelijke verduistering schuldig te maken. Maar landkaarten presenteren zich duidelijk en eerlijk als verkleind overzichtsmodel, terwijl tv scènes, gelijk oplopend met wat er plaatsvindt pretenderen de gebeurtenis zelf te zijn. —
In de cultuurkritiek van tegenwoordig legt men veel te weinig nadruk daarop dat er naast sensatiezucht die zeker kenmerkend is, ook een anti-sensatiezucht bestaat, die er nauw mee samenhangt en die minstens zo gevaarlijk is. En terwijl de ene vals oppept, sust de ander; terwijl de ene van een mug een olifant maakt de ander van een olifant een mug. Als je voor het scherm zit is het inderdaad moeilijk zich te onttrekken aan de totale fantomisering van de wereld, die door die truc van de verkleining mogelijk werd. En het wordt zelfs zwaar werk voor wie het wel door heeft. Wie eens het voorrecht had op het scherm het marionettentheater van een autorace bij te wonen, zal na afloop in puur ongeloof vastgesteld hebben dat zelfs het dodelijke ongeluk er niet zo heel erg uit zag. Je weet dan dat wat je net meegemaakt hebt zich echt op datzelfde ogenblik afspeelde als waarop je het op je scherm zag. Maar je weet het alleen maar. Dat weten blijft helemaal levenloos . Het lukt niet om dat kleine beeld met dat gebeuren daar ergens achter op te vatten als een en hetzelfde hier-en-daar; of het huidige nu congruent te nemen met wat ginds is. Daarom blijft onze verbijstering dan ook klein en denkbeeldig. Behoorlijk kleiner dan verbijsterende zaken waarin slechts fictieve, op het toneel plaats vindende catastrofen ons verplaatsen.
Maar dat samenvallen moet ook helemaal niet lukken. Wat moet lukken en effectief ook gelukt, is vooral dat we door het voorgespeelde beeld van de mogelijkheid beroofd worden om aan dat werkelijke te denken. We kunnen überhaupt niet meer bedenken dat er ‘naast’ het aangeleverde ook nog een werkelijk gebeuren bestaat. Het doel van het geleverde beeld, ja van de levering van het hele wereldbeeld bestaat juist  — hier grijp ik terug op een formulering uit de openingsparagraaf— daarin de werkelijkheid te bedekken [154] en wel met het zogenaamd werkelijke zelf. We kunnen dus de wereld-in-beeld laten verdwijnen.

Zeker zijn wij niet in staat ons een atoomexplosie voor te stellen. Maar net zo zeker is het dat de falende fantasie of de vertwijfeling over haar falen de mateloosheid van dat gebeuren onvergelijkelijk veel dichterbij komt en gepaster is, dan die TV die je schijnbaar ooggetuige laat zijn; maar dat TV-beeld bedriegt het onafzienbare, doordat het te overzien is. En omdat het ons op het oog heeft, bedriegt het ons.

III

HET BERICHT

‘ Als wat’, vroegen we aan het begin van het vorige stuk, ‘als wat voor maaksel krijgen we de gebeurtenissen die we thuis afgeleverd krijgen?’ Het dubbelzinnige antwoord was toen: ‘Als fantomen’  — dat gaf aan dat ze noch als de gebeurtenissen zelf aankomen, ook niet alleen maar als beeld, maar als nog weer anders.
En is dat nou zo verbazingwekkend? Is dat niet iets heel alledaags, waaraan we met een vreemde uitdrukking een vreemd gezicht geven? Iets dergelijks vindt toch elk moment plaats? In elke kennisgeving?
Wat betekent dat?
Veronderstel nu eens dat de kolenkelder leeg is. Daar krijgen we bericht van. Wat wordt ons dan meegedeeld? Wat wordt ons dan ‘thuis geleverd’? Het voorwerp zelf? De lege kolenkelder?
Een beeld van de leeg geraakte kolenkelder?
Noch het een noch het ander. Want wat we krijgen is een ‘ding’ sui generis. een ‘derde voorwerp’ dat op een eigenaardige manier buiten de twee alternatieven (voorwerp; beeld jab) ligt. Namelijk dat de kolenkist leeg is [155]; een feit dus. Dat dat feit niet identiek is aan de kolenkelder zelf is een heldere fenomenologische constatering : het feit zelf is immers niet leeg. maar het is net zo evident dat het feit dat ons door het bericht overgebracht wordt toch niet opgaat in beeld-zijn-van.
Ook datgene wat ons het bericht brengt is dus noch het ding, noch het beeld ervan. Ligt het vanwege de gelijkenis in structuur dan niet voor de hand om te vermoeden dat we in radio en tv-uitzendingen simpel met berichten te doen hebben?
Om die vraag te beantwoorden moeten we even afdwalen, we moeten namelijk eerst de natuur van berichten onderzoeken. En die omweg is des te noodzakelijker omdat we met onze argumenten tot nu toe de schijn kunnen gewekt hebben dat we een pleidooi houden voor het monopolie van de onmiddellijkheid, zonder dat we dat zo exclusief mochten doen.

§17

Pragmatische theorie van het oordeel:

Wie een bericht krijgt is vrij,
want hij beschikt dan over iets dat niet aanwezig is;
en onvrij omdat hij van de zaak zelf
slechts de omschrijving ( Predikaat) krijgt.

Wat is dan een bericht? Wat presteert het?
Dat de ontvanger nu iets weet over wat niet aanwezig is. De adressant heeft zonder eigen ervaring, dus indirect weet van dat afwezige op grond van plaatsvervangende waarneming.  — Nu het woord ‘afwezig’ opduikt zijn we er zeker van dat we nog binnen de vragencirkel zitten waartoe het probleem van de dubbelheid van aan- en afwezigheid hoort. — De definitie van bericht vraagt om nadere verklaring.
Spreken wil zeggen: spreken over iets dat er niet is: wil zeggen : wat er niet is, aan iemand die niet ter plaatse is voorstellen.
Zelfs de niet mededelende meest directe vorm van spreken, de imperatief verhoudt zich al tot aanwezigheid en afwezigheid: want de imperatief roept iemand die zich afgewend had [ 156] dus een afwezige, op te luisteren en mee te doen, door aanwezig te zijn. Maar terwijl de imperatief de aangesprokene uit de afwezigheid opcommandeert, roept de mededeling dat wat gezegd wordt uit de afwezigheid. Wat er ook gezegd wordt, als dat waar het over gaat niet afwezig is, is het gewauwel. Het is alles achter de rug om van de besprokene, de ‘derde’, de fundamenteel afwezige – hetzij ‘persoon’ dan wel ding. Het is altijd erom te doen het afwezige present te doen zijn. — Deze relatie tot afwezigheid heeft de taal natuurlijk geërfd van het aanwijzen: dico (latijn) — Grieks: δείκνυμι .  Want als je wijst , wijs je op iets dat aanwezig is, maar als afwezig (want het is uit het zicht of de aandacht van degene die ergens op gewezen wordt. Met als enige doel om de aangesprokene in de aanwezigheid van het voorwerp te brengen. Dan heeft die een kans om het voorwerp rechtstreeks te ervaren of daadwerkelijk op te pakken.
Nu schijnt iemand die een bericht krijgt die kans niet gegund te zijn: het bericht brengt hem niet naar het voorwerp en het voorwerp niet naar hem. Of toch wel?
Toch wel. Want ook in een bericht wordt iets aanwezig gemaakt; zij het niet het voorwerp zelf. Maar wel iets van het voorwerp. Iets over het voorwerp. Een heel speciaal nieuw voorwerp dat niet toevallig ‘feit (factum, latijn jab) heet , want het is uit het oude voorwerp ‘gemaakt’. ‘Speciaal’ is dat nieuwe voorwerp omdat het anders dan het eerste, principieel mobiel en overdraagbaar is. Ondanks dat verschil heeft degene die het nieuwe voorwerp , het ‘factum’ ontvangt dus de geadresseerde ook het oude. Of meer precies: hij heeft door het bericht iets van het oude. En wel buitengewoon veel:
Het bericht dat het ‘feit’ overbrengt maakt dat de geadresseerde nu kan handelen alsof het voorwerp aanwezig is: hij kan het meerekenen met en inbouwen in alles waar hij over beschikt. De enige zijnsgrond van een bericht is de geadresseerde de mogelijkheid te geven zich aan het bericht aan te passen.
Pragmatisch gezien maakt het het voorwerp dus werkelijk bij hem ‘aanwezig’ dan wel hem bij het bericht. De geadresseerde weet er nu van. [ 157] Hij kan er nu over beschikken en over de situatie die door het voorwerp veranderd is. Dankzij het bericht : ‘De kolenkelder is leeg’ kan ik nu nieuwe kolen bestellen. — Maw als de geadresseerde in plaats van het afwezige voorwerp ook maar iets ‘van hem’ ontvangt iets dat er van los gekomen is, dan is wat hij krijgt geen gebrekkige vervanging. Maar precies dat wat er aan de hand is met dat voorwerp: het element aan het voorwerp wat voor de geadresseerde werkelijk of schijnbaar telt. Dat waar hij beslist op in moet gaan. Waar hij zich naar richten moet.* Wat voor hem telt is dus in het bericht uitgedrukt, voor hem bewerkt en voorbereid. En zo in die voorbewerkte toestand krijgt hij het. In de taal van de logica, waar deze opzienbarende prestatie talloze malen behandeld, maar veel te weinig bewonderd wordt, heet dat wat er aan de hand is, dit preparaat: ‘Predicaat’. Predicaat is dus een eindproduct dat voor de ontvanger is bereid. Het bericht splitst dit eindproduct af van het oorspronkelijke voorwerp. Dat vooronderstelt dus een deling. En die handeling van het delen heet ‘beoor-delen’ . Dus een bericht valt in twee delen uiteen: S en p. In plaats van dat ene voorwerp ‘kolenkelder’ krijgt de geadresseerde het tweeledige feit ‘de kolenkelder is leeg’. — Maar het bericht bestaat niet uit twee delen omdat ze een beoordeling bevat, maar de beoordeling bestaat uit twee delen omdat ze een bericht is. —
Met andere woorden: het predicaat dat gewoonlijk slechts in de formele logica werd behandeld is veel groter en algemener van belang. Boven hadden we het al over ‘beschikken over’ dat wie op basis van een ontvangen predicaat over iets beschikt dat afwezig is, wie dat mee kan rekenen, en wie zich daarnaar richten kan, die heeft de horizon van zijn aanwezigheid en van zijn macht vergroot. Die is onafhankelijk geworden van de toevallige plek waar hij is; die bevindt zich hier of daar. Je krijgt een bericht en dan heb je de relevante inhoud ervan (dat wat er ‘aan de hand is’) te pakken als iets dat los is gemaakt, geïsoleerd, en geprepareerd [158] , en dat krijg je dan als eindproduct zonder dat je belast bent met het onbelangrijke dat elk waar te nemen voorwerp aan zich heeft. Dan ben je daar zelf vrij van

Aan de andere kant echter — en dat tweede gezichtspunt is voor ons beslissend — betekent het bericht ook vrijheidsberoving. En wel tot onze verbazing om dezelfde reden waarom ze instrument van vrijheid is: dus weer omdat ze niet het afwezige zelf biedt, maar ‘iets aangaande of betreffende iets’ (über en an in het Duits jab). Maar dit feit krijgt nu een ander accent.  De nadruk ligt nu op: het bericht brengt slechts een deel van het afwezige voorwerp. Uitsluitend dat deel dat oor-deel heet. (Ur-teil;); alleen het preparaat dat ‘predicaat’ heet. Iets anders levert het bericht de geadresseerde niet op. Het brengt hem een selectie, nog voordat hij zichzelf een oordeel kan vormen.en legt hem van tevoren daarop vast; ze prepareert hem. Wie het bericht hoort, hoort niet een  predicaat dat in het subject is opgegaan, veel meer is het subject helemaal opgegaan in het deel, het predicaat. Elk bericht is dus omdat het een deel aanlevert, al een voor-oordeel. En dat kan waar of onwaar zijn. Ieder predicaat is al een vooringenomenheid. En door die inhoud van het bericht wordt het voorwerp zelf aan de geadresseerde onthouden. Dat blijft achter het predicaat, dat uitsluitend geleverd wordt in het donker achter. Die krijgt dus een bepaald perspectief opgedrongen (nl van het predicaat). Hij wordt dus onzelfstandig gemaakt want het voorwerp dat zogenaamd in de beoordeling zit wordt hem onthouden.
‘ Take it or leave it’  lijkt het bericht tegen de geadresseerde te zeggen. ‘Of wel je accepteert het deel van het afwezige, het afwezige in zijn al gedeelde, beoordeelde kant en klare versie of je krijgt niks’. De bode is de baas. [ 159]

Meestal blijft het verschil tussen directe en indirecte ervaring wel absoluut duidelijk. Want de onmiddellijke beleving , neemt de waarneming op, de beelden die aan het predicaat vooraf gaan. Maar de indirecte ervaring breekt door het bericht in de ‘S is p’-vorm  uit elkaar. Daarbij is nauwelijks enige twijfel mogelijk over de aard van de ervaring over de verwisseling. Zelfs de boekenwurm of de krantenfan die binnen de horizon leeft van bemiddelde ervaringen en zich daarmee voedt, komt toch maar zelden op de gedachte dat hij het geleverde indirect (of zelfs omgekeerd) ervaart. Zeker niet tijdens het ervaren. Achteraf kan hij wel onzeker worden, of hij het te danken heeft aan een directe of indirecte ervaring. Namelijk als een inhoud bezonken is in de voorraadskelder van zijn weetvoorraad , —
Daarmee zijn we aan het punt waarop we aankoersten. 

§ 18

Uitzendingen lossen het onderscheid tussen zaak en bericht op.
Het zijn verkapte oordelen

Want het eigenlijke wat dubbel is aan Radio en TV uitzendingen zit hem daarin dat de ontvangers van meet af aan en principieel in de situatie worden gebracht waarin het onderscheid tussen meemaken en bericht over iets krijgen uitgewist is. Het verschil tussen directheid en door middel van is vernietigd. Dan is het onduidelijk of hij voor een zaak staat of voor een feit, voor een voorwerp dan wel voor een factum. Wat betekent dat?
We hebben gezien dat het karakteristieke voor feiten in onderscheid van de meeste voorwerpen, bestaat in hun mobiliteit: De boodschapper kan het brandende huis niet vervoeren maar hij kan het feit dat het brandt aan de geadresseerde brengen en aan hem overleveren. Nu worden in uitzendingen immers de voorwerpen zelf , op zijn minst hun fantomen, gebracht: wat mij bereikt is de symfonie; niet het feit dat men die speelt. Ik hoor de redenaar niet het feit dat hij spreekt. De vervoerbaarheid [160] voorheen eigenschap van feiten, schijnt de voorwerpen zelf geïnfecteerd te hebben. Heeft ze die dan daardoor niet in feiten veranderd?
De vraag klinkt vreemd. Want feiten, op zijn minst de berichten die de feiten overbrengen, splitsen toch in twee onderdelen: S en p. De verzonden bouwsels doen dat toch duidelijk niet. De redenaar die ik hoor is toch ‘zichzelf’ en niet ‘iets over hem’; of toch wel?
Toch wel –
Stel op de TV treedt kandidaat Smith op om zich aan de kiezer voor te stellen. Vanzelfsprekend wil deze Smith laten zien wat voor een pleasing personality hij is; vanzelfsprekend is hij dan verplicht om ons zo charmant mogelijk toe te lachen. Maar deze eenvoudige constatering beschrijft zijn optreden lang niet voldoende. Zijn charme schuift hij alleen op de voorgrond om ons te doen vergeten dat hij uit nog wel andere zaken dan dat lachje bestaat. Wat op het scherm komt, hoewel schijnbaar de hele senaatskandidaat Smith zich presenteert, (die noemen we S.) zal dus uitsluitend het feit zijn of de bewering dat hij een ‘pleasing personality’  is (die noemen we p);dus alleen : ‘ S is p’ ; of wel p in plaats van S —
Wat we dus te zien zullen krijgen zal dus — hier kunnen we de formule invullen, die we zojuist bij de analyse van het oordeel-karakter van een bericht gebruikten — ‘ het subject dat opgaat in zijn predicaat. — Ja we hebben zelfs het recht om nog slechts deze p te zien: want niet zelden gebeurt het dat deze verwisseling van subject en predicaat werkelijkheid wordt. S. is dan uiteindelijk in dat predicaat veranderd en is niets meer dan dat; kan ook niets meer dan dat zijn. Hij is dus veroordeeld tot p-zijn en loopt zo daadwerkelijk rond als professionele lachebek. Vaak eindigt de leugengeschiedenis  dus in de waar-gelogen leugen. De presentatie van de kandidaat volbrengt precies hetzelfde als het bericht. Neen, zelfs meer. Dat is namelijk een bericht dat het feit dat ze oordeel dat al geveld is, weet te verhullen. En dat is qua prestatie een geweldig voordeel. Want daarmee zijn tegelijk de effecten die , zoals zojuist aangetoond is, fundamenteel bij oordelen horen [161[: dus dat vooroordeelachtige en die beroving van vrijheid, mee verhuld.  Om de consument aan te praten dat hem niets aangepraat wordt, ziet het in beeld veranderde oordeel ervan af  om de vorm van een oordeel te hebben.  Het verandert zich schijnbaar in de handelende persoon S waarover het gaat. In die S, wiens vitaliteit niet verraadt dat hij in S en p is uiteengevallen. In elk geval niet zo opvallend als een normaal oordeel.
Deze gang van zaken is wel heel alledaags, maar filosofisch hoogst merkwaardig. Want het laat een omkering zien van de normale volgorde. Gewoonlijk, als basisvolgorde volgt het bericht het feit dat het vermeldt, en waar naar het zich richt. Maar hier richt het feit zich naar het oordeel. Eerst is daar de zin ‘Senator Smith is a pleasing personality’ en dan volgt S daarop, of het beeld van S maar dat doet nu alsof het de man zelf is, dus iets wat nog niet beoordeeld is. In waarheid echter is de man, het S,  niets anders dan zijn p, maar in vermomming waardoorheen de oordeelstructuur niet meer te zien is. Wat dat in beeld veranderde oordeel veinst,(in de zin van ‘op voorhand beschermen’ ) is dus dat het niets veinst (in de zin van ‘van tevoren klaar stomen’, ‘bepalen’, ‘kwalificeren’). Daarom is de term ‘verhullen’ ook net niet helemaal correct, want de verhulling die ze aanbrengt is een negatieve : het oordeel hult zich in schijnbare naaktheid, en behangt zich met het sieraad van ontbrekende predicaten. —

§ 19

Goederen zijn verhulde oordelen. Fantomen zijn goederen.
Fantomen zijn verhulde oordelen.

Dit voorbeeld zal men wel helemaal niet karakteristiek vinden. Want men zal er tegenin brengen dat niet elk fantoom vertoning is van een p. Niet elk fantoom  is reclame — want in die categorie hoort ons voorbeeld— dus zijn ze ook niet allemaal oordeel c.q. vooroordeel.
— Dat niet elk fantoom op de doordringende manier reclame maakt als de voor dit doel bedachte kandidaat Smith, zij toegegeven. Maar wat wel overeind blijft, is dat alle fantomen omdat ze bij ons thuis afgeleverd worden, goederen zijn. [162]  Dat is doorslaggevend. Dat zijn als zodanig oordelen.
Dat klinkt ook weer vreemd. Wat zal een oordeel dat thuishoort in de logica gemeen hebben met een goed dat zijn plaats heeft in de economie? Antwoord moet luiden: het predicaat. Elk goed, voor zo ver het zichtbaar is en zich aanbiedt  — en slechts als zodanig , slechts als aanbod is ze een goed — is het oordeel over zichzelf; en prijst zichzelf aan. Door op te treden beveelt het zich al aan. In de etalage ligt het al als vooroordeel van eigen kwaliteit. Zeker, in de zin van ‘S is p’ ontleedt het zich net zo weinig als onze kandidaat Smith. Zijn kwaliteit wordt niet verwoord, in elk geval niet noodzakelijkerwijs (hoewel vaak genoeg in reclametekst) in elk geval wordt het gearrangeerd. En arrangement wil zeggen dat zijn p (dus wat er met hem loos is, zijn  werkelijke of zogenaamde kwaliteit) zo losgekoppeld is en als lokkertje zo opgehemeld en omhoog geschoven wordt dat eigenlijk dat verleidelijke en niet het goed zelf als geheel zichtbaar wordt . De kijker krijgt dus in eerste instantie het perspectief geboden waaronder hij het goed moet overwegen, dat is al vastgelegd nog voor het goed zelf geleverd is; al vooruit geleverd.
Het karakter van een goed houdt dus een oordeel in, dat is onbestrijdbaar. In de vorige paragraaf heb ik vastgesteld dat de negatieve werking die een bericht heeft erin bestaat dat het de vrijheid van de geadresseerde besnoeit. Hij kan niet meer (zelf) bepalen vanuit welke hoek hij het afwezige zal bekijken. Want door het predicaat vast te leggen en al mee te leveren met het goed, daardoor is tegelijkertijd aangegeven wat het geleverde goed moet presteren. In plaats van de geadresseerde komt nu een klant, die nog door het scherm van het goed is gescheiden, nog ‘afwezig’ is en door het getoonde p uit die afwezigheid gelokt moet worden om koper te worden. Maar deze onderscheiding doet geen afbreuk aan de parallelliteit (?? jab)

Aan het begin van deze studie heb ik al vastgesteld dat de gebeurtenissen die in fantomen veranderd worden en dan bij ons afgeleverd, goederen zijn. En wat van elk goed geldt: dat het een oordeel is [ 163] geldt ook van hen. (de uitzending, de berichten, jab) wel is waar vermomd.* Ze zijn ook uitspraken over de gebeurtenissen hoewel ze ‘in naaktheid gehuld gaan en behangen zijn met de sieraden van ontoereikende predicaten’, zich voordoen als de gebeurtenissen zelf. Nu is geen beoordeling zo niet-schijnbaar, zo verleidelijk als dat het zogenaamd niets anders is dan de zaak zelf. Daarom ligt de kracht van haar verleiding in het afzien van het uitgewerkte ‘S is p – schema’. Wat we consumeren als we voor de radio of de TV zitten, is in plaats van de staat van behandeling vooraf, in plaats van het zogenaamde ding S met predicaat p : een in beeld gevormd, geshowed vooroordeel. Dat verbergt, zoals elk vooroordeel dat doet, zijn karakter van oordeel. Maar omdat het dat stiekem toch is verhindert het de consument zelf nog eens de moeite van beoordelen te nemen. In feite piekert hij er niet eens over; zoals bij andere kant en klare goederen, zoals gekookte vruchten-in-blik; die koop je om niet zelf te hoeven koken. — Wat voor een bericht opgaat: dat het ons onvrij maakt, omdat het ons het afwezige slechts in zijn van tevoren bewerkte, kant en klare vorm laat zien of helemaal niet, dat geldt des te meer van de uitzending: Het is ons ontzegd zelf te oordelen. En dat is uiterst fundamenteel omdat we ons er niet tegen kunnen verzetten het oordeel wat ons geleverd als de werkelijkheid op te vatten.

IV

DE MATRIX

§ 20

Het geheel is minder waar dan de som van zijn deelwaarheden
— Realistische vermomming van Sjablonen
heeft als doel de beleving in een sjabloon te gieten

Uiteindelijk echter is het niet enkel de uitzending die voorbereid wordt om verkocht te worden. Die is als dat zo uitkomt zelfs [164] ongeprepareerd en objectief waar; veel uitzendingen zijn dat in feite. En omdat de leugen niets zo lief heeft als het alibi van de waarheid op zijn minst een deelwaarheid, zijn ze het zelfs graag. Geen leugen die wat voorstelt, bevat onwaarheid. Wat feitelijk geprepareerd wordt is vooral het wereldbeeld als geheel, dat uit de afzonderlijke uitzendingen wordt samengesteld. En ook: het totale mensentype dat uitsluitend door fantomen en nabootsingen gevoed wordt. Ook als men alles apart op zich waarheidsgetrouw zou uitzenden dan nog zou men het geheel , alleen al daardoor dat men veel wat werkelijkheid is niet toont, maken tot een geprepareerde wereld; en dan verander je de consument van het geheel in een geprepareerde mens. dat geheel is dan minder waar dan de optelsom van de waarheid van zijn onderdelen. Of, in afwijking van de beroemde Hegel-these: ‘Het geheel is de leugen; vooral het geheel’.  De taak van hen die ons het wereldbeeld leveren is dus uit de vele waarheden voor ons een geheel bij elkaar te liegen.
Het geheel waarop men mikt is echter niet een theoretisch maar een pragmatisch wereldbeeld. Daarmee is niet slechts uitgedrukt dat datgene wat men in plaats van waarheden als zogenaamde wereld aanbiedt, neer komt op een ‘subjectieve wereld’ *. Maar er is ook mee uitgedrukt dat het een praktisch apparaat is, om te trainen; met de bedoeling ons handelen, ons verdragen, ons gedrag, onze nalatigheden, onze voorkeuren, alles bij elkaar heel onze doen en laten überhaupt, te vormen. Beslist een apparaat dat tegelijkertijd als ‘wereld’ vermomd is om zijn bedoeling te verbergen.  Het is een instrument in de vorm van een pseudo-microkosmisch model dat op zijn beurt voorwendt de wereld zelf te zijn.
Dat klinkt tamelijk duister. Maar een vergelijking zal het duidelijker maken. Planeten vertonen hetzelfde type. Want enerzijds zijn het dingen die ons kennis (over de sterrenwereld) en onze praktijk (van het ontdekken van sterren) willen bijbrengen. Maar anderzijds treden ze op als microkosmische modellen en proberen, wel argeloos, als microkosmische modellen de illusie op te roepen dat ze de sterrenhemel zelf zijn. — Helemaal treffend zou de vergelijking zijn met een pseudo-planetarium, zeg maar een astrologisch planetarium, dat ons, hoewel ten onrechte [ 165]  pretenderend een model van de sterrenhemel te zijn, wilde inprenten de wereld volgens haar beeld te zien.
Van dat type is dus ‘de wereld’ die door uitzendingen wordt opgebouwd en aangereikt. Een lokmodel dus waarop we inspelen moeten. Met behulp daarvan leren we ons ‘behavior patterns’ aan, gedragtypes, en ‘reflexes’. Dat raakt zo diep ingeslepen, dat we daardoor niet meer in staat zijn ons in de werkelijke wereld nog anders te gedragen dan volgens het lokmodel. En we kunnen ons door de wereld niet anders laten opvatten en behandelen dan volgens dat model. Er wordt gemikt op samenvallen van de werkelijke wereld met het model. Maar daar moet men dan weer niet een theoretische uitspraak over identiteit van maken want dan zou je al een daarvoor liggende verscheidenheid prijs geven; maar het is een ‘pragmatische vergelijking’ : dus als effectief gedrag in en behandeling van de wereld. De verdachtmaking dat de wereld met dat model niet samenvalt duikt in die wereld überhaupt niet op, en als ze wel opduikt kan ze daar niks uitrichten. Een bekend voorbeeld van zo’n ‘pragmatische vergelijking’ komt uit nationaal-socialistisch Duitsland: voor de lezer van de ‘Sturmer’ die gevormd was door het jodenmodel dat daar gepubliceerd werd en door het model van de ‘verjoodste wereld’ geconditioneerd en gebrandmerkt was, was het verschil tussen de werkelijke Joden en hun model niet alleen onbelangrijk, maar het bestond eenvoudig niet. Hij had niet opgemerkt dat beeld en wereld twee verschillende zaken waren, daardoor kon hij de werkelijke Joden in de praktijk zo behandelen alsof ze slechts die beelden waren; en zo deed hij het ook. Dat gebeuren kun je wel ‘geïnverteerde magie’ noemen: want terwijl de magische tovenarij het beeld dat aandoet wat de afgebeelde moet treffen, wilde men hier, als dat onderscheid nog klopte, het beeld in de werkelijkheid treffen. *
In zekere zin waren die beelden uit de Stürmer nog heel ouderwets, nog niet op het psychotechnisch hoge niveau dat het nationaal-socialisme anders al bereikt had. En het is niet geheel ondenkbaar dat de verachting die mensen [ 166]  die niet mee wilden doen, trof van de kant van hen die de likwidering daadwerkelijk voltrokken ten diepste sloeg op de gebrekkigheid van de methode ervan. Bij het maken van lokmodellen en reacties volgens een sjabloon is niets zo belangrijk als dat je erin slaagt het feit te verdoezelen dat het om maaksels gaat. Dat verdoezelen had de Stürmer niet gedaan. dwz die had het uit (helaas terechte) verachting voor de verantwoordelijkheid van zijn consumenten niet eens de moeite waard gevonden te verbergen dat hij loog. Aan deze gemakzucht ergerden zelfs massamoordenaars zich. — Positief geformuleerd: de sjablonen -industrie heeft er het grootste belang bij de sjablonen een zo hoog mogelijke mate van realisme mee te geven. Wil het sjabloon van een prikkel-model als geheel werken, dan moet het aangeboden worden als ‘werkelijkheid’. In feite heeft het nationaal-socialisme dit principe ook elders gevolgd. En de foto’s die het voor zijn doel monteerde horen tot de klassieke voorraad realistische leugen lokmodellen.
Tegenwoordig zijn de modellen van het zwerver-type niet meer in omloop.* De top van hun uitwerking krijgen sjablonen slechts dan, als ze zich met een maximum aan realisme opdoffen. Dat is doorgaans een erkend productieprincipe. En er is bijna geen blad of film en zeker geen weekoverzicht dat dit principe niet hanteert. We leven niet in het tijdperk van het surrealisme, maar van het pseudo-realisme; in de eeuw van vermomming die zich vermomt als eeuw der onthullingen. Als men liegt,  — en wie zou dat niet doen? — liegt men niet meer dat het gedrukt staat, maar als gefotografeerd. Het medium van de fotografie is zo geloofwaardig, zo ‘objectief’ dat het meer onwaarheid kan absorberen, zich meer leugen kan veroorloven, dan enig ander voorafgaand medium. Wie dus de realiteit tot sjabloon wil maken, verhult met het middel van de fotografie, zijn sjablonen realistisch. Maar om dat te kunnen doen, om de werkelijkheid met een zogenaamd beeld van wat werkelijk is te kunnen verhullen, heeft men toch een speciaal beeld van de werkelijkheid nodig, zo men wil: een ‘surreëel’, in elk geval [167] een verblindend beeld. Kortom: het sensatiebeeld, dat hoewel in bepaalde gevallen op zich waar, juist daardoor door en door onwaar is, omdat het afschermt en samen met andere sensatiebeelden bijdraagt een dat totaalbeeld van de wereld waar in werkelijkheid niets aan beantwoordt. Het sensationele wordt zodoende juist daar waar sjablonen gemaakt worden, het summum van de realiteit. Dat mag merkwaardig klinken, omdat men zich onder een ‘sjabloon’ iets leegs voorstelt. Maar zo eenvoudig is dat niet. — Het sensationele hoort wezenlijk bij een sjabloon. En niet alleen omdat het hun afdekking dient. Maar ook omdat het er zelf toe neigt sjabloon te worden. Want niets is meer stereotype dan het zogenaamd dagelijks nieuwe. En niets lijkt zo als twee druppels water op de super-moorddadige moord van gisteren, als de super-moorddadige moord van vandaag. Echt, als een historicus over honderd jaar uit de bloemlezing die de geïllustreerde bladen aanbieden ‘de werkelijkheid van vandaag’ wil samenstellen, dan zou hij niet slechts tot een in het algemeen absurd resultaat komen, niet tot een veel te ontstellend resultaat, maar tegelijk ook tot een veel te vervelend resultaat. —
De sjablonenfabrikanten brengen hun pseudo-realisme – zoals gezegd – slechts in werking met het doel het feit dat ze een sjablonenwereld in elkaar willen zetten, te verbergen. Want de klant moet niet op de verdenking komen dat hij met sjablonen afgeserveerd wordt. Maar toch verwacht hij, ja hij eist toch ook de al speciaal vastgelegde typen van ‘surrealiteit’, van heftige werkelijkheid, dus sjablonen. En dat is niet erg verwonderlijk, want de dagelijks uitgehakte vorm die je aangeleverd krijgt, heeft de vraag van de klant al bepaald.  Die verlangt dus sensatie en sjablonen, en wel beide tegelijk in hetzelfde object. Wat de koper van geïllustreerde bladen verlangt is, het aloude nog-nooit-vertoonde, het ongehoorde van een soort dat hij gisteren en eergisteren gehoord heeft. En de uiterst beperkte geweldig-prachtige wereld verlangt hij: die bestaat uit moordenaars, sterren, ‘vliegende schotels’ en ander planetarisch gerei. Hij noemt die de ‘halve’, de ‘wijde’, de ‘bonte’. ‘de grote’ hoewel [168] haar gehalte aan wereld nog niet eens infinitesimaal is. Wie ook probeert— en dergelijke pogingen sterven gelukkig nooit uit — de beslotenheid van deze thema’s en deze wijze van presenteren te doorbreken, hoort zich niet alleen op het verbitterde verzet van de sjablonenmakers te focussen, wier regels hij schendt. Hij moet ook focussen op verzet van de klanten zelf wier verwachtingshorizon ook al evenzeer verstard is. Zij ervaren alles wat buiten het kader valt van de typisch gewende ongewoonheden  als te veel gevraagd of als onwaar, of ze krijgen het al helemaal niet meer mee: want vooral blijft het on-typische niet bestaand. En de vraag welke methode de waarheid moet kiezen om met de leugen te kunnen concurreren, namelijk om ook geloofd te worden, of ze zich, omdat de leugenwereld samengesteld is uit waarheden als leugen zal opdoffen (als dat zou kunnen) is tot op heden niet beantwoord, en dat niet alleen: de vraag is ook niet afdoende gesteld.—
Maar zelfs de formule: men liegt niet meer dat het gedrukt staat, maar dat het gefotografeerd is, neen niet meer als gefotografeerd, maar als effectief gefotografeerd, is heden al achterhaald. Het hoogste pseudo-realisme gehalte zit natuurlijk in het TV-fantoom want dat kan zijn consument aanpraten dat het geen afbeelding van de realiteit is maar de realiteit zelf. En, denkt de consument gedachteloos, hoe zou nou de realiteit onrealistisch zijn? Hoe zou die tegen zichzelf kunnen getuigen? — Een beter werktuig heeft de leugen nog nooit gehad. Ze liegt nu niet meer tegen de werkelijkheid met behulp van valse beelden, maar met behulp van de werkelijkheid zelf.*
Vroeger had de ‘pragmatische gelijkstelling’, dus lokmodel en werkelijkheid als hetzelfde, nog last van bepaalde rimpelingen en twijfels.— want elk beeld kan een heel klein beetje scepsis bij de kijker wekken— Maar nu functioneert ze zelfs ideaal zonder enige wrijving. Als de consument het model ziet, meent hij de wereld zelf te zien.  En als hij op het model reageert gelooft hij op de wereld zelf te reageren. Verbitterd of geënthousiasmeerd door de modelfantomen denkt hij dat hij verbitterd of geënthousiasmeerd is door de werkelijkheid. Als dan de wereld zelf hem benadert, [169] – en juist voor dit geval zijn de sjablonen als oefeninstrument ontworpen- ziet hij in die werkelijkheid niets anders dan wat de sjablonen aan gevoelens in hem geschetst hadden. Sjablonen zijn dus apriorische vormen van voorwaarden (?); maar niet slechts verstandelijke; niets slechts emotionele maar ook van gedrag en handelen. – dus matrices van een breedte aan toepassingen en universaliteit aan prestatie , die zelfs uiterst speculatieve filosofen nooit voorzien hadden. Al helemaal niet in het tijdperk van het empirisme waarin wij zogenaamd leven. De enige mentaliteit die hiermee vergeleken kan worden is die van ‘primitieven’. Want die leefden ( voor zover de voorwaarden van Fraser, Levy-Bruhl, Cassirer enz overeind blijven) in een codex van opvattingen en zeden die zo definitief beperkt en vastgelegd was, dat ze datgene wat ze in die codex niet meekregen noch theoretisch noch praktisch ‘in overweging konden nemen’. Als er sprake is van apriorische vormen van voorwaarden dan mag dat niet  letterlijk, dus niet in de zin van Kant begrepen worden. Trekken die minder ‘aangeboren’ waren dan die die gemaakt werden om de mens ingekerfd te worden, kun je niet bedenken. Maar desondanks zijn ze ‘ apriorisch’  voor zover ze als gietvorm, dus als voorwaarden, voor liggen op het ervaren, het voelen en gedragen en deze ‘ condition’ dus ‘conditioneren’. Deze voorwaarden bepalen niet slechts van tevoren hoe, maar ook wat en wat niet ervaren, gevoeld etc wordt. Daarom zijn ze van uitermate grote kracht, en hun mandaat buitengewoon breed. Wie er door gekenmerkt is, is tot niets anders meer bereid dan tot datgene waar de uitzendingen thuis hem voorbereid hebben. Alleen dat ziet hij, alleen dat denkt hij, alleen dat voelt hij, alleen daar houdt hij van, alleen dat doet hij. Het doel van de uitzendingen zit in het leveren van die matrices en het voorprogrammeren. Maar, we hebben gezien dat die matrixvormen niet verraden mogen dat het om matrices gaat , daarom moeten de voorwaarden in de vorm van dingen optreden en de matrices als stukje wereld.
Deze laatste constatering is echter ook van fundamenteel belang voor het totaal van onze studie. [170] Vanwege twee redenen:

  1. Elke zogenaamde ‘ ontologische dubbelzinnigheid’ van uitzendingen, de fantoomachtigheid die ons in het begin bezig hield, is daarmee namelijk van haar raadselachtigheid ontdaan. Want de maker van de matrices wil verbergen dat sjablonen sjablonen zijn, dat de vormen van voorwaarde, vormen van voorwaarden zijn, daarom biedt hij ze aan als ‘wereld’  en ‘dingen’. Maar dat wil zeggen: als fantomen. Want fantomen zijn niets anders dan vormen die optreden als dingen. Het fantoomachtige van uitzendingen komt om de hoek kijken als een beoogd effect; en de zogenaamde ‘ontologische dubbelzinnigheid’ slechts als de vorm waarin de morele verschijnt : zelfs van misleiding.
  2. Dat begrip ‘ idealisme’ , dat we aan het begin van de studie opgevoerd hebben, ontvangt vanwege onze overweging een noodzakelijke aanvulling. Zoals men zich herinnert, hadden we daar als ‘ idealistisch’ benoemd die positieve houding tegenover de wereld, die houding naar de wereld waardoor de wereld als ‘slechts mijn wereld’ verschijnt omdat ik ze mij effectief eigen maak. Maar het maakt een fundamenteel verschil of een veroveraar (of zoals bij Hegel een vretend dier) zich die (wereld) eigen maakt, of dat ze tot de mijne gemaakt wordt; en hoe ze tot de mijne gemaakt wordt. ‘Mijn’ kan van alles zijn: zelfs een ingebrand nummer op de arm van een gevangene in het concentratiekamp.  Als de mens, zoals zojuist beschreven, de wereld aan huis geleverd krijgt, in de vorm van een sjabloon-totaal dan komt op de plek van de wereld wel een voorstellings-totaal, maar dat is dan ‘van hem’ slechts omdat ze hem opgedrongen wordt. ‘Zoals ik het voorstel, dat is jullie wereld’, zo spreekt degene die de matrices maakt. Zo sprak Hitler. Een aanhanger van Hitler die zou beweren ‘de wereld is zoals ik het me voorstel’ zou ondenkbaar geweest zijn. En niet alleen omdat hij als massamens zijn voorstelling voor de wereld hield, maar omdat wat voor hem als ‘wereld’ gold door een ander was gepresenteerd, en geleverd. * [171]

§21

De aard van behoeften.
Aanbod  —de geboden van vandaag. —
De goederen smachten, en wij met hen

Wat ons aangeboden wordt zijn dus voorgevormde dingen, die pretenderen samen ‘de wereld’ te zijn. En ze hebben de bedoeling om ons te vormen naar hun beeld. Daarmee wil ik niet beweren, dat die vorming met geweld doorgevoerd wordt. In elk geval niet, dat als er al geweld in het spel is, dat ook speurbaar is, zelfs niet merkbaar als druk. Meestal merken we zo weinig van de druk, als vissen in de diepe oceaan de druk van de oceaan voelen. Hoe minder je merkt van de druk, des te zekerder het succes. Het gunstigst is als de vormende matrix als gewenst wordt aangevoeld. Om dat doel te bereiken is het nodig eerst de wensen zelf te vormen. Bij standaardiseren en produceren hoort tegenwoordig niet alleen de standaardisering van producten, maar ook die van de behoeften (die naar de producten (moeten) smachten). Voor het grootste gedeelte gaat dat automatisch, namelijk door wat we dagelijks geleverd krijgen en consumeren.  Want behoeftes richten zich naar het dagelijkse aanbod en de dagelijkse consumptie, zoals we straks zullen zien. Maar toch niet helemaal. Er blijft altijd een kloof tussen aangeboden product en behoefte. Nooit zijn aanbod en vraag exact gelijk. Daarom moet er een hulpmiddel gemobiliseerd worden om de kloof te dichten. En dat is de moraal. Maar die moet ook voorbewerkt worden om een goede hulpkracht te zijn. Het gaat er namelijk om dat het ‘immoreel’ wordt gevonden, als onconformistisch, als je niet wilt wat je geleverd gaat krijgen. De enkeling moet dan door de publieke mening ( of door de spreekbuis daarvan: zijn ‘eigen’ individuele geweten) gedwongen worden dat te wensen wat hij gaat krijgen. En zo gaat het vandaag. De algemene regel waaraan [172] we ieder ogenblik blootstaan en die woordloos maar zonder tegenspraak te dulden appelleert aan ons ‘betere ik’ luidt: (of zou luiden als ze geformuleerd zou worden) ‘leer dat te willen wat je aangeboden krijgt! Want het aanbod is het gebod van tegenwoordig.‘ *
Aan de overgebleven resten van vroegere tijdperken kon je aflezen wat we te doen of te laten hebben, dat wordt tegenwoordig bepaald door wat we moeten kopen. Het is bijna onmogelijk ons te onttrekken aan dat kopen zij het minimaal van deze zogenaamde ‘musts’, deze ‘koopdwang’ . Wie het probeert stelt zich bloot aan het gevaar als ‘introvert’ te gaan gelden, aan prestige in te boeten, carrièremogelijkheden te verspelen, zich als arm te ontpoppen;  je loopt zelfs het gevaar je moreel en politiek verdacht te maken. Want eigenlijk geldt niet-kopen als afzet-sabotage als een bedreiging van de legitieme aanspraken van goederen. Het is dus niet een niet-doen, maar positief een vergrijp verwant aan diefstal. Als het niet al veel schandaliger is:  Want de dief erkent door zich iets toe te eigenen (wat naar zijn aard zeker ongewenst is) nog loyaal net als iedereen, net als elke klant,dat goederen lokken en geboden zijn. Hij gedraagt zich dus als conformist; en als hij gesnapt wordt  kan hij zonder mankeren ter verantwoording worden geroepen. Maar de niet-koper bestaat het doof te blijven voor de roep van de goederen en hij beledigt door ervan af te zien de kosmos van de goederen. En dan snoeft hij zelfs op het alibi van de negativiteit, namelijk dat hij helemaal niks gedaan heeft. Zo onttrekt hij zich aan de (lange) arm van de wet. ‘Liever tien dieven dan een asceet’ (Molussisch)

Het feit alleen al dat ik geen auto bezat, dus een heterdaadje van niet-gekocht-hebben c.q. van niet-nodig, bracht mij in 1941 in Californië als volgt in verlegenheid.

Tagebuch

Toen ik gisteren ver buiten L.A. langs een highway liep, scheurde een motoragent me na en stopte. [173]
‘Hé’ , riep hij ‘ Is er iets met uw auto?’
‘ Mijn auto?’  vroeg ik vol ongeloof.
‘ Verkocht?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘In de reparatie?’
Ik schudde weer het hoofd.
De agent dacht na. Maar een derde reden voor zonder-auto scheen onmogelijk. ‘Waarom pak je hem dan niet?’
‘Hem? Ik heb er geen.’
Deze simpele mededeling ging zijn bevattingsvermogen ook te boven.
‘Ik heb er namelijk nog nooit een gehad’ , lichtte ik hem in om hem te helpen. Ik had me niet erger in de nesten kunnen werken. Je reinste zelfbeschuldiging. De mond van de politieman viel open.
‘U hebt er geen?’
‘Precies’ zei ik om zijn gevatheid te prijzen.
‘That’s the boy.’  
Vrolijk argeloos wilde ik verder wandelen. Maar daar kon geen sprake van zijn. In tegendeel.
‘Geen geintjes, man’ , zei hij nu en trok zijn boekje. ‘geen smoesjes’. De vreugde dat hij de knetterende verveling van zijn beroep even kon onderbreken door de vangst van een ‘zwerver’ maakte hem zelfs trouwhartig.
‘En waarom hebt u er nooit een gehad?’
Zelfs ik begon nu te begrijpen wat ik niet mocht antwoorden. In plaats van te zeggen: “omdat ik nooit genoeg geld voor een auto had” antwoordde ik dus, met een schouderophalen en als terloops: ‘Ik heb er toch geen nodig’. Dat antwoord scheen hem vrolijk te maken.  ‘Is dat zo?’ riep hij toen, bijna enthousiast. Ik kreeg een voorgevoel dat ik een tweede, nu grotere fout gemaakt had. ‘En waarom heeft sonnyboy wel geen auto nodig?’
Sonnyboy trok angstig de schouders op. ‘Omdat hij andere zaken meer nodig heeft.’‘ Zoals?’  [174]
‘Boeken.’
‘Aha!’  deed oom agent dreigend en herhaalde: ‘Boeken.’
Nu was hij zeker van zijn diagnose. Dan: ‘Houd je niet van de domme’  — hij bedoelde: hij had ‘sonnyboy’ nu ontmaskerd als een ‘imbeciliteit simulerende snob’, die om niet te laten merken dat hij het aangebodene niet als gebod wilde erkennen de idioot uithing. ‘We kennen jullie soort’ , vond hij, mij een vriendschappelijke duw tegen de borst gevend. En dan met een beweging die de hele compleet lege horizont omvatte: ‘En waar wilt u eigenlijk heen?’
Voor die vraag was ik het meest bang geweest. Want de weg leidde wel in 40 mijl naar San L., maar daar vóóŕ nergens heen. Als ik hem verteld had dat ik geen doel zo zeer had met mijn wandeling, dan zou ik me definitief als ‘vagebond’ hebben uitgeleverd. De hemel mag weten waar ik gezeten zou hebben, als niet precies op dat moment L. werkelijk als een deus in machina, was aan komen suizen, en wel in zijn imposante zes-zits; die stopte meteen en vroeg me met een Hallo in te stappen.— wat de agent niet alleen ernstig beschadigde, maar ook zijn ‘filosofie’.
‘Niet meer doen!’  riep hij tegen me toen hij onze wagen inhaalde.

Wat zou ik niet meer mogen doen?
Blijkbaar niet nog eens achterwege laten dat te kopen wat de geboden iedereen gebieden te kopen. —
Heb je eenmaal in de aanbiedingen de geboden van tegenwoordig herkend, dan verbaas je je ook niet meer dat ook zij die zich eigenlijk niet kunnen veroorloven iets aan te schaffen de aangeboden goederen toch aanschaffen. Dat doen ze omdat ze het zich nog minder kunnen veroorloven de geboden niet te gehoorzamen. Dus de goederen niet aanschaffen. De plicht roept toch ook de onbemiddelden? Sinds wanneer heeft het moeten de havenots verschoond?
Volgens Kant moet je plicht ook dan, ja vooral dan ook doen als die je geneigdheid weerspreekt. [175] zo moet je die vandaag ook vervullen als die het eigen ‘hebben’ weerspreekt: ja juist dan. Ook de geboden van het aangebodene zijn categorisch. En als ze hun ‘must’ prediken, dan kun je je niet meer beroepen op je eigen bijzondere moeten-en-hebben situatie; dat is dan puur sentiment.

Zeker, deze vergelijking is een filosofische overdrijving; maar ze overdrijft in de richting van de waarheid. Zonder beeldspraak: het klopt dat er tegenwoordig nauwelijks iets is dat in het zielenleven van onze tijdgenoten zo’n fundamentele rol speelt als het uiteengaan van wat men zich niet kan veroorloven , en dat wat men zich niet veroorloven kan niet te hebben. Dat verschil realiseert zich als een ‘gevecht’. Als er één voor de huidige mens karakteristiek ‘conflict van plichten’ is — dit gevecht dat wild en verwoestend woedt in de borst van de klant, en in de schoot van de familie is het dit. Ja ‘wild en verwoestend.’ Het object waarom gevochten wordt mag ons raar voorkomen en het gevecht zelf als een grappige variant van nobeler conflicten, — dat doet niks af van zijn hevigheid. Het is voldoende om als basisconflict te dienen in een burgerlijk drama van tegenwoordig.
Gewoonlijk stopt het, zoals men weet, met de overwinning van het ‘gebod van het aangebodene’. Dus met het aanschaffen van de goederen. Maar de overwinning is duur betaald. Want nu begint voor de klant de verslavende verplichting het verworven object af te betalen*
Maar of het nu betaald is of nog af te betalen: met dat de koper het object heeft, dan wil hij ook van zijn hebben genieten. En omdat hij het pas kan genieten als hij het gebruikt, gebruikt hij het omdat hij het heeft. Daardoor wordt hij de creatuur van het object. Maar daardoor niet alleen. Omdat hij het goed nu eenmaal heeft, past het moreel natuurlijk niet meer het te hebben zonder het maximum van wat het zou kunnen bieden eruit te halen. In principe zou dat niets anders zijn dan brood te kopen zonder het te eten.
De TV slechts soms aan te zetten, de radio slechts zo nu en dan te gebruiken, zou betekenen dat je vrijwillig afziet van iets wat al aanbetaald is of betaald, zonder dat iemand er iets aan heeft [176]; dat is verkwisting. En dat past natuurlijk niet. Als je je constant de aangeboden leveranties van de apparaten over je laat komen en je laat je onophoudelijk door hen stempelen, dan op zijn minst ook op morele gronden.
Maar dat is nog niet alles. Want wat je eenmaal hebt, dat gebruik je niet alleen; daar heb je ook behoefte aan. Ben je eenmaal op het gebruik-spoor beland dan wil je op dat spoor ook verder. Niet wat men nodig heeft, heeft men tenslotte; maar wat men heeft dat heeft men tenslotte nodig. De actuele bezit-modus stolt en toont zich dan psychologisch als de norm. Dwz: als er eens een merkartikel dat je in bezit had ontbreekt, dan ontstaat er niet zo maar een gat; maar veeleer honger. Nu ontbreekt er altijd wat: want goederen zijn  tot heil (en dankzij berekening) van de productie goederen die, ook al zijn het geen consumptiegoederen in de striktste zin van het woord, door het gebruik verbruikt worden. Het gebrek eraan daar zorgt de gebruiker zelf voor. Als hij dus eenmaal een voorwerp heeft dat hij verbruikt heeft dan heeft hij het weer nodig: de behoefte volgt de consumptie op de voet. En in zekere zin is ‘zucht’ het model voor de huidige behoefte. Daarmee is gezegd dat behoeften hun Da- und So-sein te danken hebben aan het feitelijk bestaan van bepaalde goederen.
De meest geraffineerde daarvan zijn goederen die door hun kwaliteit oplopende behoeftes creëren. Dat God of de natuur de mens een ‘basic need’ , een ‘basisbehoefte’ , naar Coca Cola ingeplant zou hebben zal wel niemand, zelfs in het productieland niet, beweren. Maar Coca Cola heeft ginds de dorst nu eenmaal doen inburgeren, en dat wel —  hier komen we op de hoofdzaak — zonder dat zijn heimelijke uiteindelijke functie bestaat in dorst lessen maar in dorst wekken. Een dorst wekken die omslaat in dorst naar Coca Cola. — Hier is dus de vraag het product van de aanbieding; de behoefte het product van het product. Tegelijk functioneert de door het product gewekte behoefte als de zekering op de verder oplopende productie van het product. — [177]

Dit laatste voorbeeld laat zien, dat je niet te gering moet denken over het imperatieve karakter van wat in de aanbieding is: we duiden ze niet voor niets aan als ‘geboden van heden’. Dat specifiek imperatieve ligt niet slechts in uitgesproken bevelen; niet alleen in het alarmerende reclame bevel : ‘Koop je Mozart-ondergoed! Meteen! Dat is een must!’ Daar kun je je met een beetje zelfbeheersing nog wel tegen verzetten. Al spreekt men je daar al wel aan als toekomstige bezitter. Het afgedwongene zit meer in het bezit van de producten zelf. Hun bevelen, hoewel stom, dulden inderdaad geen tegenspraak. Elk verworven goed vereist het kopen van andere goederen. Alleen zo kan het te gebruiken blijven, op zijn minst niet meteen onbruikbaar te geraken (ook om het prestige: het goed moet omringd zijn met gelijkwaardige spullen), Het ene hunkert naar het andere, ja naar vele andere. En elk goed maakt ons zuchtig naar andere : kopen is niet moeilijk, hebben wel (Waren kaufen ist nicht schwer, Waren haben aber sehr.)  Want als je goederen bezit moet je de zucht die erin zit tot je eigen zucht maken (naar zeeppoeder, naar benzine). En hoe moeilijk het hem ook valt om het groeiende aantal monden van de objecten die hij bezit vol te stoppen hij kan niet anders dan met hun behoeften mee gaan. Nog voor hij het weet doet hij het al. Wie A nodig heeft, moet ook B gebruiken; en wie B gebruikt ook C. Hij heeft dus niet (zoals in het Coca Cola geval) A steeds weer nodig. Maar complete generaties van goederen: B dat door A wordt verlangd, D dat erbij gehaald wordt door C en zo tot in het oneindige. Met elke aankoop verkoopt hij zich. Alsof hij aangetrouwd raakt in een familie van goederen, die als de konijnen doorfokt en zich vermeerdert, en van hem wordt verlangd dat hij die financieel onderhoudt. Dat betekent aan de ene kant een zeker gemak : namelijk dat je verder niet hoeft na te denken over je wijze van leven; je hoeft nauwelijks meer eigen beslissingen te nemen want wat je van dag tot dag moet doen dat krijg je wel te horen van de smachtende medeleden van de goederenfamilie. En ‘time goes on’. Maar het betekent ook dat men door die duizend familieleden in gang wordt gehouden; ze bevoogden je, jagen je op en je brengt je leven onder een dictaat. [178] Want over de keus van toekomstige verlangens is al beschikt. Je vindt dus nooit meer tijd of vrijheid met een eigen verlangen aan te komen zelfs niet om die te bespeuren.

Een naïeveling zal waarschuwen tegen deze ‘smachtende goederen’;—  maar dat is natuurlijk belachelijk, want niet-smachtende goederen bestaan niet. Omdat het niet een bepaald goed is dat smacht; maar de goederenkosmos als geheel. Wat we  ‘de dorst der dingen’ hebben genoemd is niets anders dan de onderlinge afhankelijkheid van de producten; alle producten staan in relatie met elkaar en zijn op elkaar aangewezen. Het lukt natuurlijk niet je aan deze productiekosmos te onttrekken; net zo onmogelijk als de poging je aan de wereld te onttrekken: dat je er wel bent, maar niet in de wereld bent. En als een nar het experiment zou aangaan zich van een enkel apparaat of een enkele kracht die onze wereld uitmaakt bijv. elektriciteit onafhankelijk te maken, dan zou hij spoedig verloren gaan. Men kan zich geen gaten veroorloven in het systeem waar iemand die nu geboren wordt nolens volens aan deel neemt; anders raak je het hele systeem kwijt.
Elk goed dat we aangeboden krijgen als ‘gebod’ en dus kopen, herbergt weer behoeftes die onze behoeftes worden. Dat is het toppunt van het matrixfenomeen. Want onze behoeftes zijn niets anders dan de afdruk of reproductie van de behoeftes van de goederen zelf. En welke we morgen weer behoeven staat noch in de sterren geschreven, noch in ons binnenste, niet eens op onze maag. Maar in de koelkast die we eergisteren, de radio die we gisteren, de TV die we vandaag gekocht hebben. En morgen zullen we met kloppend hart aan hun bevel om te behoeven gehoorzamen.[179]

§ 22

Het eerste axioma van de economische ontologie :
eenmalig bestaat niet. — Excurs over fotografie

Zo juist zei ik dat niet alleen onze ervaringen gemodelleerd worden, maar dat dat ook het geval is met onze behoeftes, en dat is dan de topprestatie van de matrix. Dat klopt zeker helemaal zo lang we ons zelf als objecten c.q. slachtoffers van de modellering bezien; want een nog dieper laag als die van onze behoeftes bestaat nauwelijks. Maar dat is nog niet alles wat de matrix kan. Want die matrices kunnen niet slechts ons vormen maar ook de wereld zelf. Dat klinkt aanvankelijk vrij natuurlijk, want ze geeft naar het schijnt slechts de serieproductie aan. Hoe weinig natuurlijk het echter is, wordt duidelijk op het moment dat we terugkeren naar het terrein dat ons vanaf het begin bezig hield : de productie van fantomen bij radio en TV. Dan betekent deze bewering namelijk dat de uitzendingen van kunstmatige modellen van ‘wereld’ niet slechts ons en ons wereldbeeld modelleren, maar de wereld zelf, de echte wereld. Deze modellering heeft een boemerangeffect. De leugen liegt zich waar. Kortom: de werkelijkheid wordt evenbeeld van zijn beelden.
Om het rare proces te begrijpen, waarin het werkelijke afbeelding van zijn beelden wordt, moeten we tamelijk ver teruggrijpen.
In het begin stelden we vast dat de werkelijke of zogenaamde gebeurtenissen die je thuis bezorgd krijgt, door de aflevering tot goederen werden, en wel tot massagoederen want elke gebeurtenis wordt in talloze exemplaren bezorgd. Een gebeurtenis verhoudt zich tot de uitzending als het model tot de gereproduceerde goederen.
Als je nu vraagt welk van beide model of reproductie [180] reëel is, — ‘reëel’ in economische zin —, dan is het antwoord: de reproductie, het gereproduceerde goed. Want de matrix bestaat alleen maar met het oog op die reproductie. En het goed is des te meer reëel naarmate het zich in meer exemplaren laat verkopen. Op zijn beurt is het model slechts in zoverre reëel als het op grond van zijn voorbeeldkwaliteit maximale verkoop van zijn reproducties weet te leveren. Als er een ontologie van de economie zou zijn ontwikkeld, dus een leer van het zijn, zoals het zich vanuit het perspectief van de huidige productie en huidige afzet naar voren komt, dan zou daarvan het eerste axioma luiden: ‘Reproductie schept werkelijkheid; pas als meervoud, als serie is er zijn’  — En in zijn tegenhanger : ‘Eén keer is geen keer. Wat slechts eenmalig is, ‘is’ niet; enkelvoud behoort nog bij niet-zijn’ *
Het axioma klinkt absurd en is inderdaad moeilijk te begrijpen. En wel omdat datgene wat het als ‘zijnde’ onderkent, niet het ‘algemene’ is, noch het ‘enkele’ maar een derde: de serie. Dat staat haaks op het klassieke nominalisme-realisme alternatief dat we kennen. Maar toch zitten wij van tegenwoordig zwaar in de maag met dit axioma, vooral de meest onfilosofischen onder ons:
Als je in de gelegenheid was om reizigers, vooral die uit zeer hoog geïndustrialiseerde landen onderweg in Rome of Florence te bestuderen, dan zou je gezien hebben hoe zwaar het hen irriteert om unica tegen te komen*; grote historische voorwerpen, die als unieke exemplaar in de wereld van de serie staan te staan. In feite dragen deze reizigers doorgaans ook een middel bij zich tegen deze verstoring: een soort injectie, waarmee gegarandeerd hun zielenrust weer hersteld wordt: een apparaat waarmee ze iets eenmaligs dat hen door zijn schoonheid of omdat het niet te plaatsen valt, te sterk zou irriteren, tot ‘sujet’ kunnen maken, en waarmee ze elk al te bepaald artikel veranderen in een ‘onbepaald artikel’ dwz: in iets wat in het reproductie-universum een rechtmatige plaats zou hebben als reproductie—kort gezegd: ze hebben allemaal een fototoestel. En als magiërs die nog niet eens hun voorwerpen hoeven te beroeren trekken ze in zwermen de wereld rond [ 181]  ‘ pour corriger sa nature’ : om het gebrek dat elk unicum in een serie-wereld laat zien, op te heffen. Om het door reproductie op te nemen in het serie-universum waar het tot nu toe buiten gehouden was: dus fotografisch ‘opgenomen’. Als ze geknipt hebben, zijn ze gerust gesteld.
Dit ‘opnemen’ betekent nu echter ook een ‘bij zich opnemen’.Want deze magiërs maken met hun reproductie ook, dat ze die voorwerpen nu ‘hebben’. Nou moet je dat hebben niet aanvullen met ‘in beeld’. De modus waarin ze die voorwerpen ‘hebben’ is veel meer de modus waarin ze gewend zijn te ‘hebben’. Slechts omdat ze die voorwerpen ‘in effigie’ hebben, ‘hebben’ ze die. Ze kennen geen ander verblijf meer dan tussen effigies — de serie-goederen van hun ‘wereld’ waartussen, waarmee en waarvan ze leven zijn meestal reproducties, afdrukken van modellen— daarom zijn afdrukken voor hen juist de echte. Zo min als ze fotograferen wat ze zien — want wat ze zien, zien ze alleen om er een foto van te maken, en wat ze fotograferen fotograferen ze slechts om het te hebben— zo min is dat wat ze fotograferen voor hen het ‘werkelijke’. ‘Werkelijk’ is voor hen veel meer de opname, dwz het exemplaar dat zij reproduceerden en zo in het serie-universum opnamen, en tot hun eigendom maakten. Ontologisch uitgedrukt: ‘Esse = percipi’ hebben ze vervangen door ‘ esse = haberi’.* ‘Werkelijk’ is voor hen niet het San Marcoplein dat in Venetië ligt maar wat in hun fotoalbum ligt in Wuppertal, Sheffield of Detroit. Daarmee is meteen gezegd: voor hen telt niet er te zijn, maar alleen er geweest te zijn. En dat niet omdat het hun prestige op het thuisfront verhoogt als ze ergens geweest zijn maar omdat alleen iets wat geweest is een veilig bezit vertegenwoordigt. Iets dat tegenwoordig is, dat kun je niet ‘hebben’ want daar is het te vluchtig voor, het blijft een bederfelijk, onreëel goed. Het blijft onrendabel, blijft dus niet.  Maar wat geweest is, is omdat het nu als beeld een ding is geworden het echte, werkelijke. Ontologisch geformuleerd: ‘Alleen wat geweest is is zijn [182] . — Als er onder deze magiërs één zou zijn — wat echter erg onwaarschijnlijk is, want fotograferen en filosoferen schijnen elkaar uit te sluiten — één die niet alleen maar mee deed, maar bovendien door had wat hij deed, dan zou hij zijn met plaatjes schieten doorgebrachte leven als volgt rechtvaardigen: ‘Ik heb alles wat geweest is veranderd in een reproductie, en dus in een fysisch object; meestal zwart wit, een paar in kleur, enkele zelfs in bewegend beeld en zo mee naar huis genomen. Ik kan dat alles nu blijven houden en dus is niets in mijn leven vergeefs, niks verspild, niets was zonder profijt. Alles is nu, want het blijft; alles is nu omdat het beeld is.’ ‘Zijn’ betekent dus: geweest zijn en gereproduceerd zijn en beeld zijn en bezit zijn.—
Het zou te ver voeren om de nauwe betrekking tussen de reproductietechniek en de (niet ten onrechte ‘reproducerend’ genoemde) herinnering verder na te gaan. Enerzijds worden wij namelijk wel door foto’s herinnerd, maar anderzijds – en dat is belangrijker – hebben de tot ding geworden souvenirs het herinneren als stemming of prestatie verpieterd en vervangen. Voor zover onze tijdgenoot het nog van belang vindt zich te zien als ‘leven’,  een autobiografisch beeld van zichzelf te krijgen, dan stelt hij dat samen uit de foto’s die hij geschoten heeft. Opgeroepen hoeven de beelden van wat was niet meer, ze worden opgeslagen, en naar boven gehaald ook niet hoogstens uit de diepte van het album. Daar en daar alleen ligt zijn verleden, net als de San Marco. Slechts met behulp van de momentopnamen die hij daar opgeplakt heeft en die je dus niet kwijt kunt raken, reconstrueert hij zijn verleden. alleen in de album-vorm houdt hij zijn dagboek bij. — Dat zijn leven zodoende bijna uitsluitend bestaat uit uitstapjes en reizen en de rest niet als ‘leven’ telt,- dat terzijde.  —
Feitelijk heeft het museum-principe het overwonnen als autobiografisch principe: iedereen komt zijn eigen leven tegen in de vorm van een serie plaatjes. Als een soort autobiografische (beelden)galerij. daarmee is het echter ook niet meer als iets van het verleden want alles wat geweest is, is geprojecteerd op dat ene vlak van beeldzijn waarover we beschikken en dat aanwezig is [183] Tijd, waar is uw prikkel?

Als je Herr Schmid of mr. Smith een reis naar Italië zou aanbieden op voorwaarde dat hij onderweg beslist niet mag fotograferen, dus geen herinnering opslaan voor overmorgen, dan zou hij de uitnodiging afwijzen als verspilling, bijna als morele belediging. Als hij tot zo’n reis gedwongen zou zijn, zou hij onderweg in paniek raken, omdat hij niet zou weten wat te beginnen met al die bezienswaardigheden die klaar stonden ‘om een plaatje van te schieten’’. —Kortom: wat hij met zichzelf moest beginnen. — Dat reisbureaus niet lokken met de oproep: ‘Bezoek het mooie Venetië’ maar met ‘Bezoek het onvergetelijke Venetië’ is helemaal consequent. Al vóór je het gezien hebt, geldt het als onvergetelijk. Niet omdat het mooi is, moet je er op bezoek, naar omdat het onvergetelijk is; alsof je een broek koopt omdat hij niet te scheuren is.  Niet omdat het mooi is, is het onvergetelijk, maar omdat het geheid onvergetelijk is kan de reiziger erop vertrouwen dat het ook mooi is. Maar wie zo op reis is, voor hem is het heden tot middel voor ‘het zal  geweest zijn’ gedegradeerd; tot wat niet de moeite waard is. Het is tot een alibi geworden voor het reproductie goed van Futurum II dat er als enige toe doet dus tot iets onwerkelijks, iets spookachtigs.— Dat men zo niet alleen reist, hoef ik er niet bij te zeggen.

§23

Het tweede axioma van de economische ontologie:
‘ onbruikbaar is niet’

Zo gering als in de ogen van de veronderstelde ontologen van de economie de waarde van individuele exemplaren is, zo gering is ontologisch de waardigheid van niet gemaakte zaken überhaupt, dwz die van natuurdingen. vooral die onbruikbare natuurzaken, die afvallen als er serieproducten worden vervaardigd. Dat geldt als dood gewicht, dat ook niet beter verdient dan niets te zijn, effectief vernietigd te worden. Want ze deugen economisch niet.[184] Het tweede axioma van de ontologie van de economie luidt dan ook: ‘Wat onbruikbaar is, is niet, of niet waard om te zijn.’  Van alles en nog wat kan al naar gelang de economische situatie veroordeeld worden zo waardeloos te zijn, hoogovenslak van liquidatie : net zo goed mensen als met radium vergiftigd atoomafval. Onze eeuw bewijst dat alles luid en duidelijk.
Vergeleken met het reële bestaan van kant en klare serieproducten, bedoeld om in behoeftes te voorzien (of die zelf behoeftes die ze ze stillen ‘voorzien’ ) valt dus in de visie van ontologen van de economie de complete natuur ondanks haar immense grootte buiten het bereik van de planning.  Op zich is zij (de natuur? jab) voor hem slechts toevallig. Hoewel haar ook als grondstof voor de producten ‘zijn’ en ‘waarde’ toekomen. Maar die beide worden haar alleen verleend zelfs voor-verleend door de producten die uit haar te maken zijn. Maar wat de natuur aan werkelijk onbruikbaar materiaal herbergt, : stukken dus die de producerende niet alleen niet kan gebruiken, maar zelfs niet kan liquideren, het te veel van het universum, dus bv de melkwegen, die ziet hij, voor zover hij ze al toelaat als een metafysisch schandaal; een door niets te verontschuldigen, zonder enige reden opgezette hoop materiaal die je in zekere zin slechts kunt verklaren als kosmische onbeholpenheid. Vermoedelijk drukt de moderne nihilistische klacht over de ‘zinloosheid van de wereld’ minstens ook de Weltschmerz van het industriële tijdperk uit. Een weltschmerz die voortkomt uit de verdenking dat tenslotte het te veel van de kosmos niet te gebruiken is, onrendabel, overbodig, verkwisting, nergens goed voor. Dat heeft duidelijk niets beters te doen dan in die ruimte die het om niet te ontdekken redenen ter beschikking kreeg, metafysisch maar wat rond te hangen. *
Maar ik had een voorbehoud gemaakt: ‘voor zover hij onbruikbaar spul al toe laat’. Want meestal wordt er geen rekening gehouden met de existentie van wat niet te gebruiken is. Zo heeft bv Plotinus in zijn klassieke theodicee geen plaats ingeruimd voor het Boze  want met een plaats in het systeem zou het van zijn negatieve kwaliteit ontbloot worden.* Natuurlijk wil deze analogie [185] niet beweren dat de ontologie van de economie een reguliere theodicee heeft ontwikkeld, dat ze een leer van ‘er bestaat niets wat onbruikbaar is’ heeft verwoord. Hier kan geen sprake zijn van uitgesproken leerstellingen. Maar ze doet wel, schijnt het alsof ze met sportieve eerzucht de natuur te slim af wil zijn. ‘Ze zal het de natuur wel eens laten zien!’, bewijzen dat ze toch uiteindelijk niets opschiet met metafysisch maar zo wat rond te hangen. Haar aanstellerij, haar verzet, haar pretentie van los te staan van het productie-universum is tevergeefs. Ze heeft de eerzucht (de natuur) te verkrachten, zwanger te maken, haar vruchtbaarheid af te dwingen, en duidelijk te maken dat men — ook al zou je er de meest absurde behoeftes voor moeten creëren die man sogar ihrem Abfall anmessen würde — haar tot op de laatste vezel zou kunnen benutten. Dit is een enorme uitdaging en ziet er uit als een niet te overtroeven houding van zelfverzekerdheid, maar ze is niet geheel vrij van sidderen en beven. Ook de titaan lijdt aan de weltschmerz van het industrietijdperk; hem kleeft ook de angst aan, dat hij de overmaat waar hij voor staat niet aan kan. Hij is ook bang dat de overvallen natuur (hoewel misschien frigide en spottend het maximum van haar vruchtbaarheid achterhoudend ) zich zou kunnen wreken met een overmaat aan nuttig effect. Dan neemt deze van angst omgeven strijd hectische vormen aan, en omdat de verkrachte, vooral de wereld van de natuur, uit elke omarming over schijnt te gaan in nieuwe maagdelijkheid, en elke morgen, alsof ze zich in het minst te binnen brengt wat men  haar aangedaan heeft, loopt de strijd op tot woede a la Sisyphus. —
Maar laten we dat moeilijke en niet helemaal geloofwaardige mythologiserend beeld ter zijde leggen. Het motto dat hier echt werkzaam is, luidt in elk geval: ‘Er mag niets bestaan dat onbruikbaar is’. Of positief geformuleerd: ‘Maak alles bruikbaar!’  In zekere zin is de ontologie van de economie ook tevens ethiek; en dan wel een ethiek die als hoofddoel heeft de verlossing van de chaotische wereld uit zijn modus van grondstoffelijkheid, van ‘zondigheid’; van ‘oneigenlijkheid’ moet omgezet naar ‘eigenlijkheid’ en de chaos naar een kosmos van producten. —Kortom: [186] er valt een gouden eeuw van eindproducten op te richten, zodat in het eind der tijden de chaos in miljoenen rijpe, mooie, gouden vormen een zeer doordacht en doorgloeid apollinisch bouwsel vormt. *
De ontologie van de economie is zodoende ook een rechtvaardigingsleer; dat geven de hier gebruikte uitdrukkingen wel aan. Wat eerder slechts als toevallige, niet klare wereld bestond, is nu gerechtvaardigd, doordat het zich als onontbeerlijk materiaal van vervaardigen en van eindproducten laat zien. Dat geldt ook voor de existentie van de mens zelf want zonder die arbeid in het zweet van zijn aanschijn zou de verandering en de redding van de wereld niet eens tot stand komen. In de opvatting van de ontoloog van de economie is het dus onze missie de wereld ‘tot zichzelf te brengen’: in de hoogovens, fabrieken, elektriciteitscentrales, kerncentrales, radio en tv-stations. Dat zijn de ‘woningen van het zijn’ waarin de mens de wereld als geheel wil transformeren: een zo reusachtige opgave dat de klassieke definitie van de homo faber nu niet meer past op de mens die deze transformatiekoorts heeft opgelopen. De klassieke homo faber moest zich tevreden stellen met het gebruik van stukjes wereld, om zijn eigen wereld te maken, waarin de wereld zelf niet had voorzien; daarin had hij zijn bestemming en vrijheid gezien. Wat hij daarbij niet nodig had, liet hij onaangeroerd. De huidige mens daarentegen ziet in de wereld als geheel als zodanig slechts materiaal en liever zal hij nieuwe behoeftes afdwingen dan iets wat er is in takt te laten en ongebruikt. En hij wil de wereld als geheel bewerken, veranderen, ‘afmaken.’ Zijn claim is zeker niet minder dan de religieuze of de filosofische. Hij is de smid van het zijn; op zijn minst haar herder.
Vermoedelijk zal het een verrassing zijn dat men hier in dit bepaald niet heideggeriaans verband op deze uitdrukking van Heidegger stuit. Zeker is de kloof tussen ‘herder’ en ‘smid’ , onmetelijk groot. Evenals die tussen Heidegger die voor het ‘zijn’ de ‘taal’ als ‘huis’ toewijst en de ontologie van de economie, die de wereld [187] in de bovengenoemde abattoirs van transformeren, fokken en slachten onderbrengt. Maar ze hebben ontegenzeggelijk iets gemeen: zelfs de zeer speciale basisveronderstelling dat het zijn onze hulp nodig heeft, dat het zijn van zichzelf het nodig heeft ‘behuisd’ te worden, en dat het zonder ons geen moment zou kunnen leven of met zichzelf klaar komen. Het moet bij ons zijn stek vinden. Overal doet men moeite om aan het ‘idealisme’ (in de zin van onze definitie) een realistische wortel of rechtvaardiging te geven. En wel door te stellen, dat de wereld of het zijn zelf de behoefte heeft mijn wereld te worden. Aan beide filosofieën ligt de wens ten grondslag de mens een metafysische missie toe te stopen. Ze maken hem wijs, dat hij een opdracht heeft, c.q. wat hij toch al doet rechtvaardigen ze achteraf als opdracht. Die wens is beslist niet onbegrijpelijk. In beide gevallen gaat het om vertwijfelde protesten tegen de huidige ‘plaats van de mens in de kosmos’ of juister: tegen het feit dat de mens nu net geen plaats in de kosmos inneemt. Hij wordt door het naturalisme gedegradeerd tot een stuk natuur te midden van miljarden andere stukken natuur. Daarmee wordt hij beroofd van zijn illusie dat hij een antropologisch privilege heeft. Beide filosofieën betogen hoe ontzettend moeilijk het is op te kunnen tegen leven zonder dat privilege; want in beide wordt een poging gedaan door de achterdeur een aparte positie voor de mens binnen te smokkelen : dat de mens een missie heeft, onontbeerlijk is voor de wereld. ‘De Herder’ is immers het centrum van de kudde; en als zodanig zelf geen schaap. Als de mens ‘herder van het zijn’ of van de wereld is, dan ‘is’ hij dus ook niet zoals de wereld is, maar anders, speciaal, en dan is zijn metafysisch blazoen weer schoon. Hetzelfde geldt voor ‘smid van de wereld’. — In beide filosofieën is de kern echter een schuchter antropocentrisme, een nieuwe variant want wat ze beweren is eigenlijk niet dat de wereld er voor de mensen is, maar omgekeerd, de mens is er voor de wereld. De rol van de mens is in beide die van een kosmische altruist, een kosmische manager, die zelf niet hoort bij wat hij klaarmaakt en het beste wil maken van wereld en zijn. —[188]
Hoe fascinerend dat ook is, dat de verschillende filosofieën van nu basisstellingen delen die ze met geen van de vroegere filosofie delen, — voor ons thema is natuurlijk slechts de ontologie van de economie van belang: dus de overtuiging dat de wereld, zoals ze is, geen ware wereld is, er eigenlijk nog niet is, geen wereld die af is. Ze wordt eerst waar en zijnde doordat ze door ons wordt bewerkt, afgemaakt  en in omloop wordt gebracht en dan als wereld eigenlijk weggemoffeld wordt. Dat er gebeurtenissen zijn, die niet benut, niet bewerkt,niet in omloop gebracht, niet aan de man gebracht, anoniem, voor niks opduiken, en weer in het niets verdwijnen, is voor deze filosofieën een compleet niet te verdragen gedachte. Net zo onverdraaglijk als voor ons de gedachte dat er ergens misschien korenvelden en fruitkwekerijen kunnen zijn die, zonder geoogst te zijn naar de verrotting rijpen. Wat er alleen maar is, is een niet zijnde. Wat er alleen maar is, is verkwisting. Als het wil zijn, moet het geoogst worden. En deze oogst, is de oogst van het gebeuren en van de geschiedenis, en vindt voor het grootste gedeelte plaats in de uitzendingen: de stervende is gered als hij door de ether is gegaan; de nederlagen, zijn gewonnen, als ze vermenigvuldigd zijn; het eenzame gebed, verhoord als het miljoenen keer gereproduceerd wordt. Nu pas, hier pas zijn ze. Wat ze geweest zijn eer ze gemeengoed waren, dat vervaagt in wezenloze schijn.  —

§24

Fantomen zijn niet maar matrices voor de wereldbeleving,
maar voor de wereld zelf.
De werkelijkheid als reproductie van haar reproducties.

‘Echt zijnde’ in de zin van ontologie van de economie is dus noch het individuele, noch de natuur; maar pas de som van eindproducten die bestaan in (eindeloze) rijen reproducties. Wezenlijk voor deze producten is dat ze proberen niets anders te zijn dan bevrediging van een behoefte. Ze hoeven niets anders te zijn dan de kwaliteit [189] die hen verkoopbaar en te gebruiken maakt. Helemaal wordt dat doel door geen product bereikt: ieder ding sleept alleen al door zijn volume, gewicht en de onredelijke eis van bediening een zondenlast mee van attributen, waar niet om gevraagd wordt, die de klant op de koop toe moet nemen. In een zekere groteske zin schijnt elk ding zich te schamen bij de natuur te horen, vergelijkbaar met de ziel die zich schaamt aan een lichaam gekoppeld te zijn. Het ideaal, dat het najaagt deze lijfelijke rest terug te dringen tot een oneindig klein minimum en zo een enigszins engelachtig bestaan te bereiken.*
Dat geldt niet alleen van fysieke producten, maar van alle. Niet slechts van de fysische stof waaruit fysieke producten gemaakt zijn maar van alles wat bewerkt wordt. Dus ook van de stof die in ‘uitzendingen’ verwerkt wordt: dus van gebeurtenissen.
Als ze ‘van nature’ en als op zich staande gebeurtenis maar langs komen, deugen ze nergens voor; ze zijn grondstof; ze slepen een zondenlast mee van attributen waar je niks mee kunt; ze komen niet door de selectie van de ontologie van de economie. Om ergens voor te deugen, moeten ze vermenigvuldigd worden. En omdat kopiëren van de grondstoftoestand zinloos is, moeten ze maar gepasseerd worden; in zekere zin door een passeermachine geperst, gezeefd worden. Alleen in die ‘gepasseerde’ toestand tellen ze mee. De vraagt wat of wie de gebeurtenis ‘in waarheid’ is, of geweest is, is niet ter zake, want het gaat om een goed. Van de kant en klare  marmelade vraag je ook niet welke vruchten er oorspronkelijk door de passeermachine geperst werden. Een product vinden we ‘het ware’ als het bij gebruik functioneert; als het levert wat je nodig hebt, en overeind blijft.
Dit begrip aangaande de waarheid van het product, dus dat het zich als zodanig bewijst klopt helemaal wanneer het in ‘gepasseerde toestand’ als gebeurtenis op radio of tv-uitzending binnenkomt. Daar is geen sprake van ballast en de klanten hoeven niets op de koop toe te nemen; [190] geen wegen, geen inspanningen, geen gevaren. De perfectie gaat zelfs zo ver, dat er na consumptie zelfs geen rest overblijft, geen pitje, geen haar, geen botje. Het product zelf blijft niet eens (zoals een boek na lezing). Het consumptiegoed is als een pilletje in de consumptie opgelost, verdwenen. Afgezien van het onzichtbare effect dat erin bestaat dat de consument door het goed opnieuw tot massamens gemaakt wordt, blijft alles bij het oude. Er hoeft niets opgeruimd of afgewassen te worden, er is niets gebeurd, niets gebleven, niets blijft over; geen enkele nasleep. Het gevaar dat de klant een ongewenste opstapeling van cultuurgoed opgedrongen krijgt, is volstrekt afgeblokt. Geen enkele vorming dreigt. —
Maar deze voorstelling is toch nog niet toereikend. Want niet pas ons brood is een artificieel product; maar de grondstof is het al, zoals het als gewas terwijl het nog groeit zo groeit dat je het het beste als product kunt gebruiken. Wezenlijk voor cultuur, met name voor de massaproductie van tegenwoordig, is niet de bewerking van materiaal dat het lot aangeleverd heeft, maar de aansturing is het al. Er bestaat geen productie die niet probeert zo vroeg mogelijk in de grondstof in te grijpen, dwz om die stof geen tijd te laten überhaupt ‘slechts’ grondstof te zijn. Elke productie wil grondstof inlijven en ook zijn groei al tot eerste stadium van productie te maken. En dat gaat ook op voor ‘uitzendingen’ als productie. De grondstof daar bestaat voor het grootste gedeelte uit gebeurtenissen. Daarom probeert men die van tevoren al te kweken, dus zo te laten gebeuren dat ze geschikt zijn voor hun functie als eindproduct. Ze moeten zo vroeg mogelijk of van meet af aan optimaal kunnen dienen voor reproductie. Ze moeten moeiteloos hun reproductie kunnen opleveren. Het echte — het zogenaamde voorbeeld — moet toegesneden worden op zijn eventuele afbeeldingen, moet omgevormd worden tot beeld van zijn reproducties.  De gebeurtenissen van de dag moeten hun kopieën tegemoet komen. Er gebeuren inderdaad talloze dingen alleen maar zoals ze gebeuren,[191] zodat ze als uitzendingen geschikt zijn. Er zijn er die ‘überhaupt’ alleen gebeuren omdat ze verlangd worden als uitzending of daarvoor nodig zijn. Je kunt dan niet meer vast stellen waar de werkelijkheid ophoudt en het spel begint. ‘Als rechters, getuigen en advocaten … zich bewust zijn dat ze hun werk doen onder het oog van misschien miljoenen kijkers, moet de verleiding om theater te spelen wel reuzegroot worden’ ( Rechter Medina, geciteerd naar de New York Herald, 15. Sept. 1954.) Ja de vraag naar waar de werkelijkheid ophoudt en de schijn begint is al verkeerd gesteld. Want radio en TVscherm en fantoomconsumptie zijn zelf al sociale realiteiten van zo’n massiviteit, dat ze kunnen wedijveren met de meeste andere realiteiten van tegenwoordig.  Daarom kunnen ze zelf uitmaken wat ‘werkelijkheid is’ en ‘hoe het echt gaat’. Karl Kraus schreef de volgende regels waarin hij een schandaal meende vast te leggen:

‘In den beginne was er de Pers
en toen pas verscheen de wereld’.

Die zijn al onschuldig geworden, want tegenwoordig zouden ze moeten luiden:

‘ In den beginne was de uitzending,
daarvoor draait de wereld.’

Helemaal onbekend echter is ons de omgekeerde, om niet te zeggen geperverteerde verhouding van mal en reproductie niet: naast de duizenden projecties tellen de modellen, de echte sterren, niet. En zoals ‘de echte’ in Hollywood in vlees en bloed rondlopen, zijn ze eigenlijk ook maar armzalige spoken van hun reproductie; spoken die vergeefs proberen gelijke tred te houden met hun close ups.
Heel veel gebeurtenissen van tegenwoordig lijken daar al heel erg op. Voetbalwedstrijden, rechtbankprocessen, zelfs politieke demonstraties, die vergeleken met hun miljoenen keren gehoorde en geziene uitzending al onopvallend en onwerkelijk werden. Dat in elk geval zouden zijn als ze niet al voorbestemd zouden zijn gereproduceerd te worden en uitgezonden. Ze zijn in plaats van voor de oorspronkelijke deelnemers, en de oorspronkelijke toehoorders, van tevoren al bestemd voor [192] de miljoenen luisteraars en kijkers naar de reproducties. Vele ervan zijn niet zo belangrijk dat ze uitgezonden worden, maar worden pas belangrijk door de uitzending; daardoor groeien ze pas uit tot historische werkelijkheid; ze worden alleen opgezet omdat de uitzending belangrijk is. Theatrum mundi. —
Tot op zeer grote hoogte is dus ‘de oorspronkelijke werkelijkheid’ niets anders dan een smoes voor haar kopieën. Onze tijdgenoten, die zelf al tot kopie werden gemaakt hebben nauwelijks meer zin om aan de ‘originelen’ deel te nemen; net zoals een lezer niks heeft met de matrix van de boekpagina, of de grotbewoner van Plato zin heeft om de Idee te pakken te krijgen. *
Daar zitten we dan als een modern gilde van Lynkeus, ‘ zum Sehen geboren, zum Schauen bestellt’ . Maar niet Lynkeus schijnt onze patroonheilige, ons voorbeeld. En we schouwen niet als hij. Want wij verlaten ons huis niet, maar daar loeren we tot de buit in ons net valt, als een spin. Ons huis is een val geworden, Wat zich daarin laat vangen is onze wereld. Daarbuiten is niks.
Dan zitten we daar en er vliegt een lekker hapje in ons net. Dan is het van ons.
Maar wat daar bij ons binnen vloog vloog niet, maar werd ons toegeworpen. En wat ons toegeworpen werd was geen stukje wereld, maar een fantoom. En dat fantoom was geen kopie van de wereld, maar de afdruk van een mal. — En die afdruk is slechts van ons, omdat hij ons tot mal moet worden, zodat we ons omvormen naar zijn beeld, En wij moeten ons omvormen opdat wij niets anders meer ‘van ons’ noemen en geen andere wereld zullen hebben dan haar. —
Daar zitten we dan voor de kopie, die beweert een fantoom te zijn, dat beweert een kopie te zijn, die beweert de wereld te zijn. We verteren hem en worden als hij.
Als er toch nog iemand van ons Lynkeus wilde zijn: ‘ zum Sehen geboren, zum Schauen bestellt’, en zich zou proberen los te scheuren [193] uit deze zinsbegoocheling en het waagde werkelijk ‘in de verte te kijken’ en ‘vlakbij te zien’, dan zou hij al gauw zijn zoektocht opgeven en compleet bedrogen terugkeren. Want buiten zou hij niets meer vinden dan de voorbeelden van de beelden, die zijn ziel met hun sjablonen hadden moeten vormen. Niets anders dan de voorbeelden waar die beelden naar waren nagebouwd, niets anders dan de mallen die nodig zijn voor het maken van mallen. En als je hem zou vragen hoe het nu werkelijk zit met de werkelijkheid, zou hij antwoorden dat haar bestemming geen andere meer is dan echt werkelijk te worden in de onwerkelijkheid van haar kopieën. —

V

SPRONG  IN HET MEER ALGEMENE

‘ Laß mich scheinen, bis ich werde’  (Mignon)
‘ Laß mich werden, bis ich scheine’  (V.)

§ 25

Vijf consequenties:
De wereld is ‘op maat’  — De wereld verdwijnt — De wereld is postideologisch
— Slechts gestempelden worden gestempeld
Zijn in deze wereld is onvrij

Vatten we nog eens samen wat de matrix doet: Zoals we gezien hebben stempelen de matrices naar twee kanten:

  1. Ze stempelen de echte gebeurtenissen; die zijn van het begin basis voor reproductie want sociaal krijgen ze pas realiteit, als reproductie. Ze worden pas werkelijk als gereproduceerde.
  2. En deze werkelijke dingen stempelen nu op hun beurt (als ‘dochter-mal ‘)* de consumentenziel. —

Als nu de gebeurens van af het begin gestempeld zijn en als anderzijds de klant vanaf het begin gestempeld is [194] en rijp voor de goederen klaar staat dan heeft dat vijf consequenties die voor de beschrijving van onze eeuw beslissend zijn:

I.  De wereld ‘past’ de mens; de mens de wereld; zoals een handschoen aan de hand; de hand in de handschoen. Zoals het lichaam in een broek, de broek aan het lichaam.

Het is gebruikelijk producten of mensen van nu aan te duiden als ‘confectiegoederen’. Maar onze vergelijking met kleding slaat op iets anders; iets fundamentelers: namelijk op de bestemming van de soort voorwerpen waartoe de huidige wereld behoort.
Tot het wezen van kleding behoort het namelijk — en dat kenmerk maakt het tot een klasse op zich — dat ze ons niet ‘tegenstaat’ maar dat ze ons ‘zit’; en wel zo passend zo als gegoten, zo wrijvingsloos, dat ze als voorwerp in het gebruik niet meer opgemerkt wordt of ervaren. —
Zoals bekend heeft Dilthey het feit dat iets ‘weerstand geeft’ aangevoerd als argument voor de ’realiteit van de buitenwereld’. Omdat de verhouding tussen mens en wereld gaat op de wijze van een botsing, als min of meer non stop frictie, niet als een neutrale betrekking tot iets (dat zich volgens Descartes ook als fantoom ontpoppen kan)  is de nadruk op het ‘oppositie-karakter’ van de wereld van het grootste belang.
Des te belangrijker, omdat zich uit dit feit alle activiteiten van de mens laten afleiden: dat zijn namelijk allemaal nieuwe pogingen om de frictie tussen mens en wereld tot een minimum terug te brengen. Om zo een wereld te maken, die de mens beter of misschien wel zonder meer, derhalve als kleding ‘past’ .

En dat doel naderen we naar het schijnt  zo dicht als nooit tevoren. In elk geval is de aanpassing van de mens aan de wereld en van de wereld aan de mens nu zo totaal geworden, dat de ‘weerstand’ niet meer voelbaar is. Zodat:

II De wereld als wereld verdwijnt. — Deze formulering maakt nu echter ook duidelijk dat zelfs onze verwijzing naar de categorie ‘kleding’ slechts voorlopig kan zijn. Want ook al hoort het tot het wezen van kleding om onmerkbaar te blijven als voorwerp — helemaal verdwijnt ze in het gebruik niet. Effectief verdwijnen alleen de voorwerpen van een enkele categorie: [195] : die van de genotmiddelen; die hebben alleen maar als doel vernietigd, geabsorbeerd te worden. En bij die wereld hoort de zenderwereld.  —
De idee van een wereld die als geheel tot die categorie behoort, is niet nieuws. Als materialistische gouden eeuw fantasie zelfs oeroud. De naam is: ‘Luilekkerland’.
Dit luilekkerland is, zoals men zich herinnert, geheel eetbaar, met huid en haar, omdat ze al geen ‘huid en haar’, geen onverteerbare resten meer bevat. En de laatste ‘weerstand’ die de consument doorgaans nog ondervindt, de ruimtelijke of financiële afstand tot de goederen, is daar eveneens weg, omdat de voorwerpen zich  ‘als gebraden duiven’ zelf ‘zenden’, ze vliegen in de al open muilen binnen. De stukjes wereld hebben geen ander doel dan ingelijfd, verteerd, geassimileerd te worden en daar is de basis van het bestaan van luilekkerland uitsluitend haar karakter als voorwerp te verliezen, dus om niet als wereld te bestaan.
Daarmee is de huidige ‘gezonden’ wereld beschreven. Als die onze oren en ogen binnenvliegt moet ze als binnendringster wrijvingsloos in ons ondergaan; ze moet ons, ja ons zelf worden *

III. Onze huidige wereld is ,post – ideologisch’, dwz heeft geen ideologie nodig. — Daarmee is gezegd dat het overbodig is achteraf valse van de wereld afwijkende wereldbeschouwingen , dus ideologieën te arrangeren, omdat het gebeuren van de wereld zichzelf al als gearrangeerd schouwspel afspeelt.  Waar de leugen waarheid liegt is de uitdrukkelijke leugen overbodig.
Wat zich hier afspeelt is in zekere zin de omkering van wat Marx voorspeld heeft in zijn speculaties tav de eschatologische waarheid: hij hoopte toen op een post-ideologische toestand. Hij hield er rekening mee, dat dan daarmee de waarheid een einde zou krijgen, die van de filosofie (en dat betekende voor hem in zich zelf : van de ‘ideologie’). Maar het omgekeerde heeft zich nu bewezen, de triomferende onwaarheid. Wat uitgesproken ideologie overbodig maakt is het feit dat onware uitspraken over de wereld — ‘ wereld’ zijn geworden. —
Natuurlijk klinkt de bewering dat ‘wereld’ en ‘aanzicht van de wereld’ [196], dat de werkelijkheid en de duiding van de werkelijkheid  niet meer twee verschillende dingen zijn, zeer vreemd. Maar dat is zo over, als je andere vergelijkbare verschijnselen van onze tijd erbij betrekt. Bijv. dat brood en snee brood niet meer twee verschillende zaken zijn, (omdat brood al gesneden verkocht wordt). Het gebakken en gesneden brood kunnen we thuis niet nog eens bakken en snijden. Net zo weinig kunnen we wat er gebeurt en wat ons al in ideologisch ‘voorgesneden’ toestand bereikt, met duiding en arrangement vooraf, ideologisch nog eens in elkaar zetten of duiden. Of iets wat vanaf het begin als ‘beeld’ gebeurt kunnen we thuis niet nog eens ‘beeld maken’. Ik beweer: we kunnen het niet, omdat een dergelijk tweede ‘arrangement’ niet alleen overbodig is, maar niet te doen. —
Maar dat ‘niet kunnen’ is wel een zeer bijzondere onbekwaamheid. Een nieuwe soort:
Als we vroeger een bepaald stuk van de wereld niet konden doorgronden of duiden, dan kwam dat omdat het voorwerp zich aan ons onttrok, of het verzette zich zo zeer tegen ons, dat we daar niet doorheen konden komen. We hebben gezien dat hier van dergelijke weerstand geen sprake kan zijn. Maar het is verrassend genoeg deze weerstandsloosheid van de uitgezonden wereld, die begrip en duiding ervan verhindert. Of misschien niet zo verrassend: de gladde pil die zonder tegenstand door glijdt, merken we niet. Maar wel het stuk vlees waar we eerst op moeten kauwen. De uitgezonden wereld hoort tot de pillensoort. — Of, in een andere vergelijking, omdat ze zich te glad maakt, (in zekere zin als een ‘réalité trop facile’, analoog aan ‘femmes faciles’),omdat ze te zeer tegemoet komend is, omdat ze op het moment van optreden al gegeven heeft, komen we er zelfs niet toe haar te ‘nemen’ of ook maar naar haar eerste zin te dingen.

IV  Gestempeld worden steeds al gestempelden. — Van de uitgezonden wereld geldt: de in haar veronderstelde tweeheid is daar achterhaald, en dat geldt nu ook van ons consumenten van de voorgevormde wereld. [197] Bij het conformisme van vandaag hoort, dat de mens precies bij de wereld ‘past’, zoals de wereld ‘past bij’ de mens. dwz je kunt niet onderscheiden tussen een tabula rasa-achtige toestand, waar de consument eerst in zit, en een verloop waarin het beeld van de wereld in de plaat wordt geperst; dat is niet meer nodig. De consument is altijd al voorgevormd, bereid om zich te laten vormen, rijp voor de matrix. Hij beantwoordt min of meer al aan de vorm die op hem geperst gaat worden. Elke ziel apart ligt pasklaar op de matrix, ongeveer zoals een ingesneden reliëf correspondeert met een opgelegd reliëf. Het stempel van de matrix maakt zelf geen indruk in de ziel, of dat ze in de ziel insnijdt; want de ziel is er al helemaal op toegesneden.  Zo laat ook de ziel geen sporen na op de matrix omdat ze zich al in het spoor gegeven heeft. —
De uitwisseling tussen mens en wereld voltrekt zich dus als iets dat gebeurt tussen twee stempels ; als beweging tussen de in de matrix gestempelde werkelijkheid en de in de matrix gestempelde consument. Dat is dus op zeer spookachtige wijze, want spoken gaan daar om met (door spoken gemaakte) spoken. Maar dat het  leven dan door die spookachtigheid onwerkelijk zou worden, kun je toch niet beweren. Het is zelfs vreselijk werkelijk. Ja werkelijk vreselijk.

V. Want in de post-ideologische wereld van luilekkerland is het bestaan totaal onvrij,
Hoe onbestrijdbaar het ook mag zijn, dat ons tegenwoordig duizenden gebeurtenissen en stukjes wereld in oor en oog vliegen, waar onze voorouders uitgesloten van waren, en dat het ons zelfs vergund is zelf uit te kiezen welke spoken we bij ons binnen laten vliegen — want als de bestelling eenmaal geleverd is, zijn we aan haar overgeleverd. Dan zijn we beroofd van de vrijheid haar te na te komen of zelfs tegenover haar ons op te stellen. Dan zijn we bedrogen. En wel op dezelfde wijze als door de grammofoonplaat die ons niet maar deze of die muziek voorspeelt, maar ook het applaus en de enthousiaste uitroepen, waarin we ons eigen applaus en onze eigen uitroepen moeten herkennen.  [198] Daar deze platen niet slechts de zaak zelf leveren, maar ook onze reacties op de zaak, worden we er door met ons zelf beleverd.
Wat in het geval van de grammofoonplaten schaamteloos overkomt, kan in andere uitzendingen wel discreter gebeuren, maar het is slechts een verschil in duidelijkheid. Precies hetzelfde gebeurt in elke uitzending: er bestaat geen uitgezonden fantoom waarin zijn ‘zin’ niet woont, dus dat wat wij ervan moeten denken en wat we daarbij moeten voelen; en dat we als een integrerend element moeten verstaan, en wat er niet meer van los te krijgen is. Geen fantoom dat ons niet de reactie meelevert als korting. — Wat wij echter niet merken. En wel daarom niet, omdat de dagelijkse overvoering met fantomen die als ‘wereld’ opdraven, uur na uur, ons verhindert ooit honger te bespeuren naar duiding, naar eigen duiding. En omdat wij hoe meer we met gearrangeerde wereld worden volgestopt, des te grondiger deze honger verleren.
Maar het feit, dat we die onvrijheid vanzelfsprekend vinden, dat we die überhaupt niet als onvrijheid merken, en indien wel dan vinden we haar zacht en gemakkelijk, dat maakt de toestand geenszins minder bedreigend. Integendeel omdat de terreur op kousenvoeten (Duits: Taubenfüßen; prachtig toch jab)  komt, omdat hij elke voorstelling van een eventuele andere toestand, en elke gedachte aan oppositie definitief uitsluit, is ze in zekere zin fataler dan de openlijke en als zodanig herkenbare vrijheidsberoving. —
Aan het begin van deze studie staat een fabel. De fabel van de koning die zijn zoon die tegen zijn wil zo maar rondstruint, een paard en wagen geeft. Met de woorden: ‘Nu hoef je niet meer te voet te gaan.’ Maar de woorden betekenden: ‘Nu mag je het niet meer’.  Maar het gevolg was: ‘Nu kan je het niet meer.’
En dat niet kunnen zouden we nu dus gelukkig bereikt hebben. [199]

§ 26

Tragikomisch verzet:
Onze tijdgenoten stellen barrières op als voorwerpen van vermaak

Boven is gezegd: omdat luilekkerland bij ons binnenkomt in al bewerkte versie, zijn we verhinderd om het nog eens te bewerken.
Dat is wel makkelijk dat we daartoe verhinderd zijn, maar geheel verdraaglijk en acceptabel is dat niet. Tenslotte zijn wij van nature wezens met behoeftes; we zijn niet ingesteld op een kant en klare wereld, op een bestaan in luilekkerland. Veel meer zijn we ingesteld op het stillen van onze behoeftes; wat ontbreekt eerst te verwerven. Wij snijden dingen die niet klaar zijn en weerbarstig eerst bij zodat ze ons ‘passen’. Wij worden niet alleen geboren met de behoefte naar verzadigd worden, maar met de ‘tweede behoefte’ na verzadigd zijn. Het is ons niet alleen onverdraaglijk zonder eten te leven, maar ook dat niet te kunnen opheffen is onverdraaglijk.
Doorgaans hebben we echter geen erg in die ‘tweede behoefte’. Als we echter uitgesloten raken van het stillen van de honger; als we zo bevredigd worden dat het stillen van de eerste behoefte niet meer het resultaat is van onze eigen bezigheden, dan voelen we ons teleurgesteld, niet vanwege de ‘vruchten van onze arbeid’ maar om het ‘werk aan onze vruchten’; dan weten wij met ons zelf geen raad, omdat we van het leven verwachten, dat het voor een groot gedeelte opgaat in het verschaffen van de benodigde levensmiddelen. — Kortom: dan breekt de ‘tweede behoefte’, de ‘tweede honger’ uit. Niet een verlangen naar buit, maar naar inspanning; niet naar brood maar naar ervoor zorgen; niet naar het doel maar naar de wegen die nu het doel worden.
Het is wel bekend dat in ‘vrijetijds-klassen’ die van inspanningen waren ontheven steeds een zucht naar inspanning uitbrak. Maar de vossenjager noch de zondagshengelaar hadden een zucht naar trofeeën; in elk geval niet in de eerste plaats : maar naar zelf ergens in voorzien. Ze joegen niet op buit, maar op de kans te mogen jagen. En als ze vossen, herten, of snoek doodden, was dat vaak omdat [200] zonder schietschijf, het genot van mikken niet te smaken viel; zonder prooi-dier kun je niet genieten van er zelf in voorzien. Het doel was een alibi voor de moeite en de weg.
Die situatie is heden algemeen geworden. En wel omdat tegenwoordig (hoe ongelooflijk dat ook mag klinken) ieder, ook elke arbeider tot de ‘leisure class’ behoort. Dat moet men niet verkeerd begrijpen: er is alleen maar mee bedoeld dat alles wat hij nodig heeft om te kunnen leven hem kant en klaar ter beschikking wordt gesteld. Zelfs de armste katoenplukker in het Zuiden koopt zijn bonen in voorgekookte toestand, klaar voor gebruik. Ja juist die. Hoe waar het vandaag ook nog is wat de negentiende eeuw uitsluitend benadrukt had: dat de arbeider geen deel heeft aan de vrucht van zijn arbeid; niet minder waar is het nu in de twintigste  — en als we deze pendant niet benadrukken zou het beeld van onze eeuw incompleet blijven — dat hij aan het werk dat hem de genotsmiddelen (vooral de vrijetijdsspullen) thuis bezorgt, evenmin deelneemt. Zijn leven — en dat van ons allemaal — is dubbel ontvreemd: het bestaat niet alleen uit arbeid zonder vrucht, maar ook uit vrucht zonder arbeid. Er is een molussische spreuk: ‘Als je vis wilt eten, moet je op hazen jagen; en om haas te eten moet men gaan vissen. Er wordt niet gemeld dat iemand die op hazen gejaagd heeft, ooit haas gegeten heeft.’
Die tweede vervreemding tussen werk en zijn ‘vrucht’ is het karakteristieke trauma van onze situatie in luilekkerland. Geen wonder dan ook dat daar de zucht naar inspanning uitbreekt; de behoefte dat je zo nu en dan of minstens één keer een vrucht mag eten die je zelf gekweekt hebt; dat je een doel bereikt waar je zelf heen gezworven bent; een tafel gebruikt die je zelf gemaakt hebt. Het is het verlangen naar een weerstand en naar de inspanning die te breken.
En de tijdgenoten stillen die begeerte nu. Op kunstmatige wijze. Namelijk doordat zij zelf weerstanden opzetten, die zij dan kunnen overwinnen om ervan te genieten. Of zij laten die voor zich opzetten. Weerstanden zijn tegenwoordig producten geworden.
Deze manier van doen is niet onbekend. In hoge mate heeft immers [201] de sport (die niet toevallig als tweelingbroer van de industrie groot werd) als zo’n genotmiddel gediend. De onneembare top (die ons meestal helemaal niet in de weg stond, maar we moesten er eerst naar toe reizen), benoemden we tot hindernis om hem te bedwingen en te kunnen genieten van het bedwingen.
Nog veel kenmerkender is voor tegenwoordig die relatief jonge hobby die onder het motto ‘doe het zelf’ woedt. Miljoenen verbrengen hun vrije tijd ermee hindernissen op te werpen : zich technische moeilijkheden op te leggen, voor de lol af te zien van het gemak van deze tijd, of dingen die je om de hoek kunt kopen zelf in elkaar te knutselen. Al in 1941 was ik werkzaam in een fabriek, waar men machinaal hand-weefgetouwen, dus weefgetouwen om met de hand te bedienen  maakte die werden gekocht door vrouwen die ernaar hunkerden om na werktijd eindelijk eens te genieten van zwaar werk. Mannen verwelkomen elke elektrische storing in het huis, elk los schroefje aan de auto, want dat belooft een zware moeite die de zondag gaat verzoeten. In de moppen bladen is niet toevallig de figuur die zijn horloge uit elkaar haalt een veel geziene gast: dat meelijwekkende kind van onze eeuw kan alleen maar als hij zelf iets wil maken een kant en klaar product uit elkaar halen; en als hij dan grondstof gemaakt heeft uit een eindproduct,  — andere grondstoffen levert zijn kant-en-klare-producten-wereld hem niet — moet hij het voor een tweede keer scheppen; en daarmee geniet hij dan het kleine plezier, dat hij het zelf, of bijna zelf heeft gemaakt. De soort moeilijkheid die hij opzoekt is identiek aan die van puzzle-spelen. Meer dan bij elkaar leggen van klare onderdelen á la Hume haalt hij niet. De populariteit van deze ook door volwassenen gespeelde spelen hangt hiermee samen.
Helemaal gelukkig belooft hij te worden als hij [202] er in het weekeinde op uit kan gaan met zijn auto. (En hij heeft recht op dat geluk, want wat kan hij eraan doen dat hij in zo’n onzalige eeuw is geboren. En wat kan hij doen aan zijn erbarmelijke pogingen om (wat) te redden?) Dan kan hij met behulp van een of ander fonkelnagelnieuw apparaat beslist op de meest primitieve manier ‘zelf’ vuur maken. Als Robinson zit hij dan aan dat vuurtje zijn Frankfurter worstjes, die hij diepgevroren meegebracht had ‘zelf’ te roosteren. Of hij slaat ‘zelf’ als de pioniers zijn tent op. Of hij schroeft ‘zelf’ zijn tafel uit voorgeboorde houtblokken in elkaar om zijn draagbare radio op te zetten.
Dat deze jeugdbeweging van volwassenen, dit verlangen om bij te komen van de bezorging van kant en klare producten en naar een vorig niveau van productie terug te springen (die tot de weinige tragikomische trekjes van onze tijd behoort en waar een goed onderwerp voor een klucht in zit) zonder succes moet blijven, heeft onze schildering wel duidelijk genoeg gemaakt. De miljoenen kwellen zich vergeefs met hun kwaal. Want de industrie heeft zich natuurlijk prompt van deze verzetsbeweging die ze zelf opgeroepen heeft meester gemaakt; zoals ook alle andere bewegingen op grond van nieuwe behoeftes de verkoop van nieuwe producten in het vooruitzicht stelt. Nog voordat de ‘doe het zelf’ rage zijn hoogtepunt had bereikt, boden de firma’s voor dit doel speciaal gemaakte eindproducten als onderdelen aan, zoals ‘camping gadgets’ en dergelijke: dus delen wier doel paradoxaal genoeg bestaat in het de hobbyisten zo makkelijk mogelijk te maken als die de drang voelden om zich zelf-behinderend en zelf doende af te tobben. En natuurlijk konden de klanten die in een snor tot doehetzelver waren getransformeerd, niet meteen los komen van de gewoonte die hun diep in de botten stak: ze waren zo gewend aan wat het makkelijkst was, waar je de minste moeite en tijd in hoefde te steken.
Dus kochten ze de voor hun nieuwe bezigheid zogenaamd meest praktische eindproducten waardoor nu natuurlijk het genot van zelf doen in een oogwenk verspeeld was. Want hokuspokusfidibus – daar stond dan hun pionierstent kant en klaar opgezet. Want alle onderdelen die nodig waren om het zelf te doen waren voorgevormd aanwezig, en hun eigen bijdrage was teruggeschroefd tot een spelletje aflezen van de gebruiksaanwijzing die bij het bouwpakket hoort.[203] Ze hadden niets meer te doen. De leegte omgaf hun weer. En het was een echte zegen dat ze hun radio bij zich hadden en dat ze hun fantomen als vanouds weer op konden roepen. — Als dat geen ‘dialektiek’ is weet ik niet wat dat woord betekent.
In dit verband hoort ook de al tamelijk lang bestaande beweging van ‘creatieve zelf-expressie’ bijv. ‘creatief schilderen’  of ‘creatief schrijven’ *. Deze beweging spoort duizenden aan om na het werk of op zondag of op hoge leeftijd (als je toch niet meer voor een baan in aanmerking komt, hoewel : ‘ life begins at seventy’ ) nog zelf iets bij te dragen; dus zich zo bezig te houden dat eindelijk ‘arbeid’ en ‘vrucht der arbeid’ zichtbaar samenhangen.— Natuurlijk is dit ook een tegenbeweging tegen het constant maar beleverd worden met kant en klare producten. Namelijk met kant en klare beelden van de wereld. Het is ook een poging een klein beetje moeite binnen te smokkelen in de hooploosheid van het luilekkerland bestaan. Maar het is natuurlijk ook ten dode opgeschreven. Ik wil het er helemaal niet over hebben, dat de jongeren van die beweging deels uit verveling, deels op hygiënische gronden, deels simpelweg omdat het als een ,must’ geldt om ‘creatief’ te zijn helemaal geen werk kunnen krijgen dat er wat hen betreft toe doet. Ook niet over het feit dat hun enige ambitie is, iets te uiten. Het springende punt is, dat het ‘creatief zijn’ in massacursussen en op afstand over de radio geleerd wordt (‘how to get creative’); je krijgt dus ook de elementen van creativiteit voorgebakken thuis. Kortom, deze tragikomedie onderscheidt zich in niets van die van de kunst-Robinson. Dat is ook een excursie van de geantiqueerde mens op basis van alle kant en klare spullen van heden, naar een geantiqueerd niveau van productie en bestaan. Een trip die natuurlijk nooit het doel bereikt kan, omdat wijze en stijl van reizen niet overeenstemmen met het doel van de reis. — [204]

§27

Nogmaals: De werkelijkheid als beeld van haar afbeeldingen —
De metamorfose van actrice V.
naar een reproductie van haar reproductie

De meest bevreemdende stelling van ons hele onderzoek is wel de slotconclusie dat tegenwoordig de werkelijkheid zich al voltrekt met het oog op haar reproductie. Ze moet haar afbeeldingen tegemoet komen en ze wordt zodoende afbeelding van haar afbeeldingen.
Ik wil aantonen dat dit geen theoretische paradox is, en ik eindig met de schildering van een concreet voorval. Dat voorval, de metamorfose van actrice V, komt niet uit de kring van Radio of TV, maar uit die van de film, maar dat maakt geen wezenlijk verschil meer. Want we hebben in de laatste paragraaf de horizon van onze voorbeelden al vaker doorbroken. En wel opzettelijk: want het zou misleidend zijn om de categorieën ‘fantoom’ en ‘matrix’ waarop het ons vooral aankomt, te zien als monopolie-categorieën van radio en TV, waar aan we ze ontleend hebben. Deze categorieën kun je veel breder gebruiken. Ze gelden veel algemener dan we het aan het begin van dit essay voorzagen. Ik citeer mijn Dagboek in Californië.

1941

‘Producer M. zag een half jaar geleden proefopnames van V. en merkte op: ‘Word eerst maar eens wat fotogenieker, lieverd; dan zul je wat zien’. Hij bedoelde: ‘Voordat je onze fantomen met meer succes als matrix van je echte gezicht hebt gebruikt, voordat je je omgevormd hebt naar hun voorbeeld, kom je niet in aanmerking als fantoom van belang. [205]
V. was altijd wel erg trots geweest op haar tamelijk uniek uiterlijk. Maar haar verlangen naar een fantoom-carrière bleek veel heftiger. Ze investeerde de laatste financiële reserves van haar al lang vergeten familie en van haar sedert lange tijd belasterde ex-vrienden; ze ontzegde zich elk pleziertje en ging aan de ombouw werken, ascetisch monomaan.  En ze riep wel de hulp van allerlei artistieke specialisten in — want niemand kan het alleen— Die (vormden hier een hele beroepsgroep en) beschouwen de echte mens als slecht materiaal dat verbetering nodig heeft, maar het fantoom daarentegen als wat je zou moeten willen. Dus allemaal mensen die hun brood verdienen met het verschil tussen werkelijkheid en fantoom en die hun business opgebouwd hebben op de woedende behoefte van allen die zoals V. dat verschil weg willen laten opereren. V. begon dus van schoonheidssalon naar masseur, van masseur naar schoonheidssalon te draven. Gaf zich over aan afvalklinieken en rimpelspecialisten zelfs aan het mes van de chirurg — tot haar ondergang, tot hun gewin, ik zweer het je. Ze liet zich van buiten en van binnen van voren en van achteren bewerken. Ze sliep op een strak uurschema in het zweet van haar aangezicht nu op de ene kant dan op de andere. Ze mat slablaadjes af in plaats van het ervan te nemen. Ze lachte naar de spiegel in plaats van naar mij; hetzij uit genot, het zij uit plicht. — Kortom ze had van haar leven nog nooit zo hard gewerkt. Ik betwijfel of de initiatieriten die de maagden bij de Weddas moeten doorlopen gruwelijker zijn geweest dan die V. moest ondernemen om feestelijk in de fantoomwereld opgenomen te worden. Geen wonder dat ze al gauw zenuwachtig werd, om niet te zeggen onuitstaanbaar. Ze begon zich op haar omgeving te wreken alsof ze de privileges van een fantoom al bezat: ze behandelde ons eigenlijk al als lucht; zij het als lucht waarvan ze vond dat ze alle recht had om die in- en uit te ademen. Zo leefde ze een half jaar en liet haar oude Adam of Eva zo bewerken tot er van hen niets meer over was. Daar was in onvermoede glans de nieuwe mens uit haar opgestegen — veertien dagen geleden was deze Epiphanie — Toen ging ze [206] voor de tweede keer op haar fantoom-handelaar af. Dat is echter niet precies juist gezegd: dat zij het was, die daar ging. Ze had nieuw haar, een nieuwe neus, nieuwe figuur, nieuwe manier van lopen, een nieuw lachje (of veel meer met oud haar dat al lang te zien was, neus overal al gezien, lachje dat je overal zag) : ze was een eindproduct, een onbepaald artikel, een volledig andere; ‘alle anderen’. * ‘Des te beter’ zei ze; en ze had gelijk. Want de fantoomhandelaar had , zoals ze na de tweede proefopname vertelde,  haar niet herkend, en dat had ze als een volstrekt natuurlijk voorteken gezien. Het had, (als die uitdrukking hier nog op haar plaats is) haar ‘zelfbewustzijn’ bij de testopname enorm opgekrikt. — En vandaag na veertien dagen is het dan zover: kijk aan het onwaarschijnlijke is gebeurd, de nieuwe foto is o.k. De droom van haar leven is vervuld en dat zal in een contract voor haar vastgelegd worden. Met andere woorden: Ze is bevorderd naar de rang van matrix voor matrices. Ze mag als matrix dienen voor filmbeelden die op hun beurt weer als matrices voor onze smaak zullen dienen. — Natuurlijk beweert ze dat ze er waanzinnig gelukkig mee is, maar ik weet het niet zo recht. De ombouw procedure heeft haar zo ernstig beschadigd dat ik het moeilijk vind te zeggen dat zij het is die gelukkig is, Die andere, die nieuwe is het misschien; maar die ken ik niet, en die kan me gestolen blijven. En omdat alleen die nog bestaat, want het meisje dat naast me loopt op straat beweegt zich al zoals die op het goedgekeurde testbeeld, en zoals men het van haar op toekomstige beelden verwacht. Ze is al beeld van haar afbeelding geworden, reproductie van haar toekomstige reproducties. Daarmee is ze verdwenen. En het definitieve Goodbye, dat ze hoewel nog niet uitgesproken maar al wel voltrokken heeft is vermoedelijk slechts een kwestie van dagen.’

§ 28 [207]

Niet de kijker, maar wie gezien wordt is in aanzien

Deze metamorfose past, zoals gezegd, niet in ons oorspronkelijke terrein van vergelijkingen, maar ze is wel leerzaam, omdat ze het primaat van het beeld erkent boven de werkelijkheid, en dat dat een levend motief voor doen (en laten) is. Ook laat het zien, dat deze verandering tot matrixbeeld een proces van het leven is. In deze studie verdedig ik de stelling dat tegenwoordig beeld-zijn ‘meer zijnde’ is dan zijn, dat maakt dit geval wel duidelijk, daarom ga ik er nog op door.
Het is te simpel om V.s verlangen om beeld te worden af te doen als ‘ijdelheid’. Ijdelheid en zucht naar roem verklaren niks, zijn veel meer zelf problemen, en wel zeer ondoorzichtige.. Ijdelheid en roem dat is het verlangen dat anderen je in het oog hebben, dat anderen je (naam) op de lippen hebben, en dan hoop je erop dat je doordat je bij anderen bent, meer bent, of überhaupt bent.  —
V. was, net als duizenden anderen opgegroeid in een wereld waar slechts fantomen (,pictures’) veel aanzien hadden; daar gold de fantoom-industrie als sensationeel reëel. Door deze wereld en door de matrix-kracht van deze fantomen en door hun prestige was zij gestempeld. Het was al van jongs af een marteling voor haar geweest om in deze wereld van beelden op een of andere manier te ‘zijn’, maar dan als niet-beeld, als niet-voor-beeld; en spoedig zou het een altijd durend minderwaardigheidsgevoel veroorzaken: dat je je niets voelt. Denk je de oorzaak van dat gevoel van niets zijn in, want die duikt nu pas in de geschiedenis op. (ook al is ze door de individuele psychologie die alleen maar minderwaardigheidsgevoelens behandelt nog niet ontdekt.) Ze is tegenwoordig de beslissende variant. Want nu bestaat de wereld van de voorbeelden niet uit mensen, waar de onzekeren bang door gemaakt worden, maar uit mens-fantomen en zelfs dingen.* V. had zich niet minderwaardig gevoeld in de ogen van haar broers en zusters, haar mededingsters op school of aan het strand [208]maar voor de schare gereproduceerde beelden. En haar neurose was geen teken van gebrek aan sociale aanpassing, maar — in de inleiding heb ik al op een vergelijkbaar geval gewezen — symptoom van een gebrek aan technische aanpassing aan de wereld van het beeld. Zoals het voor een burger een kwaal geweest zal zijn om als anonieme, niet-aristocraat die niet meetelde, in een uitsluitend aristocratische wereld te leven, was het voor V. onverdraaglijk binnen een wereld van voorbeeld-fantomen te leven.* Ze leed voortdurend aan het gevoel een quantité négligeable te zijn, zo niet een niets te zijn. Met de angst dat ze op een dag zou moeten vaststellen (als ze haar promotie, haar fantoom-wording niet zou voortzetten) dat ze nooit had bestaan. — Kortom: ze leed onder gebrek aan ontologisch prestige. Wanneer zij dus haar gevecht om fantoom te worden aanging was dat om meer zijnde te worden, om er überhaupt te zijn. Met een omkering van de Mignon-regel: ‘Laat me schijnen tot ik word’, zou ze kunnen zeggen: ‘Laat me worden tot ik schijn’. Om als schijnende te kunnen zijn.
Duidelijker dan ze het zelf in een paar losse woorden formuleerde kan ik haar zucht om er te zijn door te schijnen niet weergeven:

Tagebuch

‘Nauwelijks was het haar gelukt haar zelf te veranderen, of ze riep uit (met een verachting van haar vroegere leven, die bewees op hoeveel hoger ontologische tree ze nu meende te zijn gearriveerd) : ‘Mijn god, wat was ik dan vroeger helemaal!’ — Ze bedoelde natuurlijk: een niets. En wel omdat ze vroeger er ‘alleen maar was’ ; ze had alleen maar bestaan. Alleen maar als zij zelf, in enkelvoud en altijd alleen maar waar ze maar existeerde. Omdat ze, negatief uitgedrukt, niet-bewerkt als ze was , niet gereproduceerd, er niet voor in aanmerking kwam bekeken te worden; want ze vond geen verificatie van haar zijn. Er waren geen consumenten, die hadden kunnen tekenen voor de ontvangst van haar bestaan; geen meervoud van consumenten [209] die door haar waren gestempeld en haar bestaan daarmee bevestigd zouden hebben. Kortom: ze was geen voor-beeld geweest, geen massa-artikel; geen ‘wat’, maar uiteindelijk slechts een anonieme ‘wie’. En binnen de wereld die haar omgaf had ze daarmee gelijk. Want gemeten aan het niveau van zijn van een ‘wat’ is zelfs in de Hollywood-wereld wie slechts een ‘wie’ is, een niets; hij ‘is’ niet.
V. had het natuurlijk niet in deze woorden verpakt. Maar in haar oren waren dit wel ‘truisms’ geweest, trivialiteiten,overbodig om ze te formuleren. En als je als axioma van de ontologie van de economie aanvaardt dat ‘wat niet bewerkt is, niet bestaat’ of dat ‘realiteit eerst door reproductie verwekt wordt’ spreken ze echt voor zichzelf.  Wat V. had gedaan was inderdaad niets anders dan dit axioma gebruiken. En er was geen reden om de waarheid ervan te wantrouwen. Want in haar wereld golden ze zeker en vast, en ze functioneerden wrijvingsloos.
Dat ik haar uitroep: ‘ Wat was ik vroeger dan helemaal’ niet onbeantwoord liet, maar er een hatelijke opmerking bij maakte, was misschien niet helemaal fair jegens haar. Ze meende ,eigenlijk bestaan’* pas bereikt te hebben op het moment dat ze zich ‘ont-eigen-d’ had, dus zich van haar zelf had ontdaan. Dat was misschien niet fair van me, afgezet tegen de inspanning die zij leverde: wie het, zoals zij in het zweet zijns aanschijns zo ver heeft weten te krijgen, dat hij een ‘wat’ ipv een ‘wie’ is, voor die is natuurlijk degene die alleen nog maar als ‘wie’ ronddart, en zich daar zelfs een beetje op voor laat staan, een belachelijke pummel. En als zodanig dreef ze nu ook de spot met me. ‘Jij met je Zelf’ hoonde ze me. ‘Wie vraagt daar nou nog om? Ze maakte met die laatste worden de vraag tot maatstaf van de waarde en tot criterium van zijn; daarmee maakte ze me sprakeloos. —
Ik zei dat ze zich in de beeldwereld gevoeld had als een burger in een geheel feodale wereld. Als ‘lucht’, als ‘niemand’. En je vindt eigenlijk geen betere vergelijking als ik denk aan [210] haar nieuwe manier van optreden, haar gebaren, stemgebruik, loop, dan met een snob die het klaar speelde tot de adel door te dringen en (die stem etc)nu overdrijft. Het zal wel geen toeval zijn dat het Griekse woord voor ‘adellijk’ (εσθλος) afgeleid wordt van de Griekse stam voor ‘zijn’ en dat daarmee iemand aangeduid wordt die als ‘zijnde’ meetelt, wiens graad van zijn hoger is dan die van anderen. En hoger dan die van anderen was de zijns-graad van V. nu dus omdat zijn als bewerkt product bestond, als voorbeeld voor talloze kopieën, als massagoed; terwijl ze vroeger in dat beschamende vroeger als onbewerkte grondstof en onzalig singulair slechts bij de donkerste diepte, slechts bij armzalig consumentenplebs hoorde.
Het klinkt natuurlijk wel vreemd dat ze middels opklimmen in de rang van massaproducten in de adel terecht kwam. Massa en adel spreken elkaar tegen. Maar of we nu formuleren ’Promotie naar de wereld van de matrices’ waarin ze voorbeeld wordt, of ‘Promotie in de wereld van massagoederen’ dat komt op hetzelfde neer.  Want alleen voorbeelden worden beelden; en beelden worden het pas door hun massale vermenigvuldiging.*
Overigens heeft de ranghoogte van de massaproducten nog een andere wortel: een aanzienlijk deel van de huidige goederen is er eigenlijk niet om ons. Veel meer zijn wij er om hen, om de doorgaande productie te verzekeren door ze te kopen en te consumeren. Maar als onze consumptiebehoefte (en als vervolg daarop onze levensstijl) tot dat doel geschapen of tenminste meegestempeld wordt, opdat de goederen afgezet worden, dan zijn wij slechts middel: en als middel zijn we dan ontologisch aan de doelen ondergeschikt.  Maar wie, zoals V., doorzet en uit die donkere diepten op de lichte hoogten weet te komen, waar hij in plaats van van consumptiegoederen te leven, zelf als consumptiegoed geldt, die zal ‘beträchtlig’* zijn, die hoort bij een andere wijze van zijn. Dit ‘in het vizier komen’, aanzienlijk worden, was in het geval van V. zeer plausibel, want zij was als deel van de picture industry iets geworden dat werkelijk bezichtigd kon worden. —[ 211]

Tagebuch

‘ Omdat zij nu zo in aanzien is geraakt om ‘gezien’te worden, kan ze een pummel als ik die in het beste geval en dan nog maar heel zelden slechts als fantoomconsument mee doet, natuurlijk niet meer kennen. Relatie met een echte (mens) is voor een fantoom een pure mesalliance, een relatie van een goed met een consument is eenvoudigweg ‘onmogelijk. Gezelschap zal V. dus moeten zoeken bij haar gelijken: fantomen. Of niet: ‘moeten’, want de kring van fantomen is een (wel is waar voor iedereen zichtbare maar onbereikbare) wereld op zich. En in die wereld zal ze automatisch opgenomen worden. Ongetwijfeld zal ze daar iemand vinden, ‘iets’ vinden, dat eveneens een ‘wat’ is; iets dat net als zij enkel leeft voor het algemene bekeken worden, een larvenachtig type met wie ze nu één van hart en ziel, op de wijze van goederen kan delen. Dat is dan haar match die haar ‘aanzien’ uitmaakt. —’
Als in zulke gevallen gewoon formeel verstand zou mogen beslissen, zou V. wel in staat geweest zijn te begrijpen wat ik bedoelde: want ze was intelligent genoeg. Maar verstaan hangt niet alleen van verstand af, maar van het stand-punt dat men inneemt. De adel waar ze nu bij hoort, verbiedt haar nu dat nog te verstaan. Als het ‘beyond her’ was, dan niet omdat het ‘above her’ geweest zou zijn, maar omgekeerd omdat het ‘below her’ was; dwz dat ze al te hoog was dan dat ze mij nog had kunnen begrijpen. Daarom zou het ook unfair zijn haar kwaadwilligheid te verwijten of boos op haar te zijn. Zij was het niet die handelde, zij deed slechts ‘mee’. Het zou aanmatigend geweest zijn als ze tegen de stroom zou zwemmen, en als ze de vooronderstelling afgewezen had die haar hele omgeving als vanzelfsprekend erkende: Dat het een promotie is om een goed te worden, en als goed genoten te worden een bewijs dat je er bent.

Werkvertaling door Jan Anne Bos, van Günther Anders ‘ Die Welt als Phantom und Matrize’  uit Die Antiquiertheit des Menschen Band I. 5e Auflage 1980. Uitg C.H. Beck München. Tussen [ ] geef ik de paginanummers van deze editie.
De noten die GA met * merkt, heb ik (nog) niet vertaald.

Ik overweeg nog of ik matrix zal vervangen door ‘mal’.

Natuurlijk heb ik weer flink gehakt in de beruchte lange zinnen van GA. Met excuses. Het  lukt me niet om steeds de door GA zelf bedachte woorden in het Nederlands van een equivalent te voorzien. Ik vind het niet altijd woordkunst. Maar meestal is het wel sterk. Neem de term ‘Verbiederung’ : heb ik meestal weergegeven met ‘verburgerlijking’. Maar het is misschien een neologisme van GA. Ik overweeg nog dat woord te vervangen door iets met ‘braaf.’

Iets dergelijks met de term ‘Entfremdung’ die vertaal ik voorshands nog met ‘vervreemding’ maar ik overweeg om daar toch ont-vreemding van te maken. Het gaat om vreemd-af, niet meer vreemd gemaakt worden, denk ik.

GA doet veel met cursivering; ik heb geen moeite gedaan dat precies te volgen.