Günther Anders’ “Ketzereien”

Onder deze titel gaf Günther Anders allerlei teksten (Glossen) uit die nog niet in het Nederlands beschikbaar zijn. Ik probeer in werkvertaling daar iets aan te doen (‘wie immer wie die Lottozahlen: ohne Gewähr’); zonder enige pretentie. Maar het leek me goed om middels deze (korte) stukjes even op te lopen met zijn gedachten over talloze onderwerpen. Ik heb al eens een artikel geschreven waarin ik betoog dat we nog steeds niet om Günther Anders heen kunnen. Deze teksten mogen dat een beetje duidelijk maken.

Het betreft stukjes tekst die Anders in 1981 uitgaf. Hij moet toen net klaar geweest zijn met de publicatie van Band 2 van zijn hoofdwerk : “Die Antiquiertheit des Menschen”. Dat is een stevig werk waarin hij zijn gedachten rond één thema redigeert: over de mens die zichzelf kan uitroeien. Maar terwijl hij daarmee bezig was had hij aantekeningen gemaakt over van alles en nog wat. “Over “Gott und die Welt” – over natuur, kunst, taal, liefde”, zoals hij stelt in een Nawoord. Hij geeft aan dat ze stammen uit de jaren 1978/79.

Het kan de lezer niet ontgaan dat hij wel erg veel bezig is geweest met de kwestie van geloven in een God. En dan de volgens hem extremere variant daarvan (niet) geloven in het werkwoord geloven. Hij rekent zich tot een nieuwe lichting ‘atheïsten’. (p 178) Ik heb daarvan drie verzamelingen gemaakt die een eigen pagina kregen. Zie de desbetreffende links.

  1. Ketterijen over God en (on)geloven.
    Daarvan zegt hij zelf o.a.
    “…. over God, want die komt er (en niet eens zo weinig) alleen in voor als niet-bestaand. Maar als zodanig is hij niet bepaald zonder consequenties. Feitelijk is atheïsme de enige basis die aan alle stukjes ten grondslag liggen” (Ook weer Nawoord p 341.)
  2. De stukjes Gott 1- Gott 9.  Die staan niet voor niets bij elkaar, denk ik dan.
  3. Nog een andere ietwat samenhangende serie onder de titel Gretchenfrage.
  4. Dan is er ook nog een wat groter geheel: een niet uitgezonden interview.

Ik heb de uitgave gebruikt in de Beck’sche Reihe, München,1996. Onveranderde herdruk. ISBN 3 406 39265 2. Meeste cursiveringen zijn van GA zelf. [ ] geef ik de paginanummers van de Duitse uitgave.

Verder vermoed ik soms, dat wat hij aan geloof en ongeloof doet wel eens heel dicht kon liggen bij wat Bonhoeffer ‘seculier geloven’ wilde noemen. Soms ook niet. Ik hoop daar nog een kleine studie aan te wijden.

Het leek me wel gepast om hier het voorwoord op te nemen. En de laatste drie stukjes omdat ze zo ontroerend zijn.

Voorwoord. p 5/6

Ik heb de nu volgende brokstukjes tekst “Ketterijen” genoemd. Niet alleen omdat het Griekse woord αíρεσισ waarvan de Duitse vertaling “Ketzerei” is, ‘Keuze’ betekent, dus zelfstandigheid. Dat mag je dus als een erewoord gebruiken. Maar een reden is ook, dat afwijkingen van het geloof sinds eind 4e eeuw ( als een enge voorafje van de politieke excommunicatie die wij tegenwoordig kennen) ‘ketterijen’ genoemd worden; die als zodanig door de keizers als provocatie aan de wereldlijke macht met extreme middelen worden onderdrukt of bestraft.

Nu  ben ik beslist geen masochist die graag martelaar wil zijn (tenzij je dat woord in zijn oorspronkelijke betekenis van ‘getuige’ neemt). Maar met de titel “Ketterij” wil ik wel aangeven dat men mij niet moet classificeren als auteur van vrijblijvende, meer of minder ongebruikelijke waarnemingen, of van meer of minder precies geformuleerde stukjes tekst. (Ik ben te trots voor zo’n classificatie.) Ik wil veel meer te boek staan als verdediger van omstreden stellingen; en ik verdien het op zijn minst (daarop) aangevallen te worden. Die eer is mijn eerdere geschriften nooit te beurt gevallen, want die heeft men in plaats van ze te vervolgen, met prijzen beladen en daardoor ontkracht.

Nog een andere reden voor de keuze van deze titel is natuurlijk gelegen in het feit dat wij minstens sinds een halve eeuw  (en in het Westen niet minder dan in het Oosten) in een wereld leven van conformisme, dat ons deels wordt aangeboden, dat deels ook geboden, door aanbiedingen geboden wordt en niet te ontlopen is. (Om niet te zeggen: congruïsme). Ons congruïsten van nu moet je niet tot orthodoxie oproepen, maar tot “orthopraxie”. (zie “Die Antiquiertheit des Menschen Band 2, p 148 e.v.)

De door congruïstisch geloof en leven ontstane wereld heb ik in Band 2 van “Die Antiquiertheit des Menschen beschreven. Als ik nu mijn waarnemingen en stellingen, waarvan ik beweer dat ik ze los van alle [5] orthodoxe of orthopraxe sjablonen bedacht en opgesteld heb,- als ik die nu “Ketterijen” noem, dan is dat dus logisch – want die term is de tegenspraak van “Conformisme”, “Orthodoxie” en “Orthopraxie”.

Het is misschien verrassend dat een mens zich zelf ketter noemt. Afgezien van een paar echt consequente personen die , zoals Nietzsche, geloof als zodanig als vals geloof voor verdacht hielden en aan de kaak stelden; die dus de woordverbinding ‘waar geloof’ als ‘contradictio in adjecto’ ontmaskerden, – afgezien van die weinigen hebben ketters zich nooit tegen geloof als zodanig gekeerd, in tegendeel: ze zagen zichzelf veel meer als de ware gelovigen.
De term ‘ketter’ is zonder uitzondering beledigend bedoeld; vooral door de vertegenwoordigers  van de officiële macht of de meerderheid, die er de ‘sectariërs’ mee discrimineerden en tekenden als rijp voor de brandstapel.

Maar je kunt de speer ook omdraaien. En dat doe ik hier.
Ik adopteer dat klassieke scheldwoord, ik presenteer mijzelf als “ketter” ook vanwege het volgende. Wie ( om de belediging door de officiële meerderheid maar voor te wezen ) zichzelf als “ketter” presenteert, stelt de rechtgelovigen in het ongelijk, hij maakt van hen ketters. Want orthodoxie is altijd ketterij tegen de waarachtigheid; en des te meer ketters naar mate ze haar geloofssysteem voor waar houdt.

Bad Ischl. Zes uur ś avonds.
Alleen in het park, p 339

Erg tevreden. Ik heb grofweg genomen wel gezegd wat ik te zeggen heb, wat misschien alleen ik had kunnen zeggen. Ik zou me nu op hoge leeftijd na de vele stormen bijna gelukkig kunnen noemen. En uitstappen, als niet… ja als niet de toestand van de wereld zo wanhopig was.

Morgenkwaal p 339

Dit zal het wel zijn. Het zal mij dus ook overkomen wat miljoenen al overkomen is, en momentaan overkomt. Toe maar. [339] Ik ben niet bang; ook niet wat Bloch zo koket noemde “nieuwsgierig”. (Es wird nichts als nichts sein.) Het is niet anders dan niets zijn.
Er geweest te zijn is quite an adventure geweest. De wereld en het leven zijn wel verbazende uitvindingen, onvoorzien, onverdiend. Ook al is de uitvinder ervan dan een génie malice geweest. Hoe dan ook: het heeft zich geloond.
De stemming van het naderend einde is niet als andere; ze is niet abstract (gegenstandslos) zoals melancholie. Duidelijk: “Dit is het”, hoort erbij.

Heb hem weer gefopt, p 340

Hij stond weer zonder te kloppen in mijn kamer. Het werd me een moment zwart voor de ogen. Toen zag ik dat hij ontdekte dat ik aan mijn bureau zat. Hij wreef zich de ogen uit en keek niet gelovend naar het niet beslapen bed. Hij schudde het hoofd. “Neem me niet kwalijk, maar ik moet me weer in het kamernummer vergist hebben.” En hij ging.
Hoe vaak zal ik hem zo nog kunnen foppen?

Advertenties