Interview met Günther Anders

‘Mein Glück. (een niet uitgezonden gedeelte van een radio interview over mijn leven)1   Het staat in Ketzereien, p 320 e.v. Hij vertelt hier relatief veel over zich zelf. Men leert hem aardig kennen. En veel van zijn hoofdthema’s komen er in voor. Jood-zijn. Ongelovig zijn, nihilisme. Fascisme. De atoombewapening. Shoa. Zijn vecht-stijl niet te vergeten. Wie Anders niet al echt ‘onder de huid’ is gaan zitten kan hem zelfs wel wat ijdel vinden.Anders03

Mag ik U tenslotte vragen – want dat hoort bij mijn ‘missie’ – of U een gelukkig of ingelukkig leven gehad hebt?”
Nu weet ik wat een ‘missie’ is. – Iets buitengewoon gelukkigs. Op zijn minst een heel ongewoon buitenkansje”
Ach!” Het klonk niet alleen verrast, maar ook een beetje teleurgesteld.
Waarom: ‘Ach’?”
Omdat U – ik heb ook van uw Anti-Atoom-boek gehoord –“
Bent U even belezen!”
.. als een extreme zwartkijker te boek staat.”
Waar zwart is, zie ik zwart.”
Dus toch ongelukkig!” Hij scheen bevestigd en een beetje opgefleurd.
Over mijzelf ben ik dat bijna nooit geweest. En indien dat al een keer voor kwam gaat dat geen luisteraar wat aan.”
Als ik U dus zou vragen – en ook dat hoort bij mijn opdracht…”
Bij uw ‘missie’”, verbeterde ik hem.
… of U graag iemand anders zou zijn of zou zijn geweest?”
Dan zou ik U direct zeggen dat dit een dwaze vraag is. Psychologisch gezien is het niemand geoorloofd een ander te zijn. U kunt niet wensen Richard Wagner te zijn of geweest te zijn. Je kunt alleen anders willen zijn. Maar dan wel als degene die je bent.”
Maar dit onderscheid begreep hij niet.

Overigens merkwaardig dat U juist mij deze vragen stelt. Want ik heb voor precies vijftig jaar de schrik geformuleerd dat je precies je zelf bent.”
Zo. Waar dan wel?”
In mijn ‘Pathologie de la Liberté’. Ik heb die schrik de naam ‘Contingentieschok’ gegeven. (ik moest dat woord voor de luisteraars spellen).
En onder die Contingentieschok lijdt U tegenwoordig niet meer?”
Je went eraan.”
Omdat men zo lang ‘zich zelf’ is?”
Precies. En ‘gewenning’ is zelfs te zwak uitgedrukt. Ik ben inmiddels dankbaar voor die Contingentie.”
Wat zegt U?”
Dat wil zeggen: ik ben graag ik”.

Hij keek alsof hij nu een heel grote vis gevangen had. “Daar zullen ze van opkijken”, riep hij. Met ‘ze’ bedoelde hij vermoedelijk zijn collega’s van de omroep. Maar ik gaf er verder niet om.
Ik had vooral het tamelijk zeldzame geluk dat ik de mij opgedragen bijdrage – neemt u aub deze godsdienstig klinkende uitdrukking niet letterlijk – bijna helemaal heb kunnen leveren.”
Bent U altijd zo tevreden geweest?”
Natuurlijk niet. Tientallen jaren, met name in mijn ballingschap was het een volslagen illusie te hopen ooit iets van wat ik hardnekkig bleef schrijven gepubliceerd te krijgen. Een kwestie van grootheidswaan ook: ik hield mijn geschrijf niet alleen voor nuttig, maar zelfs voor bevorderlijk. Destijds was ik bepaald niet gelukkig.”
En die tijd is nu voorbij?”
Bijna.”
Waarom slechts bijna?”
Omdat vijfenzeventig procent ongepubliceerd is gebleven. – Laat dat maar zitten. Als ik van mijn geluk spreek is het namelijk niet terecht dat ik me tot het heden beperk en de periode voor de frustratie niet mee tel.
U bedoelt?”
Bij voorbeeld dat ik ongelooflijk geluk met mensen gehad heb. Ik heb weliswaar jarenlang in het donker geleefd, en daardoor werd ik asociaal. Maar toch heb ik sinds mijn vroegste studietijd op een soms meer dan vriendschappelijke manier omgegaan met mannen en vrouwen, filosofen en kunstenaars die op een zeer onvooringenomen manier, en met een zeer vooruitziende blik, hartstochtelijke woordvoerders van hun tijd waren; en die tijd aanvoelden ook. Ik moet ze maar niet ‘van betekenis’ of zelfs ‘geniaal’ noemen. Trouwens vaak niet blijvend, want hardhoofden trekken elkaar wel aan maar kunnen op den duur moeilijk bij elkaar gehouden worden. Hoe dan ook, velen van hen waren destijds nog piepjong, nog niet eens ontdekt, qua vermaardheid nog helemaal onschuldig; ze kwamen niet eens op de gedachte, dat ze ooit beroemdheden zouden zijn, terwijl anderen, zoals Brecht onophoudelijk bedrijfsmatig eraan werkten dat doel te bereiken. Ik had – achteraf kan ik dat maar moeilijk verklaren – het onbedoelde geluk in relatie te staan met deze buitengewone mensen; nauwelijks vijftig; in de twintiger en dertiger jaren. Maar ze hadden een neus voor elkaar en hielden het met elkaar, ook al woonden ze in de meest uiteenlopende hoeken van Europa.”
Namen?”
Als ik namen zou noemen, zou dat opschepperig kunnen klinken. Ik kon toch niet helpen dat ze zo hoog geplaatst en buitengewoon begaafd waren? Wat alleen telt is dat ik door met hen om te gaan nooit in de verleiding heb gestaan maar genoegen te nemen met middelmatige doelen en prestaties. …… Jarenlang had ik het geluk dat ik nauwelijks platvloersheden tegen kwam, laat staan dat ik ermee aanpapte. Versta me trouwens niet verkeerd: ik ben politiek niet kieskeurig laat staan elitair geweest.. In tegendeel: de zorg van de elite – en dat geldt vandaag de dag nog – geldt niet de elite, maar altijd de toekomst van de ‘verelendete’ medemens.
En wanneer, vindt U, begon uw leven kansrijk te worden?”
Ik denk vanaf mijn geboorte. Natuurlijk niet op grond van wat ik zojuist noemde. Maar de voorrechten, die me sinds mijn vroegste jeugd te beurt zijn gevallen, zijn zo onverdiend groot geweest en ze stapelden zich ononderbroken op, dat ik me vaak afvraag of ik ze echt wel ten volle heb benut; of ik ze wel waard was, en me er ook dankbaar voor betoond heb.”
Tegenover wie?”
Ik haalde mijn schouders op. “Tegenover mensen als wij.”
Wie bedoelt U daarmee?”
Ongelovigen. Ik kom daar nog op terug. In elk geval: mensen als wij is het nog niet eens vergund om, als we ons dankbaar voelen te weten wie we dankbaar zijn of behoren te zijn.”
Welke voorrechten bedoelde U?”
Nu we toch bij God of Niet-God aanbeland zijn, moet ik beginnen met iets dat in uw oren misschien vreemd zal klinken, maar waarvan het belang toch niet hoog genoeg geschat kan worden.”
U maakt me nieuwsgierig. Waar wilt U heen?”
Ik bedoel een metafysisch feit, als U wilt. Nog een contingentie. Maar dit maal een zeer welkome.” Hij wachtte af.
Om te beginnen ben ik niet zoals andere wezens, die niet mijn geluk hadden, als zo maar iets ter wereld gekomen ben: als een anonieme regenworm, of ook als een naamloze cactus die niemand bijblijft, of als een of ander zwart gat in een vreemde Melkweg. Maar als mens. Een maal er te mogen zijn en dat eenmalige verblijf als mens te mogen doorbrengen – als dat geen hoofdprijs is!”
Hij leek na te denken. “Dat had ik nog nooit zo gedacht.”
Dat betekent niet dat U niet nadenkt, maar dat U niet dankbaar bent. U bent niet beter dan de muggen of de kikkers.”
Pardon?”
Waarschijnlijk is geen mug of kikker er verbaasd over dat hij als mug of kikker of als juist deze mug of die kikker ter wereld is gekomen. Dat gebrek aan verwondering is het meest dierlijke dat er bestaat; en filosofisch gezien is het het meest verwonderlijke.”
Hij gaf geen antwoord. Wie weet ook hoe hij reageren moet, als hij met muggen en kikkers vergeleken wordt?
Daar komt nog bij”, vervolgde ik, “dat ik immers ook niet (zo maar) als mens ter wereld gekomen ben.”
Maar?”
Maar als iemand die heelhuids die bloedige en verschroeiende eeuw waarin ik terecht kwam bij mijn geboorte, doorgekomen ben. Als dat geen voorrecht is. Als iemand die toevallig noch bij Verdun, noch bij Stalingrad noch in Korea noch in Vietnam heeft hoeven op te treden als de snelle moordenaar of de snelle vermoorde. Als iemand die de Auschwitzen en Goelags bespaard zijn gebleven. Als iemand die het beetje ellende dat ik op de koop toe moest nemen naderhand heb kunnen omzetten in leermomenten. Als iemand die nooit ben gedwongen jaren te verdoen als leger- partij-, fabrieks- of bureauslaaf. En ik heb me nooit hoeven te populariseren zoals mijn tijdgenoten van de TV of in de roddelbladen. Ik heb nooit ook maar een klein toefje van mijn menswaardigheid hoeven in te leveren puur om te overleven. Als dat allemaal bij elkaar geen geluk is, – wat voor leven zou U dan gelukkig willen noemen?”
Ik hield het voor mogelijk dat hij nu zou vragen of dat gebrek aan vernedering niet een gebrek aan ervaring is. Maar die prangende vraag kwam niet. En ik had ook geen reden hem die aan zijn neus te hangen. In plaats daarvan mompelde hij aarzelend:
Zo had ik me de balans van het leven van een notoire zwartkijker niet gedacht.”
Ik kon alleen maar mijn schouders ophalen.
En zo bevoorrecht is uw leven van kindsbeen af geweest?”
Dat heb ik al beaamd. Mijn ouderlijk huis was beslist het verstandigste, en gelukkigste waarin een kind maar had kunnen opgroeien. En uiterst liefdevol en vol kansen. Ik kreeg van heel vroeg af eenvoudigweg alles aangereikt: liefde, vrijheid om te spelen, vrije natuur en respect voor alle mensen, voor al het levende; en Mozart, de etsen van Rembrandt, zelf musiceren, zelf mogen schilderen en zelfs alles mogen vragen (Zelfs een Taboe-vraag als : “Wie heeft de Here God geschapen?”) en dat je dan geduldige antwoorden mocht verwachten (al waren die ook niet helemaal bevredigend). Ik heb nooit een boos, laat staan woedend woord gehoord en ben nooit geslagen. Dus als er uit zo’n kind na zo’n gelukkige en rijke jeugd ooit wat geworden is, dan is het zeker niet zijn eigen verdienste geweest. En als het niets met hem zou zijn geworden, dan zou dat niet maar onbegrijpelijk zijn geweest, maar de zwartste ondankbaarheid. Overbodig om meer van mijn zeer geliefde en unieke ouders te vertellen; niet alleen omdat ik al twee keer over hen heb geschreven (in het Ten geleide bij de 7e druk van “Psychologie der frühen Kindheit” en in “Bild meines Vaters” voorwoord bij de 2e druk van de “Allgemeinen Psychologie”) maar omdat ze zelf over hun opvoedingsprincipes en zodoende ook over zich zelf uitvoerig bericht hebben in de “Psychologie der frühen Kindheit”; en dat zonder enige eigendunk. Ik zie ze trouwens wel als jonge mensen, want ze hebben mijn leeftijd nooit bereikt.”
Verbazingwekkend!”
Dat kun je wel zeggen. Onverdiend en te benijden. Als het kon zou ik jaloers op me zelf kunnen zijn.”
Pauze. –
Dan, aarzelend: “Als men U zo hoort zou men eigenlijk een buitengewoon positief, welwillend, zacht mens verwachten – vergeef me die uitdrukking, waarvan ik weet dat U die heel afschuwelijk vindt” –
Maar?”
Maar U staat te boek als een zeloot, als een sinister, intolerant mens; neen zelfs als iemand die de intolerantie gepredikt hebt.”
Gepredikt heb ik nooit iets. Behalve misschien in mijn manifesten tegen de Atoombewapening. En als ik me intolerant heb opgesteld of intolerantie heb geëist, dan is dat vooral Intolerant zijn tegen intolerantie. Zeloot slaat ook niet op mij. Zelotisme vereist geloof en bekrompenheid. Geen van beide kan ik leveren. Sinister geef ik wel toe. Maar ik zou toch analoog aan de beroemde uitspraak van Lessing ‘Wie niet zo nu en dan zijn verstand verliest, heeft kennelijk geen verstand om te verliezen’, willen zeggen: ‘ Wie niet soms of zelfs definitief zijn hoop verliest, die had geen hoop die hij zou kunnen verliezen.
Mijn sinisterheid startte bij het begin van het Nationaal-socialisme, ongeveer 1927. Ik had net Hitlers boek gelezen. En die sinisterheid heeft inderdaad veel van mijn menselijke relaties totaal vergiftigd, ook met mensen die mij destijds het meest na stonden. Die sinisterheid is niet slechts geen ziekte geweest, maar de gepaste, om niet te zeggen: de gezonde reactie op de duidelijke nadering en vervolgens het optreden van het Nationaal-socialisme. Het is ook geen wonder, dat ik die zo gelukkig geboren ben, meer verbijsterd was door dit gebeuren dan anderen.”
En was U destijds verlamd door uw sinisterheid? Met stomheid geslagen zoals Karl Kraus?”
Geen sprake van. In de tijd van voor en tijdens de ballingschap heb ik me alleen maar met dit thema bezig gehouden; theoretisch, didactisch, en als schrijver. Eerst met wat er zou gebeuren, vervolgens met wat gebeurd was. Wat ik schreef was niet slechts een verklaring van de fouten van hen die verkeerd ingeschat hadden, maar ook een schildering van het werktuig fascisme, namelijk als leugenmachinerie. Niet zonder reden luidde de ondertitel van het boek2: ‘leerboek van de leugen’. De vorm van deze stoomwals – want tot zo’n kolos dijde het manuscript uit – was niet academisch, maar Swiftiaans. Aan dat boek, dat ik in 1931 begonnen was, werkte ik nog in 1938 in Amerika. Dus geen sprake van verlamming; wel van Sinisterheid. Want ik – en niet alleen ik – schreef in het luchtledige. Nog niet eens voor de bureaula; want wie van ons emigranten kon beschikken over een bureaula! Publiceren was natuurlijk onmogelijk. Zou ook zinloos geweest zijn, want wat we schreven was bedoeld voor ‘ginds’: voor het Duitsland van na Hitler. Jarenlang in een wereld zonder oren geschreeuwd te hebben, daar word je natuurlijk niet vrolijker van; alleen maar sinisterder. Dat ligt voor de hand.”

Pauze.

Nog een paar vragen. Maar eerst mijn excuses dat ik U op het verkeerde been heb gezet.”
Verkeerd? Waarom ?”
Omdat we eigenlijk over uw jeugd spraken. Wat ik U voor deze excurs had willen vragen, hangt wel samen met uw herinneringen aan de tijd van vijftig jaar geleden. Is de Hitler-shock niet al in uw jeugd begonnen? Het Nationaal-socialisme kondigde zich toch al aan in de vorm van Antisemitisme, decennia voor 1933. U bent toch als Joodse knaap..
Zegt U maar gerust ‘als Jodenjong’!”
opgegroeid. Had U daar niet onder te lijden? Of valt dat ook nog onder het hoofdstuk ‘voorrechten’?”
Het een zowel als het ander. Ik ben inderdaad – al in 1917 – als Jood niet slechts getreiterd maar ook mishandeld. Maar ondanks de onzegbare dingen die daarna gebeurd zijn, en die nog steeds niet te geloven zijn, toch reken ik het feit dat ik als Jood geboren ben, voor een van de grootste voorrechten van mijn leven.”
Hij keek me ontdaan aan. “U gelooft in de uitverkiezing van uw volk? U?”
Ik schudde heftig nee. Ik heb elders uitgelegd hoe het tot dat waanidee heeft kunnen komen. (in het verzamelwerk ‘Mijn jood-zijn’ Stuttgart 1978 p 70). Wat ik bedoel zou elke orthodoxe Jood razend maken. Zou, want ze zouden van mij als ketter geen nota genomen hebben.”
U bedoelt?”
Dat ik het een niet te overtreffen kans vind, een voorrecht, dat ik als zoon van totaal ongelovige Joden zonder Joodse traditie ben opgevoed.”
Uw ouders waren al atheïsten?”
Ongelovigen. Maar noch dit woord noch het woord atheïsme is ooit over hun lippen gekomen. Ook niet over die van mijn vader, hoewel die natuurkunde had gestudeerd en Nietzsche had gelezen. Maar hij hield het liever bij het pseudo-religieuze pathos van Zarathustra dan bij de later werken van Nietzsche. Het valt te begrijpen, misschien kan het hem wel vergeven worden dat hij de moed om dat woord te gebruiken ….”
Dat laatste kunt U niet menen.”
…Weet ik, als ik tot zijn generatie had behoord, hoe ik zou zijn geworden? Hoe dan ook, hij heeft nooit het lef gehad die woorden te gebruiken. Dat zou te veel zijn opgevallen, dat zou te riskant geweest zijn voor zijn professoraat waar hij al genoeg moeite voor had moeten doen. Gênant dus, ook wel in zijn eigen ogen.”
En desondanks beweert U dat dat milieu voor U een kans heeft betekend?”
Ja. Ze namen een positie in tussen religieus en niet-religieus, dat maakte mij de sprong naar Niks gemakkelijker. Ze waren meer ‘Monisten’ dan atheïsten. Om niet voor materialisten door te gaan spraken ze bijvoorbeeld van het bos als hun ‘huis van God’. Deze uitdrukking vinden we nu onverdraaglijk smakeloos. Hoe dan ook; wat telt is dit: deze surrogaat religie heeft mij niet vast gelegd, zoals een positieve religie met haar dogma’s en rites zou hebben gedaan. Ik genoot de vrijheid niet te weten en niet te begrijpen wat het wonderlijke woord ‘geloven’ zou kunnen betekenen. – Dat is een voorsprong waarbij niemand die stamt uit een bepaalde positieve godsdienst of een vast gelegd ethisch systeem je kan inhalen – (Dat ik steeds, en tot op vandaag vergeefs, uit interesse aan mijn medemensen geprobeerd heb het te begrijpen, dat is een ander verhaal.) Het feit van totaal onbevooroordeeld te zijn onderlijn ik daarom zo sterk, omdat het de grootste kans is om filosoof te worden. En vooral daarom heb ik van ‘voorrecht’ gesproken.”
U ontkent serieus dat U tot op heden weet wat met het woord ‘geloven’ bedoeld is”?
Ja. Inderdaad. Hoewel ik decennialang steeds weer belangrijke religieuze documenten en veel theologie en godsdienstfilosofie gelezen heb. Vermoedelijk meer dan U. Atheïsten moeten zich meer met God bezig houden dan theïsten.”
Meent U dat echt?”
Dat heb ik niet van mezelf.” (Heidegger in zijn boek over Nietzsche, Band II, p. 78)
En toch weet U niet wat geloven is?”
Alsof U dat zou weten. U gelooft alleen dat U het weet. Omdat U bang bent om aan uw onwetendheid te geloven.”
Hij begreep er niets van. “Zulk ongeloof ben ik hooguit bij straffe natuurwetenschappers tegen gekomen. En dan nog niet eens zo radicaal.”
Die zijn ook bang voor hun eigen moed. – Overigens, het hoort bij de achterlijkheid van gelovigen te geloven dat ongeloof ook maar iets te maken heeft met de Natuurkunde als zou die de zogenaamde ‘laatste vragen’ kunnen beantwoorden. Of met het zogenaamde ‘materialisme’. Niemand is zo’n leek wat betreft natuurkunde als ik. En woorden als ‘materialisme’ en ‘materie’ zal ik in de zestig jaar dat ik nu filosofisch denkwerk verricht nooit in de mond hebben genomen. Mijn ongeloof, dat niet slechts betekent dat ik niet in een god geloof, maar dat ik niet in geloven geloof, wortelt dus niet in een ontmoeting met de natuurwetenschap want die heeft nooit plaats gevonden. Gelooft U misschien dat de twee meest notoire atheïstische denkers ..”
Marx?”
Neen, Nietzsche en Sartre – gelooft U soms dat die een sterke relatie met natuurwetenschappen hadden? En dat die daardoor atheïst zijn geworden? Nietzsche was een oude talen kenner en Sartre ging op Husserl terug”
Wel, als het dan niet uit het geloof in de natuurwetenschap stamt, waar komt Uw vurig ongeloof dan vandaan?”
Vurig? Ik heb wel wat beters te doen dan een full time job te maken van de verdediging van het Niets. De bewijslast ligt niet bij mensen als ik, maar bij hen die geloven.”

(Pauze)

Is dat niet puur nihilisme?” vroeg hij tenslotte; fluisterend omdat hij dacht me te beledigen.
Stellig” antwoordde ik vrolijk. “Waarom dat gefluister? Waarom zit U ermee? Waarom bent U bang voor dat woord? Ik heb nooit gehoord dat U ooit geprotesteerd hebt tegen iets dat veel erger is dan nihilisme. Al weet ik natuurlijk niet alles van U.”
Tegen wat bedoelt U?”
Tegen Annihilisme. Namelijk tegen die activiteiten die niet alleen ontkennen, maar die vernietiging voorbereiden, of op de koop toe nemen.”
Ik zit niet in de politiek.” Antwoordde hij. Hij klonk gekweld.
Schaamt u zich niet het jammerlijkste antwoord van de kernfysica na te blaten?”
Daar antwoordde hij niet op.
Hoe dan ook. Mijn positie is in elk geval en van zelf sprekend nihilistisch – In een speciale misschien nieuwe zin nihilistisch”.
Hoe zo nieuw?”
Omdat het in mijn geval niet iets betreft dat ik heb moeten ontkennen of over boord gooien wat ik daarvoor wel geloofde. Dat is toch geluk hebben! We zijn dus weer bij mijn jeugd terug en bij mijn kansen.”
(Pauze)

En hoe bent U omgegaan met de drie positieve godsdiensten waarmee U toch te maken moet hebben gehad in uw jeugd?”
Niet schrikken! Ook dit antwoord zal in uw oren ketters klinken.”
Waarom?”
Omdat deze positieve godsdiensten, die bovendien nog zeer schamel vertegenwoordigd werden, onbegrijpelijke en absurde beweringen leken te zijn, versteende systemen van onbewezen en onbewijsbare vooroordelen, verboden bedreigingen en beloften. Dat je die zonder tegenspraak had te accepteren was in mijn ogen een beschamend gebrek aan menselijke waarde. Geen klant in welke winkel dan ook, vond ik, zou zich zo onbewezen iets laten aansmeren, zoals mijn kameraden, neen zoals allen die bij een religie hoorden omdat ze zo geboren waren, zich hun godsdienst lieten aansmeren.”
Hij beet op zijn lippen. “U formuleert het zo alsof U dat vandaag nog zo vindt.”
Destijds was ik misschien twaalf, dertien. Inmiddels heb ik geleerd dat, wat negenennegentig procent overneemt in het geheel niet, tenminste niet primair, een geloof is, maar een moraal, waar ze zich niet aan kunnen onttrekken. Ze houden zich niet aan dit of dat moreel voorschrift omdat ze dit of dat geloven; maar omgekeerd geloven ze (of ze menen te geloven) omdat ze bij een moreel systeem horen waaraan ze niet kunnen ontkomen, en waar geloven de bovenbouw van is. Maar als dertienjarige had ik dat inzicht natuurlijk nog niet. In een opzicht ben ik echter nog de oude, of liever de jonge gebleven.”
Wel?”
Nu zult U niet geshockeerd zijn, maar perplex staan”.
Waarom?”
Omdat mijn allergie voor positieve godsdiensten ook voort komt uit het feit dat ze heiligschennend zijn.”
Heiligschennend? In uw ogen?”
Ik knikte geamuseerd.
“Dat verbaast U, hè! – Wel, die theologische term was me als dertienjarige natuurlijk nog onbekend. Maar wat me boos maakte en wat me een soort ontheiliging van de wereld leek – en de raadselachtigheid ervan liet me nooit los – was het feit dat de positieve godsdiensten zich uitputten in voorgegeven antwoorden op vragen die we eigenlijk niet konden stellen; we hadden misschien zelfs het recht niet ze te stellen. In elk geval geen van mijn medeleerlingen was erin geïnteresseerd of had de ernst of de lust om ze te stellen. Ik hoogstens. Wat me opwond of zelfs woedend maakte was de omkering van de volgorde van vraag en antwoord. Dat je antwoord geeft zonder voorafgaande vraag leek me een aanmatiging. En het aannemen van de geleverde antwoorden een vernedering.”
Voor een knaap van die leeftijd is dat alles…” kreunde hij.
Ik schudde mijn hoofd.
“Er is geen enkele reden voor bewondering. Ik heb het allemaal te danken aan mijn ‘voorrechten’. En daarmee ben ik weer bij het begin van ons gesprek. Er kan geen sprake zijn van persoonlijke verdienste. En het had ook niets te maken met een of ander bijzonder ‘filosofisch talent’. Dat heeft het nog steeds niet. Als zoiets überhaupt bestaat. Maar het heeft met het gezond verstand van mijn vader van doen. Hij heeft me in geen enkel godsdienstig of wereldbeschouwelijk keurslijf geperst; al was hij zelf in heel wat opzichten bekrompen. En het heeft van doen met de toestand waarin de cultuur zich bevond; daarin kon ik
leeg blijven.”
Leeg?”
Ja. Leeg van religieuze of andere vooroordelen. Het woord is natuurlijk misleidend. Want aan de andere kant was mijn leven juist gevuld (tegenwoordig noemt men dat programmatisch ‘ cultureel pluralisme’) ja, propvol met alles wat mij had kunnen ‘vormen’ en niet alleen kunstzinnig. Ook met inhouden, die elkaar tegenspraken. Maar beslissend voor mijn leven was juist niet de volheid, waaraan ik een bedorven maag zou hebben over gehouden, psychisch gesproken, maar ‘de leegte’. En om met een woord van Goethe te besluiten, daaraan heb ik te danken wat ik ben.”

1 Ik heb niet kunnen achterhalen wanneer dit gedateerd moet worden. En helaas ook niet wat de reden is dat dit deel niet werd uitgezonden. Ik kan niet uitsluiten dat het interview nooit gehouden is als zodanig, maar dat Anders het als schrijfstijl heeft gebruikt. Misschien dat archiefonderzoek hier verder zou kunnen helpen.

2 Anders doelt op ‘De Catacombe’.

Advertenties