Ketterijen God 1- God 9

(bovenliggende pagina: G.A. Ketterijen zodra gepubliceerd; dan ook daar het interview onder brengen.)

Uit Ketzereien van Günther Anders.
Korte toelichting.
Ik heb hier een paar stukjes bij elkaar gezet waarin G.A. flink fulmineert tegen gelovigen. Verpakt in zijn poging om zijn eigen positie als ongelovige te beschrijven.
Ik denk dat Anders zijn ontmoetingen met gelovigen sterk ‘gestileerd’ heeft. Hij komt altijd als de gevatte debater overwinnend uit de strijd. En hier en daar maakt hij het zich wel erg makkelijk met zijn anti-god-argumenten. Je zou daarom willen, dat hij eens in debat was gegaan met kanjers als Bonhoeffer. Of Moltmann (die eenmaal Anders met instemming aanhaalt). Of andere grootheden van het Conciliair Proces. Dorothee Sölle zou hier te noemen zijn. Of Hans Küng. Anders schijnt nergens rechtstreeks op hun visies die hij opgemerkt moet hebben in te gaan. Ik heb een artikel geschreven, waarin ik Anders probeer voor te stellen als de ‘eerste seculiere gelovige’ a la Bonhoeffer.
Wie weet wat nader onderzoek nog aan het licht kan brengen op dit punt. Want het valt wel op, dat Anders erg veel op deze toer gaat.

In [ ] neem ik de bladzijnummers van de Duitse tekst op.

God 1.
“Zo niet, waarom niet?”,p 32

De eerste vraag na een TV-interview – snel van een gehectografeerd briefje afgelezen, en die ik meteen moest beantwoorden – luidde: “Rookt U? Zo niet, waarom niet?”
Ik had naar waarheid geantwoord. Dan is de volgende vraag even saai voorgelezen: “Gelooft u in God? Zo niet, waarom niet?” Zelfs in mijn niet zo preutse oren klonk dit ongepast.
De vraag had haast! De blik op zijn pols bewees dat. Bovendien hoort het waarschijnlijk bij zijn baan om directe reacties aan zijn slachtoffer te ontlokken. Alsof die een grotere kans op de waarheid garandeerden dan meer bezonnen antwoorden. En natuurlijk verwachtte hij – hoe zou de arme kerel ook kunnen weten dat hij tegenover een atheïst zat, en nog wel een, die dat gegeven niet verdoezelde? – een prompt Ja. Allereerst deelde ik hem simpelweg mee dat ik niet zou weten wat met het woord “geloven” bedoeld werd. Zijn mond viel open, alsof ik onverhoeds  een verdrag had opgezegd dat automatisch met de TV-opdracht mee was gekomen. [32]
Het duurde een hele tijd eer hij hij zich herpakte en mijn mededeling in vraagvorm herhaalde om dan te vragen of hij me goed begrepen had.
“Zeker!”, antwoordde ik hem.
“U verklaart dus, nogal liefst – vergeet U dat niet! – voor de TV… ” (Lijkt me niet te kloppen met “Na een TV-interview” uit het begin, jab)
“Niet alleen, dat ik niet weet wat ‘geloven’ is, maar bovenal dat ik niet in God geloof. – Wilt u dat ik dat uitleg? Ik bedoel: serieus?”
Deze vraag had hij zeker nog nooit gehad. Blijkbaar verwachtte hij een enorm grote klapper te maken zoals nog geen van zijn collega’s ooit gemaakt had. “Gaat uw gang”.
Ik kwam ter zake. Nu echt serieus.

“Als hij er is”,  zei ik heel langzaam, “dan is hij iemand die Auschwitz en Hiroshima niet  heeft voorkomen.
“Dat heeft Hochhuth al gezegd”
“Als hij dat al gezegd heeft maakt dat mijn bewering nog niet onwaar”. Of onbelangrijk. Wie het eerst was is hier waarachtig niet van belang. Nog helemaal afgezien daarvan dat Hochhuth – en dat zou al verdienste genoeg zijn – niet God daarvan een verwijt heeft gemaakt, maar Paus Pius.” Dat gaf hij toe.
“Hij is dus iemand die met de handen in de schoot die beide gebeurtenissen toegelaten heeft?”

Langzaam hief hij zijn handen in de lucht, blijkbaar om uit te drukken, dat hij met deze bewering niets kon beginnen.
Is zo’n God een rechtvaardige God?”
“Zou zo’n God een rechtvaardige God zijn?”
“…..”
“Een liefhebbende God?”
“…..”
“Een barmhartige God? ”
“…..”
“Een tot wie we mogen bidden zonder ons onwaardig te maken?”
“…..”
“Een die we mogen aanbidden zonder ons te schamen?” [33]
“…..”
“Zonder dat we medeplichtig worden aan dat toelaten?”
Lange pauze.
“Vindt u ook niet: dan maar liever geen God?”
Het siert hem dat hij na deze laatste vraag minuten lang zijn mond hield. Ik dacht al dat die hem echt geraakt had. Maar ik vergiste me helaas. Want toen hij sprak sprak hij toch weer als de vertegenwoordiger van het TV-bedrijf. “Het is u wel duidelijk, Herr Doktor, dat dit er toch door de regie uitgesneden wordt? Vergeefse moeite.”
“Daar zullen ze weinig mee opschieten”, corrigeerde ik hem, “want wees er maar van overtuigd dat hij tav komende gebeurtenissen als Auschwitz en Hiroshima (zo lang die nog gebeuren) steeds weer de handen in de schoot zal leggen, en dat hij daardoor ook ten onder zal gaan, terwijl jullie hem proberen te redden met deze weglatingen”.

Bij de handdruk ten afscheid keek hij me vragend, neen bepaald angstig  – of was het hopend? – aan. Misschien wel om zich ervan te vergewissen dat ik niet helemaal goed snik was. Dat zou hem gerust gesteld hebben. Maar dan schudde hij zijn hoofd, teleurgesteld, de arme kerel. Want hij had toch gedurende het voorafgegane, twee uur durende interview geen enkel teken van geestelijke verwarring kunnen vast stellen.

Ik hoef wel niet te vermelden dat dit interview-eind ook weg geknipt is. Uit de teksten die weggeknipt zijn, zou je vermoedelijk elke dag bibliotheken vol kunnen samenstellen.

God 2
Vijanden waar je je voor schaamt, p 34

Achter wat ik gisteren formuleerde staat waarachtig geen onverschilligheid tegenover het bestaan van religies. Ook niet een soort “Nihilisme” of “Materialisme”. Ik kan me niet herinneren zulke uitdrukkingen ooit in de mond genomen te hebben. Indien toch dan beslist niet om mijn eigen “Wereldbeschouwing” aan te geven. [34]
Omgekeerd heeft niets mij sinds mijn kindertijd zo blijvend verbijsterd en opgewonden, als die fundamentele feiten en raadsels waardoor religies konden ontstaan en blijven voortbestaan. Ik heb deze belangstelling blijkbaar zo slecht weten te verbergen dat al tijdens mijn Gymnasiumtijd mijn gelovige medeleerlingen en leraren mij niet begrepen en probeerden wijs te maken dat ik,  door zo ongeduldig erop te staan on-religieus of zelfs anti-religieus te zijn, mij zelf voor de gek hield.
Nu geloof ik niet dat ik zo’n beetje “zwielichtig”(?)  ben, maar er is iets aan me dat zendelingen aantrekt. Twee jaar geleden heeft een theoloog me “religieus begaafd” genoemd, – alsof het om muziek of wiskunde ging- waartegen ik driftig protesteerde; Tevergeefs. Want hij duidde deze heftige protesten tegen deze uitdrukking handenwrijvend meteen als het bewijs daarvoor dat hij het bij het rechte eind had. Hoe dan ook, zijn betiteling bewees me hoe weinig zelfs “professionele” gelovigen ook maar vermoeden waarvoor ze meenden te geloven. Hoe vaak schaam ik me ook nu nog voor mijn tegenstanders. En hoe vaak kom ik in de verleiding de zaak die ze zo slapjes tegen mij inbrengen krachtiger te verdedigen dan zij zelf.
Er is niks erger dan vijanden waar je je voor schaamt.

God 3
Over de schepping, p 35

Vanmorgen stond – ik kon mijn ogen niet geloven – die interviewer van gisteren voor mijn deur. Zonder afspraak en naar hij me meteen vanuit een slecht geweten meedeelde, eigenlijk zonder enig recht. Hij kwam geheel als zich zelf. “Helemaal privé”. Of ik een ogenblik voor hem vrij kon maken. Dat kon ik.
“Ons gesprek van gisteren bleef me achtervolgen”, begon hij. Dat nam ik wel van hem aan, want anders was hij , zo’n conventioneel persoon, vast en zeker niet zo snel al weer opgedoken.
“Van God geldt toch niet slechts dat hij Almachtig is, of de Alwijze, of de Rechtvaardige of de Barmhartige. – Deze opening was kennelijk voorbedacht.
Ik schudde mijn hoofd. “Ik heb u gisteren stellig verklaard, dat ik het me niet kan [35] veroorloven hem, in zo verre hij bestaat, de attributen Gerechtigheid en Barmhartigheid toe te kennen, omdat hij Auschwitz en Hiroshima heeft toegelaten. En dat zijn attributen zonder welke God niet te denken is. En dat ik een geloof aan geen God – en dat heeft betrekking op mijn medemensen – meer gepast vind dan een geloof aan een onrechtvaardige en onbarmhartige.”
“Dat argument neem ik serieus”.
“Betekent dat dat u daarin mee gaat?”, vroeg ik verbaasd.
Hij aarzelde. “Zelfs als ik hem misschien – dat kun je je zo in een enkele nacht niet uit maken – die eigenschappen zou moeten ontzeggen op grond van uw Auschwitz en Hiroshima argument…” Hij pauzeerde even, wat aantoonde hoe moeilijk hem de woorden ‘zou moeten’ vielen, en hij schrok dan ook.
“Wel?”
“Zelfs dan… zou er iets overeind blijven dat niet te weerleggen is”.
“Wat dan?”
“Dat hij als schepper van de wereld…”
Ik wachtte af.
Ontzegt u hem dat ook?”
Ik liet dat open.
“De wereld moet tenslotte toch op een of andere manier geschapen zijn – anders zou ze niet kunnen bestaan – of door een machtswoord, een ‘Daar zij..’ opgeroepen zijn.”
“Waarom ‘moet’?”
“Wel,” ging hij onverdroten door, “hoe wij hem die dat gedaan heeft noemen, ‘God’ of …”
” ‘Noem het hart, God, liefde, wereld’, ” citeerde ik de jonge Goethe.
“… dat is tenslotte niet van belang. Maar dat de wereld er is bewijst dat ze geschapen is. En dat kunt u niet zo maar hokuspokuspas van tafel vegen zoals misschien …”
“… Gods erbarmen.”
Hij duidde een begin van een treurig knikje aan.
“Toch wel. Men kan ook de schepping best betwijfelen.”
“Waarom dan?”
“Omdat het niet in te zien is op grond waarvan we aan het niet zijn het primaat toe moeten kennen.”
Pauze. Uiteindelijk: “Hoe bedoelt u dat?”
“Ik bedoel dit: Waarom moet er eerst het Niets geweest zijn? Dat vooronderstelt u [36] namelijk zij het onuitgesproken. Wat geeft u het recht daartoe? Waarom moet het Niets de oorspronkelijke , de eigenlijk ‘vanzelfsprekende’ toestand geweest zijn? En die dan af geschaft zou moeten worden en overwonnen doordat er iets geschapen werd?”
“Dat begrijp ik niet.”
“Dat begrijp ik nu weer niet.”
“Wat?”
“Uw niet begrijpen. Ik praat niet hooggestemd of leerstellig; meer als stem van alles wat leeft.”
“En wat bedoelt u daar dan weer mee?”
“Wel, afgezien van een belachelijke minderheid van abnormalen en narren: dat zijn wij  “Filosofen” komt elk zijnde het bestaan van de wereld, vooral het eigen bestaan als vanzelfsprekend voor of schijnt dat zo voor te komen. De natuur vindt haar bestaan volmaakt natuurlijk.”
“En weer haak ik af”.
“Denkt u dat er ooit een dennenboom of een muis is geweest, die zich erover verwonderd heeft, dat hij bestond? Geen enkel net geboren muizenjong heeft zich daar ooit over verbaasd.”
Hij knikte. “Dat is me nooit opgevallen. Maar dat is inderdaad hoogst opmerkelijk.”
“U bedoelt: dat de natuur het heel natuurlijk vindt dat ze er is?”
Hij knikte weer.
“Maar zo is het wel.Daar kunnen we niet omheen.”
Dat gaf hij toe.
“Waarom zouden wij mensen, dan een metafysisch extra hebben? Waarom zouden wij als enige het bestaan van de wereld beschouwen als de minder vanzelfsprekende toestand? Waarom vatten we de wereld op als iets dat – ex nihilo nihil – eigenlijk helemaal niet kon of zou mogen opduiken. Als iets dat in het beste geval pas NA het Niet zijn kon komen; want blijkbaar is het er wel. Waarom is daar een aparte acte tot ontstaan voor nodig- namelijk door God – Waarom heeft die een eigen verklaring nodig – namelijk van ons mensen”?
“Dat weet ik natuurlijk ook niet”, gaf hij fluisterend toe.
“Natuurlijk” ging ik verder, “is het onbestrijdbaar – en hier is een tegenspraak die ik niet probeer te verdoezelen,-  [37] dat velen van ons, gekke mensen, in onderscheid van alle andere wezens die u zo vlot ‘Kreaturen’ of ‘Schepsels’ noemt, toch verbijsterd zijn dat de wereld er is. – en dat doen we al eeuwen.  –
Hij probeerde nog: “Als u zegt ‘es gibt’ (duits voor ‘er is’, ‘het bestaat’, jab) dan schijnt dat ‘het’ wat het ook geweest mag zijn een ‘Gever’ te vooronderstellen.”
“Ik wil niet ingaan op zulke etymologische herleidingen van ontologische uitspraken. – die Heidegger waardig zouden zijn – Maar ik moet u natuurlijk wel toegeven dat wij ons als we ons niet zouden verbazen, ook niet genoopt zouden hebben gevoeld om scheppingsmythen uit te denken. Als we die niet bedoeld hadden als antwoord op vragen, zouden we er nooit op gekomen zijn.”
Hij wiste zich het zweet van het voorhoofd. “Nu snap ik helemaal niet meer waar u staat”.
“Daar hoeft u zich niet voor te schamen. Denkt u soms dat ik dat elk moment  precies kan aangeven? Natuurlijk steek ik net zo diep als u met deze beide benen in het meer dan drieduizend jaar oude moeras van godsdienst- en filosofietraditie. En op bepaalde momenten waarop ik me niet in de hand houd, en zelfs nu nog kan het mij ook overkomen, dat ik aan het glibberen raak, zoals u.”
Ik krabbelde overeind nadat ik dat gezegd had, en rommelde in mijn boekenkast. Ik vond wat ik zocht en gaf hem tenslotte als bewijsstuk het laatste exemplaar van mijn “Kosmologische Humoreske”.
“Kosmologische Humoreske?” vroeg hij met een frons.
“Ja zeker! Is het niet dolkomisch dat de wereld ondanks de niet te bestrijden wet “ex nihilo nihil” toch kon worden geschapen?”
Hij antwoordde niet rechtstreeks op deze vraag. “En tegenwoordig gelooft u dat dus niet meer? ” vroeg hij in plaats daarvan.
“Wat?”
“Dat de wereld dus toch geschapen is?”
“Ik kan alleen maar herhalen: Ik vraag nu:  Waarom zou het Niets of het Niet zijn of het Niet geweest zijn van de wereld het natuurlijke zijn? Bij welke natuur zou het dan eigenlijk horen dat het Niets natuurlijker is dan het zijnde?”
“Dat heb ik nooit zo overdacht.”[38]
“Dan ben ik bang dat uw bewering dat de wereld een geschapen wereld is of moet zijn, niet helemaal doordacht is. Een vooroordeel!” En toen hij daar op zweeg: “zelfs een eigenwijs vooroordeel!”
“En waarom dan wel?”
“Omdat het een antropomorfisme is”.

God 4
Over het maken, p 39

“En waarom dat nu weer?”
“Omdat het het begrip maken vooronderstelt. En omdat maken uitsluitend als menselijk maken bestaat.
Hij probeerde het te volgen.
“U zult wel niet willen bestrijden dat scheppen ondanks de door ons uitgevonden onderscheiding tussen de ‘creator omnipotens‘ en diens gebrekkige ‘creatio’ ( inclusief de gebrekkige mens) als een maken geclassificeerd moet worden.
Hij wachtte voorzichtig af.
Ik legde uit: “Maken is, in onderscheid van groeien of consumeren, een activiteit die voor zo ver we weten aan ons mensen voorbehouden is. Dus een antropologisch monopolie. ( of misschien een gebreksmonopolie, omdat wij constant aangewezen zijn op maken). En is de gedachte dat die hele wereld inclusief haar miljoenen soorten haar bestaan te danken heeft aan uitgerekend zo’n aan ons mensen voorbehouden handelwijze, niet puur antropomorf?”
Omdat zijn gezicht nog steeds niets aangaf, probeerde ik mijn vraag in te kleden in meer begrijpelijke woorden. “Als het mogelijk zou zijn om met een rots of een spar of een forel te filosoferen of te theologoseren – zouden die wezens dan begrijpen dat ze er eenmaal niet waren en dat ze dus ooit ‘ter wereld’ hadden gebracht moeten worden, dus gemaakt? Weten zij dan meer ( en weten wij) van dood voor het leven dan van dood na het leven?” Deze vragen hielpen hem ook niet verder. Maar ik gaf het niet op. “Zouden deze dingen en wezens zonder handen of taal überhaupt een geloof kunnen hebben dat de wereld geschapen is, dus met handen gevormd of door een stem opgeroepen?” [39]
Maar die vragen kwamen niet meer over. Hij fluisterde tenslotte iets dat als ‘bijna’ klonk, maar wel om überhaupt iets te antwoorden.
“En zou het feit dat rotsen, sparren en forellen onze vraag niet zouden kunnen verstaan volledig terecht zijn? En zou het deze stenen of bomen of vissen niet voorkomen dat hun of onze bijbelse gedachte dat het universum dus ook zij zelf hun bestaan te danken heeft aan uitgerekend een productiewijze die onder miljoenen soorten alleen aan ons voorbehouden is, ons mensen uitgerust met handen en spraak? Zou hun deze gedachte dat zij hun bestaan te danken hebben aan een demiurg, een handarbeider of een roeper, niet als een afschuwelijke antropomorfische aanmatiging voorkomen? Zou u niet moeten vinden, (als u überhaupt iets kunt ‘vinden’) dat wij ons menselijk vermogen om te werken of te bevelen opgeblazen hebben tot een analoog vermogen van kosmische proporties?”
“Misschien”, fluisterde hij overtuigd noch overtuigend.
“Is deze analogie-gedachte nou net niet metafysisch gezien komisch”?
“Metafysisch komisch? ”
“Ja dat bestaat. Dus loopt het niet op een metafysisch bepaald komische uitdaging uit, te verlangen van niet menselijke wezens te eisen dat zij uitgerekend een scheppende God moeten erkennen, die zo op mensen lijkt en door mensen werd geschapen? En dat zij diens producten zijn?”
“Wie eist dat dan van hen?”
“Wij die ze als ‘geschapen’ beschouwen.”

God 5
Zijn anonimiteit, p 40

Ik ging door. “En zelfs als we veronderstellen dat hij ze toch wel geschapen heeft, – dan was het nog niet begrijpelijk, om niet te zeggen onvergeeflijk….”
Hij kromp ineen.
“….. als God zijn creaturen anoniem geschapen zou hebben?”
“Anoniem?”
“Zonder hen te verklappen dat hij bestaat, en dat zij zijn wek zijn? [40] Als bij potten die niets van de pottenbakker weten? Of als granaten die in kun korte leven niets van hun forma hebben gehoord? ”
” Ik heb nog nooit nagedacht over deze anonimiteit.”
“Dat is erg genoeg. Want komt het er dan niet op neer, dat God zijn schepselen verachtelijk behandeld heeft en daar nog steeds mee door gaat? en dat hij hun geen kennis over hun herkomst gunt?”
Zijn gezicht was nu grijs.
Daar lette ik maar niet op, uit naam van de waarheid.
“Inderdaad komt het mij voor dat het niet beter is te leren dat de wereld ‘geschapen’ is, of door middel van de formule ‘Daar zij’ ‘ter wereld werd gebracht’, dan bijvoorbeeld te beweren dat de wereld als ‘wereldei’ werd gelegd. – zoals veel mythen het weergeven. Of ze ‘stromen uit’ een oorspronkelijk Éν, – ook het plotinische begrip emanatie is bepaald eng verwant met dat van ‘maken’ – kortom: uw vanzelfsprekende antwoord ‘Schepping’ op de vraag van de kosmogonie zou te vervangen zijn door andere in zo verre men die vraag überhaupt als onontkoombaar opvat. Dat begrip is, zoals gezegd, een antropomorfisme, een begrip van de handwerker – dat gaat zelfs op als we met nadruk stellen dat het in het uur nul ging om een schepping ‘ex nihilo’ (waar Genesis 1 echter niets van weet), en niet om een ‘ex aliquo’, uit de chaos (wat de tekst uit Genesis schijnt te willen uitdrukken.)

God 6
Onze schepping, p 41

Zijn ochtendbezoeken scheen hij nu als een gewoonte te zien, en hij nam zich geen moeite meer er uitvluchten voor te bedenken of verontschuldigingen voor aan te bieden.
“Bedoelde u in ons gesprek van gisteren indirect ook dat het begrip ‘schepping’ door ons geschapen is? ”
“Ik heb nog nooit iets ‘indirect’ bedoeld”.
“Dus u heeft bedoeld dat wij mensen…”
“Juist. Precies dat. Toen wij God tot schepper benoemden, dus toen wij begonnen te beweren dat hij de wereld had geschapen, hebben wij hem geschapen als ons evenbeeld. De schepping van de wereld is een kolosale uitvergroting van de bezigheid van de homo faber. Plato heeft God [41] in de Timaeus inderdaad als Demiurg dus als handwerker neergezet. Maar wij van nu gaan in dat opzicht nog veel verder. In de ‘progressive education’ noemen we vaak genoeg mensen ‘creatief’, of we willen dat kinderen ‘creatief’ zijn of worden of zelfs ‘creatief’ gemaakt worden. Dan hebben we meestal kinderen op het oog die verven of blokfluit spelen, of vrouwen die men op cursussen ingestampt heeft zichzelf uit te drukken in hobby’s die gegarandeerd niets aan kunstzinnigheid opleveren. Het ligt voor de hand dat het voorbeeld van zulke creativiteit een schepping is van een eigen schepping ex nihilo. Of meer precies: degenen die de kans op zo’n schepping niet vergund is, worden met de ‘creativiteit’ afgeserveerd. (onzekere vertaling van ‘mit der ‘Kreativiteit’ abgespeist’. jab) Als iemand van Big Business een ‘drang naar creativiteit’ zou uiten, zou men hem alleen maar uitlachen – want hij heeft dat niet nodig –
Hoe dat ook zij, met het woord ‘creatief’geven we altijd een menselijke activiteit aan. Slechts een paar van de mensen die het woord gebruiken komen op de gedachte dat od misschien ook wel creatief zou kunnen zijn. Dat klopt met het feit dat in Amerika de ‘culture vultures’ God als een soort Michalangelo voorstellen, niet omgekeerd (wat al erg genoeg zou zijn). In het kort: Uw beginvraag of het begrip Schepper een schepping van on sis, mogen we eenvoudigweg met Ja beantwoorden”.

God 7
Het beeld, p 42

De volgende morgen stond hij weer voor mijn deur. Met deze nieuwe overval was ik niet gelukkig.
“What can I do for you?”
“Hebt u gisteren niet gezegd dat de Scheppergod door ons was geschapen? ”
Ik had met mijn antwoord “Ja, die ook” schijnbaar de goede snaar getroffen. Daarom was hij gekomen.
“Dus voor Zeus stem ik u dat toe.”
“Die bekentenis vereist niet veel moed”.
“U bedoelt…”
“Ja wel, ik bedoel: dat wat bij de ene god klopt, is bij de andere niks. Het geldt ook van het Beeld van God, [42] wat van alle afgodsbeelden geldt, nl dat wij ze gemaakt hebben. Tenslotte is hij er ook een van velen.”
Dat was nu precies wat hij niet wilde horen. “Waarom praat u van het beeld van God? Hij is toch daardoor gedefinieerd dat van hem geen beeld maken mag…”
“… een verbod dat alleen de Joden en de Islam in acht hebben genomen, maar door het christendom niet. Maar afgezien nog daarvan: het woord ‘beeld’ moet u niet zo strikt optisch verstaan. Voor het Jodendom hoort bij het beeld van God nu juist, afgezien van de onzichtbaarheid ervan, dat het verboden is hem met eigen handen zichtbaar te maken. Met name in een sculptuur, uit huiver om daarin hem te aanbidden en te vereren – een verbod dat natuurlijk niet van hem stamt,maar van ons.”
“Waarom ‘natuurlijk’? ”
“U wilt toch niet serieus beweren dat het feit dat er een door mensen gemaakt begrip beeldloosheid bestaat ,  dat dat bewijst dat er werkelijk een Zijnde bestaat dat niet afgebeeld mag worden.”
Hij was in de war en zweeg.
“Overigens, stuurde u ons gesprek in een verkeerde richting. We spraken van God als Schepper.
Geen mens uit Polynesië zou van u gepikt hebben dat bij het begrip van een god hoort dat hij schepper van de wereld is; zelfs geen Griek. Dat is een theologische stelling die buiten de monotheïstische religies nergens voorkomt. Wat de goden en godinnen van de meeste godsdiensten betreft, die hadden met mythen over het scheppen van de wereld niks te doen. Die ontstonden uit de angst voor overmacht en overmachten in de wereld, maar ze golden niet als de verwekker ervan. Ook de goden en godinnen die met hun min of meer ‘menselijk gezicht’  historisch gezien dichterbij ons staan, zoals de Olympiërs, fungeerden niet als scheppers van de wereld. Hoogstens laten ze zich als overmacht door offers (later goedkoper en menselijker: door gebeden) beïnvloeden; of ze laten zich vereren alsl stichter van de stammen of als bezitter van heilige plaatsen, of als garantie voor geluk, jacht, scheepvaart, vruchtbaarheid etc. De offers die onze voorouders hun brachten waren nooit om te bedanken voor de schepping van de wereld of hen zelf. Noch Homerus noch Achilles is ooit op de idee gekomen van Zeus te beweren dat hij de schepper van de wereld was. [43] Zelfs de ‘Demiurg’ (eigenlijk de ‘werkmeester’) in Plato’s Timaeus, die nog het dichtst bij een scheppergod in de buurt komt, was maar een architect die zoals elke architect kon vertrouwen , moest vertrouwen op het niet door hem zelf geschapen wereldmateriaal. Hij bouwde daaruit niet alleen levenloze structuren maar ook levende wezens, waaronder zelfs de planeten, ja zelfs het organisme van de wereldbol.”

Nadat ik zo zonder enig onderscheid gesproken had over goden en de God in wie hij geloofde of geloofde te geloven, theologisch democratisch als ik ben: een onder velen, verviel hij aan een filosofische “terugval”.
“Maar dat waren toch geen echte goden!” riep hij. Op die uitbarsting wist ik niet meteen te reageren. “Wat hebt u een flut inzichten!” riep ik tenslotte teleur gesteld dat ons gesprek zo helemaal niet opleverde. “U wilt zeggen: in onderscheid tot God ; die echt zou zijn? En die echt is ? En die werkelijk God zou zijn?”
“Is!” verbeterde hij. Het was me niet duidelijk of dat eigenwijs bedoeld was of om zich moed in te spreken.
“Kunt u zich dit verschil echt veroorloven? Ik bedoel u: aanhanger van de tolerantieidee?”
“Ik ben geen aanhanger van de tolerantieidee!” schreeuwde hij woedend.
“Ook Hölderlin die Jezus en de Olympiërs als broers behandeld heeft…”
“Waar?”
“In de ‘Friedensfeier’. ”
“… en hen in zekere zin op een zelfde zijns niveau plaatste, zou het niet met u eens geweest zijn.”
“U bedoelt dus dat we  goden op hetzelfde niveau van zijn moeten zetten als God?”
Neen, omgekeerd: God op hetzelfde niveau van niet zijn als de goden! Een kwestie van lef.”
Maar die moed kon hij niet opbrengen. Eeuwen laten zich niet uitwissen in een ogenblik. Hij vertrok. [44]

God 8
Ongeloof te verdragen, p 45

Toen hij de volgende dag weer opdook, was ik al niet meer verrast. En hij vond het ook niet meer nuttig om zich voor zijn komst te verontschuldigen.
“Wat ik niet begrijp”, begin hij.
“Wel?”
“Hoe kunt u zo leven!”
Zo? U bedoelt zo zonder geloof?”
Hij knikte.
“Hoeft u niet bezorgd over te zijn. Ik mis niks. Niet het minste. Het gaat me prima. Of het zou me prima gaan, als ik kon afzien van de dingen die zich ieder moment in onze wereld afspelen.”
Hij keek me wantrouwend aan. De laatste zin had hij niet gehoord schijnbaar. Of die had hem niet geïnteresseerd.
“Ik zou niet eens weten wat dat zou zijn wat ik volgens u zou missen.Of behoorde te missen. Of zou moeten missen.
“Nee, zou moeten!”
“In tegendeel. Sub specie universi is mijn toestand volstrekt normaal. Ik kan alleen maar herhalen: dat wij mensen in de wijde wereld maar een quantité négligeable zijn ontkent u vast niet. En afgezien van deze minderheid is er vermoedelijk geen enkel levend wezen – om van levenloze dingen maar te zwijgen – dat niet precies zoals ik leeft, dwz dat niet voortreffelijk uit de voeten kan zonder uw onmisbare geloverij. Of waagt u het soms te beweren – daar hadden we het al eens over – dat die miljarden levende wezens: bloemen, insecten, waarvan u aanneemt dat ze door God zijn geschapen ook maar iets van die maker weten. Of beweert u soms dat deze miljarden verdrietig en beledigd herumexistieren, omdat de maker anoniem, achter hun rug, bleef; omdat hij ze het niet waard vond om zich kenbaar te maken, kortom dat hij zich niet aan hen geopenbaard heeft? Maar alleen aan ons. Voor zo ver u vermoed dat wij deze voorkeursbehandeling krijgen – dat zou een nog absurdere gedachte is.
Gelooft u misschien dat deze miljarden door onbekend te zijn met hun eigen oorsprong [45] c.q. doordat ze verwaarloosd werden dus door zijn schuld zonder uitzondering melancholisch zijn?”
Daar antwoordde hij niet op.
“Neen, deze miljarden kosmische medebewoners hebben geen moeite met dat niet weten en die schijnbare achterstelling. En wel omdat ze onwetend blijven van hun onwetendheid: dus iets dat schijnbaar zo belangrijk is niet weten ….”
“En u bedoelt dat u er net zo aan toe bent als zij?”
“In elk geval zeer vergelijkbaar. Ik ben ook een onwetende, omdat ik niet weet wat mij ‘ontbreekt’. En omdat ik in hetzelfde schuitje zit als miljarden kosmisch medebewoners voel ik me daar malgré tout prima bij.”
“Dus op grond van een gebrek?”
“Ik zeg liever: vanwege een gebrek aan een gebrek“.
Deze correctie scheen hij niet gehoord te hebben, in elk geval niet opgepakt. Hij vervolgde in plaats daarvan:
“En door zijn schuld…” Hij bedoelde zeker: ” …. bent u een ongelukkige”. Hij had vermoedelijk nog nooit eerder zoiets durven denken, laat staan uitspreken.
Ik schudde mijn hoofd. “Wees maar gerust. Het is niet zo vreselijk dat we onze maker niet kennen. Dat zou het alleen zijn als die echt bestond. Maar als we die onderstelling laten vallen is er die onwetendheid ook niet.”
Dat verwarde hem volledig. Hij had waarschijnlijk al op school geleerd dat ongeloof bestond. Maar dat je je zelf gelukkig kon prijzen met je bewering dat je niet wist wat je miste, neen : omdat je meende te weten dat je niets ontbeerde, dat was voor hem wel helemaal nieuw. Maar ik kwam nu goed op stoom. Ik ben er nooit goed in geweest voorzichtig om te gaan met bangerikken.
“Deze dubbele onwetendheid”, legde ik uit, “dat je niet weet, dat je (schijnbaar) niet weet – een tegenhanger van het socratische niet weten – is volkomen o.k.: terecht weet de roos niet dat ze niets van God weet.”
“En u durft deze vreemde zin ook op u zelf te betrekken?”
“Durven? Waarom zou dat dapper zijn?”
Dara antwoordde hij niet op.
“U kunt ervan overtuigd zijn dat dit dubbel [46] niet weten wat u ‘ongeloof’ noemt noch in het geval van de roos noch inmijn geval niet het geringste waagstuk is. Het vereist niet de minste moed”.
Nu keek hij me niet alleen ongelovig of ontzet aan, maar zo leek het me ook met een spoortje bewondering. Alsof het toegeven van mijn ongeloof (dan toch nog? of al weer?) wees op lef.
“Blijkbaar heft uw leraar godsdienst u niet alleen het geloof in God bijgebracht, maar ook het geloof dat ongeloof óf ongeloofwaardig is óf een zonde, zelfs de zonde.”
“Zo ongeveer”.
“Zoals u ziet kun je er als ongelovige ook prima aan toe zijn. – Voor de rest…”
“Wel?”
Ik besloot mijn laatste kogel af te vuren. “Voor de rest ben ik helemaal niet zo ongelovig als u denkt,” verklaarde ik lachend.
Pauze. Tenslotte. “Houd u me voor de mal?” En vervolgens: “Wat bedoelt u daar nu weer mee?”
“Heel simpel. Dat ik er niet zo’n punt van maak, dat ik niet mee doe aan een illusie; dat staat voor mij niet zo centraal. Ik definieer mij zelf niet door niet-geloof. Ik leef er niet van zoals beroeps niet rokers van hun niet roken leven (want die roken voortdurend en programmatisch niet; dat zijn in zekere zin verslaafde negatieve ketting rokers). Ik ben niet zoals deze gefixeerd op mijn ontkenning. Ik denk feitelijk maar zo nu en dan aan mijn ongeloof; alleen als ik door provocerende gelovigen in de verdediging wordt gedrongen.Voor ik u twee dagen geleden tegen kwam had ik er maanden niet aan gedacht.
Een nieuwe pauze.
“Dat is nog eens een belediging!” steunde hij tenslotte stemmeloos.
“Wat?”
“Dat u niet alleen mijn geloof niet serieus neemt, maar ook uw eigen niet geloven niet eens!”
“Neem me niet kwalijk, – Als ik dat al doe ( in zo verre je niet serieus nemen iets ‘doen’ kunt noemen) dan is dat niet om het plezier van beledigen.”
“En dat niet mee doen, zegt u, vereist nauwelijks …” [47]
“Lef? In elk geval veel minder, op zijn minst veel minder moed dan u nodig hebt om te door staan wat jullie moet doorstaan.”
“Wij? Welke wij?”
“Jullie die geloven dat je gelooft.”
“En waarin zit die dapperheid van ons? ”
“Daarin, dat jullie feilloos een geloof aanhangt , hoewel jullie je de vraag of je dat werkelijk aanhangt nooit stelt, laat staan beantwoord. Daarin dat jullie besloten slechts te geloven dat jullie geloven. Ik stel me voor dat dat niet alleen tamelijk verdrietig is om die dubbelzinnige dapperheid vol te houden, maar het is natuurlijk ook uiterst beschamend.”
Het bleef stil.
“En om op mijn zogenaamde lef terug te komen : stel dat soms iemand – mij is het nooit overkomen – het ongemakkelijk vindt zo te leven als ik, dus zonder te geloven , welk medicijn zou u hem dan aanraden? Denkt u soms dat het helpt dat ongemak te dragen door zich als renegaat op te stellen? Oder gar ehrlich? Of zou het verlangen naar gemak rechtvaardigen dat je je ongeloof verliet of zelf je aansloot bij wel geloven? Zou zulk geloven als opvolger van duidelijk niet geloven niet helemaal ‘schandelijk’ zijn?”
Deze stevige aanval bracht hem niet op een verdere tegenvraag. Hoe zou het ook? Hij besloot blijkbaar zij poging om mij te begrijpen of zelfs (wat hij heimelijk hoopte) te bekeren op te geven. En te vluchten. Net als gisteren wier hij weer een blik op zijn horloge, deed alsof hij schrok en bedankte me.

God 9
Het gebrek van de filosoof  p 48

Dit keer was ik het, die aan bleef houden. “In vredesnaam waarvoor?”vroeg ik.
“Voor uw tijd die u voor me opgeofferd hebt”.
Maak u ook daar maar geen enkele zorg over. Er kan geen sprake zijn van ‘offeren. In tegendeel leverden de uren [48] met u veel op. Tenminste voor mij.”
Hij wist zo gauw niet wat hij ervan maken moest.
“Ik heb namelijk veel van u geleerd”, zei ik.
U? van mij? ”
Ik knikte.
“Wat dan? ”
“Gedachten die ik op mijn eentje niet had kunnen vormen. Voor die gedachten ontbreekt het een filosoof aan fantasie”.
Hij schudden niet begrijpend zijn hoofd. “Ik geloof dat ik maar eens gaan moet”, smeekte hij met weer een blik op de cijferplaat.
“Maar nu vraag ik  u om nog wat geduld. Dat hen ik toch wel verdiend? Ga even zitten!”
Hij gehoorzaamde met tegenzin.
“Bij onze niet alle daagse beroepsbezigheden – ik bedoel die van filosoof – hoort niet alleen dat ze ons soms inzichten verschaft die de meesten niet bereiken, maar ook dat ze ons uitsluit van inzichten in zekere regionen.”
“Hoe bedoelt u? ” vroeg hij argwanend.
“Wij zijn geen roman- of comedieschrijvers die zich immers – daargelaten of je ze dat aan kunt rekenen als een deugd of als gebrek – kunnen verplaatsen in geborneerde of scheef denkende mensen, en die hen op geloofwaardige wijze onlogisch kunnen laten spreken. Van bepaalde gebieden van het zielenleven van onze medemensen blijven wij dus uitgesloten – in dat opzicht zijn wij  de geborneerden. En om daar toch een kijkje in te kunnen krijgen zijn we soms op helpers aangewezen.”
Hij keek me zeer wantrouwig aan.
“Op helpers die er niets aan kunnen doen en die we ook niet kwalijk nemen dat ze niet bij de quantité négligeable van de filosofen behoren. Filosoferen is immers niet verplicht.”
Tot zo ver. Zonder boosheid stak ik mijn hand uit ten afscheid.
Hij stak de zijne ook uit, maar zo aarzelend, dat de echte handdruk er niet van kwam. Daar stonden we [49] een onaangename minuut lang. Toen lieten we beiden onze hand zakken, heel langzaam, om deze mislukking in zekere mate wederzijds onzichtbaar te maken.

Advertenties