De schreeuw

(Fabel van Günther Anders voor de slachtoffers van de bom op Hiroshima en Nagasaki. Staat in “Hiroshima ist überall” p 88-95.)

AtoombomNagasakieffect

Atoombom op Nagasaki

Toen de vuurgloed die feller oplaaide dan duizend zonnen, opgeflitst was boven de daken van de stad – kijk, er waren nu geen daken meer- stegen de zuchten, het klagen en jammeren op in de lucht en voegden zich bij elkaar boven de plaats van verwoesting, en stegen op om de oren van de daders te bereiken.
Als een enorme zwerm vogels gingen ze naar het Oosten: als jammerende voorhoede de zwerm zuchten; daar sloten zich de huilende pijnkreten bij aan; en als laatste donderend de eindeloze rij verschrikkelijke schreeuwen. Daar vlogen ze weg over de oceaan; en toen ze de kusten bereikt hadden (verder)  over de bergen en vlaktes van Amerika.
Toen de eerste het einde van de reis bereikten en de stad Washington zagen opdoemen, vredig uitgespreid in het morgenlicht en niets vermoedend van de vuurgloed die feller dan duizend zonnen opgeflitst was boven een andere stad, gleden ze naar beneden. En nadat ze als een zonsverduistering [ 89 ] torens en koepels in wijde bogen hadden omvlogen, stortten ze zich recht naar beneden door het open venster, rechtstreeks de kamer in en stopten die helemaal vol. Zo vol dat de stroom die achter hen aan kwam zich meteen tegen de vensterbank begon op te stapelen. De volgende vonden daar geen plaats meer en moesten zich beperken tot het als een wolk tegen de gevel van het huis heen en weer bewegen, om af te wachten hoe hun verwanten nu in hun plaats hun plan zouden uitvoeren. Want dat daar binnen de dader lag, de man om wie ze hun reis waren begonnen, daar twijfelde niemand aan.
Je zou denken dat een minder buitengewone storing de slaper ook wel had moeten wekken. En dat hadden de aangekomene natuurlijk ook verwacht. Daar stonden ze nu alleen maar te spieden (dicht op elkaar gepakt, elkaar op de schouders slaande met hun vleugels, en velen zaten zelfs op het voeteneinde van zijn bed). Ze schenen geen andere taak te hebben dan de slaper te bewaken, om maar in geen geval het eerste trekken van de mond te missen, of het moment dat hij op zou schrikken en beseffen dat hij door hen omringd en een verloren man was. Zo wilden ze te werk gaan en dat deden ze nu ook. Alleen speelde hij niet mee. Want die daar lag te slapen met de mond half open, scheen zich niet in de ruimte te bevinden waar zij waren, maar op een andere planeet; hij scheen niets te hebben met dat wat zij zich hadden voorgesteld. Want het was überhaupt geen man die daar voor hen lag, maar een knaap. Een knaap die met glimlachend jongensgezicht de slaap des rechtvaardigen sliep; en die, hoe scherp ze hem ook bekeken en hoe grappig ze ook op zijn borst rond hupten, er niet aan dacht zijn gerechtvaardigde slaap te laten onderbreken. Je kunt eigenlijk alleen maar zeggen: wat er gebeurde was dat er niets gebeurde.
Op niets waren ze natuurlijk minder voorbereid dan op dit niets. De man die ze op hun tocht hierheen voor zich hadden gezien had de duistere trekken van de vijand vertoond, het gesloten gezicht van een bruut, het masker van een verwoester. Op zo’n masker waren ze voorbereid geweest; daar waren ze gebrand op. [ 90 ] Ze wilden het oor van zo’n maskerdrager binnendringen en dan in zijn ziel; en indien nodig met geweld hem laten weten wat hij aangericht had – dat hadden ze zich voorgesteld als hun doel, als uiteindelijke genoegdoening.
Maar deze hier – zo een als deze hadden ze niet gedacht. Deze droeg immers geen masker, nog niet eens een gezicht. Want hoe zouden ze dat wat hier voor hen lag, dat onuitstaanbaar zwakke, – dat lag er maar zonder woede, zonder verzet, en lachte peilloos diep, – een ‘gezicht’ hebben kunnen noemen. Ze waren duizenden mijlen hier vandaan opgestegen, om de man te bereiken op wiens woord het licht opgeschoten was dat helderder schitterde dan duizend zonnen, en op wiens wenk alles wat hun wereld geweest was, tot niets vervallen was. Zo’n vernietiger terugvinden in zo’n kleine, een zo grote schuldige in zo’n schuldeloze, dat konden zij in hun verduistering niet klaar krijgen. Zeer te begrijpen dus dat geen van hen de lust had en ook geen van hen de kracht daartoe kon opbrengen om hun plan uit te voeren en deze misdadiger de oren vol te schreeuwen. Veel meer schudden ze hun hoofd na hem zwijgend verbijsterd en verlamd aangezien te hebben; ze keken elkaar radeloos aan, sommigen begonnen zelfs (alsof ze hier uit die kamer wilden die hun niet pluis leek, en zo snel mogelijk naar buiten) te duwen, en enige andere die (als een van de buiten geblevenen vroeg, wat er allemaal aan de hand was en waarom er dan überhaupt niks gebeurde) in solidaire irritatie terug schreeuwden dat hij zeker nog steeds niet in de gaten had dat ze de verkeerde kamer hadden of zelfs het huis of de stad. En hij kon makkelijk mekkeren; en als hij zou zitten waar zij nu zaten, dan zou hij vast en zeker erkennen net als zij dat deze slaper hun man niet kon zijn. Kortom: hun expeditie had eigenlijk haar kracht al verloren, en vermoedelijk hadden ze die al gauw afgeblazen, als er niet één onder hen was geweest, die op dat ogenblik ingreep. De schreeuw van de verblinde namelijk, die (niet begrijpend wat de anderen ervan weerhield hun plan uit te voeren) op zijn heftigst erop aan drong bij het oor van de schuldige te mogen. Geen wonder dat zij die de moed al zo ongeveer verloren hadden in deze armste broeder hun laatste hoop zagen; ze fluisterden: [ 91 ] ‘Laat hem!’ en ‘Hij is immuun voor zijn schoonheid!’, en ze schoven hem op het bed.
Maar geloof maar niet dat daarmee de moeilijkheid opgelost was. Het is niet te betwisten dat een blinde het makkelijker heeft dan zijn ziende en daardoor makkelijker te verleiden broeders. Om zijn plan uit te voeren hoefde hij niets anders te doen dan zijn scheur open te zetten en in het voor hem liggende oor van de slaper te krijsen. Je kunt hem ook niet verwijten dat hij dat onhandig gedaan zou hebben, of dat het hem ontbrak aan trefzekerheid en vocale sterkte. Integendeel: zijn proefschreeuw was zo scherp en gillend, dat hij er zelf ook van schrok, en scheurde je trommelvliezen zo heftig dat de anderen dachten dat de bliksem die helderder dan duizend zonnen geflitst had, nu ook deze kamer had getroffen. Ze putten zelfs nieuwe moed uit zijn ontzettende schreeuw: want ze konden zich niet voorstellen dat er een levende ziel zou zijn, die zo geluidsdicht kon wezen dat zo’n signaal niet tot hem door kon dringen en in zijn binnenste zou worden getroffen. ‘Hij is onze gezant’, fluisterden ze dus, ‘dat is onze mond’ en : ‘Hij is de redder uit onze nood’.
Maar ten onrechte. Want nu zaten ze daar voor de tweede keer naar de slapende te staren, om in geen geval het ogenblik te missen, dat deze ontzet door deze ontzettende schreeuw, zou opveren en zelf met een luide schreeuw wakker zou worden – maar weer bleef alles bij het oude. Weer lag de slapende zoals hij erbij gelegen had; en weer of nog steeds was het enige wat gebeurde, dat er niets gebeurde.
Natuurlijk zult u zeggen: ‘De schreeuw van de blinde zou toch niks uitgehaald hebben; en hij had zijn plaats moeten afstaan aan een grotere broer, een van hen die op de vensterbank zaten, of van die daar buiten, die in reusachtige formatie tegen de gevel op en af golfden. Een daarvan zou het zeker gelukt zijn.
Maar zo eenvoudig is de zaak helaas ook weer niet. Zelfs als de grootste van hen op de proppen was gekomen om zijn verschrikkelijke stem te laten horen – dan zou hij niet alleen niet succesvoller geweest zijn, maar zelfs minder succes boeken. Want de blinde was niet mislukt omdat hij te zwak geschreeuwd had; maar omgekeerd omdat hij barstte van de onverdraaglijke pijn en de overmatige woede; hij kon alleen maar [ 92 ] te sterk en te schel schreeuwen. Zijn stem was te groot geweest om door de smalle deur van het gehoor in de ziel van de slapende door te dringen. Want niet alle berichten mogen daar binnen. Die een bepaalde maat te boven gaan blijven buiten, en vallen op de grond en raken daar in verval. Al stortte de wereld in elkaar, – de man zou de herrie niet vernemen. Want niet alleen het te kleine kun je niet waarnemen, maar ook het te grote.
Maar dat wisten ze immers niet. En omdat ze het niet wisten maakten ze weer niets klaar. Ze vielen weer terug in radeloosheid, wisselden vreemde blikken met elkaar, lieten weer de moed zinken, en maakten zich weer klaar hun expeditie op te geven. Dat zouden ze ook zeker gedaan hebben, als er niet ook dit maal één had ingegrepen, en ook weer op het laatste moment. Dit keer was het de verstomde; hij zwaaide vertwijfeld om zich heen en meldde op zijn manier dat hij niet van plan was deze stille man zijn verwijten te onthouden en ervan af te zien hem uit te leggen wat het is om een verstomde te moeten zijn. Of zijn broeders hem op lieten treden omdat ze het lef niet hadden hem, de beklagenswaardigste van hen allen een wens te weigeren, of omdat ze elke poging iets te ondernemen zelfs deze uiterst tegen-zinnige, altijd nog beter vonden dan helemaal niets, blijft een open vraag. In elk geval maakten ze wat plaats om bij de slaper te komen zodat ze een derde poging konden opzetten om contact te maken.
Als je van ‘contact opnemen’ mag spreken. Want het is echt moeilijk de vraag te beantwoorden hoe je  de handeling die nu begon zou moeten noemen. Tenslotte was de scène die een duet wilde wezen nog niet eens een solo-act, maar een niets, dubbel niets: want ze werd gespeeld door twee volledig ontoereikende wezens: de een die geen tonen kon laten horen, de andere die geen tonen kon horen.
Maar geloof nu niet, dat u licht kunt denken over de confrontatie van de stomme met de dove, of dat u het recht hebt er een verzonnen beeld in te zien of een eenmalige en daarom betekenisloze gebeurtenis. Want hoe vreemd dat ook mag klinken, geen opzetje in ons bestaan is alledaagser dan dit. [ 93 ] U zult toch ook niet willen bestrijden, dat we in een wereld leven waarin sommigen monddood blijven en andere doof; en dat wat wij ‘verkeer tussen mensen’ noemen meestal uitloopt op dat verkeer tussen doven en stommen. Dus. Alleen bent u dan – en dat maakt het verschrikkelijke eerst echt verschrikkelijk – vooral te blind om uw eigen stomheid en de doofheid van de anderen te zien. En dan bent u niet in staat in de scène die ik net vertelde uw eigen situatie te zien.
Daar zat de stomme dan, woest met zijn vleugels slaand om met zijn zinloze optreden te beginnen. Het was natuurlijk onjuist om te beweren dat hij zijn situatie niet door had, dat hij niet wist dat zijn verminking definitief was. Maar hij wist dat alleen maar, en wat stelt dat nu helemaal voor? Door zijn toorn, zijn woede, zijn vertwijfeling en door zijn ingewikkeld optreden bewees hij hartverscheurend hoe machteloos dat weten is en hoe weinig de toestand zijn toestand was geworden. U kent die oorlogsinvaliden wel, die na het verlies van hun handen nog lange tijd, zo niet voor altijd ‘mensen met handen’ blijven en die in hun ledematen die al lang vergaan zijn nog steeds de meest verschrikkelijke pijnen voelen. Op die beklagenswaardige mensen leek hij: hoewel van zijn stem beroofd, bleef hij nog altijd een schreeuwer: dus niet in staat te leren dat het mogelijk is geen stem te hebben; en niet in staat te geloven dat wie schreeuwen moet niet ook schreeuwen kan. Want het toneel dat hij nu opvoerde, zich in de meest tegen-zinnige en verschrikkelijke bochten draaiend, dat bewees dat hij het ongelooflijke feit van zijn stomheid nog niet had geaccepteerd, en dat hij tegen alle beter weten in ten diepste ervan overtuigd gebleven was ergens wel een positie te kunnen vinden waarin bewezen moest kunnen worden dat dat ongelooflijke feit niet juist was. Ik bespaar u de gedetailleerde beschrijving van de krampen en spasmen in zijn lijf. Want zelfs zijn broeders schenen zich te schamen om zijn woordeloos gevecht tussen hoop en vertwijfeling te volgen, en ze wachtten met afgewende hoofden. Ze zagen tenslotte niets meer dan alleen het laatste verstarde beeld van deze erbarmelijke scène: de stakker in een stand die de stem van de meest gezonde mens zou hebben afgesnoerd; [ 94 ] bevend over zijn hele lijf en met wijd opengesperde snavel, zo wijd dat er niets anders meer te zien was dan het rood van zijn strot. Hij zag eruit als een enorme jonge vogel, die om voedsel schreeuwt. Dat was dus zijn schreeuw. Die schreeuw maakte de geluidloosheid die toch al in de kamer hing nog meer geluidloos. En de man voor wie de schreeuw bedoeld was, en die daar maar bleef liggen zoals hij gelegen had, ademde gelijkmatig verder onaangedaan, onaantastbaar, met zijn gemene jongensgezicht. U zult wel begrijpen dat die nog dover leek dan voorheen. En ook dat het evenement nu echt ten einde was. En dan ook het ergste wat we hieruit leren moeten: slachtoffers tellen niet meer mee, want ze kunnen niets meer vertellen – dat zal dat beeld van die stomme (slaper) u wel voor goed bijgebracht hebben.
Want het is nog veel belangrijker dat ze tenslotte toch een uitweg vonden. Dat ze namelijk besloten dat elk van hen er zelf op uittrok om een oor te zoeken, dat meer bereid was zich te openen dan het eerste oor dat ze bezocht hadden. Ze verhieven zich op de avond van die onzalige dag boven de daken van Washington als een grote zwerm die eens boven de daken van Hiroshima zweefde; nu echter niet om bij elkaar te blijven, maar om zich te verspreiden. Ze splitsten zich in tweehonderdduizend stipjes, die elk hun eigen weg namen.
Het is wel is waar onbekend hoeveel van deze losse schreeuwen al geslaagd zijn in hun missie, maar zo veel weten we wel, dat ze steeds weer welkom waren bij mensen die al jaren wachtten om dergelijke gasten waardig te mogen ontvangen. En als u  zo’n mens bent en nog nooit van elkaar gehoord hebt dan bent u toch niet alleen. U hoort toch bij elkaar. Want welke schreeuw u ook opgepikt hebt, dat was ook een deel van de ene grote schreeuw van Hiroshima; dus bent u nu ook [ 95 ] een deel van die ene grote familie van hen die niet vergeten wat er is gebeurd en die de dreiging niet zullen laten begaan.

Advertenties