Heeft alleen de mens een ‘geloofsorgaan’?

Kijk eens om je heen: onder de miljarden creaturen in het heelal is er alleen die ene piep kleine soort mens die de capaciteit heeft om te kunnen geloven. Alleen de mens zou weet hebben van een schepper. En weten dat hij er weet van heeft. Andere schepselen hebben er geen orgaan voor. Of ze houden het verborgen: je ziet het er niet aan af, je hoort ze er niet over.

De Duitse filosoof Günther Anders komt op minstens vier plaatsen (39, 180, 212, en  235) in zijn boek “Ketzereien” met dat argument opdraven. Geloven is een soort reservelurf die alleen bij de mens gemonteerd zou zijn. Dat is toch te onwaarschijnlijk om waar te kunnen zijn, suggereert hij. Ook met de notie : volstrekt overbodig, en ze weten er nog niet eens behoorlijk mee om te gaan.
Hij gebruikt het gegeven dat niet-geloven in het hele universum het meest voorkomt, tegen gesprekspartners, die vinden dat wel-geloven de norm is, en niet-geloven de uitzondering van een kleine minderheid.
Hij wil er mee aangeven, zo niet bewijzen, dat wel geloven niks kan zijn. ( zie Ketterijen God 1 – God 9,  Günther Anders’ Ketzereien en Ketterijen Gretchenfrage)  Alleen de mens heeft een religie afwijking. ‘Antropologisch monopolie’ noemt hij het ook wel. Hij brengt het in om de mens (dan wel zijn gesprekspartner van dat moment)  een toontje lager te doen zingen. Antropocentrisme in onterecht: de wereld kan best zonder ons. En als je het op wilt hangen aan het concept van ‘een ziel’ die wel in mensen te vinden is: algemeen verbreid tot op Yuval Harari is de overtuiging dat wetenschappers wel hebben aangetoond dat “varkens, ratten of resusaapjes” (Homo Deus p 113) geen ziel hebben.
Dat mensen die wel zouden hebben staat volgens vele onderzoekers ook niet meer vast.
Maar Anders noemt het verbijsterend dat nog geen theoloog een goede verklaring, laat staan een rechtvaardiging gegeven heeft voor dat unieke geloofsorgaan van de mens. Hij wil zo uit het ongerijmde bewezen hebben dat zo’n verklaring ook niet bestaat.

Anders wil niet geloven.

Hij brengt dit in het kader van gesprekken met anderen over zijn stelling dat hij niet gelooft. Niet kan geloven. En vooral: hij wil het niet. Die anderen vallen hem aan; willen hem soms aanpraten dat hij toch ergens wel gelooft, zijns ondanks of dat hij dan wel iets mist. Maar Anders vindt dat hij zich prima redt zo; hij wil geen enkele geloofsinhoud  of -voorstelling aannemen; wat hem brengt tot een uitdrukking als “God is voor mij niet eens dood”. (178) En hij noemt zich dan lid van een ‘nieuwe generatie atheïsten’. Hij ontkent niet alleen welke inhoud of voorstelling van welke religie dan ook, maar geloven is voor hem een werkwoord zonder enige betekenis.

In een ander artikel heb ik geschreven over hoe Anders zijn (vele aantekeningen over) gesprekken met gelovigen voert. En ook dat hij nooit serieus in gesprek gegaan is met de grote theologen van zijn tijd. Ik opper daar ook de gedachte dat Anders, zo seculier als hij wil zijn, wel eens de ‘seculiere gelovige’ kon zijn waar Dietrich Bonhoeffer naar op zoek was.
Maar op deze plaats wil ik op zoek naar een antwoord op die vraag die Anders maar blijft stellen: is het niet te gek voor woorden dat God voor alle andere creaturen anoniem bleef en alleen bij de mens bekend werd? Wat zit daar achter, als er iets achter zit? Hoe specifiek zijn wij dan wel, en op grond waarvan? “Waarom lopen wij als een uitverkoren volk rond in het universum?” (236) Alleen wij.

ingang dierentuin Berlijn

Even denk ik, neen vrij lang heb ik gedacht, dat het hier gaat om retorische vragen. Spits maar onbeantwoordbaar. Hij verwacht ook geen antwoord. Min of meer ook om het gesprek dood te slaan: “Daar  heb je niet van terug”. Maar dat kan toch niet kloppen, gezien een aantekening in “Ketzereien” op p 239. Daar blijkt hoe hoog het hem zit.

Anders Arendt

1929 Anders en Arendt

Hij komt langs de dierentuin in Berlijn en herinnert zich dat hij daar dertig jaar geleden (winter ’29) met (zijn toenmalige, eerste vrouw) Hannah Arendt stond en probeerde haar mee naar binnen te krijgen om haar de jonge ‘Murmeltiere’ (bergmarmotten) te laten zien. “Da sprach sie das grosze Wort aus …. “Ich interessiere mich ausschlieszlich für Menschen”.
Dan vervolgt hij: “Als er iemand warm menselijk geweest is, dan was het zeker de Hannah van toen. Maar vreemd genoeg kwam de stelligheid waarmee ze verklaarde alleen in mensen geïnteresseerd te zijn, als onmenselijk op mij over. Als onmenselijk tegenover al het niet menselijke. Bijna: genadeloos.
Ik weet niet meer welk antwoord ik gegeven heb op deze verklaring; vast wel heftig. In eerste instantie denk ik : “Rassist!” maar dat kan niet kloppen, omdat die uitdrukking pas later als strijdwoord tegen het nationaalsocialisme in omloop kwam. Maar dat begrip dekt wel mijn opwinding.
Onderweg naar huis, zullen we in de ijzige kou wel geen woord gewisseld hebben. Toch. Ik heb haar gevraagd: “Houd jij ons mensen voor ‘het uitverkoren volk’?” Maar die vraag heeft ze niet beantwoord. Nu haar boeken er zijn, kun je er niet meer aan twijfelen dat haar antwoord “Ja” geweest zal zijn.”
De vraag zit hem dus wel hoog.

zijn wij de enige schepselsoort die kan geloven?

Geen retorische vraag dus.
Geen van zijn gesprekspartners komt op het idee om op de bewering zelf in te gaan.  (Als het door Anders gefingeerde gesprekken zijn, dan laat hij hen niet serieus aan het woord komen.) Niemand komt met voorbeelden van dieren die wel zo iets als een hint van religie hebben; heel primitief misschien, maar toch: een ‘Vorstufe’ van religie. Misschien wel omdat de mening dat dieren etc. geen ziel hebben zo wijd verbreid is. Anders zelf komt trouwens nergens met een bewijs voor zijn bewering. Hij verwijst niet naar andere auteurs die zijn opvatting delen.
Klassiek geschoold als hij is, kan hij wel geweten hebben dat Plato al komt met de bewering dat zwanen bij het naderen van hun dood zingen. Dat zou dan zijn omdat ze een soort religieus gevoel hebben. Kunnen rouwen ook. Plato weet ook van dieren die een ziel hebben zoals mensen, die tot besef van het goddelijke kan leiden; die ziel kan wat Plato betreft ook in een mens verhuizen. Maar goed, dat is allemaal weer ontkend door Aristoteles. (Met dank aan mijn broers C.A. en A.P.  voor deze gegevens). Maar Anders komt daar niet mee op de proppen.
Hij schuift wel wat rigoureus niet-westerse godsdiensten of filosofie ter zijde waarin materiële creaturen als bomen en bodems geacht worden doortrokken te zijn met iets van het goddelijke.

bijbel

Dieren en planten ‘hebben iets met God’, volgens de Bijbel. Of liever gezegd: God met hen: op zijn minst dat God ze ‘goed’ vindt en zegent. Dus voor zover geloven een element heeft van ‘relatie met de eeuwige’ gaat dat niet alleen voor de mens op. God ‘heeft wat met de bloemen en de bijen’.
Verder zingen de andere schepselen in de Bijbel bv Gods lof. Ze roepen tot God om voedsel. De sterren kent God bij name. Of je dat nu allemaal weg kunt zetten als ‘slechts beeldspraak’? Ik denk het niet. Ze horen zonder meer bij de schepping. Het is al door velen opgemerkt dat in de visioenen van Openbaring ‘de vier dieren’, representerende de hele niet-menselijke creatuur, hun Schepper prijzen. Zou dat alleen maar een toekomstige creatuur betreffen?
Maar de algehele lijn in de Bijbel is wel, dat de mensen bij uitstek op God aangelegd zijn. Dat de andere schepselen Gods lof zingen is een aansporing aan de mens: looft de Here, mijn ziel!
Anders heeft gelijk met de bewering dat de mens er mis-plaatste baasskap-theorieën op na is gaan houden. Dat zeker. Maar hij heeft niet de moeite willen nemen de Bijbel wat dat betreft beter te beluisteren. Dan had hij kunnen lezen van een verbond van de Schepper met de mens inclusief de andere creatuur.

Anders had natuurlijk voor een minder vooringenomen standpunt best terecht gekund bij Sint Franciscus. De legendevorming rond zijn omgaan met en preken voor dieren, doet vermakelijk aan, maar je krijgt ze m.i. niet als gekkigheid van tafel, door maar te roepen dat andere creaturen niets van religie zouden kunnen hebben. Onze geïnstitutionaliseerde vormen en riten hebben ze niet: maar dat zegt niet alles.

De kwestie van Anders wordt beslist door de vraag in hoeverre de andere schepselen weet hebben van die relatie. Verdere studie naar (primitief) bewustzijn bij dieren/planten kon dan nog wel eens verrassingen opleveren.

ontroerende humor

Ik zou tegen Anders zijn eigen boekje ‘kosmologische Humoreske’  willen inbrengen. Daarin schrijft hij ontroerend mooi over de zijnden die iets met god Bamba hebben. ‘Wolkjes’ heten ze daar. Ze erkennen Bamba en zingen hem liefdevol toe. Ze zijn sterfelijk en Bamba zit daar enorm mee. Hij heeft ze geschapen/verwekt uit/met “Frau Nu” en is volmaakt verliefd op ze. En de wolkjes kennen hem.

Hij heeft blijkbaar ook nog geen kennis van allerlei modern dier-sociologisch/ psychologisch onderzoek, waarbij gegevens naar voren komen die erop kunnen duiden dat dieren een heel primitieve (?) vorm van rouwen zouden kunnen vertonen. Bekend zijn immers olifanten die geacht worden bepaalde begrafenisrituelen te kennen. Allerlei menselijke trekjes worden (tegenwoordig) in dieren herkend. Nog afgezien van wat romantische geesten op dieren projecteren aan menselijke eigenschappen. Anders komt daar niet mee. Het lijkt erop dat hij de stelling ook zo wel voor onomstreden houdt.

poging tot antwoord

Anders noemt het, zoals gezegd verbijsterend dat nog geen theoloog een goede verklaring, laat staan een rechtvaardiging gegeven heeft voor dat unieke geloofsorgaan van de mens. Hij is natuurlijk van mening dat er geen antwoord is. Want zo’n orgaan is er niet.

Ik heb hierboven de stelling als zodanig een beetje ondergraven. Daarmee is de kwestie die hij aan de orde stelt niet weerlegd. Want wat is zijn eigenlijke kwestie?  Antwoord: “Als andere schepselen geen religie-orgaan hebben, dan de mens ook niet. Geloven is dus niks.”

Maar waarom zou de mens geen ‘geloofs-orgaan’ kunnen hebben, ook al zou hij daarmee super uniek zijn? Evolutionair zou dat bv ook geen probleem moeten zijn, want hij verschilt dan wel slechts heel weinig qua erfelijk materiaal van de rest, maar dat kleine verschil maakt hem best uniek onder de mensachtigen.

Waarom zou het pas iets zijn, als de meerderheid het heeft?
De mens is stellig als soort in het universum een kleine speler. Maar hij is er wel! Dan ben je al gauw een uniek verschijnsel; dan kan je ook best iets bijzonders hebben. Dat is p.d. eigen aan minderheden.

Ik zou aan mijn antwoord aan Anders ook het volgende willen toevoegen. Die verdwijnend kleine minderheid mens heeft in de opvatting van Anders wel het unieke morele orgaan of wat dan ook om alles in te zetten voor de overleving van de mensheid en de rest van de schepselen. Dat vind je ook nergens bij alle miljarden andere schepselen. Maar de mens heeft het wel!
Dieren hebben wel een overlevingsdrang, maar dat lijkt me geen moreel orgaan, maar instinct. Maar de wens naar en inzet voor de overleving van de mensheid en de kosmos kennen ze niet. Maar de mens wel. Dat lijkt me het sterkste argument, dat tegen Anders’ verwerping van geloven ingebracht kan worden.

terug naar de dierentuin

Wat is het dat maakt dat Anders na zo veel jaar die vraag nog zo belangrijk vindt, dat hij het waard vindt die te noteren? (NB Ik merk op, dat het de enige keer is dat hij het argument opvoert in een gesprek waarin hij niet aangevallen wordt door een gelovige.)

Ik weet eerlijk gezegd te weinig van de geschriften van Hannah Arendt om Anders’ verwijzing goed te kunnen plaatsen. Heeft het soms te maken met het concept ‘nataliteit’; ik weet het niet. Maar ik denk wel dat Anders het niet met haar eens is, dat wij zo’n uitverkoren soort zijn. De mens is gewoon een dier; heeft geen privileges; bestaat in contingent kaders. Heeft geen apart iets als geloof. Heeft dat ook niet nodig, want er is toch geen deel van de werkelijkheid of iets of iemand daarbuiten waarvoor zo’n geloof nuttig en nodig zou zijn. Aldus Anders.

denkfout

Hij weet stellig dat vanuit nihilistisch/ atheïstisch perspectief God niet te bewijzen is. Noch die menselijkheid tov de niet menselijke creaturen: de morele verantwoording voor hun voortbestaan. Daar bekent hij geen enkel motief voor te hebben, maar toch steevast voor te staan.
Hij weet stellig dat ook het niet bestaan van God niet te bewijzen valt.
Hij weet ook dat alleen maar BINNEN dat frame er geen orgaan voor geloven nodig is. DAN ZEG JE NOG NIET ZO VEEL MET TE ONTKENNEN DAT HET ER IS.

dus wel?

Maar als nu de mens (als enige?) wel eens een antenne heeft voor dat “Eén die hem doorgrondt… te wonderbaar is mij dit weten, te steil, ik kan er niet bij” (psalm 139). Waarom zou dat niet kunnen? Sterker: zo staan talloze mensen in hun leven.
Dat natuurwetenschappelijke frame dat alles zou beslissen, – daar staan toch ook levensgrote vraagtekens bij? Juist door de natuurwetenschappers ingebracht.
Daarom is het opvallend, dat Anders ergens benadrukt dat hij zijn ongeloof niet aan de natuurwetenschap te danken heeft, want daar heeft hij niks van opgestoken. En nota bene verwijt hij de natuurwetenschappers zelfs dat die de echte vragen van metafysica nooit aangedurfd hebben.
Het komt mij voor dat Anders in een vergelijkbare fout gevallen is. En dat kan bijna niet, daar is Anders doorgaans te slim voor. Dus daar moet nog verder over nagedacht worden.
Toch zegt zijn argument dat we niet uniek zijn, in feite alleen iets, zolang je er niet doorheen prikt.
Wij mensen hebben dan toch maar – hoe kleine soort we ook zijn – het unieke besef of orgaan dat we menselijk hebben te zijn ook voor de andere creaturen. Dat kan met gemak onze bijdrage zijn aan het geheel; als minderheid, maar toch.

“Dan zijn we maar uniek, wat dan nog?!”
“Dan zijn we maar niet uniek, wat dan nog?!”

wat valt er meer te zeggen over een religie-orgaan?

Nu de mens dat geloof ontdekt heeft als de (‘bijdrage, die bij hem past’) aan de grote creatuurlijkheid kun je het maar niet zo bestrijden. Er staat veel te veel voor op het spel. Gebruik dat geloof vooral voor de overleving van de mensheid. Daarvoor kun je Günther Anders als bondgenoot noteren.

Anders heeft wel op tafel gebracht dat gelovigen vaak met sjoemel-software op de proppen zijn gekomen. Want op conto van een verkeerd opgevat concept ‘uitverkoren volk, de mensheid’ staat nog altijd de mogelijke vernietiging van al wat leeft. Gelovige of niet gelovige mensheid: we hebben het spul ervoor in huis.

 

 

Advertenties