Over De Bom en de wortels van onze Apocalypse-blindheid

Over De Bom en de wortels van onze Apocalypse-blindheid.1

‘Moed? Fantasieloosheid!’
(Molussische Spreuk)

‘Verbeeldingskracht zo simpel en zo uitgebreid
dat je het universum kunt omarmen als een stad.’
(Montaigne)

§ 1 Veronachtzaamde zaken vragen om extreme formuleringen

Als je op een onbekend stuk aarde terecht komt, kun je niet zo maar beginnen te meten en in kaart te brengen. Dan moet je je eerst aan het toeval uitleveren en dwalen, je laten meevoeren. Je stevent eerst op dat af wat je het meest in het oog springt: een boom bijvoorbeeld of een bergtop. Hoogst onwaarschijnlijk dat je rechttoe rechtaan je doel bereikt. Je zult veeleer verdwalen op de ongebaande wegen; kom je ergens niet verder dan moet je van richting veranderen; en daar moet je zelfs omdraaien. En als je je doel al niet vergeet, zul je het toch vast en zeker uit het oog verliezen — En toch is dat zwerven van betekenis. Alleen zo kun je het landschap leren kennen. Stukje bij beetje; alleen zo kun je een terrein van verschillende kanten bezichtigen. Zo heb je ook alleen de kans plotseling ergens te komen, waarvandaan je een eerste alles omvattend panorama te zien krijgt. Ongetwijfeld had je dat punt veel directer kunnen bereiken. Als die directe weg bestond. Maar die weg zal er alleen via een omweg zijn.

Atoomproe50erjarenfotokeystone

Atoomproef Jaren 50

Filosofisch gezien is het gebied van De Bom – De Bom, of juister gezegd ons bestaan onder het voorteken van De Bom – volstrekt onbekend terrein. Je kunt het niet rechtstreeks in kaart brengen. We moeten ons eerst mee laten voeren, en er genoegen mee nemen de meest opvallende details aan te stippen. De volgorde daarvan zal aanvankelijk toevallig zijn en de samenhang duister. Maar al doende verandert hun karakter. Veel komt aan het licht; een en ander misschien wel van verschillende kanten, andere zaken misschien al in een voorlopig verband. Daardoor zal het gebied meer profiel krijgen. Maar het laat zich niet precies aangeven wanneer onze weg meer begaanbaar wordt, en onze methode systematischer. ‘Profiel krijgen’ noem ik dat, want ik beweer niet dat ik dat punt al bereikt heb van waaruit zich een correcte landkaart van het thema laat maken. Al blijft het totale beeld nog een beetje wazig, ik heb al wel de omtrekken van de onderdelen. Van meet af aan heb ik geprobeerd die zo scherp mogelijk neer te zetten en zo geprononceerd mogelijk.

Om mogelijk misverstand over die scherpe accentuering te voorkomen, licht ik dat met een paar woorden toe. Dat komt niet voort uit een lust tot scoren, want dat zou vreselijk ongepast zijn bij dit thema. Neen, het komt omdat ons onderwerp zich in een speciale onzichtbaarheid bevindt Het wordt systematisch verwaarloosd, terwijl het ons nu juist ononderbroken zonneklaar voor ogen zou moeten staan, imponerend en fascinerend. De voornaamste bezigheid van deze eeuw is het niet te willen zien of horen, onze tijdgenoten schijnen samen te zweren om er van zijn levensdagen niet over te reppen. Zoiets kun je natuurlijk niet maar eventjes beschrijven. Als iets fundamenteel onklaar wordt gemaakt, of gebagatelliseerd of weggedrukt dan moet je om het waarachtig te tonen die verduistering weer compenseren en de omvang ervan net zo veel overdrijven als ze gewoonlijk ‘onderdreven’2 wordt.
Met andere woorden: ons onderwerp is moeilijk bespreekbaar te maken, maar dat komt niet alleen omdat het onbekend terrein is maar ook omdat het systematisch onbekend gehouden wordt: als je erover probeert te spreken, worden de oren al doof als je het ook maar aanroert. Je hebt alleen een kans iemand te bereiken als je je verhaal zo scherp mogelijk toespitst. Daarom overtrek ik mijn formuleringen een beetje. Die goeie tijd dat je het je kan veroorloven het niet te overdrijven , – zo ver zijn we nog niet.
Daarmee is ook al gezegd dat dit essay, zeker hoofdzakelijk, niet academisch is. Sommige onderwerpen mislukken al doordat men ze verkeerd adresseert. Wel, De Bom hangt niet maar boven Universiteiten maar boven ons aller hoofd. Dus past het niet om een speciale vakgroep in hun vaktaal wat voor te filosoferen over een mogelijke Apocalypse. Bovendien het komt mij voor dat de academische Filosofie ook maar nauwelijks belang heeft bij dit ‘thema’, want die spant zich doorgaans pas in om de rampen te problematiseren die de harde werkelijkheid op ons laat neerkomen, als de slachtoffers niet alleen dood zijn maar ook al vergeten. Tot op vandaag zijn de vernietigingsinstallaties in de academische Ethieken een onontdekt stukje toekomst.
Het komt er dus op aan een toon te vinden waarmee je in brede kring wordt gehoord; dus populair filosoferen. Daar ligt onze tweede moeilijkheid. Populair filosoferen bestaat niet. Want massa-wegen naar filosofische oplossing van problemen bestaan net zo min als ‘koningswegen’. En omdat filosoferen betekent: iets zwaarwichtig maken. Dat weet ondergetekende net zo goed als die filosofen die van onverbiddelijkheid hun beroep hebben gemaakt.
Toch geldt dat bezwaar nu niet meer. Want er staat meer op het spel dan het onbesmeurde blazoen van probleemsjouwers. Ik wil het hier niet hebben over het feit dat het Ik denk dat ik helemaal niet bij kpn moet willen wezen!ideaal der wijsgeren om iets zwaarwichtig te maken toch al minachting van de medemens veronderstelt. Minachting voor wie alleen maar ‘men’ is, dan maak je het als zodanig te makkelijk. Over de ellende van hen die tot ‘men’-zijn veroordeeld zijn, breekt men zijn ontologische hoofd niet. Ook daar wil ik het niet over hebben. Maar tegenover de mens van tegenwoordig die in apocalyptisch gevaar is, wordt dit een zwaarwichtig spelletje. Iemand die in gevaar is, moet je het niet alleen maar moeilijker maken, maar spreek hem aan met woorden die hem misschien tot bezinning zouden kunnen brengen. Op zo’n heftig moment is de vraag of het kan fout en ongeoorloofd. Moeilijk zus en moeilijk zo – als moralist rommel je er maar door en je ziet maar een idioom te vinden dat niet slechts in bepaalde universiteitsgebouwen wordt begrepen. En als het je dan overkomt dat je beschouwingen als niet filosofisch worden geclassificeerd dan zal dat gezien het belang van de opgave niet veel uitmaken. En al helemaal niet, omdat volgens een molussisch3 gezegde ‘een echte filosoof vooral herkenbaar is aan het feit dat het hem volledig koud laat, hoe zijn overwegingen worden geclassificeerd’.

Het is onzeker of je de volgende overwegingen wel kunt aanduiden met uitdrukkingen als ‘moraal’, ‘moralistisch’, ‘ethiek’ en dergelijke. Ze klinken krachteloos en ontoereikend voor dit monsterlijk grote onderwerp. Morele thema’s: dat sloeg tot nu toe op vragen over hoe de ene mens de ander behandelt. Hoe ze zich tot elkaar verhouden. Hoe de maatschappij hoort te functioneren. Afgezien van een handjevol vertwijfelde nihilisten uit de 19e eeuw was er vrijwel geen ethicus te vinden die ooit heeft betwijfeld of er wel altijd mensen zouden zijn. Dat te willen bediscussiëren zou tot voor kort zinloos zijn geweest. Maar door De Bom , c.q. doordat we (geen) stelling nemen tegenover De Bom, is die vraag wel acuut geworden. Dat wil zeggen de vraag is niet meer ‘HOE’, maar ‘OF’. Of de mensheid wel voort zal bestaan of niet.
Die vraag klinkt onbehouwen. En onze tijdgenoten willen er niet aan. Want ze zijn Apocalypse-blind; ze zijn bang voor de angst; voor die van zich zelf en van de anderen. Ze zijn doodsbang zich zelf en de andere ‘morituri’4 kopschuw te maken. Maar toch staat de vraag. Want dat is het apparaat zelf.
Voor dit verschrikkelijke ‘OF’ mogen we de oren niet sluiten. Dreigend hangt die vraag boven de woorden van dit geschrift. Vroeger zou men zeggen: ‘als een bloedende maan’. En ik hoop dat het de lezer niet zal lukken – in elk geval niet tijdens het lezen – dat ding te vergeten dat boven ons hangt.

I WE STELLEN DE EERSTE SCHRIK VAST

§2 Wij zijn het oneindige van nu. — Faust is dood

Als er in het bewustzijn van de moderne mens nog iets is dat hij voor absoluut en oneindig houdt, dan is dat niet meer de macht van God. Ook de macht van de natuur niet; om van de de zogenaamde machten van de moraal of de cultuur maar helemaal te zwijgen. Maar wel onze macht. Voor de creatio ex nihilo waar almacht mee bewezen werd, is in de plaats gekomen de potestas annihilationis, de reductio ad nihil5 — en wel als een macht die nu juist in onze eigen handen ligt. De almacht waar Prometheus zo lang naar smachtte hebben we echt te pakken gekregen, zij het anders dan verhoopt. Wij bezitten nu de macht om een eind aan elkaar te maken – daarmee zijn wij de baas van de Apocalyps. Wij zijn het oneindige.

Dat laat zich zo makkelijk zeggen. Maar het is zo vreselijk, dat alle wederwaardigheden van de geschiedenis tot nu toe daarbij vergeleken maar terloops zijn. Alle ‘Eeuwen’ tot nu toe lijken alleen maar tot voorspel te verschrompelen. Want wij vertegenwoordigen niet alleen een nieuwe generatie in de geschiedenis der mensen maar wezens van een nieuwe species. Vanwege onze veranderde opstelling tegenover de kosmos en onszelf. Hoewel we qua anatomie onveranderd zijn.
Wij verschillen van het type ‘Mens’ dat we tot nu toe waren niet minder dan de Übermensch in de ogen van Nietzsche van de Mens verschilde. Positief geformuleerd – en zonder metafoor: Wij zijn Titanen. Minstens voor de korte of langere periode waarin wij almachtig zijn zonder een definitief gebruik van die almacht gemaakt te hebben.
Inderdaad is de kloof tussen ons, Titanen, en onze ouders, die mensen van gisteren, in die korte tijd van onze heerschappij zo breed geworden, dat ze ons al vreemd beginnen te worden. Kroongetuige daarvoor is die figuur in wie de laatste generaties van onze voorouders hun ‘wezen’ herkenden: Faust. Die verlangde vertwijfeld een Titan te zijn. Het mag klinken als heiligschennis jegens Goethe en zijn werk (dat toch al verkracht werd tot een object van trots en voorbeeld van cultuur), – op Goethe ding ik niet het minste af als ik het vermoeden uitspreek dat we die Faust figuur tegenwoordig al bijna niet meer mee kunnen maken. Wij kunnen het nauwelijks meer na voelen als de zogenaamde ‘faustische mens’ erover klaagde dat hij ‘slechts eindig’ was. Het eindeloze verlangen naar het oneindige dat bijna een millennium lang peilloos diep lijden heeft teweeg gebracht, en aanspoorde tot uiterste inspanningen raakt zo snel zoek door het ‘oneindige’ wat wij in handen hebben dat wij eigenlijk nog slechts weet hebben van dat verlangen: we weten alleen nog dat het ooit bestond. Wat voor onze ouders, die ‘laatste mensen’ als het belangrijkste gold is voor ons de zonen, de eerste Titanen ongeldig geworden; hun dierbaarste gevoelens zijn ons al vreemd; en met de alternatieven met behulp waarvan zij zich zelf verstonden en hun bestaan benoemd hebben kunnen wij al geen kant meer op. 6
Er bestaat weliswaar ook vandaag nog een zeker ‘oneindig verlangen’. En dat zou wel eens makkelijk epidemisch kunnen worden. Maar het is nu nog niet in leven, maar staat nu op het punt uit te breken. Het grenzeloze heimwee naar de ‘goeie ouwe wereld’ toen we nog oprecht eindig waren. Toen we vurig wensten die net verworven of ons opgedrongen roem van titanendom weer af te werpen; en dat we zoals in de gouden eeuw van gisteren weer mens zouden mogen zijn. Zoals vertwijfelde Luddieten tegen machines te keer gingen. Een zeer dubieus, uiterst gevaarlijk verlangen dus. Want zolang dat alleen gevoel blijft, zal het degenen die het ondervinden slechts verzwakken en het versterkt daarentegen de positie van hen die de almacht daadwerkelijk in handen hebben. Maar wie had dat kunnen voorzien in die tijden dat hongerende thuiswerkers woedend protesteerden en de machines bestormden waarmee ze moesten concurreren. Namelijk dat dat wat zo begonnen was ooit zo’n omvang zou krijgen dat het slechts met mythologiserende termen te formuleren zou zijn? Want er is geen andere formulering meer voor dan: ‘De Titaan, die vertwijfeld weer mens wil zijn’.
Hoe vreemd dat ook moge klinken, nu de almacht in onze handen is overgegaan schijnt ze pas echt gevaarlijk te worden. Vroeger had je altijd nog een Noach; of een Lot. Overmacht toonde zich tot nu toe altijd ook genadig, of het in onze ogen nu een natuurlijke of bovennatuurlijk overmacht was. (Zelfs dat verschil is van ondergeschikt belang geworden). Er bestond alleen gedeeltelijke bedreiging; alleen vernietiging van eenheden. ‘slechts’ mensen; ‘slechts’ steden; ‘alleen maar’ rijken; ‘alleen maar’ culturen. Maar wij, waaronder we dan de mensheid verstaan, wij bleven altijd wel over. Geen wonder dat de gedachte aan een totaal gevaar eigenlijk niet bestond. Behalve bij een paar natuur-filosofen, die met de gedachte speelden van een kosmische (zeg maar koude-dood) catastrofe. En je vond het bij een minderheid van Christenen die het einde van de wereld nog steeds verwachten, (maar juist niet al weer).
Hoe zeer dat veranderd is, dat wil zeggen hoe zeer de mensheid vandaag echt apocalypse-bewust is, staat niet vast; maar ze moet het ongetwijfeld zijn. Want je kunt van ons, kosmische parvenu’s, de dictators van de apocalyps niet verwachten dat wij ook genade zullen laten gelden, zoals de overmachten van vroeger (of dat nu uit vriendelijkheid of onverschilligheid dan wel bij toeval gebeurde). Dat zit nauwelijks in ons, vermoedelijk helemaal niet. Want die mannen die daadwerkelijk de baas zijn van het oneindige, zijn qua gevoel en fantasie niet tegen hun bezit opgewassen. Net zo min als wij de beoogde slachtoffers. Want ze zijn blijvend niet in staat – en moeten dat ook wel blijven – om in hun apparaat iets anders te zien dan een middel voor eindeloze belangen dan wel voor de meest beperkte partijbelangen. Wij zijn vandaag de dag de eerste mensen die over de Apocalyps gaan. Daarom zijn we ook de eersten die onophoudelijk onder de druk daarvan staan. Omdat wij de eerste Titanen zijn, zijn we ook de eerste dwergen of Pygmeeën of hoe we ons collectief beperkte wezens ook maar willen noemen. Wij zijn niet meer sterfelijk als individu maar als groep, onze existentie kan zo ingetrokken worden. —

§ 3 ‘Alle Mensen zijn sterfelijk’ is nu vervangen
door : ‘De Mensheid als geheel is te doden’.

In de achter ons liggende tijd was de natuurlijke dood onnatuurlijk. Op zijn minst niet alledaags. In die tijd gold iemand die gewoonweg de geest gaf als te benijden. Die had zich aan het algemene lot van vermoord te worden weten te onttrekken. (blijkbaar op grond van geheime connecties met kosmische vreemde machten die niet aan de dictatoriale terreur waren onderworpen). Die konden zich dus zelfs in een apocalyptische tijd de vredige luxe van een individuele dood veroorloven. Soms zag de natuurlijke dood er hier en daar zelfs al uit als bewijs van vrijheid en onafhankelijkheid: als een broertje van de stoïcijnse zelfmoord. Zo’n natuurlijk stervende mens leek de laatste soevereine mens. Maar ook vanuit dat perspectief was die ‘natuurlijke’ dood al gewelddadig, onnatuurlijk. Gedood worden was de primaire stervensvorm. Model voor onze eindigheid stond Abel, niet Adam.
Wat voor de alledaagse oorlog gold, gold eerst recht voor die installaties die zich onderscheidden als de uiterste frontlinie van de terreur: de vernietigingskampen. Juist toen de frontlijnen in de gebruikelijke militaire zin verdwenen. In die kampen werkte de doodsmachinerie zo absoluut feilloos dat er geen economische resten van leven meer overbleven. Daar had de keurige zin ‘Alle Mensen zijn sterfelijk’ definitief elke betekenis verloren. Ze was al belachelijk. Als men die zin opgehangen had boven de entree naar de vernietigingsinstallaties, in plaats van het bord ‘Douche’ dat men gebruikte om de vlotheid van de job te garanderen, dan had dat een hoongelach ontketend; hoongelach waarin in een hels unisono de stemmen van de doodskandidaten zich zouden vermengen met die van het escorte dat de doodskandidaten naar binnen marcheerde. De waarheid van de zin was al op een nieuwe zin overgegaan. En die zin had moeten luiden ‘Alle mensen zijn te doden’.
Sindsdien behelst die zin de waarheid. Hoe veel er ook in het laatste decennium veranderd is, De Bom die ons leven bedreigt heeft ervoor gezorgd dat die zin ook nu nog waar is. Als er zich al iets gewijzigd heeft, dan ten kwade omdat het immers de mensheid als geheel is, die tegenwoordig te doden is, en niet slechts ‘alle mensen’.
Deze wijziging heeft de geschiedenis een nieuw tijdperk ingeschoven. De titels van de tijdperken moeten dus luiden:
1. Alle Mensen zijn sterfelijk.
2. Alle Menen zijn te doden.
3. De mensheid als geheel is te doden.

§4 In plaats van het Salomo’s oordeel: ‘Alles zal voorbij zijn’ komt : ‘Er is niets geweest’.

Daarmee is onze sterfelijkheid nu echte sterfelijkheid geworden.7 Zonder uitzondering, ook destijds. Maar ieder wist zich sterfelijk binnen het kader van een groter geheel.
Weliswaar hield niemand de mensenwereld voor onsterfelijk, maar wel voor het meer duurzame dat jou overleefde. Er was die ruimte die overleefde, en je brak je verder het hoofd niet over dood of ‘doodloosheid’ ervan. In die ruimte stierf je dan en daarnaartoe stierf je en daarom had je ook dat merkwaardige streven om zelf te overleven, dus om zelf onsterfelijk te zijn, en daarmee onsterfelijke roem te verwerven. Zeker, de pogingen daartoe waren niet erg succesvol geweest: want wil je je zelf beroemd maken bij mensen die zelf niet beroemd zijn, of onsterfelijk bij sterfelijken, dat is een weinig realistische metafysische investering. En daarom leken zelfs de beroemden altijd al op die scheepspassagiers uit Duizend en een nacht, die aan dek wel een zeer hoge reputatie hadden maar uiteindelijk toch volledig anoniem bleven, omdat het schip zelf aan de wal onbekend was. Maar vergeleken met de huidige situatie was die van toen nog altijd troostrijk. Want voor de sterfelijke mens woog de roem van de toekomst die hij ‘eeuwig’ noemde op tegen de eeuwigheid; en de roem aan boord woog op tegen de roem van het schip. — En dat schip heeft men hem nu door de neus geboord. Doodsangst moet je nu hebben om het schip als zodanig, de mensheid als totaal, en als die mensheid onder zou gaan sleurt ze alle mogelijke gedachtenis mee het duister in. Dan weet niemand meer wie je herinneringen aan jou nog kunt overleveren. Dan zul je er dus niet geweest zijn. En jij niet alleen niet, maar alles zou voor niets zijn : volk, mensen, taal, gedachten, liefde, gevecht, pijn, hoop, troost, offer, schilderij, lied. Kortom niets dat niet alleen maar ‘geweest’ zou zijn. Zelfs ons, die nu leven in de nog bestaande wereld komt dat was geweest is, en niets meer is dan ‘geweest’, als dood voor. Maar die dood zelf wordt ook verzwolgen en moet dan zijn tweede dood sterven. Dan is wat er was niet eens meer ooit geweest. Want als er niemand bestaat om wat geweest is te gedenken, – waarin verschilt dan iets wat er alleen maar was van iets dat er nooit geweest is? Dat maakt zelfs geen uitzondering voor het toekomstige. Want dat zou dood zijn nog voor het in het licht kon treden. In plaats van Futurum II van Salomo dat alles verzwelgt, in plaats van dat troosteloze ‘Es wird gewesen sein’ gaat het nog troostlozere ‘er is niets geweest’ heersen. Niemand heeft het door, maar het heerst.

§ 5 Blokkade van de blokkade

Neem aan dat De Bom ingezet wordt. Dan mag je niet van ‘doen’ spreken. Want de procedure die uiteindelijk resulteert in zo’n daad is zo indirect, zo ondoorzichtig. Ze is samengesteld uit zoveel indirecte deelstapjes van zo veel tussen-instanties, die nooit de stap waren, dat uiteindelijk iedereen wel wat gedaan heeft maar niemand het ooit gedaan heeft. Uiteindelijk is het niemand geweest. —
Om het laatste gevaar te bezweren dat het geweten gaat opspelen werden er wezens geschapen waarop men de verantwoordelijkheid afschuiven kan. Orakelmachines, elektronische gewetens-automaten dus — want iets anders zijn de cybernetische rekenmachines niet, die nu zoemend de verantwoordelijkheid over nemen terwijl de mens er naast staat en half dankbaar half triomfantelijk zijn handen in onschuld wast. Dat is inclusief de wetenschap (die staat voor vooruitgang en voor alles wat altijd moreel klopt).
De vraag of het doel dat door die gecombineerde overheveling gestart wordt ook te verantwoorden is, of dat dat ook maar zinvol is, speelt natuurlijk geen rol van enige betekenis meer. Al niet vanaf het moment dat het ding begint te rekenen. Neen die vraag is vergeten.
En als je het antwoord wantrouwt wil dat zeggen dat je het principe van de wetenschap niet vertrouwt. En waar zouden we dan blijven, als we zo’n precedent schiepen? De operateur schrikt niet terug voor het gegeven dat hij een moreel gebod veranderd heeft in ‘wat juist is’, zoals bij een schaakpartij. En verboden is bij hem zoiets als de onjuiste zet in een schaakpartij. Want dat doet hij door de ‘verantwoordelijkheid’ te leggen bij het object, dat dan voor ‘objectief gehouden wordt, en door een mechanische ‘response’. Maar zijn druk op de startknop is natuurlijk wel het beslissende punt. Wat het orakel doet is slechts uitrekenen welke middelen resultaat hebben in een door de factoren ABC – N bepaalde situatie; c.q. welke verliezen winst opleveren. Bij deze afweging van verlies en winst kunnen slechts eindige grootheden ingebracht worden, dus is ook ons leven eo ipso daarin een eindig, dus berekenbaar element. Dat betekent dat we alleen al door deze methode ‘vernietst’ zijn nog voor we daadwerkelijk vernietigd zijn.
Maar zelfs als er geen robots zouden zijn — alleen al het feit dat het Monster door duizendmaal onderverdeelde, indirecte arbeid voorbereid werd, alleen al de ingewikkeldheid van de moderne organisatie zou het makkelijk maken om het uit te voeren. Dat klinkt tegenstrijdig, maar is het toch niet. Want de kronkelige wegen van organisaties verzwakken de morele remmingen, of slopen die zelfs helemaal. Net als elektrische weerstanden.
Daar komt nog bij dat, wanneer een organisatie draait automatisch het vlotte functioneren de moraliteit van een handeling automatisch vervangt. Als de organisatie van een onderneming ‘in orde is’, en soepel loopt, dan lijkt ook wat ze presteert o.k. en zuiver. Zuiver niet alleen omdat het geheel dan goed functioneert maar tegelijk ook omdat het geheel, als geheel niet in het zicht is. De talloze gespecialiseerde arbeiders die bij het proces betrokken zijn zien enkel het stapje dat ze zelf moeten doen. En zij handelen allen gewetensvol, als ze dat stapje dat ze moeten doen, gewetensvol doen. Zolang ze dat gewetensvol doen zitten ze nooit fout. Anders gezegd: ze kunnen niet fout zitten omdat er verder dan dat niets is voor hen. ‘Drek gedeeld door duizend is schoon’ (molussisch).
Het komt gewoon niet bij hem op dat het totaal van de gespecialiseerde gewetens de meest monstrueuze gewetenloosheid zou kunnen opleveren, want het blijft hem verborgen hoe zijn bijdrage samenhangt met die van de anderen. En voor dat verschijnsel dat ‘het niet bij hem op komt’ kun je natuurlijk het aloude woord ‘gewetenloosheid’ gebruiken. Maar dat woord kan dan niet betekenen, dat hij iets doet tegen zijn geweten in — deze immorele mogelijkheid zou zelfs nog troostrijk menselijk zijn, want het veronderstelt ten minste een wezen dat een geweten zou kunnen hebben. Neen, als het ‘niet bij hem op kan komen’ betekent dat alleen dat hij uitgesloten blijft van de mogelijkheid tot geweten. Het ontbreekt hem niet slechts aan moraal, maar ook aan onmoraal. Hem gewetenloosheid te verwijten is net zo zinloos als een hand lafheid te verwijten. Dwz het is zinloos omdat het subject waarover men een uitspraak doet, niet in aanmerking komt voor een dergelijke uitspraak. Niets staat dus het maken van De Bom en het gooien ermee in de weg. Je kunt het niet verhinderen omdat het grote aantal betrokkenen en de complexiteit van het apparaat dat blokkeren.

II Wat De Bom niet is
§ 6 De Bom is geen middel — Het absolute is bereikt, overtreffende trap bestaat niet.

Iedereen weet natuurlijk wel zo ongeveer wat De Bom ‘is’. Maar de meesten ‘weten’ het slechts en dan nog volledig inhoudsloos. Zonder wat ze weten echt in zich op te nemen. Ja in zekere zin weten ze het onjuist. Ik bedoel niet dat ze onjuist of gebrekkig geïnformeerd zijn. Dat mag gelden voor details, maar niet voor de hoofdzaak. Onder hen die ‘onjuist weten, zijn niet slechts meer of minder ontoereikend geïnformeerden, maar ook de ingewijden en hen die over De Bom beschikken. Wat ik bedoel?
Dat we De Bom als we daarover denken, in een verkeerde categorie overdenken. —We moeten immers wel gebruik maken van een of andere soort begrippensysteem, als we erover praten of hem slechts aanduiden. En dan is het ook heel natuurlijk dat we naar categorieën grijpen waar we aan gewend zijn, en met behulp waarvan we ons oriënteren in onze wereld. De vraag is alleen of dat helemaal terecht is. In elk geval kan het geen kwaad bij De Bom te overwegen of die niet een abnormaal voorwerp is. Sui generis. dwz: enig in zijn soort. Laten we ons instellen op een opgave die er op deze wijze nog nooit was — of het moest zijn in de Theologie, want die behandelt per definitie een onderwerp dat enig in zijn soort is. De theologie wil voorkomen dat ze uitspraken over haar onderwerp doet die ontologisch niet kloppen, en daarom beperkt ze zich als ‘negatieve theologie’ tot het opsommen van wat haar onderwerp niet is. Dat moeten wij vergelijkenderwijs misschien ook doen. Het blijft alleen een methodische vergelijking, maar zo moeten wij ons ook beperken tot het uitvinden wat De Bom niet is. Anders zouden we hem van meet af onjuist classificeren door hem aan een (bestaande) categorie toe te wijzen.

Een van de categorieën waarvan we ons bedienen als we aan De Bom denken, is die van het begrippenpaar ‘middel-doel’. En vooral het begrip ‘middel’ heb ik op het oog als ik beweer dat we een verkeerd begrip gebruiken. Want De Bom is geen middel. Dat is wel moeilijk te verstaan, omdat hij toch als een wapen gemaakt wordt. En wapens zijn ontegenzeggelijk middelen. Maar daar komt bij dat de categorie ‘Middel’ tegenwoordig een algemene geldigheid heeft gekregen, die haar vroeger niet toekwam. Wij vatten de wereld waarin wij leven op als een ‘wereld van middelen’. Als een heelal waarin eigenlijk alleen maar middelen bestaan. Daarin raken paradoxalerwijs de doelen zelf naar de achtergrond (want die zijn in tegenstelling tot de middelen, ‘doelloos’ geworden). Dan kun je de mensenmassa nauwelijks aanwrijven dat ze vinden dat er in zo’n wereld niks kan bestaan, iets door mensenhand gemaakt, dat geen middel is. Tot die mensenmassa horen ook zij in wier handen De Bom ligt.
Waarom is De Bom geen middel? Omdat de inhoud van het begrip ‘middel’ is, dat het ‘zijn doel be-middelt; daarin opgaat. Daarin uitloopt zoals de weg eindigt in het reisdoel. Het middel verdwijnt dus als zelfstandige grootheid als het doel bereikt is — Gaat dat nog op voor De Bom?
Neen.
Waarom niet?
Omdat hij niet als zelfstandige grootheid verdwijnt.
Waarom verdwijnt hij niet?
Omdat hij absoluut te groot is.
Wat betekent ‘absoluut te groot’ ?

Dat als hij gegooid wordt ook het kleinste resultaat groter is dan het hoogste doel dat een mens zich kan stellen (politiek of militair). ‘Effectus transcendit finem’ heet dat.8 Het effect gaat niet alleen elk zogenaamd doel te boven, maar het ziet er vooral naar uit dat het stellen van welk doel dan ook daarmee onmogelijk is. Middelen inzetten is dan ook niet meer mogelijk. Daarmee is het principe ‘middel-doel’ ook vernietigd. Zo’n voorwerp een ‘middel’ noemen is absurd.
Maar er is meer. Stel eens (wat niet het geval is), dat iemand het overmoedige doel nastreeft de wereld te vernietigen, dan nog zou de productie van meer atoomwapens niet het maken van ‘middelen’ betreffen, tegenwoordig tenminste niet meer. Want de deskundigen zijn het er allemaal over eens dat de kwantiteit is omgeslagen in kwaliteit. Dwz: Het mogelijke geweld van de huidige voorraad Bommen is al absoluut. Ze zijn al voldoende om dat kosmische doel te bereiken. Daarom is het dus zinloos de grootte van De Bommen of hun aantal of hun ontploffingskracht alsmaar nog op te voeren. Het absolute gevaar, waarover men beschikt, het effect dat men ermee bereiken kan, kan men niet meer opvoeren. In elk geval levert het opvoeren van het middel niets nieuws op. Niets nieuwers dan de vergrotende trap van ‘dood’.
Dat bestond in de geschiedenis van de producten nog nooit. De ‘Geest van de industrie’ kan dat helemaal niet vatten. Zij leeft met de dwangidee dat elk product een vergrotende trap van iets moet zijn. Dat die vergrotende trap wel mogelijk is, maar geen zin heeft kan de industrie niet begrijpen. Je kunt het kaliber van het ding en zijn actieradius nog wel ‘verbeteren’ maar de uitwerking ervan niet meer. Dat is voor haar ten ene male niet te begrijpen. Bij een moderne Swift kon je lezen ‘Er was eens een hoge manager in de Atoomwapenindustrie die had tot taak ervoor te zorgen dat de ontploffingskracht van de Waterstofbom als maar hoger zou worden. Toen hij ondanks maandenlang verzet tegen deze gedachte op een dag niet meer weg kon voor het inzicht dat het effect van zijn product niet meer opliep met de opvoering van het ding, verduisterde zijn geest en werd hij geestesziek. ‘Begrijp dan toch, dokter, ‘ riep hij ‘begrijp dan toch, dokter! Een middel dat zich laat opvoeren — maar het effect ervan blijft hetzelfde! Hebt U dat ooit eerder gehoord? Altijd blijft het effect gelijk. Altijd maar het einde van de wereld! Daar wordt je toch gek van? Dat is toch een schandaal? Is dat dan niet werkelijk het einde van de wereld’-

Laten we die fantasie. De werkelijkheid is fantastisch genoeg. Prent je de hoofdzaak in: Als iemand zo stom is De Bom te gebruiken om daarmee een bepaald eindig doel door te kunnen drukken dan zou het effect in niets meer lijken op zijn doel. Zijn weg zou niet in de bestemming op gaan of het middel in zijn doel maar omgekeerd zou het doel zijn einde vinden in het resultaat van zijn ‘middel’. En dus niet in een bepaald middel, maar in een onafzienbare keten van effecten, waarin het einde van ons leven slechts een schakeltje onder andere schakeltjes zou zijn. — Je zou dus alleen van ‘middel’ kunnen spreken als je ook echt als een soort kosmische held mikte op het ‘einde van alle dingen’.

§ 7 Vervolg — Middelen die doelen heiligen

Het aftakelen van het begrippenpaar ‘middel – doel’ is niet uit de lucht komen vallen. 9 Welke fasen ook doorlopen werden, tegenwoordig zijn middel en doel verwisseld: het maken van middelen is doel van ons bestaan geworden. En in alle landen zorgt de ontwikkeling ervoor dat men dingen, die vroeger als doel golden slechts probeert te rechtvaardigen door aan te tonen dat ze ook goed als middel in te zetten zijn: schoonmaakmiddelen vereisen dat je er aanvullende middelen bij wilt hebben; of middelen die het makkelijker maken. (Vrije tijd en liefde evenzo; zelfs godsdienst) Symptomatisch is de titel van dat Amerikaanse boekje ‘Is sex noodzakelijk’, al is dat natuurlijk ironisch bedoeld. Als je je niet als middel kunt legitimeren, kom je er niet in bij het huidige ding-heelal. Dus juist omdat ze geen middelen zijn gelden doelen als doelloos. Doelloos alleen omdat ze zich niet waar kunnen maken als middel. Ja, als potentieel middel: ze moeten middelen kunnen aantrekken bijvoorbeeld zorgen dat ze verkoopbaar zijn. Het doel van doelen is tegenwoordig middel voor andere middelen te zijn. Heel eenvoudig omdat dat een paradox is, is de formulering ook paradox. Heel duidelijk kom de rol van het middel aan het licht bij aanhang-doelen. Daarmee bedoel ik doelen die naderhand aan iets worden toegewezen om ze een terechte plaats onder de middelen te geven; dus om ze zo ongeveer ‘eerlijk te maken’. Als er bij een chemisch proces een derivaat ontstaat moet er voor dat derivaat een doel gevonden worden desnoods om het derivaat de kans te geven te promoveren tot middel. Het aantal gevallen waarin dat niet lukt is heel klein, vanwege de dwang die er is om zo’n doel te vinden of uit te vinden. Het doel van zo’n erbij gevonden doel is dus dat je zo iets dat als ‘nietsnut’ ter wereld was gekomen transponeert in iets dat zijn mannetje kan staan in de gemeenschap der middelen. Dingen per se mogen niet; maar alleen middelen op zijn minst virtuele.
Mensen die middelen maken, zijn natuurlijk helemaal niet gediend van critici die niet alleen een geproduceerd middel afwijzen, maar die het doel van een middel afwijzen. Dat is obstructie. In de praktijk is de zogenaamde vrijheid om kritiek te leveren vrijwel geheel beperkt tot kritiek om je een middel te verwerven; dat bestaat alleen. Niet de kritiek op het doel. Want die kritiek zou de productie van zo’n middel verstoren en dan zou je een zeer gevaarlijk precedent hebben geschapen. Het doel van doelen is dat ze de productie van middelen een raison d’etre verschaffen. Als je die in twijfel trekt val je het principe van productie aan en dat is heilig. Met andere woorden: De middelen heiligen de doelen.

De middelen heiligen de doelen. Die formule is niet als grapje bedoeld; niet eens als ‘filosofische overdrijving’. De omkering van het befaamde devies is inderdaad de raadselspreuk van onze eeuw. Ze tekent het raamwerk waarin De Bom het levenslicht heeft gezien. Aanvankelijk als een middel onder andere middelen. En in dat kader hebben wij, de opgeschrikte wereld De Bom voor het eerst aanschouwd.
Als het een middel is, dan moet daarvan gelden, wat van alle middelen geldt:
Ze moet een doel krijgen, om gewettigd te blijven.

— Als je er tegen gaat waarschuwen zou dat een onverdraaglijk precedent scheppen. Vooral als de waarschuwing de afschaffing ervan ten gevolge zou hebben. Als die waarschuwing opgevolgd werd zou niets meer de waarschuwing tegen andere middelen in de weg staan en dat gevaar zou snel groeien. Dat zou tenslotte het complete principe van deze wereld der middelen ondermijnen. Dat is een nachtmerrie voor de beheerders van het middelen-heelal. Dat is zo helder als glas. Als ze dus het waarschuwen tegen De Bom proberen te blokkeren doen ze dat omdat ze bang zijn dat dit precedent hun ‘hele wereld’ op het spel zou zetten. Dus moeten ze proberen hun ogen te sluiten voor het feit dat als De Bom niet met succes tegengehouden kan worden, werkelijk de ‘hele wereld’ op het spel wordt gezet. Ze willen graag dat we dat niet in de gaten krijgen. Daarom hoort het ook bij hun tactiek, die stellig grotendeels onbewust is, dat ze hun apparaat steeds weer minimaliseren; zo nieuw zou het nu ook weer niet zijn. Ze dingen af op het anarchistische karakter ervan. Ze willen het gewoon als een middel onder andere middelen weg zetten. —Kortom ze willen het feit bestrijden het hun eigen product is dat hun vanouds overgeleverde wereld van middelen bedreigt of in de lucht jaagt. Hun favoriete truc daarbij is dat ze het element van anarchie bij hen leggen die tegen De Bom waarschuwen. Hen bekladden ze als anarchistisch, revolutionair, het zijn verraders. Onder verraders verstaan ze dus die prima mensen, die de misleide mensen, de verraden en verkwanselde mensheid de waarheid verraden. Verbaas je maar niet dat het tijdelijk lukt, die anarchie op het bordje van de anderen te leggen, want altijd worden eerst de benoemers van een misdaad schuldig verklaard, en niet de plegers.

Maar dat lukt alleen maar tijdelijk. Op den duur is het feit dat het element van anarchie niet ligt bij de klokkenluiders maar bij De Bom zelf, niet te verhullen. Want ook al kan de mensheid het doorgaans niet onder woorden brengen, ze voelt wel dat dat ding waar ze nu mee geconfronteerd worden geheel uit de toon valt bij wat zij voorgeschoteld krijgen als ‘de wereld’ en dus bij de ‘wereld der middelen’. Met onbehagen en wantrouwen stellen ze vast dat het een Unicum is. ‘De Bom is geen middel’ bedoelen ze.
Deze constatering die je niet vaak genoeg kunt herhalen is bepaald niet negatief. Er wordt iets negatiefs mee vast gesteld op een positieve en fundamentele wijze. Ze wordt ook niet onzinnig als men de tegenvraag stelt: ‘Wat zou ze anders moeten zijn?’. En al helemaal niet, omdat de mens die zich bedreigd weet geen definitie van de bedreiging schuldig is aan wie het gevaar veroorzaakt.
Niemand kan die tegenvraag ‘wat zou ze anders moeten zijn?(dan niet negatief, jab)’ beantwoorden. Omdat het een zinloze vraag is. Als je die kon beantwoorden zou dat betekenen, zoals we al aan het begin zeiden, dat er andere voorwerpen zijn van dezelfde klasse waar dit exemplaar ook onder valt. En dat is nu juist niet het geval. Je kunt De Bom niet classificeren. Ontologisch is het een unicum. Daar zit haar anarchistisch karakter.
Wezens die men niet kon definiëren, noemde men vroeger ‘monsters’. Wezens dus, die hoewel ze geen ‘wezen’ hadden er toch waren. Ze lachten de vraag wat ze zijn vierkant in het gezicht uit en gingen hun monsterachtige gang.10

Zo’n wezen is De Bom. Hij is er; een on-wezen. Dat on-wezen knijpt ons de adem af.

§ 8 Niet slechts de moordenaar, ook de moriturus is schuldig

Zoals de meeste middelen is ook dit niet-middel degenen die er nu over beschikken in de schoot geworpen. Men kan niet bestrijden dat het apparaat gepland was maar je kunt niet beweren dat de situatie die uit het bestaan van het apparaat voortgekomen is, gepland was. Gezien het gebrek aan fantasie bij de mens.
Inderdaad zijn zij die die macht in de schoot geworpen kregen ‘ook maar mensen’: daarmee wordt bedoeld dat zij net zo beperkt zijn als wij allemaal. En het betekent ook, omdat zij toegesneden en ingesteld zijn op het eindige, net als wij, dat ze niet kunnen begrijpen dat dat spul waar ze over beschikken niet ook maar het geringste meer van doen heeft met een ‘middel’.

Daarmee is gezegd dat De Bom niemand specifiek aangerekend kan worden; de morele situatie blijft volledig onklaar. En dat maakt het apparaat des te gevaarlijker. Want alleen die morele problemen zijn definitief uit de wereld te helpen, waarbij je ondubbelzinnig een schuldige en een onschuldige kunt aanwijzen.
Het schijnt alleen duidelijk te zijn wie niet schuldig is. Onterecht zijn zinnen als: ‘We gaan de zelf gemaakte Apocalyps tegemoet’, of ‘We zijn niet opgewassen tegen apparaten die we zelf hebben gemaakt.’ Die heb ik zelf ook wel eens gebruikt. Daarmee hebben we onszelf, onze mensen, inclusief aangewezen als verantwoordelijk handelend subject. Maar het zou natuurlijk een onzinnige bewering zijn dat ‘wij’ – de meerderheid van alle mensen dat apocalyptische apparaat zouden hebben gewild. Gepland, gemaakt. Niet alleen zinloos maar zelfs gevaarlijk, omdat het hen die het ongeluk hadden dat ze effectief de ‘subjecten’ werden van het ding, omdat zij gaan over de vervaardiging en het gebruik, heel goed uit zou komen. Als je van ‘zelfmoord van de mensheid’ kunt spreken heb je een prima alibi voor je verantwoordelijkheid. Dan kun je niemand als de echte schuldige aanwijzen, iedereen is virtueel mee-schuldig. En dat is toch onterecht. Er zijn wel daadwerkelijk schuldigen. Want hoe onduidelijk de kwestie van toerekening ook geweest mag zijn tot nu toe: de echte schuldvraag begint nu pas. Nu we pas goed weten wat De Bom voorstelt. Hoe onschuldig iedereen tot nu toe geweest mag zijn, nu word je schuldig als je hen die het nog niet zien, de ogen niet opent en hen die nog niet verstaan de oren niet vol schreeuwt. Je schuld ligt niet achter je maar in het nu en voor je. Niet alleen de potentiële moordenaars zijn schuldig, maar ook de potentiële ‘morituri’.

§ 9 Proeven slagen, het proberen mislukt

§ 5 opende ik met de woorden: ‘Stel dat De Bom wordt ingezet’. Dat was een verkeerde openingszin. Te optimistisch. Want De Bom is ingezet. Ze wordt constant ingezet. Wat ik bedoel? Niet die eerste twee. Niet de verwoesting van Hiroshima en Nagasaki. Maar de toepassing van De Bom na de oorlog. Nu wordt ze op twee manieren ingezet.
1. Als drukmiddel. — Dat slaat op de acht jaar tot de ontploffing van de eerste Russische H-bom in 1955. Maar de stelling ‘dat hij als drukmiddel werd ingezet’ is misleidend. Want degenen die De Bom hebben hoeven dan helemaal niet te dreigen met ‘als je niet – dan’. In de oeroude voor-atoomtijd dreigde Hitler de Praagse regering nog met zijn chantage-ultimatum, dat is nu niet meer nodig. Hij bestaat, iemand heeft hem, iemand kan hem gebruiken, dat alleen al maakt De Bom tot een ultimatum. Ze is de gematerialiseerde afpersing; naar haar wezen. Hij zou zelfs chantage zijn, als hij in handen van de heilige Franciscus was. —
Hiermee heb ik niet weerlegd dat er aanzienlijke machtsgroepen en belangrijke personen waren die De Bom nadrukkelijk en zelfs min of meer officieel als drukmiddel gebruikten; tot op vandaag. En dat is te begrijpen. Niet slechts om psychologische redenen. Ook niet omdat het bijna niet te verdragen is dat je een machtsmiddel – en wat voor een – dat je bezit, alleen maar ‘hebt’. Maar ook om redenen van economische moraal: niet gebruiken van een product, met name een product waarin ontzettend veel geïnvesteerd werd, moet als economische verkwisting gelden. — Het zou unfair zijn niet te benadrukken, dat in de tijd dat Amerika nog het monopolie had slechts verbaal gebruik gemaakt werd van De Bom, en niet daadwerkelijk. Maar dat feit mag je ook niet verheerlijken. Als je iemand niet vermoordt, terwijl je het wel zou kunnen, – waar blijven we, als we dat als positieve goede daad aanmerken? — Maar die mensen die zich ermee tevreden stellen De Bom alleen maar als drukmiddel in te zetten, in plaats van het ‘ideale’ gebruik ervan als wapen te realiseren geloven echt in volle eigengerechtigheid ‘idealistisch’ gehandeld te hebben. Hitler voerde het gebruik in, dat je bij de ‘geredden’ allen die je had kunnen ombrengen maar die je uiteindelijk toch niet had omgebracht, kon optellen. En hij liet zich daarom bejubelen als heiland. Dat gebruik is vandaag nog steeds in zwang. Uit de concentratiekampen stamt de definitie van ‘leven’ als ‘nog-niet-vermoord-geworden-zijn’. Die definitie geldt nog steeds en dat hebben we dan te danken aan die eigen gerechtigde lui die zich op de borst kloppen om hun niet-vermoorden.
Dit type chantage heeft nog een extra trekje: vroeger hoorde het zowel bij nette criminele chantage als bij conventionele wapens dat ze zich beperkten tot het bedreigen van hen op wie men het gemunt had. Maar de chantage met De Bom zet altijd meteen de hele mensheid onder druk. Het werd niet pas ‘het totale wapen’ toen het strategisch werd ingezet, maar was dat al vanwege zijn fysieke aard. Dwz ‘de totale bedreiging’ is geen specifiek misdadig kenmerk, maar bewijs voor het feit dat mens niet mikt op de onmogelijkheid om doel te treffen. Ik twijfel geen moment aan de ballistische precisie waarmee De Bom gegooid kan worden. Die zal vast bewonderenswaardig zijn. Ik bedoel dat het effect ervan zo ontzettend groot is, en de besmetting in tijd en ruimte zo grenzeloos dat hij per definitie zijn doel voorbijschiet. Zijn gebrek is zijn almacht. Hij is het definitieve alternatief: of allen doden of niemand. Het kind met het badwater weggooien of helemaal niks. Sinds hij gemaakt is leeft de totale mensheid in een toestand van chantage. De Amerikaanse bevolking net zo goed als alle andere; misschien wel onder nog sterkere druk, want zij zijn door het opzetten van Atoomproeven al H-bom-bewust gemaakt. Omdat de chantage per definitie chantage op allen is, is het tegelijk zelf-chantage. En dat is ook voor het eerst, als je het intermezzo met het gifgas in de Eerste wereldoorlog niet meerekent. Dat hysterische ‘ of—–of ik breng ons om’, dat tot nu toe alleen in de meest private sfeer bekend was, wordt nu op een akelige wijze globaal nagedaan.

2 Maar er is nog een andere grond voor onze bewering dat De Bom al wordt ingezet. We waren er al dichtbij toen sprake was van ‘deugt niet voor zijn doel’. De zegswijze ‘aangenomen hij wordt ingezet..’ impliceert eigenlijk dat er een streep getrokken is, die vandaag niet meer geldt. Dat sloeg op een onderscheiding die tot gisteren opging in experimentele natuurkunde en de techniek, namelijk tussen ‘voorbereiding’ en ‘toepassing’; tussen ‘proefopstelling’ en ‘in het echt’, Maar karakteristiek voor De Bom is nu juist dat daarmee dat onderscheid verdwijnt.
Tot het wezen van een technische proef dat het proefveld afgeperkt is: het proces van de proef was beperkt, en afgeschermd; de werkelijkheid werd er niet door aangetast. Elk experiment bepaalde een geïsoleerd systeem; een proces in een geconstrueerd mini-heelal. En het effect van de proef op de macro-kosmos was gelijk nul of oninteressant, al waren de conclusies die men uit de micro-kosmos opstelling mocht trekken ook nog zo verstrekkend (want het vastgestelde feit gold als een ‘wet’). Dat begrip van een micro-kosmisch speelveld dat zich van de buitenwereld afsloot lag ook ten grondslag aan het concept van de machine. Het kenmerk ‘gesloten veld’ was juist de voorwaarde voor wetenschappelijk werk als zodanig geweest. Het betekende niet slechts dat je talloze (on-)berekenbare determinanten van de wereld buitensloot, maar je stelde er positief ook steeds een eindig aantal voorwaarden mee vast. En door de beheersing daarvan stond de beheersing van het resultaat vast. Het succes van de ontwikkeling van de techniek was een gevolg van de methode geweest om kunstmatige, afgepaste micro-werelden binnen de wereld te realiseren. (daarmee kon je de hele werkelijkheid ombouwen).
Door er eigen eilandjes van te maken, kreeg experimenteren ook iets van ‘spelletjes’. Een eigen speelruimte, is toch een karakteristiek van elk spel; of je nu schaak speelt of voetbal. Daarom konden veel ‘experimenten’ dan ook ‘mooi’ genoemd worden. ‘mooi’ zoals prefect uitgespeelde spelen dat zijn; of zoals in zich zelf besloten en harmonische kunstwerken. Experimenten werden pas werkelijkheid, als ze technisch benut, industrieel toegepast konden worden; daarvoor waren ze immers van de werkelijkheid afgesloten. Dat gaat nu allemaal niet meer op. Dwz: nucleaire ‘proeven’ zijn nu geen proeven meer.
Men houdt ze op eilanden of koraalriffen ergens in de oceaan, dat is weliswaar heel karakteristiek. Men grijpt dus tenslotte terug op het oer-begrip ‘eiland’ om het principe van de isolering nog te redden. Maar het is een vergeefse poging dat ze nog proberen de proeven te isoleren, dwz om er echte proeven van te maken. Hoe geweldig de proeven ook slagen, het is geen proef, want elke proef is meteen meer dan een proef. De effecten ervan zijn zo verschrikkelijk, dat bij experiment het laboratorium samenvalt met de globe. Dat betekent niet meer en niet minder dan dat het zinloos is om verschil te maken tussen ‘proef’ en ‘in het echt uitvoeren’. ‘Experiment’ is ‘in het echt’ geworden. Inderdaad hebben de talrijke proeven die gehouden zijn al hun effecten gehad: men kan weliswaar niet beweren dat het eerste slachtoffer van de waterstofbom de Japanse visser Aikichi Kuboyama is geweest11, die in 1954 stierf; evenmin dat de Japanse kotter Fukuryamaru die 130 km van het ontploffingscentrum besmet raakte, daar vanwege de proef was. Maar speciale gevallen noemen is bijna misleidend. Want de besmetting door de ‘experimenten’ is vandaag de dag algemeen: Nu al zijn lucht, zee, regenwater, aarde planten-, dieren-, mensenwereld en voedingsmiddelen aangestoken en geïnfecteerd – alleen kunnen we nog niet vaststellen hoe hevig. Maar omdat bepaalde ‘halveringswaarden’ (dat zijn de perioden waarin het verval van radio-actieve stoffen halveert) naar mensenmaatstaven dodelijk lang zijn, is het effect van de zogenaamde proeven ook qua tijd onbeperkt: wat men nu als proef ‘speelt’ wordt voor kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen harde werkelijkheid voor hun erfelijk materiaal; misschien de laatste. De Geiger-test op de schildklier (die radio-actief Jodium 131 opslaat) gaf in de grote omtrek rond de test-plaatsen (1500 mijl) al waarden tot honderdvoud de normale radio-activiteit.12

De besmetting die komende geslachten fataal zal worden, die tot voor kort (bv bij Ibsen) nog gespeeld werd door syfilis, is door radioactiviteit overgenomen.
Wat men ‘experimenten’ noemt zijn dus brokken werkelijkheid bij ons. Stukken van onze historische werkelijkheid. Het komt op hetzelfde neer, of we zeggen:’Experimenten zijn geen experimenten meer’ of :’Ze zijn historische gebeurtenissen’.
Want de geschiedenis maakt geen grappen en doet niet van ‘één keer is geen keer’. Ze weigert iets te herroepen, het woord ‘op proef’ kent ze niet. Aanrotzooien is er bij haar niet bij omdat alles wat zich uitgeeft voor het afspelen van wat proeven, direct ‘feitelijk’ is gebeurt, dus ‘voor het echie’ gaat. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat men in de toekomst ‘ überhaupt niet meer moet experimenteren. Maar: dat men bij processen die men niet volledig van de wereld af kan sluiten, bewust moet zijn dat die slechts in de indicatief plaats vinden, niet in de conjunctief. Ze spelen zich niet alleen binnen de wereld af, maar als lotgevallen van de wereld. Ze zijn feiten, geen experimenten. Ze zijn niet experimenteel omdat ze blijvertjes zijn, dwz ze hebben gevolgen. Dat geldt in de private geschiedenis precies zo als in de geschiedenis in de breedste zin van het woord. Je hebt geen huwelijk alleen maar voor de proef, dat je kunt doorstrepen uit het leven van hen die ‘het alleen maar eens hadden willen proberen’. Je kunt niet ‘gewoon maar eens proberen’ een land fascistisch te maken, want zo’n poging wordt je noodlot; wat geweest is, is een onuitwisbaar stuk van je geschiedenis geworden. Je kunt niet experimenteren met massa-sterilisaties want mensen die je zo behandeld hebt zijn praktisch geruïneerd voor zover ze het al overleven. — Net zo min of nog veel minder kun je ‘maar eens’ of ook ‘maar een paar maal’ Atoomexplosies op proef uitvoeren. Met het woordje ‘maar’ is geen enkele werkelijkheid meer gemoeid. Niets is alleen maar ‘maar’. ‘Alleen maar geweest’ is niets. Elke keer is het ‘voor goed’. Alles wordt meteen blijvend nu. Want de verschillen der tijden zijn eveneens uitgewist: geen verleden dat geen tegenwoordige tijd wordt; geen heden dat geen toekomst zou zijn; en geen toekomst die geen dodelijke kiem voor Futurum II (we zullen (er) geweest zijn) in zich zou bergen. We zijn als enkelingen maar van heel korte duur, maar ‘we zijn groter dan wijzelf’: de producten die we maken, de effecten die we ontketenen, hebben zo’n lange termijn dat niet alleen wij ze tegen zullen komen, maar ook onze kleinkinderen en achterkleinkinderen. En dan zullen ze: ‘Stop’ roepen.
Ik heb me nog ingehouden toen ik zoëven van die proeven beweerde dat ze overgestapt waren van de aloude gegarandeerde isolatie uit de tijd van onze vaders naar de dimensie van historische werkelijkheid. De kracht van proeven die hun aard van proef verloren, is zo elementair dat de historische werkelijkheid dreigt mee door zijn hoeven te gaan, op het moment dat die aard ineenstortte. Die proeven zijn niet alleen ‘historisch’ geworden, maar ‘historisch bovenmaats’.

§ 10 Toelichting bij de uitdrukking ‘historisch bovenmaats’

We kunnen aannemen dat er miljoenen feiten zijn die niet over de drempel van de geschiedenis komen. Hun betekenis is te gering dan dat politici met ze rekenen en historici slaan er verder ook geen acht op. Mijn middagdutje drie jaar geleden was wel een stukje historische werkelijkheid, Maar het hoort even zeer bij het wezen van de geschiedenis dat ze zulke stukjes geschiedenis laat voor wat ze zijn, als geschiedenis laat ze ze weg, ze levert ze niet over. Geschiedenis is slechts wat ze op de zeef overhoudt.
Omgekeerd zijn er gebeurtenissen die niet te berekenen zijn, zo groot. Ze laten de dimensie van wat wij als historische situatie zouden kunnen bedoelen achter zich. Een duidelijk geval van ‘historisch bovenmaats’ zijn natuurcatastrofes. De ondergang van Atlantis (gesteld dat die plaats heeft gevonden) was geen historische ramp, geen catastrofe in de geschiedenis maar veel meer het einde van geschiedenis; iets wat de geschiedenis niet meer gehaald heeft ‘boven de maat van geschiedenis’.

Analoog geldt dat ook van de atoomproeven. En van atoomoorlogen al helemaal. De voorbereiding ervan kun je nog bij de dimensie van de geschiedenis laten horen, want de voorbereiders ervan doen dat in de hoop er bepaalde historische doelen in de toekomst mee te bereiken. Maar op het moment dat ze aan de verwerkelijking ervan beginnen, dus als de oorlog begint is het uit met de geschiedenis. Op de dag van de eerste explosie zou de dimensie van de geschiedenis mee-exploderen. ‘Aan het einde van de weg tekent zich als maar duidelijker het spook van de totale vernietiging af’ (Einstein in zijn boodschap aan de Italiaanse atoomwetenschappers). Wat dan resteert zou geen historische situatie meer zijn. Maar een ruïne waaronder alles wat er ooit was begraven zou liggen. En als de mens dat toch zou overleven, dan niet als historisch wezen, maar als jammerlijke rest: als besmette natuur in verpest milieu. — Als er iemand is, als er iemand ooit geweest is competent genoeg om de situatie te beoordelen, dan was het Einstein. Zo bezag die die situatie dus. En dat lezen we in de kranten. En hoe reageren we daar op? Net zoals we op krantenberichten reageren: helemaal niet. En waarom reageren we er niet op? Uit dapperheid? Omdat we zo stoïcijns zijn? Een molussisch gezegde: ‘Moed? Fantasieloosheid!’. Uit fantasieloosheid. Omdat we ‘apocalypse-blind’ zijn. En waarom zijn we apocalypse-blind? We zoeken een antwoord daarop in het volgende deel.

III DE MENS IS KLEINER DAN HIJ IS

§ 11 Wij leven in een tijdperk dat we niet meer in staat zijn om angst te hebben.

Dat is de situatie dus. Zo beangstigend. Maar waar zit onze angst? Ik kan ze niet vinden. Niet eens een middelgrote angst. Nog niet eens een angst zoals die bij het gevaar voor een griep-epidemie kan optreden. Maar überhaupt geen. Hoe kan dat?
We mogen geen enkel woord vuil maken aan de vraag of we het tijdperk van dictatuur en oorlog, van de kampen, van bezetting en brandende steden ‘Het tijdperk van de angst ‘ mogen noemen. Maar die term heeft in de tien jaar die op de definitieve ineenstorting zijn gevolgd, een merkwaardige carrière gemaakt, een hoogst irreële. Als je in Wenen, Parijs, Londen, New York — overal waar men maar met die uitdrukking ‘Age of Anxiety’ vertrouwd is, op zoek naar angst gaat, dan zou de buit maar heel bescheiden uitvallen. Jawel, het gedrukte woord zou je wel tegen komen. In zwermen zelfs, in balen publicaties die bij honderden dagelijks in oud papier veranderen. En door honderden andere vervangen worden. Want angst is tegenwoordig handel geworden. Iedereen heeft het over angst. Maar uit angst spreken, dat doen slechts heel weinig mensen.
Want men heeft zich herinnerd dat het woord angst honderd jaar geleden tot vakterm is verheven — door Kierkegaard. Het woord heeft dus een verleden in de grote filosofie en de grote literatuur. Aansluitend bij hem en Heidegger heeft men het woord nu tot publicistische handel gemaakt. Het verschijnt niet slechts in elk carnavals tijdschrift, maar ook en net zo vanzelfsprekend in de advertenties voor slaapmiddelen in provinciebladen. Want er is tegenwoordig niets zo exotisch als het esoterische— Kortom angst volstaat tegenwoordig om zich het gevoel te verschaffen up to date te zijn, overal ‘bij te horen’. —
Tegenwoordig in het tijdperk van De Bom is de uitdrukking niet slechts onwaar, maar ze is ook onoprecht geworden. We moeten niet snoeven op dat jammerlijke beetje angst dat we zo nu en dan weten op te brengen, en meestal alleen als men ons aanstoot. Ik heb nog geen tijdgenoot gezien die in elkaar gebeukt werd door de dreigende stortvloed en er door verdoofd werd. In het beste geval een paar die schrokken: maar eigenlijk niet eens zo zeer uit angst als wel omdat ze ineens bemerkten hoe zeer ze niet in staat tot angst waren; en een paar die zich schaamden dat ze halverwege een aanloop naar angst waren blijven steken, de krant weg gelegd hadden en daarna ook weer verder konden. Of ze konden alleen maar verder gaan naar hun gewone verhoudingen en in de zorgen voor morgen en overmorgen terug keren.
Neen, gemeten naar de hoeveelheid angst die ons zou betamen, die we hoorden op te brengen, zijn we eigenlijk analfabeten van de angst. Als je een kernwoord voor onze tijd wilt hebben, dan zou dat het beste ‘Tijdperk dat we niet meer in staat zijn tot angst’ kunnen wezen. Zeker was het moment dat De Bom opdook, om zo te zeggen qua regie het meest ongunstige dat men ervoor had kunnen kiezen. Want het was net het moment dat de oorlog afgesloten werd. Op dat moment begon de actuele angst die dictatuur en oorlog met zich mee gebracht hadden voor het eerst te ontspannen; het was het moment dat miljoenen voor het eerst na jaren weer zonder angst voor politie of nachtelijk bombardement durfden te gaan slapen; het ogenblik dat men in delen van de wereld die er minder erg aan toe waren op het punt stond het ‘good old life’ weer op te pakken. En op zo’n moment zou men zich op een nieuw gevaar moeten instellen, dat zogenaamd ook nog van ongehoord veel groter formaat zou zijn? Of toch op zijn minst instellen op de mogelijkheid van zo’n dreiging? Daar verzette men zich tegen. Dat was niet te doen. En gevaar dat men niet als bedreiging voor de komende nacht hoefde op te vatten was toen belachelijk. Dus pakte men die angst niet op. – Wat men echter in eerste instantie verzuimde op te pakken, kon men even later niet meer inhalen.. Na een jaar was het gevaar al iets vertrouwds, iets waar je al honderd keer van had gelezen, iets saais. En tegenwoordig is het een ‘good old danger’, een geliefd stukje van ons leven na de oorlog. –
Toen Roosevelt in de lijst van onbetwiste rechten ook het recht noemde van ‘vrijheid van angst’ formuleerde hij daarmee de onverenigbaarheid van vrijheid en angst. Maar toen hij dat deed was het wereldhistorisch gezien al vijf minuten na twaalf. (al bestond de formule als zodanig voor die tijd niet) Het was namelijk het moment dat de eis ongeldig begon te worden, omdat er een nieuw taak opdook; bijna het tegengestelde, en het heet (in de sprookjes van Grimm) ‘leren bang te zijn’. Want wat ons vooral ontbreekt is de ‘vrijheid tot angst; dwz we missen de capaciteit om ‘de gepaste angst’ dat quantum aan angst op te brengen dat we zouden moeten presteren als we ons echt van het gevaar waarin we ons bevinden willen bevrijden. Dan winnen we de echte ‘freedom from fear’ weer terug. Het gaat er dus om dat we bang zijn met het oog op vrij te zijn; dat we Angst hebben om vrij te worden; oftewel om überhaupt te kunnen overleven.
Dat we die angst missen betekent niet dat wij, tijdgenoten van De Bom bijzonder moedige lieden zijn. 13 Het gebrek heeft andere wortels. Verschillende en van uiteenlopende aard. Die wortels moeten we opgraven als we de laksheid waarmee we reageren op de zelfvernietiging te boven willen komen. Dat doen we in de volgende paragrafen. Minstens een poging om een paar wortels van de Apocalypse-blindheid bloot te leggen. Volledigheid claim ik niet.
Er zijn twee groepen wortels voor de Apocalypse-blindheid. Eerst behandel ik een filosofisch-antropologische wortel, die is dus kenmerkend voor ons mensen. Vervolgens de historische wortels die geven aan hoe we er nu aan toe zijn.

§ 12 De belangrijkste wortel van onze Apocalypse-Blindheid: ‘De Prometheus kloof’ — De mens is groter en kleiner dan hij is.

In de inleiding heb ik al aangegeven dat de eerste wortel de belangrijkste schijnt te zijn. Het is de ‘kloof van Prometheus’ Wat bedoel ik met die term?
Het feit dat onze verschillende vermogens (zoals maken, denken, bedenken, voelen, verantwoorden) zich van elkaar onderscheiden op de volgende punten.

1 Elk van deze vermogens heeft een eigen verhouding tot grootte en maat. Hun volumina , hun ‘kracht om te bevatten’, hun’ prestatie-capaciteiten’ en ‘reikwijdte’ lopen uiteen. Voorbeeld: We kunnen tegenwoordig de verwoesting van een grote stad prima beramen en met behulp van door ons opgebouwde vernietigingsmiddelen realiseren. Maar we schieten te kort in het indenken van het effect ervan; we kunnen dat niet vatten14. En toch is het weinige dat we ons dan wel kunnen voorstellen, dat onduidelijke plaatje van rook, bloed, puin altijd nog heel wat vergeleken bij dat ietsepietsie dat we voelen als we aan zo’n vernietigde stad voelen kunnen, of kunnen verantwoorden. Elk vermogen heeft dus zijn grens. Daarboven functioneert het niet meer. Dan kun je geen toename meer meten. De reikwijdten van de vermogens lopen niet gelijk op met elkaar. ‘We kunnen wel duizenden mensen vermoorden,’ zei ik in de inleiding, ‘maar we kunnen er slechts een stuk of tien voorstellen; en bewenen slechts één’. En wat van huilen en rouwen geldt, geldt van gevoelens in het algemeen; dus ook van angst. Die kan niet op tegen de prestaties van de andere vermogens. Als de angst probeert daarmee in de pas te lopen faalt ze. De angstige mens kan slechts kleinere opgaven vervullen dan de producerende mens. In zo verre is de mens ‘kleiner dan hij is’.
‘Dat verschil is wel bekend’ zal men inbrengen15. Dat is het verschil tussen ‘abstractie’ (die op enkele uitzonderingen na over de volle breedte geldt) en de waarneming die zich met haar beperkte blikveld richt op wat concreet is. — Er is een verband tussen deze verschillen en het ‘kloof-fenomeen’ waar we het hier over hebben. Dat hoeft niet ontkend te worden. Ik vermoed dat abstractie ook alleen in het kader van een uitgewerkte kloof-theorie begrepen kan worden. Maar de beide verschillen zijn niet identiek: want de vernietiging van een stad (die we blijkbaar wel kun realiseren) is geen abstracte prestatie, en de voorstelling ervan (die we niet voor elkaar krijgen) is geen kwestie van waarnemen. —Op zich is de ‘kloof’ natuurlijk geen ‘gebrek’. In tegendeel. Vermoedelijk zou het biologisch gezien onvoordelig zijn of wel zinloos als de verschillende vermogens even veel aan konden. Dat ze dat niet zijn, wordt stellig veroorzaakt door de specifieke opgaven die ze elk in het leven hebben te vervullen. Het beslissende punt is hier dat de verschillen zo groot kunnen worden, dat de vermogens elkaar uit het oog verliezen. Ze kunnen zich niet meer op dezelfde voorwerpen richten en uiteindelijk scheurt het verband dan definitief. Dat is tegenwoordig het geval; dat bewijst een piloot van een bommenwerper die bij terugkeer door een reporter wordt gevraagd waar hij tijdens de vlucht aan gedacht heeft. Cynisch dan wel naïef geeft hij ten antwoord: ‘Ik kon die $175 voor de koelkast thuis maar niet uit mijn hoofd krijgen; die had ik nog niet afbetaald’ — Zo ver lopen tegenwoordig doen en geweten uit elkaar. Zo verschillend zijn de dingen die daarbij horen. — Kant heeft ons geleerd dat ons verstand ‘beperkt’ is; en in welke zin. Maar dat ook onze fantasie en zelfs ons gemoed binnen heel nauwe grenzen opgesloten zouden zijn, en dus niet in staat zouden zijn hun grenzen te overstijgen dat hadden we ons doorgaans niet gerealiseerd. Ons gemoed gold immers als bovenmaats tegen de achtergrond van al die vermogens die in hun eigen grenzen waren besloten. Maar ons gemoed ondergaat blijkbaar hetzelfde als ons verstand; blijkbaar kregen die ook een (weliswaar elastische maar toch beperkt elastische) capaciteit toebedeeld. Maar dat gaat niet slechts voor de angst op, maar voor alle emoties.

Dus – ik wijzig de formule die ik al vaker gebruikte, maar ze is dan ook het hoofdthema van mijn overwegingen: we zijn niet in staat tien vermoorde mensen te bewenen en om hen te rouwen. Rouw kun je niet zo breed maken dat je er tien vermoorde mensen mee kunt bedoelen. We kunnen die tien doden misschien voorstellen. Desnoods. Maar vermoorden kunnen we tienduizenden. Zonder meer. Geen enkel probleem om die prestatie nog op te voeren. Of we kunnen misschien bang zijn om zelf te sterven; maar we zijn niet in staat de doodsangst van tien mensen aan te voelen. Bij de gedachte aan de Apocalyps stokt de ziel. De gedachte (daaraan) blijft niet meer dan een woord. — Een ‘Kritik des reinen Gefühls’ zou dat eens uit moeten zoeken— niet in de zin van een moralistische uitspraak, maar zoals Kant dat doet: de beperkte omvang van ons voelen optekenen. Wat ons vandaag — in onderscheid van Faust — moet opwinden is in elk geval niet dat we niet almachtig zijn of alwetend, maar omgekeerd dat we vergeleken met wat we kunnen weten en maken, te weinig kunnen voorstellen en voelen:16 dat we met onze gevoelens kleiner zijn dan we zelf zijn—
Op welk stuk van de ‘kloof’ we onze blik richten, is tamelijk onbelangrijk. Want het blijft dezelfde kloof. De kloof tussen ‘maken’ en ‘voelen’ is niet minder belangrijk dat die tussen ‘weten’ en ‘begrijpen’: ontegenzeggelijk kunnen we ‘weten’ wat de gevolgen van een atoomoorlog zijn. Maar we ‘weten’ het slechts. Dat ligt vlakbij niet weten, zoals blijkt uit dat woordje ‘slechts’. In elk geval vlakbij niet begrijpen. Misschien roepen we ‘Ik weet het; ik weet het’ vooral om in vredesnaam er niet nog meer van te hoeven weten en om ons weer te kunnen terug trekken in ons ‘niet weten’ onder dekking van de smoes dat we het zogenaamd wel weten.
Sommigen zullen wel (veel) meer van De Bom weten dan anderen. Maar hoe veel ook, niemand van ons ‘weet’ het helemaal adequaat: een opperbevelhebber net zo min als een infanterist, de president net zo min als een van je maten. Want de kloof tussen weten en begrijpen bestaat zonder aanzien des persoons of van rangen; zonder uitzondering. Dat wil dus zeggen, dat hier niemand bevoegd is. En dus zijn het per definitie ook onbevoegden die de Apocalyps in handen hebben. —
Ik noem deze kloof ‘Prometheisch’ naar het oertype van de kloof. Dus naar de kloof die bestaat tussen onze ‘prometheïsche prestatie’ (dat zijn alle producten die wij, ‘kinderen van Prometheus’ zelf maken) en alle overige prestaties. Wij zijn niet opgewassen tegen de ‘Prometheus in ons’; vandaar. Ik koos deze uitdrukking vooral ook in verband met het thema van het eerste essay dat ik in deze bundel schreef over het fenomeen ‘prometheïsche Scham’; dus om de enge samenhang van de essays aan te geven.

2 Een en ander is in overeenstemming met de graad van souplesse of starheid van de vermogens die kunnen verschillen. Vermoedelijk gaat het hier slechts om een accentverschil. Niet alleen is het zo dat het volume van wat we kunnen maken, doen of denken groter is dan het volume van wat onze voorstelling of ons voelen kunnen presteren; maar bovendien is het volume van maken en denken ad libitum op te voeren, en de uitbreidbaarheid van voorstellen blijft onvergelijkelijk veel kleiner. En voelen schijnt star te blijven, als je het daarmee vergelijkt.
Ik vind deze accentverschuiving belangrijk, omdat die aantoont dat elk vermogen zich anders verhoudt tot de geschiedenis. Het is natuurlijk geen toeval dat wij vooral onze wisselende daden, producten en gedachten tot geschiedenis rekenen. Die hebben hun prestaties en de grenzen daarvan gewijzigd in een volslagen ander tempo dan de andere vermogens, die erachteraan komen hobbelen in zeker zin als vermogens die historisch niet gesynchroniseerd zijn. Omgekeerd is het ook niet toevallig, – daar kom ik straks nog op terug – dat er nooit een ‘geschiedenis van gevoelens‘ geschreven is; analoog aan de geschiedenis van de ‘res gestae’ of van de geestesgeschiedenis. Zo is het ook niet toevallig dat ons gemoedsleven vanwege zijn trage tempo voor ‘natuur’ is aangezien, als het constante in de mens, het a-historische. We zien spoedig hoe terecht dat is.

IV Vorming van morele fantasie en oprekken van gevoel

§ 13 Over de nu noodzakelijke training

De kloof is dus een feit; qua gevoelens zijn we blijven steken in het onontwikkelde stadium van ‘thuiswerkers’; daarin kunnen we ternauwernood rouwen om een enkele zelfmoordenaar, terwijl we als killers of zelfs als producent van lijken het trotse stadium van industriële massaproductie al bereikt hebben. De prestaties van onze harten: onze remmingen, onze angsten, onze preventie, onze rouw ontwikkelen zich omgekeerd evenredig aan de omvang van onze daden (die dus proportioneel verschrompelen bij hun aanwas). Daarom zijn wij, voor zo ver de gevolgen van die kloof ons niet daadwerkelijk vernietigen, de meest gespletene, de meest verbroddelde, de meest inhumane wezens die er bestaan hebben. Vergeleken met deze breuk van tegenwoordig waren de tegenstellingen waarmee de mens tot nu toe klaar moest zien te komen in feite onschuldig. De tegenstelling tussen ‘geest en vlees’ of tussen ‘plicht en neiging’ – hoe fel die ook met elkaar konden vechten in ons binnenste – al die verschillen waren in zo verre nog altijd menselijk dat ze zich als gevecht realiseerden. In gevecht met elkaar waren die krachten toch nog altijd op elkaar ingespeeld. Op zijn minst is de menselijke existentie op het slachtveld van de strijdende partijen overeind gebleven. Het stond buiten kijf dat het mensen waren die streden als elkaar bestrijdende krachten.
En omdat de strijdende partijen elkaar niet uit het oog verloren: de plicht de neiging niet en de neiging de plicht niet, waren elkaar aanvoelen en bij elkaar horen toch gegarandeerd. De mens was er nog. Vandaag niet meer. Zelfs geen minimum aan gegarandeerde identiteit. Want het verschrikkelijke van de huidige situatie is juist hierin gelegen dat er van geen enkel gevecht meer sprake kan zijn. Alles schijnt vreedzaam te zijn en prima in orde; toegedekt met een collectieve glimlach. De vermogens hebben zich van elkaar verwijderd en zien elkaar al niet meer; en omdat ze elkaar niet meer zien vliegen ze elkaar niet meer in de haren;17 Omdat ze elkaar niet in de haren vliegen, doen ze elkaar al geen pijn meer. Kortom de mens als zodanig existeert überhaupt al niet meer, maar slechts de doende, de producerende mens hier en de voelende ginds; alleen die gespecialiseerde mensdelen zijn reëel. Tien jaar geleden vervulde het ons met afgrijzen dat een en dezelfde mens werknemer in een vernietigingskamp kon zijn en huisvader; dat die beide fragmenten elkaar niet in de weg zouden staan, omdat die al niets meer met elkaar te maken hadden. Dit afgrijselijk naïeve is geen incident gebleven. Wij zijn allemaal de opvolgers van deze schizofrenen in de waarste zin van het woord. Dat zo zijnde, bestaat de beslissende morele opgave van tegenwoordig in de vorming van morele fantasie; in zo verre alles al niet verloren is. Dus proberen de ‘kloof’ te overwinnen; ons voorstellingsvermogen en ons voelen qua capaciteit en soepelheid aanpassen aan de maten van onze eigen producten en de onmetelijkheid van wat wij zelf kunnen aanrichten. Wat we kunnen voorstellen en wat we kunnen voelen moet op gelijke voet komen met wat we kunnen maken.—

Een hele generatie van hen die nu vijftig zijn was gefascineerd door Rilke die in zijn laatste gedichten met betrekking tot voelen van ‘presteren’ sprak en met name van ‘niet presteren’ sprak of duister naar een toekomst verwijzend sprak van ‘nog niet presteren’. (Zo bijvoorbeeld van ‘de liefde presteren’ in de ‘Duineser Elegien’.) Wat Rilke daarmee wilde zeggen had weliswaar in het geheel niet te maken met het feit dat ik bedoel, nl. dat wij niet opgewassen zijn tegen onze eigen producten en hun gevolgen; niet qua fantasie noch qua gevoel. Zijn klacht betrof een andere ervaring. Maar de gedachte dat je ook moet kunnen voelen kwam nergens in de literatuur van onze tijd voor. We waren door dat woord gefascineerd omdat we zonder de oorzaak te doorgronden, speurden dat de verwijzing naar onze gebrekkige gevoelens een echt beslissend gebrek van tegenwoordig aangaf; en met ‘gepresteerd voelen’ was een beslissende taak voor het heden aangegeven. —
Of dat wat we beslist moeten ‘presteren’ tegenwoordig überhaupt gedaan kan worden; of het mogelijk is ‘de kloof’ te overwinnen – dus het volume van ons voorstellingsvermogen en van ons voelen bewust te vergroten, dat weten we voorlopig niet. Misschien is het wel echt onmogelijk, omdat de capaciteit van ons voelen star is; niet naar believen uit te breiden. Als dat klopt is de toestand hopeloos. Maar de moralist kan daar niet zo maar genoegen mee nemen. Misschien is dat maar luiheid; misschien is die theorie van het voelen niet echt getest. Zelfs als de moralist het voor heel onwaarschijnlijk houdt dat de grenzen te doorbreken zijn, — dan nog is hij aan zich zelf verplicht zo’n doorbraak te proberen. Want over mogelijk of onmogelijk wordt alleen in een echte test beslist. Deliberaties of er vroeger al bewuste uitbreidingen zijn geweest of zelfs nieuwe creaties van gevoel zijn geweest kan men achteraf wel plegen. Zal men ook doen. Maar eerst moet men enkel en alleen de proef beginnen. Dus moralistische rekoefeningen gaan doen, je gebruikelijk prestaties van gevoel en fantasie oprekken, kortom: oefenen om de zogenaamd vastliggende ‘menselijke maat’ van zijn voorstellingsvermogen en gevoel te overstijgen. —

De auteur van deze regels beseft zeer wel dat dit stukje van zijn tekst geen ‘tekst’ in de gebruikelijke zin van het woord is. En dat hij de lezer niet meer gewoon als lezer benadert. Maar er zijn überhaupt geen teksten waarvan de raison d’être niet zou bestaan in iets wat meer is dan tekst. Bij die raison d’être van mijn tekst zijn we nu aangekomen.—
Het is hem eveneens duidelijk dat deze oproep gewelddadig is. Mijn eis dat de mens zijn vermogens bewust moet vergroten, herinnert frappant aan die gewelddadige eisen die ik schilderde bij de uiteenzetting over ‘Human Engineering’ 18en toen zo heftig afwees. Maar ik zie niet dat er iets anders overblijft. De wapens van de agressor bepalen die van de verdedigers. Als het ons lot is in een (door ons zelf gemaakte) wereld te leven die zich door zijn boven-matigheid aan ons voorstellingsvermogen en aan ons gevoel onttrekt, en ons daarmee in dodelijk gevaar brengt, dan moeten we proberen die boven-matigheid in te halen. Ik zeg ‘inhalen’. En daarmee is het verschil tussen de oogmerken van ‘Human Engineering’ en die van onze pogingen voldoende aangegeven. ‘Human Engineering’ probeert ons te veranderen, om ons ‘sicut gadgets’ te maken, dus helemaal conform aan de apparatenwereld te maken. Maar wij hopen en proberen die apparatenwereld weer ‘te achterhalen’: terug te halen.
Hoe je die pogingen concreet moet uitvoeren, of zelfs omschrijvingen voor wat daarbij speelt, daarvoor lijken nog geen concrete aanwijzingen mogelijk te zijn. Ze zijn niet mededeelbaar. Wat je net nog kunt aangeven is de situatie op de drempel: het moment dus dat de eigenlijke actie nog uitstaat. Het moment, waarop de tester voor zijn opgave gaat zitten. Hij prent zich in wat hij tot nu toe niet kon voorstellen of voelen om de ‘boef binnen in zich’ naar buiten te lokken – de onwillige fantasie en het luie gevoel , om die te dwingen de vereiste inspanning te leveren. Het gaat om een oproep, maar niet een die primair gehoord werd, zoals bij een oproep aan je geweten; maar om een oproep die je zelf doet: want je roept over de kloof heen alsof de vermogens die aan de andere kant van de kloof waren achter gebleven personen zijn; en fantasie en gevoel moeten horen dan wel eerst maar eens opschrikken. Daarmee is eigenlijk alles gezegd wat zich in woorden laat vatten. Want wat er na dat drempel moment gebeurt: het eigenlijke ontwaken van de vermogens, hun tastende pogingen om uit hun schulp te kruipen, en de inspanningen om zich te meten met de als lasten voor hen liggende dingen — kortom : over de vergroting als zodanig, die ze zelf ondergaan valt niets meer te melden.
Het is ontegenzeggelijk waar dat dit klinkt als een religieus proces. De schrijver ontkent dat niet. Hij heeft er zelfs niks tegen dat men die verandering van het zelf vergelijkt met de in de geschiedenis van de mystiek vaak beschreven praktijken als men het woord ‘mystiek’, maar niet, zoals gebruikelijk in het vage laat. Men versta eronder pogingen om zich met behulp van zelfveranderings-technieken toegang te verschaffen tot toestanden of gebieden, waar je normaliter niet kunt binnen komen. — Dat probleem zal ik in de bijlage (p. 509)19 preciezer nalopen.
Maar dat betekent natuurlijk niet dat het in ons geval om een echte mystieke handeling gaat. Het verschil blijft fundamenteel, ondanks dat het type vergelijkbaar is. Want de mysticus probeert metafysische ruimtes te ontsluiten en hij ziet in het feit dat die doorgaans onbereikbaar voor hem blijven, zelfs iets metafysisch (namelijk het gevolg van zijn eigen metafysisch inferieure positie). Daarentegen slaan onze pogingen op het vatten van dingen waar we zelf over beschikken; dingen die we zelf hebben gemaakt, zoals De Bom; die zijn geenszins onbereikbaar voor ons, maar alleen voor ons vermogen van voorstellen en voelen. Niet de transcendentie moet overbrugd worden, maar hooguit een ‘immanente transcendentie’, dat wil zeggen: de ‘kloof’. Maar hoe we de inspanning tot overbrugging van de kloof ook aanduiden, ze is niet vast te leggen. Maar waar het om gaat is enkel en alleen dat het effectief gepoogd wordt.

V HISTORISCHE WORTELS VAN DE APOCALYPSE-BLINDHEID
§ 14 Men gelooft niet aan een einde,men ziet geen einde — Het vooruitgangsconcept heeft ons Apocalypse-blind gemaakt

Bedenk eens hoe onbeduidende historische gebeurtenissen (of slechts voortekenen) maar hoefden te zijn om vroeger geweldige golven van eschatologische opwinding te veroorzaken. Zowel van angst als van hoop. — Massa-opwekkingen, ondanks gebrek aan communicatiemiddelen — Hoe spookachtig is dan tegenwoordig het feit dat er ‘eschatologische windstilte’ heerst hoewel het einde daadwerkelijk tot de mogelijkheden is gaan behoren, en er communicatiemiddelen in overvloed zijn. Afgezien van opwinding in wetenschappelijke kringen (Dat is trouwens wel uniek : Apocalypse-angst juist bij niet godsdienstige mensen. ) valt er niet de geringste paniek te registeren. De massale acties die gehouden zijn tegen het gebruik van atoom wapens bevestigen wel het acute gevaar, maar doorgaans niet een angstvallige verwachting van het einde onder miljoenen mensen. En je kunt bovendien niet eens terecht beweren dat er eschatologische spanning en bereidheid zijn uitgebroken in onze tijd. Door de bank genomen traden de revoluties van onze eeuw niet zonder eschatologische ambities naar voren. Wel degelijk met de pretentie de ‘geschiedenis nu op te heffen’ en een na-historische toestand van de klassenloze maatschappij en van ‘het Rijk’ op te zetten. Het indrukwekkende symbool van de nieuw beginnende tijdrekening, aan de Franse revolutie ontleend, en de betiteling van ‘duizendjarig’ laten daar geen enkele twijfel over bestaan. Maar deze eschatologische gelovigen, dus de revolutionairen verwachtten ondanks de mythologie rond woorden als ‘revolutie’ en ‘omwenteling’, in zekere zin ‘slechts’ het rijk van God. Daar bedoel ik mee, dat ze niet op een apocalyptisch einde als zodanig gericht waren, niet op een dag van afrekening die ook voor hen zelf een oordeel zou zijn. Maar uitsluitend op de situatie na het einde.

Dat is zeer opmerkelijk, want vroeger hoorde bij de eschatologische Hoop altijd apocalyptische angst. Maar die angst zijde is nu verdonkeremaand. Dat gaat zelfs zo ver, dat men toen men een ‘heilsbrenger’ als Hitler zijn vertrouwen schonk, geen onheilsprediking meer geloofde. En toen het onheil echt opdook, door deze ‘heilbrenger’ uitgelokt, kon men het maar niet begrijpen of zich achteraf realiseren. Waar zat de blokkade?
In het vooruitgangsgeloof.
Wij zijn niet meer ingesteld op ‘Einde’ want generaties lang geloofden we de zogenaamde automatische vooruitgang van de geschiedenis. Zelfs zij die al niet meer geloven aan vooruitgang hebben die instelling niet meer.20 Want met name de manier waarop we ons op de toekomst instellen, was op vooruitgangsgeloof gevormd en dat zijn we nog niet kwijt: we zijn nog wat we gisteren geloofden. Onze attitudes konden nog niet gesynchroniseerd worden, – ook daar gaapt een ‘kloof’. Vermoedelijk zou geen enkele generatie voor de 18e eeuw, dus vóór de zegetocht van de vooruitgangstheorieën, zo slecht erop voorbereid zijn iets aan de angst te doen, als wij nu. Want voor de mensen die in de vooruitgang geloofden was de geschiedenis a priori eind-loos. Want men zag er een gelukkig lot in, een feilloos en niet te stoppen proces van alsmaar beter worden. Het begrip oneindigheid was het kind van de vergrotende trap en vertrouwen. Dat proces kon natuurlijk niet uitmonden in een Gericht (of een hel) 21 (ja, niet eens in een hemel, want als het beste zou ze de vijand van het betere zijn geweest en als Eindtoestand het beter worden hebben tegengehouden). Het begrip negatief was voor vooruitgangsgelovigen dus onwerkelijk. Zoals dat ook gold voor mensen die in de Theodicee geloofden. Omdat alleen een vergrotende trap gold, het betere, bestond er noch ‘goed’ noch ‘slecht’. Of liever: het slechte was alleen maar wat-nog-niet-beter-was. Iets wat te repareren viel en daar was dan geen kruid tegen gewassen. Het was van voorbijgaande aard. Morgen zou het al over zijn. Men plaatste inderdaad alles wat men als ‘negatief’ moest toestaan in het verleden. Daarmee verdween het laatste helse restje. Kortom: Men was niet op een ‘slechte afloop’ ingesteld, omdat er geen slecht bestond en geen Einde. Psychologisch kwam de voorstelling van een ‘slecht einde’ te vervallen. Die voorstelling was net zo weinig te vatten, als voor ons een heelal dat ruimtelijk begrensd zou zijn. — Het ontbreken van het negatieve in de 20e eeuw klinkt natuurlijk vreemd, als je denkt aan de grote rol die de dialectiek gespeeld heeft. Maar als je het negatieve dat in de dialectiek was bedoeld vergelijkt met het begrip hel, dan is wel duidelijk dat het positief geworden was: het was een gist geworden. De kracht ervan lag in het oproepen van nieuw leven en beweging, daarom was het van meet af niet als ‘puur negatief’ gezien. Goethe gaf Mephistos het karakteristiek, dat hij steeds het kwade wilde en het goede deed; dat gaat ook op voor het negatieve bij Hegel. — Als je zou proberen de ‘geschiedenis van de gevoelens’ te schrijven, zoals hiervoor aangekaart, dan zou dit verlies aan Apocalyptische angst (en hel) een belangrijke rol moeten spelen. De verandering die onze ouders door dit verlies hebben ondergaan (en door hen wij) was niet geringer dan die van hun ouders door de ‘Kopernicaanse Omwenteling’. Zonder dat verlies had de zelfverzekerdheid van de moderne mens nooit dermate kunnen toenemen, zoals nu effectief gebeurd is. En zonder dat verlies zou ons huidig onvermogen tot angst onbegrijpelijk blijven.
Daarmee wil ik niet voorstellen om de Angst voor apocalyps en hel te rehabiliteren. Ik wil alleen maar zeggen dat de verwachting van Gericht en hel de mens angst bijgebracht heeft; en die angst oversteeg met haar overmaat aan toekomstig lijden, alle angst die ons mensen in onze wereld voor dit of dat gevaar konden opbrengen, inclusief de eigen dood. En ik wilde zeggen, dat die angst, die nu geboden is, totaal verschilt van de terreur en De Bommentapijten die we hebben ondergaan. 22

§ 15 Zelfs het eigen Einde werd verstopt

Bij de vooruitgangsmentaliteit behoort dus een heel speciaal idee van ‘eeuwigheid’, namelijk de voorstelling van een wereld die alsmaar beter wordt. Of een heel speciaal tekort: dat je niet in staat bent een Einde ook maar te bedoelen. Om het even of men dat een ‘voorstelling’ dan wel een ‘gebrek’ noemt, doorslag gevend is dat dat niet-stoppen een grondwet is voor de vooruitgangsgelovige. Geldt universeel dus ook voor eigen leven. Dwz hij ziet ook zijn eigen einde niet onder ogen, dat kan hij ook niet; hij moffelt zijn dood weg. Dat klopt wel zo ongeveer want de pogingen om vooruitgang en de afgang van sterven onder een noemer te brengen zijn gedoemd te mislukken. Natuurlijk hij kan niet verhinderen dat er ‘voort gestorven wordt’; maar hij kan de dood zijn angel wel ontnemen en de schande van sterven verbloemen. Positief geformuleerd een wereld maken van een zo naadloze positiviteit dat er geen scheurtjes overblijven voor pijnlijke vragen over de dood. Een wereld waarvan geen enkel element aan de blamage doet denken. Zo zullen zo weinig mogelijk mensen herinnerd worden aan de dood, en die paar ook slechts zo zelden als mogelijk.23 Twee volstrekt willekeurig gekozen voorbeelden mogen illustreren hoe dat verstoppen in zijn werk gaat.

1- Men kan van de VS zeggen, dat daar de dood al niet meer te vinden is. Met de dood ‘kan men niets beginnen’ omdat alleen wat ‘werkelijk zijnd’ is, wat beter en beter wordt, geldt; tenzij men het ergens aan hangt waar hij indirect aan een universele wet van kwaliteitsverbetering deel heeft. En dat doet men. Over de niet aflatende progressie bij de aanleg van begraafplaatsen heeft Evelyn Waugh het noodzakelijke gemeld. En ontegenzeggelijk sterft men tegenwoordig netter dan vijftig jaar geleden. Maar op deze begraafplaatsen liggen niet doden begraven, maar de dood. Want men schminkt de dode en maakt hem mooi, behandelt hem dus als levende. — Omdat men beslist niet kan ontkennen, dat er een zekere verandering heeft plaats gevonden, stuurt men hem weg. En wel naar een plek die wat betreft landschappelijke bekoring en gemakkelijke bereikbaarheid alleen maar kan beschreven worden als een mooi vakantieoord. En de a.s. overledene had door de reclame voor begraafplaatsen de verleidelijke voordelen kunnen proeven in de ondergrondse en langs de snelwegen. — Zo is het Franse ‘partir c’est mourir un peu’ veranderd in ‘mourir c’est partir un peu’.— maar ook de uitdrukking a.s. overlevende klopt niet. Want de levende is geen a.s. stervende. Veel meer is de overledene iemand die na een zekere ‘verandering van woonplaats’ het huidige bestaan ergens anders voortzet. Dat is het springende punt. Met die uitdrukking ‘het huidige bestaan ergens ander voortzetten’ is het type ‘onsterfelijkheid’ dat zich in de optimistische vooruitgangswereld ontwikkelt gekenmerkt. Die ‘onsterfelijkheid’ bestaat niet uit ‘eeuwigheid’, maar uit niet stoppen van het huidige leven.

2- Waar men de dood, die immers niet helemaal te verstoppen is, toestaat, bijvoorbeeld in de wetenschap, haalt men er het gif uit, door hem tot een hulpkracht te benoemen van het opklimmende leven. Het Darwinisme was daar al een klassiek voorbeeld van. Want Darwin duidde de dood, zelfs van hele soorten als ‘de zeef van het leven’. Darwin stelde hem aan om het sterkere (en dus meer legitieme) leven aan zijn alleenrecht te helpen. En wel daardoor dat hij het zwakkere (en dus minder levenswaardige) leven door de gaten van de zeef te laten vallen. Dat wil zeggen: Omdat het Darwinisme het negativum ‘Tod’ ommunte tot een bijdrage aan het positivum ‘opklimming van het leven’ vervulde hij de taak een naturalistische Theodicee aan te reiken voor de vooruitgang in de natuur. —
Natuurlijk zijn deze twee voorbeelden van de rol, c.q. de ontkenning van de dood volstrekt willekeurig gekozen. Maar om aan te geven hoe volmaakt en hoe breed de vooruitgangsfilosofie haar heerschappij heeft uitgeoefend leek het me niet verkeerd twee voorbeelden uit te kiezen die niet slechts ver uit elkaar liggen qua tijd en geografie, maar die ook bij twee volstrekt verschillende hoeken van het bestaan horen. —
Je kunt inderdaad niet van een mensheid, die gisteren nog zulke ontoereikende en opportunistische relaties onderhield met de dood, verwachten dat ze een ‘Einde’ in apocalyptische zin zou kunnen opvatten. Dat zou niet terecht zijn. Die mensheid zou op zo’n Einde niet eens verdacht zijn.

§ 16 Volgende opgave: De bewuste verbreding van de einder van onze tegenwoordige tijd

Hoewel het burgerlijke vooruitgangsgeloof — ik zeg: het burgerlijke, in onderscheid van het eschatologisch-revolutionaire — in zijn technische ‘Utopie’ vooruit liep te dromen op de waarheid, en geen enkele tijd-dimensie kende dan de toekomst, bleef het in meerdere of mindere mate blind voor de toekomst. In zekere zin kan men zeggen, dat het niet hoefde in de toekomst te kijken, daar die immers ‘vanzelf wel’ kwam; dag voor dag van zelf kwam; dag voor dag beter ‘van zelf’ kwam. Zijn futurisme was op geen stukken na zo intensief als het geloof van de Christen die vol angst op het apocalyptische Einde liep te wachten.24 Hoe hard we de wereld van de vooruitgang ook binnen renden, — we renden als bijzienden: de actuele horizon van onze toekomst de tijd waar we als futurum mee rekenden en als zodanig opvatten bleef toch maar heel provinciaals. Benauwd. Overmorgen was voor ons al geen toekomst meer. Wat ik met die paradox bedoel is het simpele feit, dat wij niet alles wat toekomstig is ook als ‘toekomst’ zien. 1967 is stellig ‘toekomst’ voor ons. Maar 2500: het lukt ons niet dat jaar als toekomst te zien en de mensen van dat jaar als onze nazaten. Ze ‘gaan ons niet aan’, hun tijd schijnt ergens in de mist te liggen. En het jaar 10000 ligt al helemaal in het gebied van 10000 voor het begin van onze jaartelling. — Ook ten tijde van de vooruitgang leefde men bij de dag; zij het ook bij de van dag tot dag wisselende dag. —
Maar die mooie tijd is nu voorbij. Want de toekomst ‘komt’ niet meer. We vatten haar niet meer op als ‘komende’, maar wij maken haar. En wij maken haar zo dat ze haar eigen alternatief, namelijk de mogelijkheid van afbreken, in zich draagt. Dat is de mogelijke toekomstloosheid. Als het morgen al niet afbreekt — door wat wij nu doen, kan het overmorgen afbreken of in de generatie van onze kleinkinderen of ‘in het zevende geslacht’. Omdat de effecten van wat we vandaag doen blijven, bereiken we vandaag al die toekomst. Daarmee wil ik zeggen dat ze pragmatisch gezien al bestaat. Zo realistisch als bijvoorbeeld een vijand realistisch is, als hij al wel binnen het bereik van onze wapens is, maar nog niet zichtbaar aanwezig; hij kan door ons getroffen worden. Wij hebben dus al macht over een tijdperk dat we doorgaans niet als toekomst zien en ook niet kunnen zien. Onze daden hebben een grotere reikwijdte dan we denken. Wij bijzienden gooien verder dan dat we kunnen kijken. Dat wil zeggen: daar hebben we weer een ‘kloof van Prometheus’; en weer die opgave om die ‘kloof’ te overwinnen, zodat we niet bij ons zelf ten achter blijven, maar onszelf inhalen; We moeten niet maar kleiner blijven dan wij zijn. We moeten onze ondergang niet veroorzaken omdat we onszelf niet aan kunnen. Al deze begrippen zijn al bekend uit mijn omschrijving van wat ons vandaag te doen staat. (§ 13).

Boven deze overwegingen staat het woord van Montaigne ‘embrasser l’univers comme sa ville’. 25 Deze spreuk van Montaigne moeten we nu temporeel vertalen. We moeten proberen wat heel ver weg in de tijd ligt ons eigen te maken, boven ons zelf uit grijpend; en dat vanzelfsprekend gaan vinden. In Molussië zegt men: ‘De ongeborenen moet je als je buurman verwelkomen’. Het is dus weer een kwestie van een vermogen ‘op te rekken’. Ons tijd-vermogen dit keer. Het is niet dat we dit of dat als profeten voorspellen maar we moeten alleen proberen als van een bergtop af of vanuit een vliegtuig ons een bredere horizon aanmeten. Zoals radio en TV de ruimtelijk zeer ver weg gelegen dingen opvangen om ze precies naar de plaats te brengen waar wij ons ophouden, zo moeten wij dingen van de verst weg gelegen toekomst opvangen en ze synchroniseren met dat ene tijdstip, het heden. Want die dingen gebeuren nu omdat ze afhankelijk zijn van het heden. En als zodanig gaan ze ons aan, omdat ze nu al ‘starten’, door wat wij nu doen. —
Dat is wel zeker een heel vreemde relatie met de tijd. Want nu ligt de toekomst niet meer ‘voor ons’, maar ze is al ‘bij ons’ ondergebracht als aanwezig. Deze nieuwe verhouding tot de tijd zal niet van vandaag op morgen geleerd zijn. Het is te hopen, dat we de tijd hebben om te trainen op onze nieuwe relatie met de tijd.—

§ 17 Wat ik niet kan, gaat mij niet aan

We onderbreken hier even, om methodisch te verhelderen waar we hier mee bezig zijn. We hebben een zeer ongebruikelijke probleemstelling. Elk enigszins redelijk onderzoek gaat van daadwerkelijk prestaties, bijvoorbeeld van kennisresultaten, uit en onderzoekt welke mechanismen daar spelen of welke voorwaarden ze mogelijk maken. Maar wij zoeken hier naar de mogelijkheden dat er iets niet zal gebeuren. We zoeken naar de wortels van ons falen ten overstaan van de apocalyptische situatie, waarin we terecht zijn gekomen. We houden ons dus bezig met een niet-zijnde.
Das is absurd. Het onderzoek naar de vraag: ‘Wat staat onze opvatting van de apocalyptische situatie in de weg?’ blijft inderdaad zinloos, zo lang we het opzetten als een kennistheoretisch onderzoek. Er komt geen eind aan, als je begint met de vraag ‘Waarom is dit of dat er niet?’ Want het niet-zijnde kun je blijven bedenken zo veel je wilt. Het is hier alleen een zinvolle vraag, omdat we het niet-zijnde hier opvatten als iets dat eigenlijk geen niet-zijnde mag wezen. Het is een vereiste. Onze vraag is een morele vraag. Ons onderzoek is, hoe raar die woordverbinding ook mag klinken, moralistische kennistheorie.

Maar daar is nog een tweede reden voor. Want de factoren die voor de apocalyptische blindheid verantwoordelijk zijn, zijn zelf van ethische aard. Wat betekent dat?
Het betekent dat de morele situatie waarin we ons ten opzichte van iets bevinden, beslist over de vraag of we ons dat (een aangelegenheid, een situatie) eigen maken of niet. Het kunnen zien of er blind voor zijn hangt daarvan af, of iets ons ‘raakt’ of niet. Wij hebben niks met wat ons niet aangaat.
Dat woordspel26 is nog niet alles. In tegendeel. Hier begint het probleem pas. Want we hebben geen keihard criterium met behulp waarvan we kunnen uitmaken wat ons aangaat en wat niet. Aan de andere kant zijn er talloze zaken, die ons ‘eigenlijk wel’ aangaan of zouden moeten aangaan, maar die ons subjectief toch niet aangaan. Bijvoorbeeld juist de apocalyptische situatie. Maar natuurlijk die niet alleen. Er zijn duizend dingen waar we zelf niet aan kunnen beginnen, ja niet eens aan beginnen mogen. Omdat we de mogelijkheid niet hebben om ons daar mee te bemoeien vanwege de feitelijke situatie, die ons dat verhindert. (arbeidsdeling, eigendomsverhoudingen, dwang van de publieke mening, politiek geweld etc) Dan hebben we niet de vrijheid, niet de kans om dat als iets dat ons aangaat op te vatten. Dat bedoelde ik met: de morele situatie beslist over hoe we iets zien of niet zien. Als we over iets op geen enkele wijze kunnen beschikken, dan zal dat ons voor zo ver we er ons niet nadrukkelijk tegen verzetten, al gauw niets meer aangaan. Het is niet alleen een kwestie van ‘wat niet weet, wat niet deert’ maar ook van ‘wat ik niet kan, gaat mij niet aan’. We blijven blind voor iets waar we noodgedwongen ‘van af moeten zien’. Het is evident dat een mens in dictatoriale staten, maatregelen waar hij absoluut niets meer tegen kan ondernemen, niet meer te lijf gaat. Daarom is het ongepast te vragen of toch niet duizenden iets van de vernietiging installaties geweten moeten hebben. Ze zullen het wel geweten hebben, maar hebben het zich niet eigen gemaakt, omdat totaal niet te zien viel wat je er tegen kon doen. Dus leefden ze verder alsof ze het niet wisten. Dat doen wij precies zo, al ‘weten’ we wel van De Bom.
Ook wij kunnen onze Apocalypse-Blindheid dan pas doorzien, als we dat opvatten als onderdeel van de morele toestand waarin de huidige mens zich bevindt. Dus in het kader van wat we mogen en niet mogen, wat we kunnen of niet kunnen; moeten of niet moeten. Daarom moeten we proberen onze morele situatie in kaart te brengen, voor zover dat nodig is voor onze kwaal.

§ 18 ‘Medium-zijn’ : we zijn niet meer ‘handelend subject’; we doen alleen mee. — Het doel is losgemaakt van onze daden: daarom leven we zonder toekomst; dus ook zonder begrip voor einde aan toekomst; vandaar onze ‘Apocalypse-blindheid’

Men is het er allemaal over eens dat de wijze waarop wij tegenwoordig dingen maken, dus onze arbeid, tot op het bot veranderd is. Op een enkele rest na is werk tegenwoordig geworden tot een ‘mee-werken, zoals het door een bedrijf wordt georganiseerd en aangepast aan dat bedrijf. Met nadruk: ‘bedrijf’ want solo-arbeid is natuurlijk nooit een hoofdbestanddeel van menselijk werk geweest. Maar tegenwoordig gaat het niet primair over samenwerken met andere werkers, maar om mee-functioneren met het bedrijf, dat je als arbeider niet kunt overzien, maar dat wel bepalend voor je is; met het bedrijf waar de andere werknemers ook slechts als bedrijfs-stukken toe behoren.
Dat zegt nog niks. Maar wat van onze arbeid geldt, dat gaat nu ook op voor ons ‘handelen’. Dat zegt ook nog niet zo veel, maar is niet minder van belang. Laten we liever zeggen dat dat ook voor ons ‘doen’ geldt. Want het woord ‘handelen’ en de bewering dat wij ‘handelende mensen’ zijn klinkt in onze oren al overdreven. Dat signaal moeten we serieus nemen. Afgezien van slechts een paar sectoren loopt wat wij tegenwoordig ‘doen’ uit op ons conformeren aan, meedoen. Want het speelt zich af in het kader van bedrijven die het opzetten en die wij niet kunnen overzien. Het zou geen enkel resultaat hebben, als je probeert af te wegen hoe ‘actief’ en ‘passief’ doen zich tot elkaar verhouden bij dit mee-doen. Afpalen waar gedaan-worden ophoudt en zelf-doen begint zou net zo zinloos zijn blijven als dat je probeert de bediening van een machinaal proces te ontleden in actieve componenten en reactieve. Dat verschil is onbelangrijk geworden, het bestaan van de mens is hoofdzakelijk noch ‘Treiben’ noch slechts ‘Getriebenwerden’; noch doen noch gedaan worden. Het is vooral ‘aktief-passief-neutraal’. Die wijze van bestaan moeten we maar ‘mediaal’ noemen. Dat ‘medium-zijn’ heerst overal. Niet alleen in landen waar men onder dwang zich moet conformeren, maar ook waar dat zachtjes geregeld wordt. In totalitaire landen natuurlijk het duidelijkst. Daarom kies ik als voorbeeld van ‘medium-zijn’ een typisch totalitair gedrag: Steeds weer kon je meemaken in die processen waar ‘misdaden tegen de menselijkheid’ behandeld werden dat de aangeklaagden beledigd, verbijsterd en soms wel boos waren over het feit dat ze überhaupt als ‘Personen’ aangesproken werden voor de mishandeling van hen die ze mishandeld hadden en voor het vermoorden van hen die zij vermoord hadden ter verantwoording werden geroepen. Het zou absoluut onjuist zijn deze beklaagden te zien als een paar toevallige exemplaren van ontmenselijkte of verstokte mismensen. Ze waren niet in staat om berouw, schaamte of wat voor morele reacties dan ook te tonen, maar dat was niet hoewel ze mee gedaan hadden, maar vooral omdat ze alleen maar mee gedaan hadden. Maar hier en daar ook omdat ze immers mee-gedaan hadden, dwz: omdat voor hen ‘moreel-gedrag’ samenviel met 100% ‘medium-zijn’. En daarom hadden ze (als mee-doener) een goed geweten. Wat ze verstokt als ze waren bedoelden zou zo kunnen worden uitgedrukt: ‘Wisten we maar wat jullie precies van ons willen! Wat willen jullie nu van ons. Destijds waren wij helemaal o.k. (zo jullie willen: ‘moreel’). Het gaat ons toch niet aan, dat het bedrijf waaraan wij tot volle tevredenheid hebben mee-gewerkt nu door een ander vervangen is! Nu is het ‘moreel’ om hier aan mee-te-doen; destijds was het ‘moreel’ daar aan mee te doen.—
Hoe gruwelijk de misdaden ook geweest zijn, die door die houding mogelijk werden — wie ze als zwerfkeien van onze eeuw aangaapt blokkeert het verstaan ervan, omdat die misdaden nergens op zich zelf staan. Ze zijn geen verstaanbare werkelijkheid.
Want men kan die misdaden slechts dan verstaan als men in aanmerking neemt hoe ze samenhangen als soort. Dwz als je je de vraag stelt welk type handelingen ze vertegenwoordigen; naar welk voorbeeld van bezigheid ze functioneren. Het antwoord is dat de daders , op zijn minst velen van hen, in de situaties waarin ze hun misdaden begingen, in principe niet anders gedragen hebben dan ze op hun arbeidsplek waar ze gevormd waren, pleegden te doen.
Dat is natuurlijk schokkend. En vermoedelijk moet zo’n bewering eerst ook wel misverstaan worden. Ten slotte bestaan er geen bedrijven (in elk geval niet die zich fabriek noemen of bureau) waar massamoord of marteling onderwezen wordt. Er is natuurlijk iets heel anders bedoeld, iets heel gewoons. Een alledaagse feit dat in haar uiterste consequenties maar zelden doorzien wordt. Niemand kan er ook persoonlijk voor verantwoordelijk worden gesteld en het heeft gewoonlijk geen ontstellende of direct zichtbare gevolgen. Maar dat principe van ‘medium-zijn’ , van je conformeren heerst in elk bedrijf. Het ‘aktief-passief-neutrale’ meedoen. En deze bezigheidsmodus wordt als geheel vanzelfsprekend geldig erkend van Detroit over Wuppertal tot Stalingrad. Want het is eigen aan ieder gemiddeld bedrijf, tenminste aan elke grote onderneming die er heden toe doet, dat het doet wat het moet doen (ongeacht zijn doelen); en het is elke arbeider eigen dat hij ‘meedrijvend mee aandrijft’; en dat hij dagelijks geen beeld mag hebben van de bedrijfsdoelen; al is zijn enige raison d’etre ook dat hij dagelijks bijdraagt aan het bereiken van de doelen. In Analogie aan het grondprobleem van het Marxisme kun je het zo formuleren: hij is nog niet eens ‘bezitter’ van het plaatje van het doel van de productie, en dat die doelen hem niets aangaan. Als dat klopt, als hij dus het doel niet weet, niet hoeft te weten of niet weten wil, dan hoeft hij blijkbaar ook geen geweten te hebben. Je hoeft geen individueel geweten meer te hebben, want dat is vervangen door als je maar mee-doet. Goed geweten bestaat in een bedrijf slechts als paradox. Daarmee beloon je je zelf omdat je je geweten volledig uit geschakeld hebt, en misschien ben je daar zelfs wel trots op. Het is moreel onjuist om een fabrieksarbeider, iemand op kantoor die er niet aan mee wil werken, omdat het product van het bedrijf tegen zijn geweten in gaat, nog verder in te zetten. Je zou dat door de vingers kunnen zien, dan geldt die mens als een nar, en die zal de gevolgen van zijn rare gedrag wel spoedig merken.
Werken is altijd wel ‘moralisch’ en bij dat werken zijn het doel en de opbrengst van het werken fundamenteel moreel-neutraal; dat is een van de meest noodlottige trekken van onze tijd. Waar men ook werkt. Het product blijft ‘jenseits von gut und böse’. Als je het niet-nihilistisch wilt benoemen is dat pure misleiding. Werken ‘olet’ nooit.27 Dat is de noodlottige climax ervan. Geen sprake van dat het product de arbeid zou kunnen besmetten, al was het ook het meest verwerpelijk dat je kunt bedenken. Product en productie zijn moreel gezien uit elkaar gehaald. De morele status van het product (bijvoorbeeld Waterstofbom of gifgas) werpt geen schaduw op iemand die er aan werkt. Of hij weet of niet weet wat hij doet, – hij heeft geen geweten nodig voor wat hij doet.28 Zoals gezegd die ‘gewetenloosheid’ heerst al in het bedrijfsleven. —
Het bedrijf is dus de plaats waar het mensentype ‘medial gewissenlos’ gemaakt wordt. Daar wordt de Conformist geboren. Iemand die daar gevormd is hoef je maar in een ander opgavencircuit te zetten, in een ander bedrijf en meteen werkt hij zonder wezenlijk te hoeven veranderen als een monster. Plotseling vervult hij ons met afschuw. Plotseling krijgt het feit dat zijn geweten tussen haakjes staat het voorkomen van je reinste gewetenloosheid, al was het daarvoor ook al een fait accompli. Als je verantwoordelijkheid opgeheven is, is dat ‘pure gekte’. Zolang we niet onderkennen, dat het huidige bedrijf de smederij is van totale vervlakking zullen we niet in staat zijn de figuur van onze conformistische tijdgenoot te verstaan. Dan zullen we dus niet verstaan hoe deze ‘verstokte’ mannen eraan toe waren, die in die genoemde processen weigerden berouw te hebben van het mee-doen aan hun misdaden.
Versta me niet verkeerd. Ik wil in de verste verte niet zoiets als ‘comprendre pour pardonner’. Want alleen aan puur toeval dank ik het dat ik (in tegenstelling tot al die anderen) geen slachtoffer van die lui geworden ben. Wat ik aangeven wil is vooral, dat de misdaden die gebaseerd zijn op de tegenwoordige stijl van het ‘medium-zijn’ zeer nauw samenhangen met de huidige tijd. Dus zijn ze veel verschrikkelijker en dreigender dan men het destijds zag. Namelijk bij de discussie (heel voorzichtig) over bijvoorbeeld ‘collectieve schuld’. Want de voedingsbodem ervoor is gebleven, namelijk die arbeidsstijl; want die bestaat nu net zo zeer als toen en wereldwijd. En we weten nog niet eens in welke richting we moeten zoeken om er misschien van af te komen. Want we kunnen geen productiewijze, geen werkwijze bedenken die van de nu heersende afwijkt.29 Het is puur zelfbedrog als we in de misdaden tot op zekere hoogte ‘losse gebeurtenissen’ zien, die een keer, maar slechts die ene keer in de historische ruimte van onze geschiedenis verdwaald terecht zijn gekomen, en dat er geen signalen zijn die op herhaling duiden. Maar omdat daarentegen het ‘medium-zijn’ en conformisme heersen als nooit tevoren valt niet in te zien, dat er iets een herhaling in de weg zou staan. De geweldenaar die op een gegeven dag weer een ‘genocide’ of iets dergelijks zou willen opzetten, zou geen moment hoeven te twijfelen aan de trouwe medewerking van zijn tijdgenoten. Hij kan rustig slapen. Ze zullen hem niet in de steek laten, maar in grote drommen gemotoriseerd opdraven. Werkers van onze tijd zijn gedrild om mee-te-doen. Als een belofte is de precisie die ze in plaats van hun geweten hebben (opgedrongen gekregen door de tijd). De belofte namelijk dat ze het resultaat van de activiteit waaraan ze deel nemen niet voor ogen willen hebben. En als ze niet vermijden kunnen het op te merken, zullen ze het niet opslaan, maar vergeten. Kortom ze beloven niet te weten wat ze doen.
Dat is het verschrikkelijke aan het morele dilemma van tegenwoordig. Aan de ene kant eisen we van de huidige mens dat hij voor de volle honderd procent mee-doet; dat is de basisvoorwaarde voor zijn werk, op zijn minst als deugd. Aan de andere kant eisen we dat hij ‘buiten de wereld van het bedrijf’ zich ‘als zichzelf’ zal gedragen niet als ‘medium’ maar dus moreel. (en we vinden eigenlijk dat de wereld zo zou moeten zijn dat men dat van de mens mag eisen). Maar dat is een onmogelijke situatie. Om twee redenen:

  1. omdat, wanneer het erop aan komt zo’n ‘wereld buiten de bedrijfssfeer helemaal niet bestaat. Dwz er is altijd al voor gezorgd dat de beslissende taken die van de tegenwoordige mens worden verlangd in de vorm van bedrijfsopgaven aan de dag treden. Dat geldt zelfs voor het feit dat hij als ‘moordenaar’ niet ‘handelt’ maar slechts een job uitvoert. De werknemer in vernietigingskamp heeft niet gehandeld maar hoe gruwelijk dat ook klinkt: hij deed zijn werk. Doel en resultaat van zijn arbeid gingen hem niet aan als arbeid, want zijn arbeid is als arbeid steeds neutraal. Hij heeft dus iets verricht dat ‘moreel neutraal’ is.

  2. Men verlangt van de mens in doorsnee dat hij twee absoluut verschillende typen van bestaan tegelijk lijdt. Arbeid moet hij doen als ‘conformist’. Maar ‘handelen’ als niet-conformist. Hij moet dus een schizofreen leven lijden, dat altijd die kloof zal behouden, die niet te dichten is van twee tegengestelde typen van activiteit.

Maar die eis van schizofrenie is zo verschrikkelijk dat alle eisen van de hardste ethieken daarbij vergeleken ineen zouden schrompelen en vriendelijke aansporingen lijken te zijn. —
Ik zei dat het een ‘geheime eed’ is van de mens-als-middel dat hij niet zal zien, c.q. niet zal weten wat hij doet. Hij zal het beeld en doel dat in het doen woont niet doorhebben. (analoog aan de eerder uitdrukking ‘apocalypse-blindheid’.) Hij zal ‘doel-blind’ blijven. De uitdrukking ‘gelofte’ is natuurlijk slechts een beeldspraak, want hij veronderstelt een vrijheid die de middel-mens helemaal niet meer toekomt. Ik gebruik dat beeld toch omdat hij niet mag weten wat hij doet. Dat hij het niet weet is in het belang van het bedrijf gewenst. Maar het is onjuist te veronderstellen dat hij wel de behoefte heeft om het te weten. Op zijn minst tijdens het werk zelf zou de blik op het einddoel dat zonder meer vastgesteld is (of het gebruik ervan) helemaal zinloos zijn of zelfs hinderlijk voor het werk. Doorgaans komt dus de gedachte het einddoel te willen zien niet meer bij hem op. Hij kan het heel vaak al niet meer : want hij moet onderweg met zijn (serie-)werk steeds weer verdwijnende tussenstukjes in het spel houden. Het gebeurt immers nooit dat zijn werk een eindproduct is geworden, dat af is. Slechts ‘van buiten houdt zijn werk op’, namelijk als de sirene door zijn spel van eindeloze herhaling snerpt.
Dat is dan ook een radicale verandering van de mens. Vanaf de vroege dialogen van Plato tot aan analyse door Heidegger van het ‘Bewandnis-charakter’ was doen en laten van de mens immers omschreven als: iets wat je in je hoofd hebt door een handeling omzetten in werkelijkheid. Het beeld van wat gemaakt moet worden (of wat je door je daad wilt bereiken) is bij mee-doen ‘losgekoppeld’ want de bezigheden gaan eindeloos door. — Nu heeft Aristoteles de menselijke daden in twee klassen ingedeeld; namelijk daden, die een doel nastreven (zoals koken) en daden die het om niets anders te doen is dan zich zelf, die hun doel in zich zelf dragen (zoals wandelen). Maar dat onderscheid klopt dan niet meer omdat de huidige arbeid doel en beeld heeft gedemonteerd net als dat het geval is bij het doen van tegenwoordig. Want voor een machine is werk of ook het mee-doen dat er aan gekoppeld is niet aan een doel gekoppeld en bereikt ook geen doel, zoals dat het geval is bij wandelen.
Wat betekent die beschrijving van de medium-mens nu voor ons eigenlijke thema? Voor de vraag naar de wortels van de Apocalypse-Blindheid? In hoeverre is ‘medium-zijn’ een van die wortels? Het hangt nauw met elkaar samen. Je kunt starten bij elke specifieke trek van medium-zijn. Elk leidt direct naar de Apocalypse-blindheid

  1. De medium-mens is ‘aktief-passief-neutraal’ daarom blijft hij wat de act van werken zelf betreft laks; ondanks de reusachtige rol die arbeid voor hem speelt. Hij ‘überläßt sich’. Dat wil zeggen hij rekent ermee dat wat hij doet vooral iets is, dat ‘verder gaat’ en dat ‘verder gaan’ heeft hij zelf niet meer te verantwoorden.

  1. Zijn daden lopen nooit uit in een echt einddoel waar hij op uit was om dat te vinden. Er waren alleen stops die maar heel willekeurig te maken hadden met wat hij doet; maar daardoor heeft hij al met al geen echte verhouding met de toekomst. Terwijl iemand die werkelijk handelt en plant zo doende een ruimte in de tijd schept, treden de daden van de ‘medium mens’ op. Dat is niet in tegenspraak met het feit dat hij door zijn arbeid zijn toekomst zeker stelt, want arbeid zelf bestaat toch uit obstinaat herhalen van steeds dezelfde stappen. Eigenlijk leeft zo iemand ‘zeitlos’ — ‘your future is taken care of’30 . Hij heeft dan geen horizont als enige punt waar het einde van de toekomst, dus de mogelijke catastrofe, bij kan opduiken. Hij kan dus de gedachte aan een acuut gevaar dat de toekomst eindigt niet aan omdat hij geen weet heeft van toekomst

  2. Omdat hij gewend is aan werk, waarbij hij geen behoefte heeft aan geweten, ja dat is zelfs ongewenst,- is hij gewetenloos. Met een prima geweten. Scrupules over het gebruik van zijn werk zijn hem volledig vreemd. Des te meer omdat hij immers zijn eigen werk als niet te besmetten opvat.

  1. Omdat hij ook geenszins betwijfelt dat elk product ‘moreel neutraal’ is, vindt hij het maar een maffe uitdrukking dat er een ‘absoluut on-moraal product’ bestaat ja zelfs een product waar het allemaal om te doen is, waar een hele productiewereld sui generis voor opgetuigd is. Dat moet hij zo wel vinden. — Kortom: alle elementen van het medium-zijn spannen samen om te verhinderen dat hij door krijgt waar De Bom voor staat. En zo werkt hij naar zijn eind toe, zonder inzicht in het woord ‘Einde’. Zijn werk is tegelijk hectisch en laks.

VI ANNIHILATION UND NIHILISMUS

§ 19 De daad is niet al naar gelang de dader, maar de dader als de daad — Het devies van nu luidt ‘houd je alleen bezig met dingen die bepalend voor jouw doen en laten zouden kunnen worden.’

Om het even of we de schuld geven aan wie het zien, of aan de blinden, — het moreel beslissende punt is natuurlijk niet de Apocalypse-Blindheid, maar De Bom zelf. Het feit dat we die hebben. En hebben wordt automatisch ‘doen’ zoals in § 9 werd aangetoond of de bezitter dat nu wil of niet. Dan betekent dat dat het feit waar het hier moreel over gaat De Bom als daad is. Maar het is een daad van een zo enorm formaat dat de morele kwaliteit ervan zich niet meer richt naar de kwaliteit van de dader; naar zijn goede of minder goede wil. Of naar dienst inzicht of opvatting maar uitsluitend naar de uitwerking van het ding. Er bestaat een grens:

  • Waarna je zelfs met de grofste psychologische onderscheidingen volstrekt niks meer kunt.
  • Waarna alleen academische luxe nog een verschil kan overeind houden tussen een bedoelde misdaad en crimen veniale (niet veroordelenswaardige misdaad).
  • Waarna je in elk geval bij de dader – waar hij aanvankelijk ook op gemikt heeft – kunt beoordelen of hij wat hij deed of dreigde ook bedoeld heeft.
  • Waarna – omdat immers de mens op het spel staat, – de onmenselijk klinkende zin opgaat: ‘De daad is niet zo goed of zo slecht als de dader, maar omgekeerd is de dader door wat hij doet zo goed of zo slecht als zijn daad.’

Voor de beoordeling van de doorsnee daad kan deze zin natuurlijk niet gelden: het verschil tussen bedoelde daden en onbedoelde blijft staan. En zelfs in ons geval is het pas verantwoord om dat verschil los te laten als je er een onvermoeibaar didactische actie aan koppelt. Dwz je moet de blinde dader voortdurend het effect van wat hij doet voor ogen houden, en je mag geen kans onbenut laten om hem te stoppen voordat hij zich tenslotte in de uiterste zin schuldig maakt. —

Men kan echter niet voorzien of deze handeling die nu op gang is gekomen en dagelijks over een breder front op gang schijnt te komen, ook slaagt. Het is natuurlijk niet mogelijk zo lang te wachten met de beoordeling van de dader tot het resultaat van de actie duidelijk is. Daarom geldt in dit geval: ‘In dubio contra reum31. — maar ook achter deze inhumaan klinkende zin zit slechts de zorg om de mens. Dat betekent zo lang de dader het apparaat niet afschaft; zo lang hij eenvoudig omdat hij het heeft, er mee dreigt; zo lang hij zijn handelingen die hij ten onrechte ‘Proeven’ noemt voortzet, zo lang moet hij schuldig geacht worden. En wel schuldig aan nihilisme. Want het effect van zijn doen bestaat uit vernietiging. Het is nihilisme op wereldschaal.
Daarmee is onze laatste stelling bereikt: de bazen van De Bom zijn nihilisten in actie.

Dat klinkt merkwaardig. Want bij ‘nihilisten’ stellen we ons doorgaans heel andere figuren voor. Of wel anarchisten, die zich helemaal uitleven in jammerlijke solo-acties; zoals Rusland van voor de revolutie ze naar voren bracht; of wel radicaal-sceptische intellectuelen in Europa van diezelfde periode. Of wel die dictatoren en hun vazallen die het bewijs voor hun bestaan slechts wisten te leveren door het schreien van hun slachtoffers. Dus door: ‘ik vernietig dus ik besta’.
En met deze typen zouden de bazen van De Bom iets van doen hebben?
Zeker niet rechtstreeks. Psychologisch lijken ze op geen van deze typen. Velen van hen zullen nauwelijks ooit van nihilisme gehoord hebben. Hooguit als er sprake was van ‘overwinning van het nihilisme’ of van ‘kruistocht tegen het nihilisme’ oid. En stellig zijn de meesten in hun persoonlijk leven goedige, fatsoenlijke en bekrompen mannen, die tot melancholie noch cynisme ooit in staat zijn. En dat moet je toch wel hebben, als je je beroep als nihilist serieus neemt. Neen, deze bazen zijn ‘positief’ tot op het bot, hun bankrekeningen zijn gezond en hun principes niet minder.
En toch zijn het nihilisten. Want ze mogen dan de meest gezonde Filosofie en de positiefste godsdienst belijden, – voor het forum van ‘de objectieve geest’ is hun karakter, hun filosofie, hun godsdienst, hun hele integriteit toch alleen maar sier, toch alleen maar huichelarij. Want of ze het nu weten of niet, of ze het nu willen of niet, ze hangen in werkelijkheid een geheel andere filosofie aan, en een compleet andere moraal. Namelijk de filosofie van de moraal van het ding, dat bij hen hoort en waar zij bij horen. Want voor het forum van de ‘objectieve geest’ geldt: ‘iedereen heeft die principes die het ding heeft wat hij bezit’.
Een derde wonderlijke formule; die schoffeert nog sterker onze gebruikelijke denkwijzen, dan de voorgaande. Ik leg eerst uit wat die formule niet betekent.
Het is niks marxistisch; niks uit de milieu-theorie; niet de platitude dat het ‘bewustzijn’ (Moraal, filosofie, spiritualiteit) door het ‘zijn’, dus door de zogenaamde ‘omstandigheden’ gestempeld is. Toegepast op ons geval: niet dat zij die De Bom bezitten daarom zo ‘slecht’ zijn omdat ze zo slecht gemaakt zijn door slechte ‘verhoudingen’ (waartoe ook de betreurenswaardige beschikkingsmacht over De Bom behoort); niet dat hun ‘slechtheid’ moreel eigenlijk niet geldt en irreëel is omdat die oorspronkelijk niet voortkwam uit een slechte wil maar slechts uit ‘verhoudingen’.
Niets daarvan.

Want ik geloof helemaal niet, dat zij die Het Ding hebben werkelijk beslissend zijn gestempeld door dat hebben, dus totaal slecht gemaakt zijn. Omgekeerd houd ik het zelfs voor zeer waarschijnlijk dat zij privé en subjectief in hun opvattingen, gevoelens en mentaliteit, in hun gedrag ook vandaag nog goeiig, netjes en deugdzaam zijn.

Terwijl een Milieu-Theoreticus redeneert:
‘ Hoe slecht deze of gene ook mag zijn, — uiteindelijk zijn ze helemaal niet zo slecht, omdat slechts de verhoudingen de schuld hebben dat ze schuldig werden’
redeneer ik:
ze zijn helemaal niet slecht, maar dat is geen deugd, doch slechts het gevolg van ‘de kloof’ dus van het feit dat ze dat Ding dat ze ‘hebben’ achterna hobbelen. Ze zijn te klein gebleven om door het monster dat ze bezitten gestempeld te kunnen worden. Ze kunnen niet net zo monsterachtig slecht worden als De Bom en wat die aanricht. Dwz hun deugd is alleen het symptoom van hun falen; en daarmee moreel bezien nul en niks.
Ten tweede. Hun deugd slaat uitsluitend op gedrag binnen de horizon van een leven waarin De Bom überhaupt nog niet ‘voorkomt’. Daarom leidt het tot niks. En daarom is ze nul en niks.

Nee, werkelijke deugd bestaat tegenwoordig in iets heel specifieks. Echt deugdzaam is vandaag slechts diegene die

  • inziet dat hij moreel niets is dan wat hij ‘heeft’ dus zijn ‘Habe’,

  • zich toch maximaal zou inspannen om deze ‘have’ toch te pakken te krijgen, dus onder controle te krijgen en ze ‘in te halen’ (in die zin zoals ik dat in § 15 heb vast gelegd);

  • die elk ding dat hij bezit ter verantwoording roept en ertoe dwingt zijn geheime gedragscode te uiten;

  • die zichzelf zal checken op al deze levenscodes of hij die tot zijn eigen levenscode zal kunnen maken voor zijn eigen handelen. — om maar te zwijgen van ‘het principe van een algemene wet’;

  • en die vast besloten is alles wat deze proef niet doorstaat te elimineren.

Alleen zo iemand mag tegenwoordig ‘moreel’ heten. Dan luidt zijn gebod voor het Atoom-tijdperk: Heb alleen zulke dingen waarvan de levenscodes ook codes voor jouw eigen handelen kunnen worden. —
Echter een dergelijke ‘gewetensonderzoek van het ding’ zijn onze tijdgenoten niet gewend. Ze gaan heel vanzelfsprekend met personen om als ‘zaken’. — Ze vinden het vreemd om op ‘zaken’ in te gaan alsof het ‘personen’ zijn. Toch is dat het Gebot der Stunde; omdat de doorslaggevende ‘zaken’ die onze wereld maken tot wat ze is, en die beslissen over haar lot helemaal geen ‘dingen’ zijn, maar ding-geworden levenscodes en vloeibare wijzen van doen. —
Ik had al aan het begin van het onderzoek vastgesteld dat wij ons er mee tevreden stellen alle dingen zonder onderscheid als ‘middel’ te classificeren. Nu voeg ik daar ten slotte aan toe dat daarin nu juist onze on-moraliteit zit.

§20 Nihilisme heeft een Janus-kop

Hoe vriendelijk en netjes de bazen van De Bom ook zijn op alle levensterreinen waar De Bom nog niet opgetreden is, – als bazen van De Bom hebben ze de levenscode van wat ze hebben, dus van De Bom — en naast deze kwalificatie verschrompelen alle andere totaal — Die code is, zoals we gezien hebben : ‘Nihilisme’. Wat betekent dat? Wat is ‘nihilisme’ eigenlijk?

Om die vraag te beantwoorden, keren we De Bom even de rug toe. We vinden het antwoord namelijk als we terug gaan naar de situatie waarin het ‘klassieke nihilisme’ uitbrak. Als ik zeg ‘uitbrak’ (en niet ‘groot werd’ of ‘zich ontwikkelde’ oid) dan heb ik al iets heel belangrijks over nihilisme aangegeven. Want zijn uitgangspunt was een schok-situatie. Nihilisme is het resultaat van een catastrofaal gebeuren.
Dat catastrofale gebeuren bestond daarin dat de ‘russische mens’ zonder de minste voorbereiding in eens op ‘het Westen’ stootte. — En dat hield voor hem destijds in: op de natuurwetenschappen stootte — Hij botste op het concept van een blinde, ontgoddelijkte doelloze, rechteloze, niet te verlossen kortom materiële wereld; een wereld die wel verlossing nodig had overigens! En tot die wereld moest die (Russische) mens nu ook behoren; bij haar alleen. Hij zou geen enkel uitstel meer hebben, om ook maar een dun laagje vernis aan het leven in een zinloze en god-loze wereld te geven om het erop te doen lijken dat er een positieve modus vivendi bestond (bijvoorbeeld in ‘moraal’ of ‘cultuur’ – zoals dat de middel-europese mens althans in de 19e eeuw nog vergund was geweest.32
Iedereen die het boek van de ‘Karamazows’ gelezen heeft, weet dat deze botsing met de natuurwetenschappen en de door deze botsing ontbrande explosie van een theocratische wereld een totale verwoesting te weeg bracht van de geestelijke en emotionele habitus.33
Niemand lukte het een wereld die ’s avonds nog een exclusief religieuze zin had gekend, de volgende morgen als een fysische aangelegenheid te aanvaarden. In plaats van God, Christus en de heiligen zou men een wet zonder wetgever moeten aanvaarden. Dus een wet die niet gesanctioneerd kon zijn. Een wet die er domweg alleen maar was, zonder doel, al heerste die wet ook met ijzeren hand. De ‘natuurwet’ dus. Toch stelde de geschiedkundige constellatie van destijds die onmogelijke eis aan de mens. Deze wet determineerde uitsluitend het zijnde, maar dan ook door en door. En over wat behoorde of zou moeten zweeg die wet volslagen. (omdat dergelijke zaken niet als zijnden te vinden waren). Kortom: omdat nu ineens ‘alles een’ was, namelijk ‘natuur’.
Je moet daar goed naar luisteren: ‘alles is een’. Die formule werd vroeger de dood, die alles zonder aanzien des persoons verslond, in de mond gelegd. Maar deze formule onthult exact het wezen van het nihilisme. Ze is een Janus-formule; want ze zegt tweeërlei:
Aan de ene kant: ‘Alles is van een en dezelfde soort, namelijk van de fysieke soort’. Dat is de basisformule van het metafysisch monisme.34
Aan de andere kant zegt de formule (want ze kent alleen maar wetten van het zijnde): ‘Er bestaat niets dat ‘moet’. Alles is een en hetzelfde; alles mag.

Dat is de grondformule van radicaal en programmatisch amoralisme. De beroemde vraag van Lotze die hij in navolging van Schelling en Weisse had geformuleerd: ‘Hoe komt het eigenlijk, dat er überhaupt iets is, en niet niets’ 35krijgt bij de nihilist, die immers een gedesillusioneerde moralist is, een variant: ‘hoe komt het eigenlijk dat er iets moet zijn en niet veel eer niets’.
‘Want waarom en waartoe zou ik nog iets ‘moeten’ als er slechts zijnde bestaat?36 Waarom zouden de wereld en ik zelf niet net zo goed niet-zijn mogen als (wel) zijn? En waarom zou ik me dan niet wreken voor het feit dat de wereld en ikzelf in plaats van ‘gesollt’ er alleen maar zijn; alleen maar ‘natuur’. Waarom zou ik me dan niet wreken door zelf het Niet-zijn en de vernietiging op te pakken? Dat is toch een consequentie die ik nog trekken kan; en de natuur lijkt geen aanstalten te maken om die te gaan trekken, ondanks haar wetmatigheid; die wraak zou toch de enige actie zijn die me rest? Dat is toch de enige (tegen-) maatregel die ik nog treffen kan om tenminste me zelf te bewijzen dat ik besta, en dat ik toch wat anders ben dan slecht natuur?
Zo zouden de vragen van de nihilist ongeveer kunnen luiden, als hij in zijn paniek woorden had kunnen vinden. Kortom: De dubbele bodem van de formule ‘alles is één’ is de sleutel tot het nihilisme: want dat is monisme in actie. Of juister: de wraak van de mens op het monisme. (cf. Anhang II ‘Portrait des Nihilisten’, S. 501, hier nog niet vertaald.)
Wat heeft die Janus-formule met ons onderwerp te maken? Met De Bom? Vermoedelijk gaf iedereen zich zelf al het antwoord. Maar ik moet het toch uitdrukkelijk zeggen. Het luidt: de geheime levenscode van De Bom is identiek met die van het Monisme, c.q. het nihilisme. De Bom gedraagt zich als een nihilist. En wel in zo verre dat hij alles, of het nu een mens is of een apparaat, brood of boek, huis of bos, dier of plant over een kam scheert en behandelt als natuur. Dat betekent in dit geval : als iets wat toegankelijk is voor radioactieve besmetting. Iets anders bestaat voor hem niet. En als hij kon spreken, zouden zijn woorden niet anders zijn dan van de nihilist: ‘Alles is één. Ook of er wel of niet een wereld is is één. Waarom zou de wereld niet net zo goed niet-zijn?’
Dat is de levenscode van De Bom. En het is dus ook de levenscode van de mannen die Het Ding bezitten; want wie iets heeft heeft de levenscode daarvan. Of ze het nu willen of niet. Of ze het nu weten of niet. Daarom is het ook niet zo maar een wijze van spreken, Maar de simpele waarheid als we de bazen van De Bom ‘nihilisten’ noemen.
Laten we de oervaders van het nihilisme tegenover de nihilisten van tegenwoordig zetten. Want deze twee helden kunnen elkaar aan. Alleen zij verdienen het als de grote figuren van het nihilisme te gelden. Twee antipoden van het nihilisme heb je. Zij die door de geestesgeschiedenis doorgaans als DE nihilisten worden aangemerkt: die onverschillige types die niet vernietigen als zodanig, maar slechts ontkennen of ook slechts de ontkenning beschrijven. En verder de grote die zich wel de ‘Antichrist’ noemde; en dan ook zij die werkelijk als een anti-christ te keer zijn gegaan met volop bloed aan hun handen — hoe groot, zwaarmoedig, diepzinnig, of ontzettend inferieur ze ook geweest mogen zijn: vergeleken met de twee gestalten van oervader en kleinkind, zijn ze allemaal slechts tussenfiguren; want alleen die twee hebben een relatie met het zijn of niet zijn van de wereld als geheel.
De aartsvader is een filosofische figuur van uitzonderlijke statuur geworden. Want hij stelde die nietsontziende vragen waarom er überhaupt zijn is, als het niet moet. En ook omdat hij vertwijfeld verlangt de wereld die hij verloren zag gaan te vernietigen. En door zijn mateloze melancholie. Maar hij had de capaciteit tot vernietiging niet, waar hij zo koortsachtig naar zocht en hij was dus niet bij machte om in de geschiedenis in te grijpen.—
Maar de nazaat is filosofisch gezien minder interessant, want hij is niet in staat tot cynisme of melancholie, hij is een goedige, beperkte en als privaatpersoon ongevaarlijke figuur. Hij kreeg de totale vernietiging slechts in de schoot geworpen als een willekeurige technische nieuwigheid — toch is dat historisch van een enormiteit die alles wat tot nu toe als ‘historisch’ gegolden heeft in de schaduw stelt. Want hij is niet slechts in staat tot die vernietiging, – hij is misschien zelfs niet in staat die macht niet uit te oefenen.
Nog een Molussisch gezegde: ‘De goden van de pest zijn aardige heren, en zelf lijden ze geen pest’. Daar lijken de goden van de huidige vernietiging op: het is ze helemaal niet aan te zien wat ze kunnen ontketenen; ze lachen welwillend en niet eens vals. Maar er bestaat niets ergers dan het eerlijke welwillende lachje van goden van het verderf.

§21 De Bom en het nihilisme zijn een en hetzelfde syndroom

Nog afgezien van het lachen van de miljoenen die door De Bom in het verderf gestort worden.
Want De Bom maakt niet alleen hen tot nihilist die met hem dreigen, maar ook degenen die bedreigd worden. Dat zijn wij dus allemaal. Ongeveer tien jaar geleden is nihilisme een geheel nieuwe fase ingegaan. Namelijk het stadium waarin het uit zijn esoterische omgeving naar buiten trad en voor het eerst begon het volksbewustijn te doordringen. Het werd een massafilosofie; op zijn minst een massamentaliteit. Kort daarop kon je de nihilistische documenten die tussen 1940 en ’50 waren geschreven al als pocket kopen en een paar jaar lang ‘liep’ er niks beter dan het Niets.
Uiterst frappant is dat het nihilisme dit massa-stadium bereikte in het zelfde historische tijdperk dat De Bom voor de eerste keer gemaakt en ingezet werd. De filosofie die de zin van het menselijk bestaan ontkende viel historisch samen met het apparaat dat de mens kon vernietigen; het massa-nihilisme viel samen met massa-vernietiging.
Zou dat puur toeval zijn? Bestond daar een samenhang? Zoek maar niet naar een directe oorzaak-gevolg relatie tussen deze twee verschijnselen, probeer maar geen brug te slaan tussen de formule van Einstein (die aan de ontwikkeling van De Bom ten grondslag ligt) en de formule van ‘alles is één’ (de definitie van nihilisme). Maar er zijn wel verbanden van andere aard. Helemaal puur toevallig is de gelijktijdigheid niet. Ik zie tweeërlei samenhang:

1. Het historisch gegeven van het nationaalsocialisme ligt aan beide ten grondslag. Het is niet nodig nog te bewijzen dat dat zelf een variant van nihilisme was. In feite was dat niet slechts in een vage zin nihilistisch, zoals men er gewoonlijk over praat; maar ook in strikte zin omdat het voldeed aan de voorwaarde van naturalistisch Monisme dat ik als kwintessens aangeduid heb van nihilisme. Het nationaalsocialisme ontkende als eerste politieke beweging de mens, de mensenmassa’s als mens; om ze vervolgens als slechts ‘natuur’, grondstof of afval effectief te vernietigen. Op een schaal die het klassieke nihilisme bleek doet wegtrekken heeft het nationaalsocialisme de filosofie van het Niets en de vernietiging , en nihilisme en annihilatie zo met elkaar laten versmelten dat men met recht kan spreken van ‘annihilisme’.
De Bom en de nieuwe versie van het (Fransa) nihilisme zijn antwoorden op dit ‘annihilisme’. De Bom is dat omdat met het maken ervan oorspronkelijk geen enkel ander doel gediend werd dan de uitbreiding van het nationaalsocialistische ‘annihilisme’ te voorkomen. — en het Franse nihilisme is dat omdat ‘absurde existentie’ uitliep op een bestaan onder de nationaal socialistische terreur; dat zette de mens dus neer als een ‘niets’, een ‘bestaan tot niets’; de mens die zich als zo maar vernietigbaar zag.— In beide gevallen dus antwoord op dezelfde historische gebeurtenis. In zo verre waren ze historisch niet alleen maar gelijktijdig.—

2. Het vernietigingsapparaat en het filosofische nihilisme hebben een gemeenschappelijk polemische afkomst maar dat is misschien niet eens het belangrijkste verband tussen beide. Veel meer gevolgen heeft het gehad dat die twee elkaar gevonden hebben, nu een ‘syndroom’ vormen. Of ze nu dat gezamenlijk fundament hebben of niet. Dat is wel zo belangrijk. Wat betekent dat?
Dat wil zeggen dat ze psychologisch vergroeid zijn; dat de mensen van deze eeuw (en nog meer voor het gevoel dan voor de filosofie van de massa) sinds zeg maar een decennium vinden dat Bom en nihilisme een enkel complex vormen. Zo onverbrekelijk dat het de huidige mens die ongestructureerd over de lotgevallen van nu praat, en die door dit gesprek de dogma’s van deze eeuw verwoordt, volkomen onverschillig laat of het bestaan van De Bom bewijst dat het bestaan zinloos is, of dat omgekeerd de zinloosheid van het bestaan een legitimatie is voor De Bom. Het wil ook zeggen, dat het hun volstrekt onduidelijk blijft of ze het ene of het andere nu rechtvaardigen. Deze volstrekt willekeurige verwisseling van voorwaarde en stelling, het feit dat de argumentatie, als bij een foto, net zo goed van links naar rechts als van rechts naar links kan uitvallen, is het criterium voor een ‘echt’ syndroom. Echt betekent dan niet, dat de onderdelen een gemeenschappelijke wortel hebben, maar dat het hun als afzonderlijke stukken naderhand gelukt is een organisch verband te vormen. Hoe dan ook, als voorwaarde en stelling uitwisselbaar zijn gaat het om iets dat niet meer van elkaar los te krijgen is, iets dat niet meer met argumenten te weerleggen is, maar dan gaat het om iets dat slechts als geheel te vernietigen is. Het is alleen emotioneel geldig, een stuk ideologie van deze eeuw.37 De Bom en het nihilisme staan al sinds jaren in deze omkeerbaarheids-verhouding.

Gesprekje,waar ik tijdens een treinreis in Duitsland getuige van was. — Eigenlijk maar een brokstukje dat me voldoende lijkt als voorbeeld— Het maakt duidelijk dat voor het besef van de huidige man in de straat De Bom en nihilisme een en hetzelfde zijn. In dat gesprek dook het nihilistische lachje van de bedreigden op, waarvan ik al van sprak.

*

Dagboeknotitie 1952

‘Poeh’ deed iemand, toen ik kort voor Frankfurt wakker werd (het was de benige die zonder een blad voor de mond te nemen, gisteravond van zijn belevenissen in Polen verteld had) ‘waarom zouden ze dan niet met dat ding gooien?’ Zij, daar bedoelde hij dan de Amis mee, zo bleek al gauw; en met dat ding De Bom.
De Zweedse dame naast me die tegenover hem zat maakte alleen maar een handbeweging van ‘houd op alstublieft!’
‘Zou U me dan misschien kunnen vertellen waarom ze dan bestaan?’ ging hij glimlachend verder.
‘Welke ze?’ vroeg de Zweedse.
Met een hoofdbeweging naar achteren: ‘Wel, die natuurlijk.’
‘De Russen’, verduidelijkte iemand.
‘En U?’ vroeg de Zweedse met een boze frons, ‘waarom U er bent, weet U dat dan precies?’
‘Dat zei ik niet. Precies hetzelfde maar dan anders.’
‘Anders?’ vroeg ze beleefd.
‘Wat maakt het uit!’ zei hij ‘Zij of wij! Maakt geen bal uit!’ En hij keek de kring rond en verzekerde zijn medepassagiers met een lachje : ‘Waartoe bent U er dan wel?’
Omdat de Zweedse niet in metafysica deed maar in aangelegenheden van internationale kinderopvang moest ze hem het antwoord schuldig blijven.
‘Ziet U nu wel’, zei de man, nu triomfantelijk grijzend. En toen gebeurde het ongelooflijke (dat niemand opmerkte behalve ik): hij pakte zijn argument in eens bij de staart.
‘Ja, denkt U dan’, ging hij namelijk verder, ‘dat wij nog ergens goed voor zijn, nu dat ding er is? Of die kindertjes waar U voor rondjakkert?’ Hij wierp zich naar achteren alsof daarmee het laatste woord was gesproken en de Zweedse mevrouw voorgoed afgegaan was. Niemand in de coupé betwistte hem de zege. Hij lachte.

In dit volks-nihilistische gesprek, zijn het ‘voor niets er zijn’ van de mens en diens vernietigbaarheid een en hetzelfde; zoals ook nihilisme en bom. Het is vermoedelijk slechts een toevallig exemplaar van duizenden dergelijke gesprekjes. —
Omdat wij nergens voor ‘er zijn’, is De Bom er gekomen; en omdat De Bom er is deugen wij toch nergens voor en dus kan De Bom het niet nog erger maken, bla, bla, bla. Je wordt er misselijk van; raakt verdoofd; machteloosheid en valse triomf. Voor en achter valt niet uit te maken. Wat voorwaarde en wat stelling hoort te zijn ,- het draait allemaal om elkaar heen als een draaimolen van schijnargumenten om de as van het Niets. En als je er niet af springt, of als je niet verpletterd wordt, dan breng je het er niet levend af.

VII Slotwoord

‘Wat een zegen dat De Bom niet in de handen is van nihilisten’ las ik in een artikel. Deze zucht van opluchting was er een van iemand die niet nadacht. Het maakt inderdaad uit in wiens handen hij is, namelijk als die er gebruik van maakt. Maar als hij dat niet doet is het geen uitgemaakte zaak. Want De Bom hangt niet alleen ons boven het hoofd. Afgeblazen is de bedreiging niet. Alleen maar uitgesteld. Wat vandaag nog vermeden kan worden, kan morgen plaats grijpen. Morgen zal hij onze kinderen boven het hoofd hangen, en overmorgen precies zo boven het hoofd van hun kinderen. Niemand komt er meer van af. Hoe ver de komende generaties ook in de toekomst weten op te rukken, waarheen ze ook kunnen vluchten, hij zal altijd met hen mee vluchten. Ja, voor hen uit alsof hij de weg wijst, en zij volgen. En als dat allerergste niet zal gebeuren, zelfs als hij boven ons hoofd blijft hangen zonder los te barsten — van nu af aan zijn wij wezens die voortdurend ertoe veroordeeld zijn in de schaduw te leven van dit onontkoombare geleide. Dus zonder hoop; dus zonder plan; dus zo dat wij er niet toe doen.

Tenzij we ons vermannen tot een besluit.

Maar de zucht van opluchting van het krantenartikeltje was niet alleen maar ondoordacht, maar ook zinloos. Net zo zinloos als had hij geschreven : ‘Wat een zegen dat drek niet in vieze handen ligt!’ Alsof het erop aan komt hoe die handen voorheen waren. Nu zijn ze vuil. Vanwege de drek. Dat alleen telt. En ze zullen vuil blijven. Tenzij we ons vermannen en een besluit nemen. Tenzij enkelingen beginnen net als bij dienst weigeren voor het leger openlijk en onder ede en zich volledig bewust van gevaar dat ze mogelijk lopen:

  • nooit, ook niet onder psychologische dwang dan wel onder dwang van de publieke opinie ook aan maar iets mee te werken wat ook maar op de meest indirecte wijze te maken zou kunnen hebben met het maken, beproeven of gebruiken van het ding.

  • Van Het Ding te spreken als van een vloek.

  • Hen die zich er schouderophalend bij neerleggen te vermanen.

  • En van hen die het voor Het Ding opnemen demonstratief afstand nemen.

Tenzij hier een begin mee gemaakt wordt; en dat er meer volgt; en dan nog meer. Totdat zij die deze eed weigeren af te leggen voor de menigte van de gezworenen openbaar worden en als stakingsbrekers tellen in de strijd van de mensheid om haar eigen voortbestaan.
Want De Bom heeft één ding dan wel bereikt: het is nu een strijd van de mensheid. Wat religies en filosofieën, wereldrijken en revoluties niet hebben bewerkt, namelijk ons echt tot mensheid maken, dat is De Bom gelukt. Wat allen kan treffen betreft ons allemaal. Het instortende dak wordt ons dak. Als morituri zijn wij slechts wij. Voor de eerste keer werkelijk.
Dat daar De Bom voor nodig was, is bepaald niet eervol. Maar vergeet dat maar. We zijn het nu eenmaal. Laten we bewijzen dat we ook als levenden zijn kunnen. En hopen we op de dag waarop we de apocalyptische angst bij kunnen schrijven in het verleden, en dat we van de woorden die ik hier schreef alleen maar meer hoeven te zeggen: ‘Wat een overbodig pathos. ‘ —

1 Uit G. Anders (1980) Die Antiquiertheit des Menschen Band I. München. 5E druk. Cursief vrijwel altijd van GA zelf. Werkvertaling door Jan Anne Bos; ik heb vaak de te lange zinnen van Anders geknipt.

2Ik doe hem vast geen recht bij vertaling van door hem zelf gemaakte woorden.

3Molussië komt in heel Anders werk voor. Niet alleen in zijn roman ‘De Catacombe van Molussie’. Een zelf geschapen, bijna mythische omgeving met eigen taal, stijl, vertellingen.

4Morituri is bij Anders een staande term geworden. ‘Zij die zullen sterven’. Cf Morituri te salutant.

5Creatio ex nihilo: schepping uit niets. Postestas annihilationis: vermogen/macht tot ver-niet-iging. Anders zou het nog liever als ver-nietsing vertaald willen zien, denk ik. Reductio ad nihil: tot niets terug brengen.

6Bijvoorbeeld met de alternatieven ‘Apollonisch’ of ‘Dyonisisch’. Het Apollinische zou dan bestaan hebben in het omzetten van het eindige dat je was in iets volmaakts; en het Dyonisische in de roes om de beperkingen van het eindige op te blazen. Maar die kun je niet meer tegenover elkaar zetten, want we zijn niet meer eindig en hebben die ‘explosie’ al achter ons. (ik denk dat Anders op de Atoombom op Hiroshima doelt; jab)

7Steeds weer kun je horen dat men onze tegenwoordige apocalyptische toestand typeert als ‘Sein-zum-Ende’. Daar volgt dan meestal de opmerking op hoe profetisch Heidegger al dertig jaar geleden met deze term was. De opmerking stelt niks voor. Want Heidegger had met die uitdrukking van toen volstrekt niet een alle mensen gemeenschappelijke apocalyptische toestand willen beschrijven; of ook maar de mogelijkheid van een collectieve zelfmoord. In het eerste decennium na de Eerste Wereldoorlog, bij het schrijven van ‘Zijn en tijd’ was er geen enkele aanleiding voor die gedachte. Hoe infernaal de Eerste Wereldoorlog ook geweest mag zijn, de aardbol als zodanig was niet in gevaar. De ervaring van het eenzame bestaan,- daarvan uit filosofeerde Heidegger destijds. Het was de ervaring van de constant met de dood geconfronteerde soldaat. – Maar hij had evenmin bedoeld dat ieder van ons zou moeten sterven: dat moet daarvoor ook al bekend geweest zijn. Veel meer probeerde hij het geconfronteerd zijn met de dood in het leven zelf onder te brengen, en wel als het enige absolute karakter van het leven. Dat wil zeggen: ieder ogenblik kan het tot tijdelijkheid veroordeelde Dasein te horen krijgen: ‘Stop’. Dat ‘Stop’ kan nu veranderd worden in iets waarin het houvast kan vinden; het enige houvast zelfs. Nu kun je als ‘moriturus’ ‘existentieel’ worden. – Maar dat was zoals gezegd uitsluitend voor eigen gebruik van de enkeling bedoeld, dus voor het sterfelijk individu. Heideggers filosofie is het sluitstuk van het individualisme. Een macaber sluitstuk waarin het individu door niets anders meer bepaald is dan doordat hij aanvaard heeft dat hij zijn sterven niet aan een ander over kan doen.
Het is echter wel te begrijpen dat de gedachte kon ontstaan de term ‘Sein zum Ende’ te gebruiken voor voor de collectieve situatie waarin het mensdom zich nu bevindt. Want Heideggers concept transporteerde de eschatologische verwachting in de taal van het vereenzaamde individu. Hij verving de apocalyps door de eigen dood en daarmee lag het voor de hand, dat men onder druk van het totale gevaar waar De Bom voor staat, de term weer terug vertaalde in de ‘taal der mensheid’. Maar het feit dat dat wel voor de hand lag, betekent niet dat het terecht is. Het is volslagen onbewezen dat de mensheid als geheel in dezelfde zin en op geheel identieke wijze sterfelijk is als de enkeling. Wie de uitdrukking van Heidegger gebruikt voor de situatie van tegenwoordig maakt van de catastrofe automatisch een positief iets: namelijk een kans voor de mensheid om ‘eigenlijk te worden’.

8 het resultaat schiet(!) zijn doel voorbijWolfgang Palaver, Department of Systematic Theology, University of Innsbruck The Deadline [Die Frist]: Gűnther Anders’s Apocalyptic in Light of the Christian Virtue of Hope

9Al bij het laissez faire principe werd voorondersteld dat het einddoel het meest gegarandeerd zou zijn, als alle activiteiten zonder gedirigeerd te worden een vrije concurrentie aan konden gaan. Je hoefde dus alleen het (economische) doel na te streven, omdat dat daardoor dan een soort van tevoren in evenwicht gebrachte harmonie van de activiteiten op zou duiken. Het is niet onmogelijk dat deze verbinding tussen vrijheid (van initiatief) en vertrouwen (in dat gestabiliseerde mechanisme van de middelen) de diepste wortel is van de trend die tegenwoordig heerst om het niet zo over doelen te hebben.

10De idee van een ontologisch onbeschrijfbaar voorwerp is al door Kafka opgeworpen in de beschrijving van ‘Odradek’. – Veel ‘abstracte plastieken’ duiden ook op dit nieuwe type ‘Monster’. Beelden hebben dat nog in hogere mate dan abstracte schilderijen, want ze stellen maar niet iets voor dat abstract is, maar ze zijn ondanks hun massieve realiteit niet iets bepaalds.

11Op de gedenksteen voor dit eerste slachtoffer van de Waterstofbom in Batavia staat:

Kleine visser,
we kennen jouw verdiensten niet.
(Waar bleven we als elke visser verdiensten had?)
Maar je had je zorgen, zoals wij,
net als wij ergens de graven van je ouders,
op een of ander strand een vrouw die op je wachtte,
en thuis je kinderen die je zouden tegemoet rennen.
Ondanks je zorgen vond je het goed daar te zijn.
Net zoals wij. En je had gelijk, Aikichi Kuboyama.
Kleine visser, Aikichi Kuboyama,
aan je buitenlandse naam laten zich geen verdiensten aflezen,
maar we willen die uit ons hoofd leren voor onze korte levensrest.
Aikichi Kuboyama,
Als naam voor onze schande.
Aikichi Kuboyama.
Als onze waarschuwingskreet
Aikichi Kuboyama.
Maar ook
Aikichi Kuboyama,
als naam van onze hoop: Want of je nu
voor ons uitliep, met je sterven, of dat je slechts onze plaats innam –
dat hangt alleen van ons nog af vandaag,
van ons je broeders,
Aikichi Kuboyama.

12‘Science’ July 56.

13Moedig zijn wij, conformisten van tegenwoordig, überhaupt niet meer; wij weten slechts van mee-doen, niet van doen. Wij zijn alleen maar noch driest noch dapper. Driest wil zeggen: je leven voor dit of dat op het spel zetten (en we laten het aan anderen over in het belang ervan te geloven of de waarde ervan vast te stellen). Dat bewijst volledige morele onzelfstandigheid. Of dapper : wil zeggen: in een verschrikkelijke situatie volhouden, (waarin anderen ons gemanoeuvreerd hebben, zonder dat wij hen daarvoor doorgaans aansprakelijk stellen); dat mag wel bovenmenselijk zwaar zijn, maar het bewijst eveneens een gebrek aan zelfstandigheid. In bepaalde situaties kan het zelfs moeilijker zijn. Want het vereist uiterste moed om in een situatie waarin zelfs de lafaard niets anders overblijft dan heldhaftig vol te houden, geen held te zijn. – Moed zou zijn, zelfs onder druk en niet slechts onder druk van de publieke opinie je eigen verantwoordelijkheid te nemen; het erop te wagen; hetgeen onder dictaturen wel helemaal onmogelijk is. Waar men het er toch op waagt (zoals bv het lot van de mensen die de aanslag op Hitler pleegden bewijst) krijgt het het stempel ‘verraad’. In een tijd van conformisme wordt moed bijna synoniem voor verraad; tenminste vindt je omgeving je verdacht.

14Dat het te groot is is niet alleen maar onvoorstelbaar; maar ook nauwelijks te herinneren. Misschien niet eens ‘ervaarbaar’. Ook is de aanblik van duizend vermoorde mensen niet verschrikkelijker dan van honderd. Boven een schok houdt tellen op. –

15Als dat al zo was, – het gaat niet om psychologische noviteiten, het komt er hier op aan de wortels van ons falen bloot te leggen. En dat is meer dan vinden.

16Deze opmerking heb ik weggelaten. Leek me te ver te voeren.

17Het is opvallend dat het vocabulaire van de met zich zelf vechtende mens sleets wordt of dat al is. De uitdrukking ‘mit sich ringen’ die een generatie geleden nog heel gebruikelijk was ook onder de jeugd, klinkt nu stoffig, pathetisch en ongeloofwaardig.

18Zie p. 36 e.v.

19Niet meevertaald, jab

20De stelling dat vooruitgangsgeloof ‘out’ is, is veel te ongespecificeerd. In de VS en Rusland bloeit ze nog; en in ontwikkelingslanden komt ze pas aan haar zegetocht. Maar het verandert wel fundamenteel : langzaam wordt ‘vooruitgang’ tot ‘projecten’. Het verliest zijn ‘ijzeren wetmatigheid’; dat is ontegenzeggelijk. De prognose ‘einde van het begrip vooruitgang’ was karakteristiek voor het ineengestorte Europa anno 1946. Globaal gezien is de prognose onjuist.

21Nog voordat onze voorouders het godsbegrip deïstisch verdunden hadden ze de duivel al in een allegorische figuur veranderd. Eer ze God hadden dood verklaard was de duivel al omgebracht; voor ze de hemel aan de muziek overlieten was de hel al een theater. In de vormingsgodsdienst van onze ouders – zelfs van hen die niets moesten hebben van uitgesproken atheïsme ontbrak de angst voor de hel zo volledig, dat ze het gebrek niet eens merkten.

22Toen de burgerij van de 20e eeuw het geloof in de vooruitgang op gaf, kwam er in de plaats van ‘beter worden’ niet een ‘kwaad einde’ als tegenpool,maar de idee dat het heden (natuurlijk in meer of mindere mate van beeldspraak) ‘de hel’ is. Dat ging al op voor Strindberg, en dat is sindsdien (bij Celine, Kafka en de vroege Sartre) niet anders geworden. Maar al hadden deze schrijvers hun hoop op vooruitgang reeds opgegeven, toch hingen ze er nog vanaf, op een polemische manier. Want een toekomst die niet vooruit ging, konden ze zich niet voorstellen, geloofden ze ook niet meer aan toekomst, want ze geloofden niet meer aan vooruitgang. Met ‘de betere toekomst’ zeefden ze het begrip ‘toekomst’ uberhaupt uit. Die verandering was typerend voor een geslacht, dat stammend uit de burgerij die in de vooruitgang geloofde, het vertrouwen in het opklimmen van hun klasse verloren had. Noch in het christelijke concept noch in wat voor politiek concept dan ook, is ooit sprake geweest van zo’n toekomstloosheid. Zie bijvoorbeeld de wereld van Godot bij Becket. Het beslissende punt is dat die toekomstloosheid niet omsloeg in de verwachting van Apocalyps; ze bepaalde de huidige werkelijkheid nu als de hel. Ook nihilisten zijn apocalypse-blind.

23Maar als er toch iemand is, die niet klaar komt met het feit van sterven, en de vooruitgangsfilosofie met vragen lastig valt, dan laat die volledig verstek gaan. De socialistische variant van de vooruitgangsfilosofie net zo goed als de burgerlijke. Maar dat gebeurt niet al te vaak, omdat ze immers haar kinderen nog voor dat ze op de gedachte komen vragen te stellen, de mond al gesnoerd heeft met haar optimistische antwoorden. De kracht van een wereldbeschouwing wordt immers niet bewezen door de antwoorden die ze weet te geven, maar door de vragen die ze weet af te poeieren.

24Dat is toch fundamenteel anders geworden. Het begrip ‘vooruitgang’ is vervangen door ‘project’; dus door planeconomie. Daar is de toekomst een soort ‘ruimte’ geworden namelijk waarbinnen de planning gerealiseerd moet worden. Daardoor is de tijd van een ‘vorm van waarneming’ veranderd in een ‘vorm van productie’. De klassieke vragen zoals of men de toekomst kan ‘voorzien’ slaan tegenover die toekomst nergens op. De tijd (?) is nou net niets anders dan het schema van vooruitzien. – Cum grano salis kun je zeggen dat het begrip ‘voortgang weer terug gekeerd is bij ‘Voorzienig’, waar het ook vandaan kwam. Alleen, dit keer gaat het om een menselijke voorzienigheid.

25Anders neemt het niet letterlijk over van de eerste pagina. Maar vertaald is het ongeveer: je moet de wereld omarmen, alsof het je dorp is.

26In het Duits: ‘dasz uns nichts eingeht was uns nicht angeht’. Jab

27Eigen constructie van Anders; variant op ‘pecunia non olet’, geld stinkt niet. jab

28De werknemer wiens ziel onrustig wordt door zijn mede-arbeid is een absoluut nieuwe verschijning; die had je niet voordat de atoombom werd gemaakt. Dit type kan zich niet van de ene op de andere dag ontwikkelen. Het geval Oppenheimer geeft aan, dat de mens met morele scrupules zich niet moreel slecht acht, omdat hij scrupules heeft want die vindt hij moreel dubieus, omdat hij een niet aangepast persoon is. Maar het fenomeen scrupules is ook nu nog uitzondering. Grondhouding is en blijft vooralsnog ‘non olet’. Dwz het staat als axioma vast, dat arbeid niet door wat het oplevert in diskrediet gebracht kan worden. Dat axioma is niet slechts noodlottig omdat het de afschuwelijkste misdaden een vleugje argeloosheid geeft, maar omdat het plat nihilisme is. Want als het grootste deel van de menselijke activiteit – en je werk is dat grootse immers – aan de menselijke moraal onttrokken wordt, dan eindigt dat daadwerkelijk in de heerschappij van nihilisme.

29Met automatisering wordt omgekeerd het geweten de definitief vervangen door de exactheid van mechanisch functioneren. (ik denk dat Anders bedoelt: in die richting hoeven we het dus niet te zoeken! jab)

30Jouw toekomst daar zorgen anderen wel voor. (jab)

31Vrij: Bij twijfel gaat de beklaagde vrijuit.

32Als wij Europeanen van tegenwoordig het uiteindelijke resultaat van die botsing ‘puur asiatisch’ noemen bewijst dat alleen maar dat wij totaal niet in staat zijn ons zelf te herkennen in de effecten die we te weeg brengen.

33Deze abrupte verwoesting van de Russische intellectuelen van de 19e eeuw was vermoedelijk slechts het eerste voorspel van andere verwoestingen, die nog komen. Die abruptheid veroorzaakte een trauma in de vorm van het nihilisme, maar dat is slechts een precedent. Veel te weinig realiseert men zich wat het betekent dat miljoenen niet-Europeanen in wier geestesgeschiedenis geen enkele aanwijzing voor een naturalistisch mens – en wereldbeeld zit, in eens aan dat begrip waren bloot gesteld. Voor de meerderheid van de huidige mensen is de eeuw van de natuurwetenschappen met de ontploffing van de Atoombom begonnen.

34Hoogst karakteristiek is wel, dat zelfs bij een nihilist die de overwinning van het nihilisme aankondigt monisme de basiservaring blijft. Nietzsche denkt bijvoorbeeld met de ‘eeuwige wederkeer’ die overwinning te kunnen voltrekken. Maar dat is alleen maar een ‘Ja’ tegen de heerlijkheid van het zinloze; het is geen natuur-zijn dat een ‘gebod’ in zich heeft. En dat is wel zo plausibel, want het begrip van de ‘eeuwige wederkeer’ is blijkbaar uitgevonden onder druk van het fysische begrip van zijn; naar het model van de herhaalbaarheid die bij het model van het natuurwetenschappelijk experiment hoort. Nietzsche stelt als gewelddadige oplossing voor om niet in dat zijn te springen; meng je niet in de ‘grote middag’ van wat zinloos verder en verder draait. En afgezien van de hymnische toon, stelt dat eigenlijk niets anders voor dan de ellende die de nihilist anders totaal in vertwijfeling brengt. (Want hij kan immers niet ontkennen, of meent niet te kunnen ontkennen, dat hijzelf een stuk van deze zinloze, en ‘ungesollte’ wereld is. Deze conclusie van Nietzsche loopt eropuit dat ‘Jenseits von Gut und Böse’ dat beslist geldt als karakterisering van de natuur, toch zelf iets wordt dat ‘gesollt’ is.

35System, 2. Teil, S 31.

36Kropotkin heeft geprobeerd dit dilemma de wereld uit te helpen, door te wijzen op ‘de wederzijdse hulp waarvan in de natuur’ sprake is. Dat deed hij natuurlijk niet toevallig in het land, ja in de sfeer van het nihilisme. Maar het was filosofisch flauw, want handelingen in de natuur die iets op moraal lijken, hebben nooit de verplichting van de moraal kunnen funderen.

37Zulke omkeerbare vergelijkingen cf ‘Studies in Philosophy and Social Research’ N.Y. 1940 S. 464 e.v..

Een reactie op Over De Bom en de wortels van onze Apocalypse-blindheid

  1. Pingback: Weer tekst van Günther Anders | Vrede is beweging

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s