Vanaf de toren gezien (fabels)

Vanaf de toren gezien

Mevrouw Glü keek vanaf een zeer hoge uitkijktoren in de diepte. Daar dook beneden op de straat in speelgoedformaat haar zoon op die ze duidelijk herkende aan de kleur van zijn jas. In de volgende seconde was dat speelgoed door een vrachtwagen eveneens in speelgoedformaat overreden en vernietigd. Het was in een onwerkelijk kort moment gebeurd; wat daar gebeurd was, was toch iets van speelgoed onder elkaar.
‘Ik ga niet naar beneden!’ schreeuwde ze. Ze wilde per se niet de treden af.
‘Ik ga niet naar beneden!  Beneden zou ik vertwijfeld zijn!’

p 7 Der Blick vom  Turm

De leeuw

De mug hoorde voor het eerst de leeuw brullen. En zei tegen de kip: ‘Hij gonst maar raar.’
‘Gonzen is wel o.k.’ vond de kip.
‘Maar?’, vroeg de mug.
‘Hij snatert’ , antwoordde de kip.
‘Maar dat doet hij wel raar’. 

p 7 Der Löwe

De kan

De tot armoede vervallen Basik, bezat ten laatste alleen nog maar een kan. Overigens een heel gewone. Daarmee ging hij, omdat hij geen woning bezat, wandelen.
‘Wat doe je met die kan? ‘ vroeg een kennis.
‘Ik heb hem’, antwoordde Basik.
‘Wablief?’ vroeg de bekende en hield zijn hand achter zijn oor.
‘Moet ik hem dan weggooien?’
De kennis haalde zijn schouders op. ‘Kun je hem dan gebruiken?’
‘Ja, maar ik heb hem dan toch maar’ antwoordde kannemans geïrriteerd. ‘Je kunt maar nooit weten’.
‘Heeft hij waarde?’ vroeg de kennis.
‘Natuurlijk’.
‘Verkoop hem dan’, stelde de kennis voor.
‘Wie geeft er nou wat voor een oude kan?’
‘Om te wassen dan?’, stelde de kennis voor.
‘Denk je dat ik me hier open en bloot op straat ga staan wassen?’
‘Of je laat hem gewoon ergens staan’.
Basik keek zijn vriend volledig verbijsterd aan. ‘Denk je dat ik me verdacht ga maken? Waar moet ik hem dan achter laten? Hier soms? Op straat? Is het geloofwaardig dat iemand hier een kan verliest? Iedereen zou me terugroepen; en terecht. Het is tenslotte toch echt nog een kan.’
‘Geef hem dan weg’, stelde zijn vriend voor. Onvermoeibaar als hij was.
‘Wat?!’ , riep Basik, weer helemaal verbluft, ‘weggeven? Is een kan een geschenk? En dan nog : wie heeft er nou geen kan?
‘Arme kerel!’, besloot de vriend, ‘dan blijf je er maar mee rondzeulen’.
‘Dat is nu ook weer niet zo erg’, vond Basik, ‘maar hij? God heeft me hem in beheer gegeven. Wat moet er van hem worden, als ik er ooit niet meer ben?’

p 7 Die Kanne

Het kiezelsteentje

‘U hebt zich kranig gehouden!’ , zei ik bewonderend tegen hem. ‘Deze lange weg naar de begraafplaats! Zonder een enkele traan!’
‘Ik wist niet dat ik het in me had’, antwoordde hij bescheiden. ‘Omdat ik er niet van houd in het openbaar te huilen, had ik me voorbereid’.
‘Voorbereid?’
Hij knikte, alsof hij een zwakheid moest bekennen. ‘Voor we vertrokken, legde ik namelijk een kiezelsteentje in mijn schoen’.
‘Een kiezelsteentje?!, riep ik. En u hebt twee uur lang met een kiezelsteentje in uw schoen gelopen?’
‘Goddank’ , zei hij. Het was echt een hele opluchting. En toen ik hem argwanend aankeek: ‘Ja u denkt toch niet dat u verdriet kunt voelen als bij elke stap een steen in uw voet dringt? Het verdrietige verhult het vreselijke’. 

‘Maar na afloop’, wierp ik tegen, ‘aan het eten, daar was u toch zo ongeveer opgemonterd’.
‘Klopt’, zei hij verontschuldigend. ‘Dat had ik ook voorbereid’.
‘Dat ook?’
Hij knikte schuldbewust. Voor we aan tafel gingen heb ik stiekem het steentje eruit gehaald.’ En voordat ik de vraag kon stellen: ‘Ja, U denkt toch niet dat u verdriet kunt voelen, als uw voet blij is zich te kunnen herstellen? Want het zoete verhult het verschrikkelijke’.

Nu begreep ik hem. Maar ik kon niet besluiten of ik hem als een cynicus moest veroordelen dan wel als wijze bewonderen. In dubio begeleidde ik hem naar zijn huisdeur.
‘Maar nu,’ zei hij met een plotseling hese stem en met een gebaar waarmee hij me weg stuurde, ‘maar nu ben ik bang dat het zo ver is’. Hij boog zijn arm voor zijn gezicht en ging huilend de deur binnen.

p 8 Der Kiesel

Nooit van gehoord

Parmenides was net gestorven. Hij had zijn hele leven niet genoeg kunnen krijgen van bewijzen voor het niet bestaan van het niet zijnde. Zo kwam hij de zaal van het niet zijn binnen. En hij bleef verbaasd staan voor de deur die zich zojuist achter hem gesloten had. ‘Excuseert u mij’ , sprak hij een van de oudere gasten aan, ‘kunt u me misschien vertellen waar deze deur naar toe voert?’
‘Zeker wel’, antwoordde die voorkomend, ‘maar ik ben bang dat u met die inlichting net zo min iets kunt beginnen als wij allemaal.’
‘Waarheen dan wel?’
‘Naar het zijnde’.
Parmenides was verbluft, ondanks de waarschuwing. ‘Naar wat?’
‘Ik had u toch gezegd’, zei de vreemde, ‘niemand van ons heeft er ooit van gehoord. Maar het is een officieel bericht’. 

p 9 Nie davon gehört

Leve de kunst

Toen de dichter Tschai de voordracht van zijn gedicht over de wereldbrand met een prachtige brul ‘BRAND!’ onderbrak, reageerde de zaal met een staande ovatie. En hoewel de vlammen het voordoek al te pakken hadden, was niemand in het publiek op de gedachte gekomen dat het in spaarzame gevallen toch kan gebeuren dat woorden bedoelen wat ze aangeven. 

Zo gebeurde het dat de poëziefans  niet alleen de dichter dood applaudisseerden, maar ook zichzelf.

p 10 Hoch die Kunst

De basis van vrede

De filosoof Yan stelde: ‘Niets is metafysisch zo naïef als het in ons gewortelde geloof dat het universum zijn samenhang te danken heeft aan de wederzijdse sympathie van zijn delen. Veel juister is dat ze in dodelijke angst voor elkaar leven, omdat ieder een schandaal van de ander kent. De samenhang van onze wereld berust niet op harmonie, maar op de wederzijdse chantage van de delen. En de zachte stilte van de nacht is niets anders dan de verstening van de gechanteerden. Er staat nergens geschreven dat het universum van den beginne stom is geweest. Als het tegenwoordig echt stom is, dan is dat omdat de paniek voor wederzijdse aantijgingen de elementen de mond vergrendeld heeft. Alleen aan deze chantage over en weer heeft onze wereld haar vrede te danken. De Heer beware de chantage.’

p 10 Grundlage des Friedens

Werkverdeling

De arts Hippokrates was al wereldberoemd, toen hij na zijn landing op Kos uitgenodigd werd door de rijke weduwe van Kallimachos. ‘Ik ben toch zó trots op U, professor!’ , begroette zij hem stormachtig.
‘Sinds wanneer?’, vroeg Hippokrates
‘Oh, al sinds jaren!’, antwoordde ze enthousiast.
Hippokrates had zijn bagage nog niet neergelegd, en trok een bedenkelijk gezicht. ‘Sinds jaren? En welke symptomen had de kwaal?’
Mevrouw Kallimachos lachte een scheef lachje. ‘De professor maakt een grapje’ , zei ze.
‘Helemaal niet!’ riep Hippokrates uit. ‘U moet dit niet te lichtvaardig opnemen! Of denkt u soms dat het gezond is, dat ik de moeiten van mijn werk en de zeereis voor mijn rekening moet nemen en u krijgt de trots daarover? Alleen ben ik helaas niet geschoold in deze soort van ziekte.’ En hij nam afscheid.

Nauwelijks had Hippokrates haar verlaten of mevrouw Kallimachos glipte ook het huis uit, en liep naar de keuken van haar buurvrouw. ‘Mag jij raden, wie mijn huis zojuist met een bezoekje heeft vereerd!’

p 10 Die Arbeitsteilung

Het uitgestelde gevoel

Op een morgen zit Archimedes over zijn cirkels gebogen, – daar verschijnt een man in de deur. Hij herkent hem meteen als de aanzegger uit zijn geboortedorp. En de man maakte ook al het gebaar dat vooraf placht te gaan aan de aankondiging van een sterfgeval. Nu had Archimedes niemand achtergelaten in zijn geboortedorp behalve zijn hoogbejaarde ouders. Dus kon hij meteen feilloos vaststellen dat een van die beiden iets moest zijn overkomen. ‘Ga zitten’, zei hij tegen de bode ‘en verstoor mijn cirkels niet’ en keerde hem de rug toe om weer met zijn probleem door te gaan. ’s Middags liet hij de man een maaltijd voorzetten, en ’s avonds eveneens, en hij werkte door. Pas toen hij zijn probleem opgelost had en zijn werktuigen opgeruimd – toen was het alweer nacht geworden – pas toen keerde hij zich om. ‘Wel’, vroeg hij, en nu moest hij zich aan de rand van de tafel vasthouden, ‘wel, wie betreft het?’ 

p 11 Das vertagte Gefühl

Kainz en het publiek van P.P.

‘En wat vindt u van Kainz als Othello?’ vroeg mevrouw P.P aan haar tafelgenoot.
‘Helaas heb ik hem in deze rol niet gezien’, antwoordde hij terughoudend.
‘Als Egmond dan? Dat was toch een belevenis?’
‘Hoe jammer’, zei de tafelgenoot, ‘ook daar kan ik niet van meepraten’.
Mevrouw P.P. trok de wenkbrauwen op. ‘Maar als Antonius – dat was toch echt onvergetelijk?’
‘U hebt droevig genoeg weinig geluk met mij’ antwoordde hij.

‘Wat een lomperik hebt U mij als tafelheer gegeven”, beklaagde mevrouw P.P. zich tegen haar gastheer.
‘Zal het P.P. publiek dan nooit begrijpen dat iemand die op het toneel staat, niet tegelijkertijd in de zaal kan zitten?’ beklaagde Kainz zich eveneens bij hem/

p 12 Kainz und das P.P. Publikum

Charlatan van de waarheid

Zoals altijd in een groot gezelschap, sprak de filosoof Z. veel en schitterend; en je moest toegeven dat zijn woorden boordevol waarheid staken, hoewel hij zelf de vleesgeworden ijdelheid was. Natuurlijk groepten de gasten dicht om hem heen, want zulke speciale kost waren ze niet gewend, de dames zaten met open mond en zelfs de heren vonden hem ongegeneerd belangrijk. Ik denk niet dat hij het irritant vond dat hij die uitwerking had, integendeel, ik ben ervan overtuigd dat hij deze bewondering bewust opriep, en dat hij ervan genoot. Hoe dan ook, hij scheen er diep door geraakt. 

Hij vroeg: ‘Wat is er dan aan de hand? ‘ en keek onderzoekend de gezichten langs, ‘wat vindt u nu mijn verdienste? Waarom ook, gaat u er vanuit dat het moeilijker moet zijn de waarheid te kennen, dan een onwaarheid te ontdekken? En de waarheid te verraden zou vervelender zijn dan een onwaarheid te vertellen?’ – En omdat natuurlijk niemand het lef had om op deze strikvraag te antwoorden, hoewel Z. geduldig scheen te wachten,  maakte hij een theatraal gebaar van bescheidenheid, zo van: ziet u wel…

We moesten dezelfde weg naar huis.
Z. klaagde: ‘Ik zie het niet meer zitten, dat je begrepen wordt. In negenennegentig van de honderd gevallen vinden ze iemand die de waarheid spreekt onbeleefd. Voor de rest , zoals vandaag, belangrijk. En als je dan probeert die vergissing op te helderen brilliant zelfs.’
‘Zo’n schande!’, bromde ik. Ik geloofde er niets van.
‘Wat?’
‘Geef mij de echte sofisten dan maar’,  antwoordde ik, ‘die hun bedrijf met onwaarheden draaiend houden. Die waren tenminste rechtschapen. Maar zoals u waarheden gebruikt, alsof het onwaarheden zijn, dat is pas het echte bedrog’.
En ik nam afscheid.

p 12 Der Charlatan der Wahrheit

Ook hij

Onder de mensen die in Plato’s grot vastgeketend zaten, was ook een knaap geweest, die toen hij door de schaduw van een muis gebeten werd in paniek zijn boeien verbrak. Hij stormde de trap op; stortte boven aangekomen ineen en voor de eerste keer ontwaarde hij de werkelijke zon boven zich.

Deze weg naar de waarheid mag dan niet zeer eervol geweest zijn, maar wat telt is alleen of iemand er komt of niet. En hij is er ook gekomen.

p 13 Auch er

Vooruitgang

In de Molussische speelgoedwinkels had je witte poppen die meteen begonnen te spotten als ze in de buurt van zwarte poppen werden gebracht. Natuurlijk werden die zwarte er gratis bijgeleverd.

‘Heb jij ook zoiets gehad?’, vroeg het zwarte jongetje, die dat speelgoed voor zijn verjaardag van zijn moeder had gekregen.
‘Ben jij mal!’, antwoordde zijn moeder. ‘Denk je soms dat mijn moeder me iets geven kon? En dan nog wel zoiets? En dat de techniek toen al zo ver was?’ 

En ze waren samen trots en begonnen op de vloer rond te kruipen en te spelen en te lachen 

Molussië lachte op de achtergrond.

p 13 Fortschritt

Stuk stront

‘Stuk stront!’, schold de laars op het slachtoffer dat hij in de drek geschopt had, en zijn schoenpoets blonk.

p 14 Dreckstück

Ongeschikt

‘Wilt u niet zo nu en dan iets  voor ons blad schrijven?’ vroeg de redacteur van Elea’s Morgenecho, toen hij Zeno, de Griekse filosoof in een wijnhuis trof.
‘Geen denken aan!’ weerde de oude bescheiden af, ‘zo veel moeite! En dat op mijn leeftijd!’
‘Die leeftijd van U!’, riep de redacteur verachtelijk uit. ‘U bent nog zo fris! En moeite? Welke moeite voor een beetje schrijven?’
Zeno ging verder als de bescheidene. ‘Ja, gelooft u dan echt dat je maar zo weinig hoeft te weten om bij u te publiceren; en legt  u de lat om een gedicht te mogen bespreken in uw blad zo laag; en hoef je maar zo weinig scrupules bij u te hebben om iemand van zijn eer  te beroven – denkt u echt dat je dat zo maar uit de mouw schudt?’
‘Alstublieft!’ riep de redacteur uit. Hij had alleen het bescheiden toontje gehoord, maar had van wat gezegd werd überhaupt niks opgepikt. ‘U met uw capaciteiten! En als het echt nodig is, kunnen we uw bijdragen ook een beetje bewerken.’
‘Hoe  voorkomend’, zei Zeno. ‘U brengt me helemaal in de war. Maar u schat me toch nog steeds te hoog in. Mijn bijdragen zouden nog niet eens te bewerken zijn. Waarom wilt u maar niet geloven, mijnheer de redacteur: in uw ogen kan ik nog lang niet weinig genoeg.’ 

Dat gezegd hebbend ging hij aan een ander tafeltje zitten.

p 24 Der Unfähige

De stilte

Toen de moeder eindelijk de radio uitgezet had en op het punt stond de kinderkamer te verlaten, riep het kind: ‘Is dat waar?’
‘Wat?’.
‘Dat jullie geen radio hadden, toen je klein was?’
‘Natuurlijk hadden we die niet.’
‘En jullie hebben dus überhaupt nooit geweten hoe je stilte maakt? 

p 24 Die Stille

De bedrogen filosoof

Op een dag kwam de Molussische scheppergod Bamba een kluizenaar tegen die zat te filosoferen. ‘Wat zit je daar eigenlijk te doen?’ vroeg hij.
‘Ik filosofeer’, antwoordde de kluizenaar.
‘En wat doe je dan, als je filosofeert?’ vroeg Bamba.
‘Wel,’ antwoordde de kluizenaar, ‘ik onderscheid bijvoorbeeld het wezenlijke van het onwezenlijke.’
‘Het wat van wat?’
‘Het wezenlijke van het onwezenlijke’, herhaalde de kluizenaar met enige beroepstrots.
‘Dus dat heb ik dan toch goed gehoor!’  riep Bamba uit. ‘Dat is wel vreemd! Want die woorden ‘wezenlijk’ en ‘onwezenlijk’ zijn me praktisch onbekend. En ik kan me ook niet herinneren dat ik het onwezenlijke geschapen heb. Waarom zou ik ook. Alleen maar Zijn.’
‘Is dat zo?’ vroeg de kluizenaar, die zich nu toch wat zorgen ging maken. ‘Ik had toch altijd gedacht dat je door de grens te trekken tussen wezenlijk en onwezenlijk tot de kern van de dingen kon komen.’
‘Tot wat van de dingen komen?’ vroeg Bamba.
‘De kern’, herhaalde de kluizenaar nog weer een heel stuk onzekerder.
‘Ja dan heb ik het wel goed gehoord,’ zei Bamba. ‘En waarom wilde je dat? Ik zou me namelijk niet kunnen herinneren dat ik een kern geschapen heb. En waarom zou ik ook. Alleen maar Zijn.’

Toen voelde de kluizenaar de grond onder zijn voeten wegzinken. ‘En ik had nog wel geloofd dat juist daardoor mijn filosoferen echt filosoferen zou worden’, zei hij toonloos. ‘Waarover moet ik dan filosoferen?’
‘Waar staat geschreven dat je dat moet?’, vroeg Bamba. ‘Ik kan me niet herinneren filosoferen te hebben geschapen. Of een of andere plicht tot filosoferen. Overdrijft u misschien de belangrijkheid van uw bezigheid een beetje?’ Hij haalde zijn schouders op en liet de kluizenaar staan.

p 26 Der betrogene Philosoph 

De eerlijke nihilist

‘Weet jij echt niet wat goed en kwaad is?’, vroeg de Molussische priester de beruchte nihilist N.  ‘Hoor jij dan ook niet soms de stem van je geweten?’
‘Zo nu en dan?’, vroeg N. verbaasd.
De priester van Bamba knikte.
‘Constant zelfs… alleen…’
‘Wat dan?’
‘Ik ben er veel te gewetensvol voor..’
‘Te gewetensvol voor wat?’
‘Om die die stem zo maar te vertrouwen.’
‘Te gewetensvol om de stem van je geweten te vertrouwen?’
N. knikte. ‘Als je meegemaakt hebt wat ik beleefd heb; als je weet welke sluwheden het geweten soms aanricht, en welke laagheden het soms laat passeren, dan word je sceptisch. Ik heb wel zo’n geweten van jullie. Ik weet alleen niet of het van mij is.’
‘Of het van jou is? Van wie anders? Die stem komt toch uit jouw binnenste?
‘Ja, dat wel’, gaf N. toe, ‘maar wat zegt dat helemaal?’
‘Alles’ zei de priester.
‘Zou het niet mogelijk zijn dat iemand het daar in mijn binnenste gelegd had? Zodat het uit mijn binnenste zou kunnen opstijgen? Dan hoeft hij niet de moeite te nemen mij rechtstreeks opdrachten te geven. En hij weet dat hij beter op mijn gehoorzaamheid kan rekenen, als ik denk dat ik mijn eigen stem gehoorzaam? Maar het is zijn stem dan, verkleed als mijn eigen?’
De priester schudde zijn hoofd. ‘Je bent echt een hopeloos geval. Wie wil je dan wel vertrouwen?’
‘Ik heb nog een tweede stem’, verklaarde de nihilist.
‘Van je geweten?’ vroeg de geestelijke ongelovig.
‘Van mijn geweten’.
‘Dat heeft Bamba nooit zo geregeld’, gaf de priester te kennen.
N. maakte een gebaar, dat aangaf dat je dat hem niet aan kon rekenen.
‘En wat doet die tweede?’
‘Die proeft de eerste hart en nieren of die echt van mij is.’
‘En die tweede vertrouw je? Daar weet je van dat die van jou is?’
‘Alsjeblieft, zeg!’, riep de nihilist, bijna woedend. ‘Hoe moet ik dat weten?’
‘En soms ook nog een derde stem’,  vroeg de priester koeltjes.
‘Mogelijk’, gaf N. zachtjes toe. En zelfs als ik dat wist… hoe zou ik dan kunnen weten dat wat mijn stem zegt, het juiste is…?’
‘Ik heb hier genoeg van’, besloot de priester. ‘Net wat ik al gedacht had. Geen greintje benul van goed en kwaad!’, en liet hem voor wat hij was.

p 31 Der gewissenhafte Nihilist

Indiener van een verzoekschrift

Het soortbegrip mens trad voor de troon van de Heer. Huilend.
‘Wat scheelt er, kleintje?’ vroeg de Heer en trok hem vriendelijk aan een van zijn antropologische attributen naar zich toe.
‘Eens,’ snikte het begrip, ‘eens zou ik wel eens een echte mens willen zijn!’
De Heer snoot hem de neus en vroeg: ‘En waarom zou dat beter zijn?  Waarom wil je de zijn?’
‘Omdat ik wel eens echt zijn wil’ , antwoordde het algemene begrip.
Het zal wel niemand verbazen dat de Heer niet geïnformeerd is over zo’n futiliteit als de nominalistenstrijd. ‘Maar je bent toch, joh!’ zei hij bemoedigend. Iemand moet toch tenslotte het soortbegrip mens zijn. Dat ben jij dus.’
‘Maar dat zit me nu juist tot hier!’ , snikte het begrip, en hij dreigde opnieuw los te barsten.
De Heer meesmuilde. ‘Je hebt hun taal overgenomen. En wat is dan je vraag?’
‘Nou dat je altijd maar ‘de mens überhaupt’ bent. En dat je altijd ‘eeuwig’ bent.’
‘In plaats van?’
‘In plaats van die ene te zijn. Een onder anderen. Een met een naam. Een die zijn naam heeft. Een die alleen maar die ene is. En die, als hij er geweest is, ook echt niet-is! Zo een wilde ik ooit zijn.’
‘Nou nou!’ zei de Heer hoofdschuddend. ‘En wie heeft jou aangepraat dat jij niet jezelf bent? En dat je eeuwig bent? En dat je nooit echt niet-zijn zult?’
Het begrip keek hem ongelovig aan,
‘En wie heeft je aangepraat dat je niet ook een bent? Een onder anderen?’
‘Ik – Een onder anderen?’
‘Ja natuurlijk! Een van de vele algemene begrippen, die ik geschapen heb. Draag jij dan geen naam?’
‘Ik?’
‘Ja, wie draagt nou de naam ‘de mens’ behalve jij?’
Het begrip leek in gepeins te verzinken.
‘Ja’, ging de Heer verder, ‘als je het begrip van ‘het voorwerp überhaupt’ zou zijn dan …’
‘Is die zich ook komen beklagen?’
‘Wat dacht je! Die querulant komt iedere dag. En weet je met welke woorden hij me de oren van het hoofd zeurt?’
Het begrip schudde met het hoofd.
‘Hij wil jou zijn. Hij wil ooit wel eens iets bepaalds zijn. En weet je om welke reden?’
‘Wel?’
‘ ‘Een voorwerp überhaupt, bestaat immers niet’, jammert hij me voor. Er zijn alleen maar planten. Of dieren. Of mensen. Zo’n begrip wil ik ooit zijn.’ ‘
‘En’, vroeg het begrip mens, ‘kan hij geholpen worden?’
‘Mijn god’, zei de Heer, ‘hij is toch ook iets. ‘Zij het niet zoiets bepaalds als jij.’
Toen voelde het begrip zich uitermate opgelucht. ‘Mijn god’, zei hij, ‘als ik dat geweten had!’ 

En getroost leerde hij terug naar zijn oude huisje in de hemel der ideeën. 

p 36 Der Bittsteller

Kind des doods

‘Drie keer drie is tien’, schreef de Führer voor.
‘… is tien’ , kwaakten zesennegentig van de honderd schrijvertjes.
‘….is ongeveer tien’ , drie van hun dapperder collega’s.
‘….is ongeveer negen’, de dapperste. – Maar die kan ik al aan de galg zien hangen.

p 46 Der Todeskandidat

De wortel der schaamte

‘Schaamt u zich dan helemaal niet?’,  vroeg de kannibaal zijn gast, toen die aarzelde de aangeboden maaltijd te verorberen. ‘Moet u dan per se altijd asolidair zijn en altijd non-conformistisch, en moet u altijd een extra worst hebben?’ Daarop tastte de gast die inderdaad niet kon verhelen dat hij zich echt een beetje schaamde, toe en wenste uiteindelijk: ‘ Smakelijk eten!’

p 47 Wurzel der Scham

Terechtwijzing

‘En ik zou een niet afdoend wereldbeeld ontwerpen? ‘ vroeg de moralist. ‘Sinds wanneer claimt de wegwijzer een landkaart te zijn? En sinds wanneer maken chirurgen, die staar opereren er aanspraak op als schilders te worden gekwalificeerd?’

p 47 Zurückweisung

Het natuurkundeboek

Vader en zoon wandelden op een landweg die al door de zon opgedroogd was, tot ze bij een stuk kwamen omzoomd met hoge sparren en dat dus in de schaduw lag. Daar moesten ze dus tot hun enkels door de sneeuwbrei waden.
‘Zie je wel’, zei de vader’ in de natuur is alles te verklaren. Die regel die je wel kent uit je natuurkundeboek is: sneeuw smelt pas als de temperatuur boven nul komt’.
‘Weet ik’, zei de zoon. Maar de toon waarop hij het zei, verried dat hij het zaakje niet vertrouwde.
‘Maar?’ vroeg de vader.
‘Maar hoe kent de sneeuw die regel?’
‘De sneeuw?’
‘Ja, U wilt me toch niet werkelijk wijs maken, dat al die miljoenen sneeuwvlokken mijn natuurkundeboek gelezen hebben? En dat ze allemaal die regel kennen?’
‘Dat nu ook weer niet.’
‘Ziet U wel. – En zelfs als ze die regel zouden kennen…’
‘Nou?’
‘Waarom zijn ze dan zo afschuwelijk gehoorzaam?’
‘Dat..’ begon de vader, maar verder kwam hij niet.
‘Wat zou er bijvoorbeeld gebeuren’ ging de zoon door, aangemoedigd door zijn vaders zwijgen,’als een van de sneeuwvlokken zou zeggen: ‘ Ik heb lak aan dat hele natuurkundeboek!’ En dat ze dan in staking gingen?’
De vader zweeg beteuterd. Hij durfde zijn mond pas weer open te doen, toen ze het bos uitkwamen, waar de bodem weer stevig werd.
‘Zie je wel’ zei hij ietwat opgelucht.
‘Natuurlijk zie ik dat’, antwoordde de zoon. ‘Maar als U denkt dat ik snap waarom…’

p 69 Das Physikbuch

Nog liever nooit dan toevallig.

God Bamba had weer eens een nieuw schepsel gemaakt; een van die wezens die er meteen na hun schepping absoluut overtuigend uitzagen, hoewel ze nooit van te voren bedacht hadden kunnen worden. Toen Bamba dit exemplaar geschapen had, greep hij automatisch in de vijzel naast hem waarin de ikken werden bewaard voor zijn nieuwe creaties. Hij haalde het eerste het beste dat bovenop lag te voorschijn om het in zijn nieuwe product te duwen, opdat dat zichzelf ik zou kunnen noemen.

De handgreep waarmee Bamba gewoonlijk ikken in zijn creaties duwde leek wel op die van de ganzenmester, die het voer er met een stok in propt.
Maar kijk nou toch eens: dit ik begon te spartelen en zich te verzetten.
‘Die daar?!’ schreeuwde het, en schopte het schepsel waar het ingepropt zou worden om het ik ervan te worden in het gezicht, ‘zal ik zeker die daar zijn?! De enige keer dat ik zal bestaan zal ik dat zijn?! Dat schepsel!? Ik ken het toch helemaal niet! Ik heb daar toch niets mee te maken! En als ik ‘ik’ zeg zal ik uitgerekend dat bedoelen! Moet uitgerekend dat daar mij zijn? En als het mij bedoelt zou het zichzelf bedoelen? Niks ervan! En als dat schepsel crepeert zal ik zeker eveneens creperen? Geen denken aan!’
En het ik schopte het wezen dat er natuurlijk ook helemaal niks aan kon doen, want het was immers nergens naar gevraagd, nog eens extra in het gezicht zodat het bloedde uit mond en neus.
‘Jammer dan!’, schreeuwde het ‘haal maar een ander ik uit uw vijzel!’

Merkwaardig genoeg was Bamba nog nooit op zulk verzet gestoten. En omdat hij ook niet precies wist hoe men een dergelijk geval van ‘buitenparlementaire oppositie’ behandelt gooide hij het weigerachtige ik in de emmer terug en greep een ander. Hij haalde opgelucht adem toen deze zelfs niet het minste bezwaar maakte.

De overlevering beweert dat dat ik dat geweigerd had, sinds die dag van verzet, als het oudste ik voldaan vast stelde hoe de veel jongere ikken in een ononderbroken reeks door Bamba uit de vijzel werden gevist en in willekeurig welk schepsel gepropt werden. En verder, Bamba heeft hem  nog wel eens hoffelijk toegesproken om toch te proberen zich te voegen bij een van zijn creaturen, maar dan antwoordde het steeds ‘Liever nooit dan toevallig’. En Bamba respecteerde deze trouw aan een principe.

p 70 Lieber nie als kontingent.

Denk zelf na

Toen A. op een van zijn studiereizen naar de culturele instellingen van Molussië een moderne kleuterschool in Penx wilde binnen gaan, schrok hij op de drempel toch op, want hoewel de klas leeg voor hem lag werd hij begroet met een krassend bevel:’Denk zelf na!’
De progressieve lerares die hem begeleidde leek op zijn verbazing gerekend te hebben. Het deed haar zelfs goed.
‘Kom gerust verder’, lachte ze en ze wees naar een kooi die aan het plafond hing, met daarin een groene papegaai, die nu hartstochtelijk zijn roze snavel sleep tegen de tralies. ‘Die opvoedingsvogels hebben we nu op minstens honderdduizend kleuterscholen.’

A. geloofde zijn ogen niet.’Denkt U nu echt dat dat werkt?’ zei hij ten slotte.
‘Denk zelf na’ antwoordde de papegaai.
‘Ook een vraag!’, zei het meisje monter.’Gelooft U dan echt dat kinderen op deze jonge leeftijd zich kunnen onttrekken aan deze dagelijkse aansporing!’
‘En vindt U dat dan gewenst dat uw kinderen mensen worden van deze dierenmonden?’ vroeg A. –  terwijl de lerares eerst nog zweeg. Maar dan vroeg ze vol ongeloof:’Door dierenmonden? Wat denkt U wel?! Bent U echt zo naïef te denken dat wij zo ouderwets zijn om echte papegaaien te gebruiken?’

p 71 Selber denken.

De vrije post

Toen matroos Dil zijn thuishaven verliet om tien jaar lang alle wereldzeeën te doorkruisen, beloofde hij zijn oude moeder elke maand een levensteken te geven van welke uithoek der aarde ook. Twee jaar kreeg ze elke maand een kaart; en al naar gelang het jaargetijde spoorde haar zoon haar aan de boot te teren, het tuinhek te verven of de pruimenboom te stutten. Twee jaar lang kreeg ze regelmatig zijn berichten, en het leek alsof hij dichtbij haar was. Maar na twee jaar werd Dil ziek in een haven ver weg. En hij zag in dat het met hem op het eind liep.
‘Waarom moet mijn moeder weten dat ik aan mijn eind kom?’ zei hij tegen zijn kapitein. En hij kocht een pak kaarten en begon in de uren die hem nog restten die kaarten te schrijven die zijn moeder in de komende acht jaren moest ontvangen.
Op elk stond een andere datum; op elk de naam van een andere haven, en op elke kaart schreef hij hoe goed het met hem ging, en dat hij haar kaart ontvangen had; en dat ze de boot moest teren, het hek verven of de pruimenboom stutten, al naar gelang het seizoen. Toen hij klaar was met zijn correspondentie voor de komende acht jaar gaf hij het stapeltje aan zijn kapitein en vroeg hem acht jaar lang elke maand een kaart te versturen en stierf.

Drie jaar kreeg zijn moeder regelmatig de berichten van haar zoon. En ze was gelukkig, dat de tijd van zijn afwezigheid verstreek; ze was trots op hem en leefde toe naar elke dag dat ze post kreeg. Toen hij vijf jaar weg was, werd ze bedlegerig en stierf ook.
De kapitein die niet wist dat de moeder van zijn overleden matroos gestorven was kwam stipt zijn plicht na. Hij stuurde elke maand de post van de al lang overledene naar de dode moeder. Zo gingen de berichten door van niemand aan niemand. De boten moesten weer geteerd worden, de pruimenboom weer gestut. Maar niemand teerde; en niemand stutte. – (Deze fabel staat ook vrijwel letterlijk op p 155 van de Catacombe van Molussië)

p 77 Die Freiheitspost

Hoe lang?

‘Zeg,’, vroeg Moribunde, ‘hoe lang ben je eigenlijk dood?’ Hij moest pal op zijn rug liggen en praatte alsof zijn gesprekspartner tegen het plafond zweefde.
‘Hoe bedoel je?’ vroeg de man in het bed naast hem, eveneens tegen het plafond.
‘Mijn zuster, bijvoorbeeld’, legde Moribunde uit. ‘Ze is een jaar geleden overleden. Die zal wel dood zijn. Maar mijn moeder, die veertig jaar geleden heengegaan is? Zou jij denken, dat die ook nog dood is? En haar moeder; en die van haar?’
Daar had de buurman geen antwoord op .
‘Heeft het zin’ ging Moribunde verder , ‘te beweren dat Adam en Eva dood zijn? Nu nog steeds? Op dit moment nog dood?’
‘Nauwelijks’ gaf de buurman verbijsterd toe.
‘Kijk aan’. Zouden we anders niet veel te veel van hen beweren? Zouden we hen dan niet veel te veel zijn toedichten, als we ze ook nu nog onder de doden zouden rekenen? Is hun dood zijn ook al niet overleden?’
‘Bedoel je dat men twee keer sterft?’ vroeg de buurman richting plafond.
‘Precies’, antwoordde Moribunde. ‘Maar de tweede keer echt.’

Dat waren zijn laatste woorden. ’s Morgens om drie uur droeg men hem weg. Hij is nog dood. Maar hoe lang nog?

p 78 Wie lange?

Wat een naam!

Het bestaan van sommige steden wordt pas bekend als ze door een aardbeving verwoest zijn. ‘Zo zal het ook’, heet het in de ‘Molussische Theologie ‘met onze wereld gaan. De goden zullen er dan pas van horen, als ze in ‘Nieuwsblad van de hemel’ de aantekening vinden over onze ondergang. God Bamba zal dan bij het ontbijt aan zijn vrouw die hem de krant voorleest vragen: ‘Hoe heet die plek?!’ –
‘Wereld of zo iets,dacht ik.
”Wat een naam!’ zal Bamba dan uitroepen. –

En behalve dit meteen weer vergeten gesprekje zal niemand ooit meer aan ons denken.’

P 79 Namen gibt es.

Medeplichtig

‘Als ik zie’, bad de agnosticus Serapion in de tempel van Zeus te Alexandria, ‘als ik zie hoe onwaardig men op de trappen van uw tempel rond rent, dan begrijp ik dat u wel zo verwaand moet zijn geworden, als U geworden zou zijn, als u zou bestaan, Heer mijn god’.

p 79 Der Komplize

Waarom ze je laten leven

‘Laten ze ons allemaal in leven?’ vroeg de kersverse gevangen in het strafkamp.
‘In tegendeel’, antwoordde de oude. ‘Die waarvan ze weten dat ze niets te verraden hebben, liquideren ze meteen – dat zijn de meesten; en zij die hun verraad al gepleegd hebben, die liquideren ze eveneens.’
‘Jij leeft dus alleen maar omdat je zou kunnen verraden?’
De oude knikte. ‘Je leeft omdat je als mogelijke verrader te boek staat.’
‘En folteren ze je?’
De oude knikte alleen maar.
‘En daar heb je geen commentaar op?’
‘Ja wel’, zei de oude. ‘Zo lang ze ons folteren blijven we gegarandeerd in leven.’
‘Wat?’ vroeg de nieuwe ontzet.
‘Natuurlijk gebeurt het soms wel dat wij daarbij, zonder dat we iets verraden hebben, omkomen. Maar dat gebeurt per ongeluk en is helemaal hun bedoeling niet. Want zij willen dat je eerst verraadt en dan sterft. Omgekeerd gaat niet. Over het algemeen kun je rekenen op morgen; dat wil zeggen: op het folteren van morgen.’
‘Mijn God’, schreeuwde de jonge gevangene, en sloeg de hand voor de mond.
‘Wat is er?’ vroeg de oude.
‘Ze gaan mij niet folteren. Want ik weet letterlijk niks wat ik zou kunnen verraden!’
Zo veel naïviteit had de oude nog nooit mee gemaakt.
‘Gaat dat hun soms wat aan, dat jij niets weet? Ze hebben je naar hier gestuurd. Dus denken ze te weten dat je wat weet. Dat is het enige dat telt.’
En na een tijdje:’Geloof je soms dat ik wat weet?’

p 92 Warum man leben darf

Advertenties