Ketterijen Gretchenfrage I – IV

(Nog een andere verzameling bij elkaar geschreven teksten uit de Ketzereien .p 175-182. Ook met de thematiek: geloven-ongeloof)

München.
Die aardige H.G. stelt me,
bezorgd fluisterend alsof hij gehoord had
dat ik kanker heb, de Gretchenfrage.
(Gewetensvraag nav de figuur Grechtchen
die aan Faust vraagt:
„Nun sag, wie hast du’s mit der Religion?
Du bist ein herzlich guter Mann,
allein ich glaub, du hältst nicht viel davon.)“[1]

I

“Is het gerucht dat je een ‘rabiate atheïst’ bent, echt waar?”
“Een ‘rabiate’? Ik zou het wel is waar net zo weinig eens kunnen worden met gelovigen [175] als met Chinezen. Maar ik ken er maar weinige. Dus ik heb maar weinig gelegenheid om rabiaat te worden. – Een atheïst ben ik zeker. Niet te corrumperen. So what? ”
“So what?” herhaalde hij vol ongeloof.
Ik knikte.
“En wat bedoel je met ‘niet te corrumperen’?”
“Wat het zegt: dat ik niet ervan af te brengen ben. Bekeringspogingen zouden op mij stuk lopen”.
“Er schijnt je buitengewoon veel gelegen te liggen aan je ongeloof.”
“Veel minder dan je vermoedt”.
“In elk geval meer dan de meeste niet-atheïsten aan hun geloof en aan God gelegen is.”
“Is dat mijn schuld?”
Daar antwoordde hij niet op”.
“Maar ik zou willen bestrijden dat me op zich overmatig veel gelegen is aan mijn afwijzing.”
“Wat bedoel je met ‘op zich’? ”
“Als het niet een verbijsterend feit zou zijn dat de meeste van onz emedebirgers, vooral in het Westen, beweren dat ze geloven, misschien werkelijk geloven te geloven, zelfs werkelijk geloven, wat dat ook mag zijn – toch als dat feit er niet zou zijn dan zou het feit dat ik niet geloof  niemand opvallen. Hun niet, jou niet mij niet. Misschien bestand het dan niet eens.”
“Wat niet? God?”
“Neen, mijn ongeloof”.
“Dat zou er dan niet zijn?”
“Het feit dat ik geen astroloog bent, valt toch ook niemand anders op. Filosofisch bestaat dat feit niet, ze is geen feit. Net zo min als ik geen kikker ben of een driehoek. Dergelijke zogenaamde feiten hebben volgens Hegel een ‘slechte oneindigheid’. Je kunt ze zo veel je wilt verzinnen.”
Dat begreep hij niet. “Je bent dus eigenlijk geen atheïst?”
“Zou zou je het kunnen uitdrukken. Beter zou zijn: ongeloof is geen attribuut dat mij beschrijft.”
“Maar? Wie beschrijft het wel? ”
” Hen. Jullie. Want het is alleen maar het beeld dat jullie die meent te geloven [ 176 ] je van mij maakt. Net zo min als de berg in de verte die je klein ziet, ‘an sich’ klein is, net zo min ben ik ‘an sich’ ongelovig. Een kwestie van perspectief. Mijn zijn, waarvan je dacht iets te zeggen toen je beweerde dat ik een atheïst ben, is door het feit dat ik ongelovig ben (ik zou hoogstens uit nieuwsgierigheid willen weten dat dat woord beteken) überhaupt niet geraakt, of zelfs maar getroffen, laat staan gedefinieerd. Het is eenvoudigweg absurd om de omstandigheid dat ik geen deel heb aan iets wat anderen zich aanpraten tot een attribuut , zelfs tot een wezenskenmerk van mij te maken. ”
Hij had er duidelijk geen woord van begrepen. Want na een pauze vroeg hij: “Zou je het ermee eens zijn, dat voor jou je ongeloof minder belangrijk is, dan het voor bijvoorbeeld Nietzsche was?  Want die ventte zijn haat tegen God royaal uit.”
“Dat is me een beroep!”
“Wat bedoel je?”
“Dat mij mijn ongeloof veel en vel minder van belang is dan dat van hem voor hem! Dat zij die hun ongeloof zo vet aanzetten, dat nog zo aanzetten!”
“Hoe dat zo?”
“Dat ze het zo’n nadruk geven, omdat oorspronkelijk geloofden of meenden te geloven; omdat ze nog niet echt geloven in hun niet-meer-geloven; dat zij de eierschalen van het geloof nog niet helemaal van zich afgeworpen hebben. Dat pathos en dat aanhouden bewijzen dat ze diep in het donkerste hoekje van hun ziel hun niet-meer-geloven nog altijd zo beoordelen als de gelovigen wier reien ze verlaten meenden te hebben, hadden, dat deden; dat hun weigeren te geloven nog altijd een avontuur is, dat eigenlijk een rechtvaardiging nodig heeft, terwijl in God geloven eigenlijk vanzelf sprak en uitleg nog apologie nodig had. – Het avontuur.”
“Bedoel je dat Nietzsche uiteindelijk nog religieus was?”
“Hij was een nadrukkelijke (Duits: instandiger) atheïst. Nadrukkelijkheid is een religieuze toestand.”
“Die jij niet meer kent?”
“Neen, ik ben niet meer nadrukkelijk. Voor mij is ook atheïsme geen avontuur meer. Laat staan het avontuur. Of de rebellie.”
“Je bent dus geen rebel?” [177]
“ik ben in mijn lange leven in veel opzichten een rebel geweest, maar in dit opzicht heb ik dat nooit hoeven zijn. Probeer te begrijpen dat ik tot een nieuwe generatie atheïsten behoor, een type dat je überhaupt niet voor mogelijk had gehouden. Want ik hoor niet alleen niet meer bij hen die niet geloven in God, maar ook niet meer bij hen voor wie het, zoals bij Nietzsch een de vroege Sartre, van belang is dat God ‘al’ dood is. Mooi. Als hij voor mij ‘al dood’ zou kunnen zijn, zou hij ooit levend geweest moeten zijn. Maar dat is hij voor mij nooit geweest. afgezien van een hartstochtelijk pantheïsme uit mijn mindertijd waar ik steeds weer zou kunnen induiken). Kort gezegd: God doet het bij mij niet eens meer als te ontkennen (negandus) of als ontkende (negatus). Hij is nog niet eens ‘dood’ voor mij.”
“Niet eens meer….”herhaalde hij stotterend. Vervolgens: “Dat is het meest godslasterlijke dat ik ooit heb gehoord. Daarbij vergeleken was Nietzsche een koorknaap. Je bent niet eens meer atheïst? ”
Ik knikte. “Niets om je over op te winden.”
“Dat is nu precies het ontzettende. Dat je God nog niet eens een ontkenning waard vind! Nog niet eens een bespotting.”
“Nou kijk eens aan!”
Toen verstomde hij. Hij probeerde na te denken naar het scheen. Toen begon hij langzaam zijn hoofd te schudden.
“Neen, je liegt. Dat kan niet.”
“En waarom niet?¨
“Omdat je – ik ken je immers al jaren – alles hartstochtelijk voor staat. En nadrukkelijk! Ook deze blasfemie. En die hartstocht is het bewijs voor jouw godsdienstigheid. Misschien voor duivelsheid. Maar dat is ook religieus! Of je het nu weet of niet, of je het nu toegeeft of niet, – je bent een ‘homo religiosus’.”
Ik haalde mijn schouders op. “Hartstochtelijk? Zeker. Misschien zelfs nadrukkelijk. Maar dat ben ik niet omdat ik hartstochtelijk of nadrukkelijk niet-religieus ben, ook niet omdat ik geen waarde meer hecht aan mijn niet geloven.”
“Maar?” [178]
“Omdat het me om iets gaat dat ernstiger is! Om iets dat met het zijn of niet zijn van God niets te maken heeft, en vergeleken met wat mijn geloof of ongeloof onnozel is.
“Je bedoelt…”
Hiroshima. – Wat in gevaar is, is niet jullie God. Maar onze wereld. Wij.”
Hij reageerde niet.
“Zou het waar zijn dat jij zo blasfemisch bent dat je dit gevaar ontkent?”

II

Tweede ontmoeting met H.G. p 179

“Neem me niet kwalijk, alsjeblieft”, begon ik vandaag een beetje meer verzoenend, ‘dat ik gisteren op je vraag of ik werkelijk een ‘rabiate atheïst ben, zo brutaal heb geantwoord met “So what?” Dat was niet speciaal tegen jou bedoeld.”
“Maar?”
“Ten diepste tegen Nietzsche en Schopenhauer. Ik wantrouw hen namelijk ondanks hun hartstochtelijke godloochening, neen omdat ze zo hartstochtelijk god loochenen.”
“Waar zit dat wantrouwen?”
“Dat ze concessies doen. Concessies waarin ik niet in mee kan gaan. Ik ga er beslist niet in mee me te laten definiëren daardoor dat ik niet mee ga in een vooroordeel van anderen. –
Overigens vind ik – daar eindigde ik gisteren mee – dat we wel wat belangrijkers hebben te doen dan niet te geloven en voor dat geloof te werven.”
“Alsof jij niet ook werft!” opperde hij vriendschappelijk. “Maar ik zou iets anders willen weten. Iets over jou. Je hebt immers zelf de meerderheid te berde gebracht. Voel je je op jouw positie niet vreselijk alleen?”
“Waarom zou ik?”
“Wel omdat de verpletterende meerderheid van onze medemensen, zeker hier in het Westen, geen atheïsten zijn. Maakt deze isolering je nooit onzeker?”
“Op die gedachte ben ik nog nooit gekomen. “[179]
“Dat is niet te begrijpen!”
“Helemaal niet. Ik voel me helemaal niet in de minderheid gedrukt. Jij bent veel meer in de minderheid.”
“Ik?”
Heeft het jou nooit onzeker gemaakt dat onder de verpletterende meerderheid van miljarden levende wezens uitgerekend wij mensen de enige animalia religiosa zijn? Jouw God heeft zich slechts aan één enkele miniscule soort van zijn schepselen , slechts aan één ‘uitverkoren volk’, ons mensen dus, geopenbaard; en hij heeft alleen aan ons de kans gegeven iets van hem te weten, of in hem te geloven. Zou het mogelijk kunnen zijn dat de oneerlijkheid van deze voorkeursbehandeling je nooit argwanend heeft gemaakt? En zou jij je als enige dager van die kennis te midden van de overweldigende massa van onwetenden nooit ontzettend eenzaam gevoeld hebben?”
“Dat heb ik nog nooit bedacht.”
“Dat is een bewijs van hoe antropocentrisch, je leeft; hoe egocentrisch.”
Daar antwoordde hij niet op.
“Bovendien is deze onterechte voorkeursbehandeling ( voor zo ver we daarvan kunnen spreken, want daarbij is het bestaan van God voorondersteld) ook pas laat opgedoken. Ons geloof – excuus: jouw geloof – is immers van pas geleden Vierduizend jaar geleden was er immers bij ons ook geen geloof in God. En wat zijn die paar duizend jaar helemaal vergeleken bij de eeuwigheid die je je God toedicht? Kun je me verklaren waarom hij zo lang incognito is gebleven?”
Deze manier van denken die zo voor de hand ligt was hem volkomen vreemd.
“Maar tegenwoordig….”begon hij tenslotte te stotteren.

“Begrijp ik goed dat je wilt zeggen dat het tegenwoordig normaal is om te geloven? “

Hij knikte.
“Zelfs als dat zou kloppen – wat zou die normaliteit dan bewijzen?”

(NB Anders voert het feit op dat de meerderheid van de schepselen niet religieus zijn. Het lijkt er een beetje op dat hij daarmee wil bewijzen dat niet geloven normaal is. Maar dat is niet letterlijk zo, denk ik. Hij wil H.G. slechts aan het denken zetten; dat hij zijn geloof niet zo vanzelfsprekend moet vinden. Bedenk ook dat hij twee drie keer hier een aantekening van maakt. o.a. ook in de stukjes God 1-9. En op p 212 waar hij het toepast op het bestaan van moraal: dat vind je ook slechts bij die ene soort.)

Hij zweeg.
En als ik je nu eens uit beleefdheid zo ver tegemoet kwam te zeggen dat geloof in God een menselijk apriori is, – zou dan door zo’n apriori iets over de waarheid van dat geloof, en dus over de existentie van God bewezen zijn? [180] Zou dat veronderstelde apriori niet slechts een – zeker belangrijk – element van de filosofische antropologie zijn? ”
Hij scheen niet te weten of ik hem daarmee toch niet iets toegegeven had, of dat ik hem alleen maart bespot had. Hij verliet met onzekere tred de ruimte.

III

Derde gesprek met H.G. p 181

“Is het je niet helder”, zo begon hij dit keer en hij scheen veel frisser en zelfbewuster te zijn dan gisteren, “dat je, als je zo beslist beweert niet in God te geloven, toch op een of andere manier een geloof aangeeft? Ja of nee. De lauwen alleen worden uitgespuugd. (zou Anders denken dat iedereen nog wel weet dat dat verwijst naar de Bijbeltekst uit Openbaring 3: 16, jab)
Ik maakte een wegwuivend gebaar. “Wees niet zo bescheiden”.
“Wat bedoel je daarmee?”
“Dit is toch beneden je stand.”
“Wat?”
“Dat je mijn niet geloven ombouwt tot een geloof in een niet zijn; dat je op slinkse wijze probeert mij, de verloren zoon, toch weer christelijk te maken. Als iemand die ‘ergens’ wel gelooft. Die naastenliefde accepteer ik niet. Dat ‘ergens’ niet en al helemaal niet in verbinding met Ja of Nee!”
Weg waren zijn frisheid en zelfbewustheid.
Ik pakte nu door. “Je kunt niet meer bestrijden, dat ik niet meer in God geloof: neen, ik geloof zelfs niet aan de dood van God; en daarom probeer je nu – met je afschuwelijk bescheidenheid – te redden wat onder deze omstandigheden misschien nog te redden zou zijn; je probeert mij of op zijn minst je zelf wijs te maken dat ik iets toch nog niet opgegeven heb: namelijk geloof als zodanig, aan wat dan ook aan het niets desnoods. Dat is het minimum dat je niet wilt laten schieten.”
Daar wist hij niets op te zeggen.
“Ik vind dat zielig. Óf u weet niet wat de christelijke godsdienst onder ‘geloof’ verstaat, – die kent namelijk bij mijn (geringe) weten niet zoiets als geloven als zodanig , (dus [181] egaal wat of aan wat geloofd wordt) te waarderen valt. Dat bestaat pas sinds de 18e eeuw. Dat je dat niet weet, zou ik willen betwijfelen, om jou een plezier te doen. En ook dat zou ik weer om je en plezier te doen willen betwijfelen. Een alternatief tussen onwetendheid en bedrog kan ik over de hele linie niet ontdekken.”
Toen was hij een tijdje stil. Tot hij uiteindelijk mompelde: “Je bent echt de raarste atheïst die ik ooit ben tegen gekomen.”
“Helemaal niet. Ik schijn alleen maar raar. Namelijk slechts uit jouw perspectief. Verder ben ik natuurlijk niet de enige in mijn soort. En als je je over mij verbaast dan niet omdat ik zo veel verwondering wek, maar alleen omdat jij je bewonderenswaardig onnozel hebt weten te houden!”
En dit keer verliet ik de ruimte.

IV

Laatste ontmoeting met H.G., p 182

“En wat is het verschil tussen jou en de natuurwetenschappers die in hun laboratoria en theorieën net zo min als jij met de existentie van God rekenen; en die, ook weer niet zo min als jij, niet als uitdrukkelijke ontkenners van God te werk gaan?”
“Hoe ik me van hen onderscheid? Ik zou niet weten wat me met hen verbindt. En ik wil niet met hen verwisseld worden. Waar leid jij uit af dat ik zo ouderwets en lomp zou zijn als de positivisten, die geloven dat alle metafysische vragen door de natuurwetenschappen beantwoord zijn, of tenminste ooit beantwoord kunnen worden? Zij hangen dat kinderlijke geloof slechts aan omdat ze blind voor metafysica zijn; dus zich nooit metafysische vragen gesteld hebben, laat staan begrepen. Waag je het mij met hen te vergelijken? Verwar me alsjeblieft niet met hen. Ik lijk op hen nog minder dan op jullie gelovigen.”
Zijn gezicht klaarde op. “Werkelijk?” vroeg hij ongelovig.
“Maar jij lijkt op hen.”
“Ik?”
“Ja, jij. En met jou de leiders van alle godsdiensten.”
“Waarom dan wel?”
Omdat ze door de bank genomen zo brutaal zijn…”
“Brutaal?”
“Ja. En zo bedrieglijk….”
“Bedrieglijk?”
“Ja, zo bedrieglijk zijn om ons mensen met antwoorden op vragen vol te proppen,die we helemaal niet gesteld hebben, of zelfs helemaal niet kunnen stellen! Om ons maar te verhinderen vragen te stellen. Want antwoorden zijn de blokkering van vragen.”
Zijn mond stond open.
“En obs met antwoorden vol proppen, waarom we niet eens mogen vragen! Dat is pas heiligschennis!”
“En dat zeg jij?, vroeg hij stemloos. “Tegen mij?”
Ik knikte van harte. “En daarmee heb je mijn antwoord op de Gretchenfrage, waarmee je ons gesprek op gang het gebracht!”
Ik stond op; ik heb hem nooit terug gezien.

Advertenties