Omdat Hiroshima overal is

(In zijn dagboek uit Hiroshima en Nagasaki
vertelt Anders zo’n schitterend verhaal
dat ik dat ook maar apart weer geef.
Hij ensceneert het tijdens een nachtelijke vlucht
boven de woestijn van Saudi-Arabië.
Voor twee kinderen naast hem in het vliegtuig.
Ik vind het ontzettend knap in elkaar zitten.
Beetje Guus Kuijer.
Anders maakte ook een toneelspel op het Noach verhaal.)

 

Niets te zien. Onder ons zou Saudi-Arabië moeten zijn. Woestijn. – Mijn buren: een keurige Australische dominee, half Dickensiaans, half mid-western, met zoon van tien en dochter van acht. Beide kinderen vriendelijke reuzen: braaf, maar een kop groter dan ik, houthakkers gezichten, houthakkers handen, schoenmaat vioolkist. –
De geografische interesse van de familie is uitsluitend Bijbels bepaald. Bij het woord ‘woestijn’ denkt de man meteen aan Hagar. Dus vertelt hij zijn kinderen die geschiedenis (zij het zo gekuist dat je het bijna niet herkent) van de op staande voet ontslagen Hagar. Je krijgt het gevoel dat de stakker op dit moment met zand in de schoenen daar beneden door de nachtelijke woestijn op een tankstation met de naam Sur afstevent, om God daar aan te roepen en hem haar beklag te doen over het onrechtmatige ontslag.
De zachte reuzin gloeit van verontwaardiging, ze snapt de reden van ontslag niet; terwijl de reus helemaal niet luistert, maar voortdurend aan zijn camera prutst: want hij heeft de idée fixe dat onze route de volgende morgen over Ararat voert, en hij is bang dat hij met de snelheid van ons vliegtuig  het moment mist voor de opname van de Ark van Noach. Als ik hem aanwijs op de vliegkaart dat we ons honderden mijlen ten Zuiden van Ararat bevinden, en hem verzeker dat de resten van de ark zelfs dan onzichtbaar zouden blijven, als we haarscherp over de top van de Ararat zouden vliegen, heeft hij moeite om zijn tranen te bedwingen. Om de reus te troosten bied ik hem een paar mooie originele piramiden aan die hij kort voor de landing in Caïro kan ‘schieten’, maar tevergeefs: het boek Exodus interesseert hem niet, tenminste niet zoals het boek Genesis. –
Als Hagar de wilde Ismaël (wiens achterachterkleinkinderen nu in de woestijn beneden ons liggen te slapen) en Sara Isaak (wiens achterachterkleinkind ik ben) gebaard hebben, beide vrouwen dus tot hun recht zijn gekomen, word ik uitgenodigd op mijn beurt een verhaal te vertellen. Ik maak gebruik van de fixe idée van de knaap en vertel een paar niet helemaal officiële details uit het leven van Noach.

‘de verkeerde antwoorden’.

Noach ging, een maand na de aankondiging van de vloed en vier maanden voordat die losbarstte een luchtje scheppen in de eenzaamheid; met beklemd gemoed want er stond geen boom of hij wist dat zijn dagen geteld waren,  –
Hij hoorde achter een klein bosje de heldere klank van een bijl. En toen hij op de klank af ging: kijk, daar stond een bebaarde man voor hem die enthousiast op een boom inhakte. Zwijgend bekeek Noach de arbeider. ‘Zeg eens,’ vroeg hij eindelijk, ‘wat doe je daar eigenlijk? ‘
‘Ik hak een boom  om’, zei de man schouder ophalend. –
‘Dat zie ik’, zei Noach, ‘maar waarvoor?
‘Voor een huis’.
Hij dacht het verkeerd gehoord te hebben.
‘Ja, maar heb je dan niet gehoord van de vloed?’ vroeg hij.
‘Ach schei uit met je vloed’!, bromde de baardman.
‘Met
mijn vloed’? vroeg Noach verbijsterd.
‘Ja, denk je soms dat-ie van
mij is?’ kaatste de man terug. ‘Wat kan ik er nou tegen doen?’ Na dat gezegd te hebben hakte hij weer op de boom in. Noach keerde zich verdrietig om en ging weg.

Toen Noach een maand later op dezelfde weg weer een luchtje ging scheppen in de eenzaamheid; met bloedend hart dit keer want de bomen verrieden met hun geruis dat ze maar heel weinig afwisten van hun ondergang. Daar hoorde hij achter dat bosje de heldere klank van een zaag. En toen hij op het geluid afging, kijk, daar stond een geurige stapel planken, die voldoende zou zijn geweest voor een hele ark.
‘Nog steeds voor dat huis?’ informeerde hij.
‘Waarvoor anders?’ bromde de baardman terwijl hij verder zaagde.
‘En de vloed?’ vroeg Noach.
‘De vloed! De vloed!’, herhaalde de man, ‘heb ik je niet gezegd dat ik voor zoiets geen tijd heb?’
‘Helaas’ bevestigde Noach.
‘Wat is er met ‘helaas’? , zei de man ongeduldig, ‘Moet ik mijn werk soms half afgemaakt laten liggen? Ik moet toch aan de toekomst denken!’ –
Noach dacht dat-ie het verkeerd verstaan had.
‘Man´, zei hij eindelijk ‘als je geen tijd hebt voor de vloed, zul je binnenkort nergens meer tijd voor hebben; en niet alleen je werk zal ‘half af’ blijven liggen maar ook jij en de toekomst van je kinderen.’
Nadat gezegd te hebben ging hij treurig verder.

Toen Noach voor een derde keer een luchtje ging scheppen in de eenzaamheid; deze keer vertwijfeld want hij had zich gedrongen gevoeld de bomen te troosten, en hij moest ervaren dat zelfs troostwoorden geen gehoor vonden.
Hij hoorde van achter dat bosje de heldere klank van een hamer. En toen hij op het geluid afging, kijk: daar stond het huis half af. En de baardman stond op een ladder en timmerde al aan het vensterkozijn.
‘Moet ik je voor de derde keer waarschuwen?’ vroeg Noach.
De man wierp hem een woedende blik toe, want hij had zijn mond vol spijkers.
‘Als je die vloed bedoelt, spaar je je moeite maar’, siste hij tenslotte.
‘Maar ze komt!’, zei Noach.
‘Sinds maanden zeur je me al met die vloed aan mijn kop! Altijd diezelfde vloed! Als je nu eens iets nieuwers uit de kast haalt!’
Noach dacht het verkeerd verstaan te hebben. ‘Nieuwer?’ vroeg hij.
‘Ja zeker’ bevestigde de man.
‘Het ‘nieuwste’ schijnt nog niet tot je doorgedrongen te zijn,’ zei Noach nu.
‘Kijk aan!’ riep de man en hield zelfs op met timmeren, ‘Voor de draad ermee! Wat is er?’ ‘Dat wie vandaag naar ‘iets nieuwers’ vraagt van gisteren is’, antwoordde Noach.
De man fronste zijn wenkbrauwen.
‘Omdat’, verduidelijkte Noach, ‘de tijd waarin je iets nieuwers mocht verwachten of iets nieuwers mocht plannen, voorbij is.
Toen pakte baardmans zijn hamer weer op.
‘Dat zou wel het nieuwste zijn!’ hoonde hij.
‘Zeker, dat is het’ bevestigt Noach. ‘Want het nieuwste is, dat wat gisteren het nieuwste was, ook nu het nieuwste is, namelijk dat wij niet weten of er überhaupt nog nieuwe dingen zullen zijn. Tenzij wij het op ons fatsoen trekken. Vandaag even goed als gisteren.’
Zo sprak hij en ging treurig weg.

Toen Noach weer een maand later in de eenzaamheid een luchtje ging scheppen; nu zelfs met God twistend omdat de onschuldigen even hard veroordeeld werden als de schuldigen, hoorde hij een uitgelaten lawaai. Toen hij op het lawaai afging, kijk: daar stond het kant en klare huis, en uit de schoorsteen steeg vredig de eerste rook. Maar voor het huis stond een menigte luidruchtig te zijn, en het scheen dat er feest aan de gang was. Want de baardman danste daar rond met zijn zonen, en zijn mooie vrouwen en kinderen; het waren er vast wel vijftig.
Noach dacht dat hij het niet goed zag. ‘Stop!’ schreeuwde hij tenslotte. Stop! Zijn jullie de vloed vergeten?!’
Nauwelijks had hij dat geroepen of de oude stopte met dansen, rukte zich los,  hief zijn arm omhoog en wees met zijn wijsvinger naar Noach.
‘Daar is hij dan’, gromde hij en zijn stem klonk niet alleen aangeschoten, maar ook gevaarlijk vrolijk.
‘Daar hebben we dan onze man van de vloed. Willen jullie hem ook niet eens een keer horen? Zal ik hem eens wat vragen?’
‘Vraag hem’, riepen ze allemaal en maakten sprongetjes, alsof het optreden van Noach een theaterstuk was, dat de oude voor hen had gearrangeerd.
‘Vraag maar’ zei Noach.
‘Rustig maar,’ zei de oude.
En nadat hij zijn mensen met een knipoog tot zwijgen had gebracht: ‘Dus jij, beste Noach, jij meent toch niet werkelijk dat de vloed, als die zou komen, jouw beroemde vloed…’ – ‘Die
komt‘, verbeterde Noach.
‘Jazeker, natuurlijk komt ze! Dus als ze komt, jouw beroemde vloed..’
‘Ze is niet de
mijne…’, verbeterde Noach.
‘Juist’, schreeuwde de oude, weer met zijn wijsvinger naar hem wijzend, ‘ze is inderdaad niet van jou. Maar waarom zal ze dan
van mij zijn! Waarom moet ze dan ons treffen. ‘Maar’, zei Noach. En dit ‘maar’ had de oude willen provoceren en oproepen.
‘Hebben jullie dat gehoord?’ schreeuwde hij, dolblij, ‘hebben jullie dat gehoord?
Ons gaat het treffen. uitgerekend ons. Nu zie je wat voor man het is! Alsof zo’n vloed enkelingen treft. Die raakt toch alleen maar de hele wereld.’
Waarom hij deze zin zo komisch vond; en niet alleen hij vond dat, maar ook heel zijn familie (want ze barsten nu weer uit in gekrijs en sloegen elkaar op hun achterste) dat snapte Noach niet. Maar hij kreeg geen gelegenheid meer om uitleg te vragen over het woordje ‘alleen maar’ en door te vragen met : ‘En wie is dan de hele wereld wel?’ Want toen hij op het punt stond zijn mond open te doen, kreeg hij een steen tegen zijn hoofd, en bloed stroomde over zijn lippen.
Hij draaide zich bedroefd om en ging weg.

Toen Noach een maand later aan het venster in de ark stond; zijn gezicht was nat van de stortbuien die van de hemel naar beneden kwamen, – meende hij hulpgeroep te horen en blaten van bange dieren. Hij liet zijn blik over het water dwalen en kijk: daar ontwaarde hij links een kluwen mensen boven de zeespiegel; hij kon hoofden van mannen, vrouwen en kinderen onderscheiden, en zag dat ze hem wenkten.
‘Hou vol!’, riep hij terug, ‘ik kom! Ik kom al!’
Hij gaf meteen bevel om de steven te wenden en de drenkelingen te redden. Koortsachtig werkten allen die aan boord waren mee, en hij zelf ook – maar neen hij redde het niet om
hem te redden die gezegd had:
‘Ja, je denkt misschien dat het mijn vloed is” en
‘Wat kan
ik nou uitrichten tegen de vloed?’ en
‘Ik heb geen tijd voor die vloed’ en

‘Weet je nou niks nieuwers dan die vloed?’ en
‘Denk je dan dat die vloed ons treft?’ en
‘Die treft toch de hele wereld?’
Daarvoor waren zijn goede wil en erbarmen niet groot genoeg. Want de storm kon hij niet commanderen. En daar dreven ze al weg van de wenkende mensen.
Toen die dan uit zicht waren sloot Noach het venster in de ark, en ging naar binnen in het schip. Hij dobberde over bossen en bergen en misschien wel over zijn eigen dorp; daar zat hij ineengedoken in het donkerste hoekje van zijn ark en huilde. Maar niet over de vloed. Ook niet over de slechtheid van de mensen. Maar over hun domheid.

Dat vertelde ik en zweeg. De dominee zweeg ook. Zijn zoon die uit woede over de verloren ark zijn camera aan barrels had geslagen, eveneens. Stom zweefden we over de woestijn van Saudi-Arabië. Toen zag ik dat de lieve reuzin iets wilde weten maar te verlegen was om als eerste haar mond open te doen. ‘Wil je wat vragen? ‘
‘Ja. Staat dat in uw Bijbel? Niet in de mijne.’
‘In de mijne ook niet.’
‘Dus u hebt dat verhaal maar verzonnen?’
‘Dat nou ook weer niet’.
‘Maar?’
‘Ik heb alleen maar verteld wat elke dag gebeurt’.
De dominee grijnsde naar me.
‘Elke dag?’ vroeg de reuzin.
‘Elke dag.’
‘En waar gebeurt dat elke dag?’
‘Overal.’
De reuzin schudde haar hoofd. ‘Snapt u dat, Papa?’
‘Ja natuurlijk’, antwoordde haar vader. ‘Snap je dan niet dat mijnheer een verhaal over het Jongste Gericht vertelde?’
‘O!’
‘Ik had dat ook niet gesnapt’, zei ik.
Dat wilde de dominee niet geloven. ‘Maar daar slaat het prima op!’
‘Helaas, ja. Maar ik heb erbij aan iets anders gedacht. Ik kom namelijk uit Hiroshima’

Stilte. De dominee staart me verbijsterd aan, de beide kinderen zijn vol bewondering, hoewel ze zelf van nog veel verder weg komen. Alsof ik van de maan kom.
‘En waarom zegt u dan dat uw verhaal overal gebeurt?’
Op dat moment komt de stem uit de cockpit: ‘De lichten rechts zijn de havens van Port Said. We vliegen boven het Suez-kanaal.’

‘Omdat Hiroshima overal is.’