Drie gedichten

l

Über das Ende des Dichtens

Wie arm sind wir
wir Dichter von heute.
Um wieviel besser
die Ahnen es trafen.
Sie durften die Schwermut
beschwören, die ziehende
Schwerkraft, die jeden
zurückzieht nach Hause.

Das einzige Wörtchen
<Einstmals> gesprochen –
schon stiesz es uns ab,
schon sanken wir rücklings!
So gut hatten sie’s,
so wenig war reichlich.
Wie arm sind wir,
wir Dichter von heute.

1940

Doek voor dichten

Beklaag ons,
ons dichters van nu.
De oude zangers van vroeger
die zaten goed.
Die mochten de weemoed
temmen, die zwaar zuigende
kracht die iedereen
terug sleept, maar naar huis.

Als alleen maar dat ene woordje
<er was eens> valt, –
dan raken wij geblokkeerd
dan liggen we volledig plat!
Wat hadden ze het toen goed,
wat waren ze rijk met bijna niks.
Beklaag ons
ons dichters van nu.

1940

G.Anders Tagebücher und Gedichte, p 376

Hij is dan al in ballingschap in de VS, op de vlucht voor Nazi’s. Hij zal nog wel terugkeren naar Europa; maar zal niets meer terugvinden van een ‘goede, ouwe tijd’ “eens”.

Maar denk niet dat dat bevrijdend werkt: geen last meer van een verleden dat je meesleept. Het blokkeert. Zo veel is er gebeurd waar je nooit mee klaar komt.
Daarover gaan dan ook zijn grote werken; en niet te vergeten zijn activisme.

Het gedicht refereert in de titel aan een uitspraak van Adorno dat je na Auschwitz geen gedicht meer kunt schrijven. Ik denk echter dat die uitspraak van later datum is. Ik kan dat hier niet precies uitzoeken.
Het gedicht deelt in elk geval de beklemmende sfeer vanwege wat gebeurd is. Hoe ga je met dat verleden om.

 

Die Arbeitslosen

I. Lied der Arbeitslosen
Wir sind da uff diese Welt,
daran kann keen Deibel tippen.
Hinjeborn und abjestellt,
bis wir wieder runterkippen.

Refr. Keener weesz, wat solln wir hier.
Keener ists zum Schlusz jewesen.
Keener trägt die Reisespesen
als wie wir.
Hinjeborn und abjestellt
stehn wir rum uff diese Welt.

Keener hat uns wat versprochen.
Keene Wohlfahrt jarantiert
dasz man uns mit heilen Knochen
durch den Trubel durchlaviert.

Refr.

Nur jewisse Parajraphen
haben uns hierherjestellt.
Anjedrohte Zuchthausstrafen
brachten uns ans Licht der Welt.

Refr.

1932

II Rachezug von morgen
Mancher fuszt noch gut im Boden.
Andre laufen und verdienen.
Aber wir, vom Hunger leichte,
und vom Nichtstun schwerelose
Heerschar mit den Edemützen,
segeln auf und ab in halber
Höhe zwischen Dach und Schlöten.
Über Straszen, über Platzen,
auf den Straszen kaum als leichter
Dunst erkennbar oder nur als
Fledermäuse. Aber Andren,
angerührt von unsrem groszen
Flügelwehen und von unserm
Schattenflug erschreckt und unserm
ungewohnten Warnungspfeifen, –
Andren sind wir atemraubend
schon erkennbar als schlecht Wetter,
über Straszen, über Platzen,
und als Rachezug von morgen.

1932

De werklozen

I. Het lied van de werklozen
we benne op de wereld
dat weet de duvel en z’n ouwe moer.
Geboren en ter aarde besteld

Refr. Niemand weet wat we hier moeten.
Het was niemands besluit.
We kunnen het alleen bij
onszelf declareren.
Geboren en ter aarde besteld
hangen we rond op de wereld.

Geen belofte was ons gedaan.
Geen welvaart garandeert
dat je zonder gebroken poten
door de rotzooi laveert.

Refr.

Alleen door strenge wetten
zijn we op aarde gepoot.
In het licht zijn we slechts
Op straffe van dood.

Refr.

1932

II. Strafexpeditie van morgen.
Ze denken nog stevig te staan
te kunnen lopen en rennen.
Maar wij, zonder massa door
nietsdoen en honger,
wij met onze baseballcaps,
wij zweven zonder te landen
rond halfhoog tussen dak en schoorsteen.
Op straat zie je ons niet:
als dunne mist, of als vleermuizen.
Maar het wieken van onze vleugels
onze dreigende schaduw,
en onze ongehoorde waarschuwing, –
ontnemen anderen de adem.
Ze herkennen ons als
het onweer
over straten en pleinen
en als strafexpeditie voor morgen.

1932

G.Anders Tagebücher und Gedichte, p 305, 306

Het valt natuurlijk op dat hij in het gedicht dat als I gepubliceerd staat (onder het trefwoord “Blick zurück”) een mij onbekend dialect gebruikt, (Berlijn?) dat in II wordt losgelaten.
Dat onder beide een jaartal (1932) staat, zou erop kunnen duiden dat het losse gedichten zijn. Maar I en II veronderstelt wel samenhang. Dat zou dan de thematiek van “Mensch ohne Welt” moeten zijn, denk ik. Het nergens meer bij horen, omdat alles zoals God, cultuur, menselijkheid, filosofie, economie, moreel  etc weggevallen is.

Advertenties