Kleine kompasnaald, grote oceaan

Columbus rief im Sturm
den Meuternden entgegen: Ja, ich weisz,
das Meer ist grosz.” Doch keine Kompasnadel
braucht grosz zu sein. Bleibt nur ihr Schlag genau.

Dit zijn de laatste regels van een gedicht van Günther Anders. (GA)
Het gedicht heeft als titel “Fünf Stücke”.
Gedateerd 1943. Anders is dan nog in ballingschap: in New York. Gevlucht voor Hitler.
Het staat in de bundel “Tagebücher und Gedichte” München, Beck 1984 op p 388. In een afdeling onder de titel: “Schreckbilder”.
Een vertaling zou kunnen zijn:

Tegen de muiters brulde Columbus:
“Ja, de oceaan is groot – ik weet !”

Maar een kompasnaald hoeft niet groot te zijn.
Als hij de pool maar precies kent.

Deze laatste regels hebben een geheim, waar ik meer van wil weten.

Het gedicht

andershandtekening

Handtekening Gunther Anders

De eerste vier stukken analyseren de wereld: leven is daar praktisch onmogelijk, want onhanteerbaar. Want te groot. Maar er zit een keerpunt bij de laatste twee regels van couplet 4: toch maar verder reizen. En 5 gaat daar op door: Het wordt wel wat, al heb je ook maar minimale middelen. Maar die moet je dan wel gebruiken. Dat is een mysterie: dat grote leven dat je alleen met het kleine, te lijf kunt. De levens-middelen staan in geen verhouding tot de opgave van het leven. Leven is groots genoeg, maar je hebt er alleen maar kleine krachten voor: de menselijke.
GA weet ook van de enorme risico’s dat dat heel erg fout gaat. Hij heeft het doorgaans over de enorme macht van de mens, die zelfs zo ver gaat dat die de mens ingehaald heeft. Antiquiertheit des Menschen. Onze kunde is zelfs groter dan onze fantasie (en onze moraal) bij kan houden.

TagebundGedichte

Tagebücher und Gedichte. Verlag c.h.beck München

Maw het probleem is niet dat de kompasnaald te klein is, maar dat we ons morele kompas niet meer echt gebruiken. Doorgaans denkt Anders dat we ons moreel onmogelijk GEMAAKT hebben. We verslonzen ons kleine morele kompas omdat we immers zo veel kunnen!

Tot zo ver een eerste oriëntatie. Ik denk dat Anders hier religieuze vragen stelt.

Het gedicht nader bekeken

Stuk 1 begint met een (omineus) beeld:

Kijk niet naar boven.
Boven je hangt de waarheid in de lucht.
Als een monumentale ruiter hoog te paard
,
maar verstard in de sprong.

Ik lees: ongrijpbaarheid. Klopt dat? Je kunt er niet bij. Dreiging ook?
Ik kan de beeldspraak van waarheid als ruiter niet helemaal aan. Welk soms vergezocht verband zou Anders hebben gezien? De overwinnende waarheid, toch,-  maar die nergens landt? In elk geval is die waarheid niet effectief; waartoe dan ook. Hangt de waarheid in de lucht als museumstuk?
Kijk maar niet naar boven, want je kunt er toch niet bij? Is dat het?
Kijk niet naar boven, want alles is verstard. Waarheid was mooi op weg, maar het ging niet door. De dynamiek is weg; de vaart eruit. Dicht hij die kant uit? Bedoelt hij de harde wetenschappelijke waarheid? En daar varen we toch blind op? Hangt die daar omdat ze zo veel beloofde maar het eindsucces toch niet waar kon maken? Is ze los gezongen van ons en ons leven?
En een morele waarheid in geen velden of wegen te zien? Waar hangt die dan uit?

Anders brengt nu het leven in beeld als een reis, maar dan een reis waar een demon de richtingwijzerborden omgedraaid en verplaatst heeft. Dan kan je geen kant op. Mensen willen ergens heen, maar verstarren midden op straat halverwege een volgende stap, als ‘Rodinbeelden’.
Van hun voetstuk gevallen: een paar worstelaars waar geen beweging meer inzit.
Aan welke demon dichten/schrijven we dit toe?

De stukken 2 en 3 gaan daar op door. Dragen meer waarnemingen van uiterste zinloosheid aan. Je hebt niks te willen/kiezen. Regels zijn opgeheven. Die demon van stuk 1 is nog steeds aan het werk. Een reis die aan het begin al faliekant mis zit. Maar het motto is toch: het beste moet nog komen. Dat ook best wereldwijd zelfbedrog kan zijn.
Op elk station, aan elke grens staat een examinator ons examen af te nemen. En alleen omdat hij doof en blind is laat hij ons verder. Wie niet precies volgens het boekje is, gooit hij tussen de rails. Wie dan nog iets van metafysische zijde zou willen verwachten kan het dus wel schudden.
Ik heb neiging om in te grijpen: “Mijn God is anders!”. En ik heb in al mijn Günther Anders’ studie de neiging om te denken dat GA ook een laag heeft waar hij hartstochtelijk wil dat God inderdaad anders zal zijn. God moet wel anders zijn, gezien wat wij ervan maken. Want wij mensen zouden ons zonder enig voorbehoud moeten verslingeren aan het voortbestaan van de mensheid. Dat is het Credo van GA. Zie bv mijn artikel over GA en Bonhoeffer.

Het 4e stuk zet zich apart af tegen voor- en nageslacht. Die waren/zijn bezig aan een wereld die de dichter en de zijnen (“ons”) altijd hebben bestreden. De wereld van de ‘arrivés’, die hen uitlacht. Van de kinderen staat er heel typerend: “Unterwegs gezeugt, und angekommen, ohne selbst zu wandern.” Zo zeer elkaar ontgroeid. “Vergeet ze maar gauw. Reis verder, alsof het beste toch nog moet komen.”

Het laatste stuk verder

Het nog niet aangehaalde gedeelte van stuk 5 gaat als volgt:

“Denn was wir hundert Männer unterwegs
am Bahnsteig lieszen: Hoffnung, Wort und Ziel –
einmal zu einem Haufen aufgekehrt,
wird etwas sein. Und unsere tausend Nächte
ohnmächtgen Planens – einmal münden alle
in einem Tag. 

Dan besluit GA het gedicht met de drie regels waar ik mee begon.
Dat kan bij Anders allemaal directe rede van Columbus zijn. Hij geeft het niet aan. Maar ik neem alleen de tweede regel als woorden van Columbus. En de rest is commentaar van de dichter. Die stelt de kleine kompasnaald in vergelijking met de grote oceaan. Het miniem kleine versus het immens grote. Het kompas dat een grote neus maakt naar de onbevattelijke oceaan. Je moet maar durven.
Daar draait het wel om denk ik: het lef om aan zoiets gigantisch als leven te doen.

Columbus staat voor ontdekker van het niet vertrouwde. Icoon van een (tragische) reiziger. Hij staat voor leven dat nog niet in kaart gebracht werd; geen richtingwijzers; en bij Anders wordt dat leven waar p.d. geen kaarten en wegwijzers voor zijn.

In de bundel “Tagebücher und Gedichte” komt nog een stuk tekst voor, ook uit 1943 (dat weg gelaten wordt in de bundel “Tagesnotizen” (2006, Frankfurt am Main, Suhrkamp)) dat wellicht van toepassing is. Hij schrijft dan over de onmogelijkheid ‘thuis’ te zijn, ergens. De ketting van keurig op elkaar volgende gebeurtenissen in iemands leven is gebroken; alles ligt op een onontwarbare hoop. De grond waarop je loopt is niet meer betrouwbaar.
De thematiek van de totale ontworteling in de ‘Emigration’ – zeg maar gerust ballingschap – is duidelijk aanwezig en fundamenteel. Voor lange tijd. Dat hoor je hier ook in het gedicht. Zoals in heel veel ander werk van Anders. Het haakt allemaal wel heel erg aan bij de immigrantencrisis anno 2018 aan de grenzen van USA/Mexico zowel als in Europa.

Nu de naald en de oceaan.

Ik weet niet bij welke gelegenheid Columbus muiters de geciteerde woorden toevoegt. Maar wel lijkt me duidelijk dat het gaat over de onmetelijkheid van de zee, het leven. De grootheid van de zee daar kun je alleen maar verbijsterd kennis van nemen. Dat gaat jou ver te boven. Veel te groot. Je hebt er geen greep op. Volstrekt niet.

Het enig waar je iets mee zou kunnen is een kompas. Dat hoeft maar een heel klein naaldje te hebben en dan kun je toch uit de voeten. Het enige wat je hebt. Gebruik het nu maar. Zo te zien stelt het niks voor… maar het werkt. Er is toch beginnen aan. Ga op reis!
De oceaan blijft bijsterbaarlijk groot, je krijgt hem nooit in de greep. En toch waag je het erop met dat kleine prutsdingetje. Met dat kleine maak je de enormiteit van het leven niet ongedaan. Je overwint het leven niet door er bovenuit te groeien in nog grotere enormiteit.  Maar je gaat wel je weg. Je bent niet ‘groter’, maar je komt wel veilig/gehavend aan. (Ik zie een link naar de preken die ik dezer dagen maak bij het boek Job. Met name die voor 5 augustus: Gods antwoord aan Job)

Reis is een mooi beeld voor geloven. Liedboek staat er stampvol van. Dat is ook iets, wat je alleen maar kunt wagen. In vergelijking met de opgave om de wereld te doorleven, stelt het niks voor, is geloven zo kwetsbaar als wat. En toch… gaan.

Het is niet sussend. Het leven wordt niet vergoelijkt. Het grote optimisme van de waarheidscultuur van Descartes is weg. En toch… gaan.

Ik hoor het tegen de achtergrond van Günther Anders die blijft gaan voor de overleving van de mensheid. Ondanks dat die niet gegarandeerd is.

 

 

Advertenties