Günther Anders en andere (on)gelovigen

inleiding

De werkvertaling die ik van een selectie van Ketzereien maakte, probeert enerzijds in het Nederlands taalgebied wat interesse te wekken voor een m.i. ten onrechte vergeten denker: Günther Anders.

Anders

Gunther Anders

Maar anderzijds is het ook materiaal om door hem aangedragen en hartstochtelijk beschreven thema’s te kunnen bestuderen en waar mogelijk van commentaar te voorzien.
In dit artikel wil ik nadenken en schrijven over de opvallend grote hoeveelheid tekst die Anders gewijd heeft aan het vraagstuk van geloven versus niet geloven c.q. godsdienst versus nihilisme. Met name wel in deze Ketterijen.
Het is me opgevallen dat hij zo vaak en zo fel met dit thema bezig is geweest, maar dat hij niet serieus in debat is geweest met belangrijke theologen van zijn tijd (1902-1992) bijvoorbeeld Bonhoeffer. Ik vermoed dat daar wel een en ander over te vinden is in het Andersarchief. Jammer dat ik dat niet meer kan uitzoeken.

Eerst een paar opmerkingen over Anders’ stijl.

  • Anders geeft talloze gesprekken weer met ‘beroeps’ of andere gelovigen. Maar er is sprake van een zekere literaire vormgeving . Vaak ietwat dezelfde loopjes; zelfde denigrerende woorden. De gesprekspartner is bijna nooit de ‘overwinnaar’ in het gesprek. Meestal dienen de anderen om Anders gelegenheid te geven zijn doortimmerde opvattingen nog eens op te schrijven. Soms heb je de neiging zijn gesprekspartners in bescherming te nemen. Er is sprake van spot met geloven en gelovigen. Soms is die aardig en gemoedelijk, maar soms niet. Het druipt hier en daar van sarcasme, of op zijn minst van boosheid. Hij weet dat wel van zich zelf, en gaat daar m.i. zelfs prat op. “De kwaadaardigheid van mijn veronderstelling scheen hij of niet te horen, of niet op te pakken”3.
  • Anders placht dergelijke strijdgesprekken uit te lokken, volgens mij. Of het hoort bij de enscenering die Anders zelf bedenkt:  in de trein en op bijeenkomsten, op straat, op ontvangsten, in interviews, in het ziekenhuis of als hij gedenkplaatsen van de holocaust bezoekt of op reis is in Japan in verband met de anti-atoombeweging.
  • Regelmatig beëindigt hij op een schofferende manier het gesprek.

wat meer inhoudelijk

  • Achter alles zit de hartstocht van Anders dat het echt helemaal goed moet gaan met de mens en zijn toekomst. Alle schijnheiligheid en ontoereikendheid, bijgelovigheid, kleingeestigheid en uitvluchtgedrag zijn uit den boze, omdat de situatie van de huidige mens zo extreem bedreigd is.
  • Het dragend (voor-)oordeel van Anders is daarbij: geloven leidt hoe dan ook af van de werkelijke ‘business at hand’. De mens mag ook niet het kleinste stukje eigen verantwoordelijkheid afschuiven op welke ‘goddelijke’ macht dan ook. De mens is zelf een natuurkracht en dat kan hij zich maar beter voor de volle honderd procent bewust zijn. Niet rekenen op geheime reserves,vergoelijkende omstandigheden of bovennatuurlijke hulpbronnen want die zijn er niet.
  • En geloven is niks.
  • Een enkele keer heeft Anders zelf ook wel in de gaten, dat wat hij zegt en voorstaat je wel in de buurt van religie kan brengen. Hij verontschuldigt zich ook wel eens voor het gebruik van religieus klinkende uitdrukkingen: “Neem die aub niet letterlijk!” 4

eerst voorbeelden van een mildere benadering

Hij vertelt van zijn ziekenhuisopname in New York 1946. Als er een evangelist midden in de nacht een preek over het einde van de wereld afgestoken heeft en er een heel vreemde sfeer ontstaat op de afdeling, weet een van de zusters gewoon door een gezang in te zetten op een heel integere manier de man weer in zijn ziekenhuisbed te krijgen en de hele toestand te redden. Anders krijgt het dan niet klaar om daar over te sneren. Ook met de evangelist McK voelt hij een zekere verwantschap, omdat die zich ook zo bepaald weet door het Einde. Op een geheel andere toer dan Anders zelf, maar toch. Een echt goed gesprek zit er niet in tussen de twee, maar er valt geen kwalijk woord.

Daar lees ik een aansporing in, om Anders’ eschatologie serieus te nemen. Die zat hem hoog genoeg, zullen we zien. Hij is in elk geval in staat om zich verwant te voelen met iemand die het einde serieus neemt.  Anders neemt de Eindtijd vooral op als het vraagstuk van door de mens zelf te veroorzaken Apokalyps.

de kloof

Men betreedt bijna religieus gebied als de ‘kloof’ (misschien niet de meest gelukkige vertaling voor het Duitse woord das Gefälle, maar goed)  ter sprake komt. De kloof neemt een centrale plaats in, in Anders’ denken. Met die kloof bedoelt hij, dat ons denken, ons voorstellen en onze fantasie compleet ten achter blijven bij wat we kunnen maken. In het Duits is dat een aardig woordspel tussen ‘vorstellen’ en ‘herstellen’. We doen een handeling (en daar alleen hebben we verantwoording voor, en daarop alleen kun je ons afrekenen), maar we zijn niet meer in staat het geheel te overzien waar die handeling bij hoort. En het resultaat, de uitwerking van dat grote geheel kunnen we ons niet meer indenken. Zelfs met onze fantasie niet. Naar mate onze producten groter worden, verwijdt die kloof zich. Het voorbeeld dat hij vaak gebruikt is, dat we ons nog wel kunnen indenken dat we een paar mensen ombrengen, maar boven de drempel van drie vermoorden functioneert het voorstellingsvermogen niet meer.

Hij schrijft ook letterlijk over een zekere transcendentie die bij ‘de kloof’ zou horen. We moeten ons op een of andere manier toch het onvoorstelbare eigen maken. Onze fantasie e.d. moet ‘opgerekt’ worden, zodat we het probleem van het ombrengen van de mensheid wel kunnen vatten. Daarvan zegt hij dan: “Ontegenzeggelijk klinkt deze uitleg van de kloof als iets van een religieus proces. Schrijver dezes ontkent dat niet. Hij zou er zelfs niets tegen hebben als men de verandering van de eigen persoon (waarbij men zich over “de kloof” heen toch fantasie, kennis, gevoel en verantwoordelijkheid eigen maakt, jab) vergelijkt met praktijken, zoals die voorkomen in de geschiedenis van de mystiek. Als men dan de term ‘mystiek’ maar niet gebruikt voor iets vaags, zoals gewoonlijk gebeurt. Onder mystiek hoort men te verstaan dat je probeert met behulp van ‘Selbstverwandlungs- Techniken’ toegang te krijgen tot toestanden, terreinen of voorwerpen, waar je anders geen toegang toe krijgt”

geloven is niks

Maar de grondtoon van de meeste ‘gesprekken’ of ‘ketterijen’ blijft toch dat Anders geloven als zodanig helemaal niks vindt. Neem het gesprek met een geestelijke in een trein.7 “Ik geloof niet dat geloven bestaat”, zegt hij. “Ik weet niet (waarschijnlijk U net zo min) wat er met dat woord bedoeld wordt, wat er mee bedoeld kan zijn – maar dan met dit verschil, dat ik weet dat ik dat niet weet”. Als de geestelijke even later aandringt dat Anders toch bij een of andere denkgroep of school moet horen antwoordt Anders “Ik heb wel wat beters te doen dan een naam te vinden voor mijn positie”. Sarcasme volgens mij. Als het meer wil zijn dan literaire vormgeving, zou je ook kunnen zeggen dat dit gewoon onfatsoenlijk is.

In Ketzereien ( p.32 e.v.) brengt hij als hoofdargument tegen geloven in: als God zou bestaan heeft hij Auschwitz en Hiroshima werkloos toegelaten en zouden wij daaraan medeplichtig zijn.

AtoombomNagasakieffect

Atoombom op Nagasaki

Dat is op zich wel merkwaardig. Meestal laat Anders deze manier van bewijsvoering niet toe. Meestal wil hij principieel niet van godsbewijzen weten. Dan zou hij zich ook niet met bewijzen van het tegendeel in moeten laten. Dit is een soort stemmingmakerij.

Meestal gelooft Anders niet in geloven.
Bij Anders is het bestaan van de mens volledig contingent. Er is geen enkele reden om over dit wezen meer filosofisch bezig te zijn dan over welk ander creatuur dan ook. Het slot van dit fragment maar letterlijk:
“Ik weet nog niet wat ik deze godsdienstleraar moet antwoorden. Misschien, dat wij, ook al zijn we contingent, moeten handelen alsof we dat niet zijn? Zou hij dat ‘alsof’ begrijpen. Zou hij het wagen het te begrijpen?”

Mijn commentaar hierbij: Het is geen direct gesprek. Anders heeft blijkbaar tijd om na te denken over de brief. De toon is duidelijk niet agressief. Hij schrijft de man niet meteen de prut in. Hij aarzelt zelf. Het heeft hem wel aan het denken gezet over de filosofie in het algemeen.

een grove bondgenoot

Een heftige uitval van Anders bij een foto van een geknield biddende politicus.
“De schaamteloosheid waarmee men zich in gebed laat fotograferen is groter dan die van porno-meiden. Blijkbaar stijgt het maken van massavernietigingswapens evenredig met kwezelarij en schaamteloosheid. Zo langzamerhand zullen schaamte en atheïsme als enige criteria voor vredelievendheid overblijven” 9

Dit is heel bewust zo grof mogelijk geformuleerd, denk ik. Hij is woedend over de onwil tot vrede die hij overal ontwaart. Het betrof juist een conferentie over intercontinentale raketten. Zo slecht staat het er voor met het bereiken van de vrede. Alleen zij die als geloofsbrieven hun atheïsme en schaamte kunnen tonen over wat het main stream vredesbedrijf laat zien, mag je vertrouwen in hun vredelievendheid. Zo weinig heeft Anders op met aardige bedoelingen e.d. Zo hoog legt hij de lat. De kerk kan niet zeggen dat Anders ongelijk heeft alleen omdat hij het zo grof formuleert. Het is een uitdaging aan gelovigen om deze hartstocht met hem te delen. En dan te bezien waar ze zich samen aan de toekomst van de aarde kunnen wijden. Hoe komt het toch dat Anders kerk en theologie niet aan zijn zijde gezien heeft op dit punt! Waarom heeft hij zich niet gemeld toen de oecumene op haar manier oorlog en geweld thematiseerde? Waarom heeft de kerk hem niet opgemerkt als bondgenoot.  Waarom werd hij niet uitgenodigd op Kirchentage of conferenties in het kade van het Conciliair proces.

een moment van ‘zwakte’

Hij schrijft in Ketzereien (p. 32 e.v.) tamelijk uitvoerig over de kwestie van zijn eigen onzekerheid. Hij had in een interview de van hem bekende stelling gedebiteerd dat hij niks kon met het werkwoord geloven. Niet alleen niet met een inhoud van geloof, de bijbehorende dogma’s of voorstellingen. En dat hij geen medeplichtige wilde zijn aan een God die met de handen in de schoot bleef zitten bij Auschwitz en Hiroshima. Dat alles had de interviewer zo in de war gebracht dat hij de volgende dag bij Anders langs was gekomen om erover door te praten. Ik geef dat gesprek hier niet uitgebreid weer. Zie elders.  Het punt dat ik wil maken is, dat hij (zoals overigens wel vaker) de verwarring noteert van zijn gesprekspartners als hij die confronteert met zijn keiharde beweringen. Dit maal haakt hij aan bij die verbijstering met:  “Geneer U niet (voor uw verwarring). U denkt toch niet dat ik dat altijd mooi op een rijtje heb? Ik sta net zo diep als U in het moeras van een meer dan drieduizend-jarige traditie van godsdienst en filosofie. En ook ik heb momenten, zelfs vandaag, dat ik me niet in de hand heb en aan het glibberen raak.”
Toch een vleugje zelfspot? Sarcasme zelfs?

In het verloop van datzelfde gesprek, dat hij in vele afleveringen weergeeft, komt ter sprake of Günther Anders zijn geloof-loos leven wel uit houden kan. Zijn ondervrager denkt dat Anders wel iets moet missen. Hij zegt dat het meestal prima gaat, maar minder goed als hij ziet wat er zich elk ogenblik in onze wereld afspeelt. (45) Maar verder zou hij niet weten of hij wel iets mist; of er wel iets valt te missen. Andere schepselen weten toch ook niks van een god die hen geschapen zou hebben! “Een roos heeft er recht op niet te weten dat ze niks weet van God.”

Hij benadrukt dat zijn niet-geloven nauwelijks van enig belang is voor hem. Alleen als hij erover geprovoceerd wordt door gelovigen. Waarop zijn gesprekspartner zich niet serieus genomen (maar wel beledigd) voelt, en bovendien vindt dat Anders zijn eigen niet-geloven niet serieus neemt. Sarcastisch vraagje van Anders: “Stel dat ik wel enige moeite zou hebben met mijn geloof-loos leven: hoe denkt U dat dan te genezen? Met renegaat worden, soms?” Waarna de man afgeserveerd wordt met een bedankje voor het feit dat hij liet zien hoe dom een mens wel niet kan zijn: dat kunnen schrijvers zoals ik (en Plato!) niet zelf verzinnen, aldus Anders!

vijandig

Anders ( pagina 94 Ketterijen) over een tafelgebed:
“Pijnlijk woordloos zat ik er bij”.10
“B. had me ooit in Frankfurt verteld dat G. Marcel hem jaren geleden had bezocht. En ze hadden het prima eens kunnen worden over geniale jeugdwerken zoals de Fantasie in C Groot van Schumann en het Concert in d klein van Brahms. Later had hij G.M. uitgenodigd voor het eten. Deze maakte aanstalten om voor het eten te bidden. Maar B. had hem weerhouden en hem hoffelijk te verstaan gegeven – ik denk niet dat ik die moed op had kunnen brengen – : ”Mijnheer, ik heb altijd grote waarde gehecht aan de reinheid van mijn huis. Als U de aandrang van een religieuze behoefte voelt, doet U dat dan buiten deze kamer tweede deur rechts.” En hij reikte hem zelfs een schone handdoek aan.
Tableau. Niet alleen had G.M. hoffelijk het vertrek verlaten, niet alleen had hij de handdoek gebruikt, niet alleen was hij onbekommerd in de kamer terug gekomen: maar bovendien hebben die twee vervolgens, bij de soep overgaand op Opus 1 van Berg, hun gesprek over geniale jeugdwerken voortgezet.
Waar had B. zo veel moed vandaan gehaald? En waar had G.M. deze kolossale onwaardigheid vandaan?”

Als je dat zo leest, kun je denken: “Het moet toch wel erg diep gezeten hebben, dat Anders nog niet eens gewoon burgermansfatsoen kon opbrengen voor iemand die gelovig wil zijn.” Anders moet er van genoten hebben om gelovigen voor gek te zetten. Maar een onderdeel van een hoogstaande discussie kun je het niet noemen. Hij vindt het blijkbaar mooi gevonden, om te schrijven dat religie een of andere viezigheid is, die je niet in je huis wilt hebben. Moet je dat alleen maar een (raar) geintje noemen? Moet je dit ‘moedig’ noemen of is het gewoon brutaal? Zegt het niet veel meer over de (door-)verteller, dan over G.M., of B.? Het zegt wellicht dat het verhevene van de mooie muziek die aan de orde was in feite niet aan Anders was besteed; of hooguit als technische praat. Hij is er blijkbaar niet wellevender van geworden.

Maar liet die blijkbaar gelovige (?) G.M. zich dit zo maar wel gevallen, omdat hij zijn geloof zo weinig serieus nam? Dat is vast een punt om over na te denken. Of is het hem gewoon worst wat zijn gastheer zich meent te moeten veroorloven? Hij staat er gewoon voor; in zijn soort ook imponerend, en misschien wel het enige wat hij kon doen.

Hoe dan ook, er is natuurlijk niet zo veel mis mee als er de draak wordt gestoken met malle gelovigen. Gekkigheid is gekkigheid. Gelovigen die een spiegel voorgehouden krijgen is prima. Maar of dat hier nu zo aan de orde was?

Iets dergelijks vinden we op p 186 van Ketterijen.
“Dat had ik nooit gedacht. Onvoorzien betrapte ik G erop dat hij aan het bidden was. Hij had blijkbaar vergeten de knip op de deur te doen. Maar hoewel hij – dat kon ik in dat korte moment net wel vast stellen – te diep verzonken was (in zijn gebed jab) om mij op te merken, ik kan toch niet meer doen alsof er niks gebeurd is. Hij heeft voor mij afgedaan. Werelden scheiden ons. Hoe zou ik met iemand die bidt een woord kunnen wisselen! Zelfs als wij over een of andere aangelegenheid een en dezelfde mening hebben, moet dat een vergissing zijn. Ik ben echt niet enghartig, en ik zou een Marsmannetje die mij zijn vriendschap bood nooit afwijzen. Maar ergens moet ik toch voor mezelf een grens trekken, ergens wordt het ook voor mij te dol. Dat is dus hier.”

blasfemie en engagement

Auschwitzkamp

Kamp Auschwitz

Weer nav discussie over Auschwitz, het volgende. In 1944 – dan woont hij nog in Amerika en heeft hij zijn geboortestad Breslau en Auschwitz nog niet terug gezien – maakt hij de opmerking: “Een visie op de Enormiteiten als de onmetelijkheid van God en wereld, krijgt van mij tegenwoordig het heilige kruis na. Het is tegenwoordig ongepast je met meta-fysica in te laten, of theologie te beoefenen; het is zelfs blasfemie. Ik heb alleen te maken met een visie op de Enormiteit van onze misdaden.11 Hij weet dat hij daar met zijn verstand niet uit komt; vraagt zich zelfs af of het met (oprekken van de) fantasie wel zal lukken.

Er is volgens mij geen enkele reden waarom gelovigen dit engagement niet met hem kunnen delen; sterker nog zonder dit besef is het ongepast om met nog een andere ‘Enormiteit’ (zoals geloof in God) te komen. Als de kerk over God en zijn onmetelijkheid en die van de wereld iets wil belijden zonder deze uiterste zorg om de Enormiteit van misdaden daarbij in het oog te vatten, moet het wel een pseudo-christelijk geloof zijn. Dat is helemaal in lijn met Bonhoeffers: “Je kunt geen gregoriaans zingen als je niet ook voor de Joden bidt”.
Even verder reageert hij nog op iemand die hem een professionele atheïst noemt; wat hij te veel eer vindt: “We hebben in de apocalyptische tijd waarin we terecht zijn gekomen waarachtig wel wat beters en belangrijkers te doen dan een begrip te bestrijden dat geen enkele inhoud heeft.” 12  Zo hoog zit hem dat.

atheïsme en engagement

Nog weer verderop (175 e.v.) zegt Anders, door mij samengevat: ik ben inderdaad een atheïst en pogingen om mij te bekeren ketsen op mij af. Mijn ongeloof stelt dan ook helemaal niets voor. (In tegenstelling tot wat jullie geloven van jullie geloof.) Ik hoor bij een nieuw type atheïsten. (Niet meer zoals Nietzsche, die nog nadrukkelijk atheïst was, die er nog werk van maakte de mensen te missioneren, dat God al dood is.) “Voor mij is God niet eens dood”. Ik heb er niet het minste belang bij hem te ontkennen.  Zijn gesprekspartner vindt dat natuurlijk blasfemisch. (Later geeft hij ook toe wel wat hard te keer te zijn gegaan) Maar daar verdedigt hij zich weer tegen met het al vaker gehoorde argument: “Niet jullie God is in gevaar, maar onze wereld13. Wij.”

de meerderheid van niet gelovers

De gesprekspartner koppelt daar de vraag aan, of Anders zich niet als een minderheid ervaart, omdat de meeste mensen toch Anders’ positie niet innemen. Dan komt hij met een nog niet zo vaak (maar al wel door Anders ingebracht in het stukje Ketterijen God – 8) gehoorde gedachte: hij wijst er namelijk op dat hij bij een veel grotere meerderheid hoort! Er is geen enkel ander animal religiosum. 14 De algemeen geldende regel onder de talloze schepselen is dat ze geen weet hebben van religie, god of religieuze mogelijkheden. “En bovendien: geloven is een heel recent ontstaan fenomeen. Hoe verklaart U dat? En dat tegenwoordig geloven dan misschien ‘normaal’ is, wat zegt dat dan?” Ik ga hier niet dieper in op dit argument als zodanig.

ongeloof is niet ‘ergens’ wel geloof

Gesprekspartner H.G. probeert dan toch dat ongeloof van Anders ‘ergens’ een geloof te noemen.(181 Ketterijen) Je kunt Anders niet kwaaier krijgen. En hij verwijt de gesprekspartner ook dat hij niet lijkt te weten dat voor het christelijk geloof ‘dat soort ‘ergens’-geloof (zonder iets wat of waarin geloofd wordt) niet bestaat’.
Hij voegt er nog aan toe dat zijn niet geloven niet te danken is aan de harde natuurwetenschap. Hij wil net zo min op de positivisten van de harde natuurwetenschap lijken als op gelovigen. Die wetenschappers denken alleen maar niet in God te moeten geloven, omdat ze ‘blind zijn voor metafysische vragen’. Dat bewijst dus niks; zegt dus niet dat ze die opgelost hebben, weerlegd. Maar goed om te onthouden dat Anders zelf niet blind is voor metafysische vragen. Zo veel impliceert hij hier wel.

bitter bij Skopje

Diep aangrijpend is bepaald wat hij noteert nav de aardbeving in Skopje. Daarbij stort een kerk vol met vrouwen en kinderen in. Iemand haalt met zijn vriend diens dode, onherkenbaar geworden dochter onder het puin uit en vraagt toonloos: “Bewijst dat nu Gods almacht?” en “Of zijn erbarmen?”. Waarop de vader de vriend ter plekke doodslaat. “Na dit verhaal”, vervolgt Anders dan letterlijk vertaald, “huilden sommigen van ons. Maar die tranen sloegen niet alleen op dat dode kind. Ook niet alleen op de doodgeslagen vriend. Maar ook op het verschrikkelijke bewijs dat bewijzen geen enkele kracht hebben. En onze laatste hoop stierf”. Dat lijkt me ver voorbij het nihilisme dat Anders meestal zo parmantig verdedigt.

baälsdienst in Japan

Tijdens herdenking van Hiroshima-slachtoffers merkt Anders op, dat er een soort pseudo-religie ontstaat in het ritueel. (Hiroshima ist Überall 124) “Ik was woedend; ik was te schande gemaakt, want de viering was je reinste Baälsdienst.” Maar dat neemt hij de Japanners niet kwalijk, maar zichzelf en een protestantse theoloog V., met wie hij de herdenking heeft bij gewoond. Hij vindt dat ‘de steen’ die centraal staat in de lange viering niet slechts de plaats van aanbidding markeert. Het hele ceremonieel wordt aan de steen gewijd. En wel in een mengvorm van religies. De ene religie voert mede het ritueel van een andere godsdienst uit; en dat gaat hem veel verder dan een kerk in de VS die een dominee van een andere kerk kan laten voorgaan. En het is voor hem ook duidelijk iets anders dan dat hij onder een Congrestekst voor een morele Kodex in het Atoomtijdperk de handtekening wil zien te krijgen van zo veel mogelijk voorgangers van verschillende godsdiensten. (Hij probeert daarom een zo neutraal mogelijke tekst op te stellen.)
Genoemde protestant V. schijnt hem te begrijpen: “Het is een schande voor ons, gelovigen, dat U als ongelovige meer (terecht) verbijsterd bent hierover dan de onzen”. Waarop Anders eraan toevoegt dat hij er een wat vreemd gevoel aan over houdt dat die echte gelovige V. en hij zelf, de echte ongelovige, onder bepaalde omstandigheden makkers worden.

Zou het niet kunnen zijn dat onze wereldsituatie zo bizar is geworden dat je die vreemde gevoelens maar voorbij moet zien te komen omdat je immers ook weet van een onopgeefbare verwantschap in de strijd tegen het kwaad? Heel deze studie is eigenlijk ingaan op die verwantschap, die er wel degelijk is. Vreemd genoeg, inderdaad.
Maar je hebt wel degelijk het recht om je als gelovige verwant te weten met deze Günther Anders. Er zou een speciale categorie ‘heiligen’ als Anders in de kerk moeten zijn. In de trant van seculiere gelovigen zoals Bonhoeffer erover spreekt.
Dat geeft je ook de plicht als kerk om naar hem te luisteren. Hij heeft het over de echte kwesties van het leven, waar het concept van een volledig rationele werkelijkheid geen verklaring voor is. Daarom vindt Anders, dat je je zo volledig aan het bestaan van de mensheid en haar voortbestaan moet verslingeren.

een paar bevindingen

Uit wat ik van Anders tot nu toe noteerde filter ik het volgende.

  1. Ongeloof blijkt voor hem geen uitgemaakte zaak te zijn. Net zo als hij ook van zichzelf niet gezegd wil hebben: “O, U bent dus een rationalist”. Dat zegt namelijk in feite ook niets.
  2. Het is ook duidelijk geworden dat hij geen ongeloof aanhangt dat hem onverschillig maakt. Voor mij is dat een hoofdpunt.  Hij is op vele manieren ‘verschillig’. Zonder motief, beweert hij. Maar dat maakt hij volgens mij niet waar. Voor hem is engagement min of meer de reden van zijn niet geloven. Hij wil alles inzetten om de wereld te redden uit haar eindtijdproblemen; er is geen tijd en energie over voor geloven. De mensheid, die zich zelf kan ombrengen is bij hem allesoverheersend.
  3. Geloven mag niet in mindering komen op de eigen verantwoordelijkheid. Je kunt het overleven van de mensheid niet (ten dele) over laten aan ongrijpbare hogere machten. Want je bent als mens in staat om de uitroeiing van het leven te regelen; daarom: laat je niet afleiden door rituelen, geloven of wat dan ook. Misschien is zo de discussie of dit geloof is of niet, onbelangrijk: als je maar mee doet.
  4. Hij valt gelovigen en kerk dus aan ter wille van de wereld van leed die door mensen (al dan niet gelovigen) aangericht is. Hij weet dat hij op dat punt een missionaris is.
  5. Hij geeft er blijk van een antenne te hebben voor de oprechtheid van sommige gelovigen. Maar dat zijn uitzonderingen. Hierbij reken ik ook de opmerking die Anders over religies in het algemeen maakt in Antiquiertheit des Menschen (I) p 36: “.. in geen enkele godsdienst geldt het feit dat de mens geen God is, maar slechts een schepsel, als vrijbrief voor morele onverschilligheid..”

  6. Bij hem leeft het besef dat hij niet alles in de knip heeft betreffende het leven dat wonderlijk en ‘humoresk’ hoort te zijn. Hij houdt een slag om de arm met zijn ongeloof. Hij heeft dat niet altijd zo mooi op een rijtje.

kun je ‘seculier geloven’

Ik vind deze zienswijze op de wereld in het algemeen en op geloven in het bijzonder verwant aan de manier waarop Bonhoeffer denkt en schrijft over gelovig zijn in een atheïstische wereld. In de nalatenschap van Anders zijn geen directe sporen te vinden van aandacht voor werk van Bonhoeffer dat nog tijdens het lange leven van Anders in de belangstelling heeft gestaan.

De kern van Bonhoeffers inzichten in zake geloven, wordt veelal omschreven als “geloven alsof God niet bestaat”; hij gebruikt ook de term ‘seculier geloven’. Zo zou Anders ook kunnen zeggen : “on-geloven omdat God niet bestaat”.
Qua engagement voor de wereld doen ze niet voor elkaar onder. Bonhoeffer heeft minstens zo veel van het monster gezien als Anders. Lees meer daarover. Maar Bonhoeffer vindt het dan toch nodig om wel over God te spreken; dat is wel een verschil, maar zegt toch wel wat!
Op zijn minst treffen ze elkaar dus wat betreft het niet (meer) kunnen ontlopen van verantwoordelijkheid voor de steeds groter wordende prestaties van de mens. Het resultaat is bij beiden immers een volwassen mondige levenshouding. Zou het zo vreemd zijn om te denken dat deze beiden bij een inhoudelijke ontmoeting elkaar zouden kunnen hebben versterkt? Alleen al het gegeven dat Bonhoeffer een spreekverbod had opgelegd gekregen en niets mocht publiceren onder de Nazi’s had Anders aan het denken moeten zetten. Als je in de tijd dat de leugen regeert niets mag zeggen betekent bij Anders toch ook, dat je dan wel de waarheid moet spreken! Lees daar zijn roman “De Catacombe van Molussië” maar op na. Merkwaardig dus, dat Anders deze getuige voor de waarheid niet gesignaleerd heeft. Uitgebreider over Anders en Bonhoeffer.

andere gelovigen.

Uit de Dagboeken krijg je niet of nauwelijks de indruk dat hij een behoorlijke theoloog gelezen heeft. Of in debat is geweest met hen.
Wel is bekend dat Anders en Gollwitzer (open) brieven met elkaar hebben gewisseld. In het Günther Anders Archiv in Wenen 17 worden briefwisselingen met Martin Niemoeller, Albert Schweitzer en Paul Tillich vermeld. En verder ligt het eigenlijk ook wel voor de hand om te denken, dat hij op zijn minst iets geweten moet hebben van Bultmann bij wie zijn eerste vrouw Hannah Arendt studeerde. Maar daar heb ik nog geen zicht op.
Maar Anders heeft zich met vrijwel alle belangrijke thema’s van leven en wereld bezig gehouden waar anderen ook over schreven. Neem bijvoorbeeld een thema als ‘hoop’. Anders is daar regelmatig mee bezig; zowel in gesprek met deze en gene als ook op filosofisch niveau met Ernst Bloch. Als dan Jürgen Moltmann18 in 1964 met een befaamd boek “Theologie van de hoop” komt, zou je mogen verwachten dat Anders daar kennis van neemt. Ik kan helaas de in dit verband wel interessante correspondentie met Bloch uit genoemd Archief er niet op naslaan.

Verder moet de hele discussie in de kerk en onder theologen aangaande de samenleving onder leiding van de nieuwere techniek toch door Anders opgemerkt zijn. Op het eerste gezicht zou een denker als Ellul verwant geacht kunnen worden. Die heeft genoeg bekendheid gekregen om door Anders opgemerkt te worden. ‘La technique ou l’enjeu de siècle’ werd al in 1954 gepubliceerd en de Engelse editie is van 1964.

En in het Nederlandse circuit zou je mogen verwachten dat een Dippel zich met Anders in gelaten zou hebben. Dat is dan ook het geval, getuige het proefschrift van Paul van Dijk. Hij haalt Anders’ analyse van de ‘geantiqueerde mens’ aan.19 Elders20 gaat Dippel mee in het inzicht van Anders, dat ‘Auschwitz’ symbool staat voor de ‘technisch perfecte doodsmachine’.

Minstens zo sterk is Dorothee Sölle met de huidige samenleving bezig geweest. De bijval en tegenspraak die dat opriep moet toch wel opgemerkt zijn door Anders, zou je denken. Zij citeert in Politieke theologie op p. 79 tenminste zijn Philosophische Stenogramme.   Aan de andere kant schrijft ze op p. 142 van Tegenwind: “Daarbij hielp mij Dietrich Bonhoeffers nadruk op de ‘radicale aardsheid van het christendom’. Later vind ik bij de mystici steeds weer verwijzingen naar dit voor het geloof noodzakelijke atheïsme. In gesprekken met humanistische of socialistische atheïsten kon ik vaak niet nalaten te zeggen: “Nu ja, vrienden, zo atheïstisch als jullie zijn wij christenen al lang”. De verschillen begonnen bij het brood van de hoop en waar je dat vandaan haalt. Zij betroffen de spiritualiteit waarnaar ik op zoek was.”
Van haar voeg ik nog een citaat toe: “Zoals bekend geloven de meeste Duitsers van nu niet meer in God. Dat heeft me tot dusver niet al te zeer verontrust omdat ik datgene waarin zij vroeger geloofden niet zonder meer voor God houd. Angst heb ik voor dit gegeven om een andere reden: ik vrees dat het op wederkerigheid berust. Welke reden zou God kunnen hebben in ons te geloven?” p. 146/7
Zij deelt de visie van Anders : “Auschwitz is niet in Auschwitz opgehouden” (Tegenwind, p 198.) En in 1967 moet ze bezig geweest zijn met de Vietnamoorlog (samen met Heinrich Böll). (P 212) Ze kent Anders’ medestrijder bij de Oostenrijkse Paasmarsen: Robert Jungk ook. (Mystiek en Verzet p. 382) Aan hem hangt ze de term atoomstaat op, die Anders zo veel zal gebruiken.

Ik verwachtte zelf verder dat men Günther Anders ook wel in de kringen van de WereldraadConferenties zou tegen komen. Boston. Conciliair Proces. Maar hij staat daar toch niet op de deelnemerslijst. Ook niet op die van Kirchentagen. Wel is er in het AndersArchiv een Konvolut Kirchentag Juni 1981 in Archivbox IX. Misschien zijn dat alleen maar knipsels die hem interesseerden. Maar misschien ook is het meer; correspondentie; is hij er geweest; wie heeft hij daar ontmoet.

De enige theoloog, die zich met Anders diepgaand heeft verstaan, is Paul van Dijk. Maar mijn stelling is, dat zijn boek geen theologische invalshoek heeft, maar een filosofische.

waarom maak je je druk over geloof-ongeloof

Anders legt opvallend vaak uit dat er aan het begrip geloven allerlei bezwaren kleven kunnen. Die bezwaren gelden eigenlijk vooral de belijders van een geloof. Dat die niet deugen voor het overleven van de mensheid. Kort gezegd: als die beweren dat hun geloof het antwoord is op die vragen, dan is het het verkeerde antwoord, want de mens is bezig zijn wereld te verspelen, te vernietigen, onbewoonbaar c.q. onbewoond te maken.
De meeste bezwaren zijn vrij bekend. Ze betreffen geloofsvoorstellingen waartegen rationeel best wat in te brengen is. En de pogingen van gelovigen om die bezwaren te weerleggen, zijn meestal niet geslaagd. Ontberen de nodige inleving. Ontberen vooral het besef dat de wereld niet rationeel in elkaar zit. En dan heeft Anders weer gelijk, dat dat inzicht niet rationeel af te leiden is uit de materiële werkelijkheid.

Noten

3 KET p. 9

KET p. 321

a.w. p. 11 Eatherly begeleidde het vliegtuig met de atoombom op Hiroshima en moest vast stellen of de meteorologische omstandigheden het afwerpen toelieten. Anders en hij zetten een briefwisseling op (ook te vinden in HIÜ), omdat hij zich niet een held wil voelen, zoals de Amerikanen hem willen doen geloven na 6 Augustus 1945.

a.w. p. 14

10 Dat opschrift is moeilijk te plaatsen; want waar zat hij nou ‘stumm’ bij? Het gaat over een incident waarvan een ander vertelde, en waar GA zelf niet bij was.

11 Besuch im Hades p. 40

12 Op dezelfde toer gaat hij als het op p. 162 over porno gaat: die verdedigt hij niet, die valt hij niet aan ‘omdat ik belangrijker te doen heb’.

13 Hoe hoog hem dat zit blijkt wel uit zijn aantekening “Fout” bij het beroemde appelboompje van Luther. Hij noteert dat nav een jong stel dat een huis wil laten bouwen. “De strijd tegen de dreigende ondergang mag je niet onderbreken met het bouwen van huizen of het planten van bomen. Nog afgezien daarvan dat de buren, als ze ons met dat zinloze gedoe bezig zien, onze waarschuwingen ongeloofwaardig zullen vinden.” (190)

14 Dat argument duikt ook, p 212, op in een ander gesprek. “Moraal is slechts een ziektesymptoom van een enkele species.” Ik ben zo vrij beide niet als grappig bedoeld op te vatten.

15 Vergelijkbaar p 198/199

17 Ondergebracht in Literaturarchiv der Österreichischen Nationalbibliothek www.onb.ac.at

18 Als ik prof. Moltmann vraag naar zijn verhouding tot Anders, meldt hij in een brief van 22 April 2011, dat hij Anders niet zelf gekend heeft. Hij heeft wel ‘Die atomare Drohung’ gelezen. (Zie Moltmann “Gerechtigheid schept toekomst”. P 29 en 39/40)

19 Van Dijk (1985) p. 260/261

20 Van Dijk 91985) p. 306

Advertenties