Ketterijen over God en (on)geloven

(werkvertaling van een selectie teksten uit Ketzereien van Günther Anders. Vooral over de onzin van geloven. Verder maakte ik twee andere pagina’s met ietwat samenhangende teksten. Gretchenfrage  en God 1 – God 9.  En ik heb een niet uitgezonden interview dat in deze bundel staat een eigen pagina gegeven.)

Treincoupé p.8

Wat zijn er toch veel mensen met wie je heel verstandig kan praten, (wel is waar niet over God en alles, maar toch) over de wereld, en die desalnietemin vast geloven, zelfs weten, dat ze geloven, dat ze geloven. Dit en dat; en dat ze helemaal niet niet-geloven kunnen; en dat niet geloven überhaupt niet kan.

Tegenover me zat een geestelijke, en zoals bleek met als bijbaan: organist. Toen uit de tas van mijn reisgenoot salondämonische pianomuziek a la Rachmaninow kwam, raakten we alleraangenaamst aan de praat. En wel over de kwestie of de vijftig jaar te laat gecomponeerde Lisztiade in cis of in des stond, en of dit verschil bij toetsenmuziek überhaupt zinvol was. Helaas werd het geen echte discussie omdat hij net als ik die vraag ontkennend beantwoordde.
Daarna, zonder enige overgang, vroeg hij me of ik geloofde; vast ervan overtuigd dat zo’n volledige overeenstemming op één thema, automatisch eenheid in elk ander opzicht garandeerde .

Hij bedoelde deze vraag niet eens indiscreet – het begrip “discretie” bestaat vermoedelijk in geen enkele klerus – maar ik gaf in eerste instantie geen antwoord. Dan stelde ik wezenloos de tegenvraag: “Wat verstaat u onder geloof?”
Hij keek me niet begrijpend aan: “Dat weet toch iedereen wel”.
“Misschien weet iedereen het wel; maar ik niet”.
“Dat geloof ik niet van u”.
“Waarom niet? Geloof mij gerust : men kan prima leven zonder geloof ”
“U wilt toch niet beweren..”
“Ik heb in mijn hele leven nog niets beweerd.”
“Dus u wilt niet beweren…”
“Precies. Geloof definieert de mens niet. Hoewel het misschien nog niet zo’n raar idee zou zijn om lichtgelovigheid als criterium voor de mens te overwegen.”

Hij schudde het hoofd.

“Of stoort het u soms dat iets waarvan de werkelijke of vermeende existentie de basis van uw bestaan uit maakt- ik bedoel natuurlijk niet de materiële- doorgeprikt kan worden op wat het werkelijk is? Of mag worden bevraagd?” De boosheid van mijn suggestie scheen hij of niet te horen of niet op te pakken.
“U gelooft dus echt niets?” vroeg hij nog eens heel eerlijk.
“Zo ver ga ik nu ook weer niet met u mee”, antwoordde ik.
“Hoe bedoelt u?”
“Als ik toegaf dat ik niets geloof of aan niets, dan zou ik slechts de voorwerpen van geloof in twijfel trekken. Niet de handeling, of de toestand van geloof (of hoe u dat ook noemen wilt). Maar die betwijfel ik nu juist. Ik geloof niet dat er geloof bestaat .”
“Wat bedoelt u daarmee?”, fluisterde hij.
“Dat ik niet weet (vermoedelijk net als u) wat met dat woord bedoeld wordt; bedoeld zou kunnen zijn. Maar dan met dit verschil, dat ik weet dat ik het niet weet. Maar u hebt niet het lef, u mag het lef niet hebben te weten, dat u het niet weet.”
Hoewel we al zo ver waren gekomen had hij nog niet in de gaten dat hij niet met sjabloonantwoorden weg zou kunnen komen.
“U bent dus een Rationalist!“, zei hij.
Ik schaamde me voor hem. [9]
“En u gelooft dat het geloof door kennis kan worden overwonnen worden; of al overwonnen is”.
Ik geeuwde. “Met zulke sjablones kan ik helaas, of misschien ook wel goddank, niets beginnen”. Maar als u me daarom bij de rationalisten wilt rekenen omdat ik niet weet wat met het woord ‘geloven’ bedoeld zou kunnen zijn, dan zou u zich bij alle denkende wezens belachelijk maken.”
Dit antwoord kon hij helemaal nergens plaatsen en het verwarde hem hevig.
Ja, wat bent u dan wel?”
Wat bedoelt u met ‘wat’?”
“U moet toch bij een of andere denkrichting of school horen?”
“Waarom zou ik dat moeten? Ik heb wel wat beters te doen, dan mijn positie een naam te geven.”
Dat desoriënteerde hem compleet. Wat je niet benoemt of wat je niet kunt benoemen vond hij maar eng.
“Maar als u mij toedicht dat ik geloof, dat weten het geloof overwonnen heeft, of ook maar dat ik mij reken tot de groep die zich ziet als de overwinnende weters, zit u er naast.”
“Maar wat gelooft u dan?”
“Niet dat geloof overwonnen is, maar dat de triviale opties ‘geloven of weten’ overwonnen zijn. De inhoud ervan, ‘zwarte gaten’ zo wel als ‘de permissieve maatschappij’, die ons allen door de massamedia TV of bladen of dergelijke bereiken, worden door ons ‘geloofd noch geweten’ . ”
“Maar?”
“Geconsumeerd. Totdat ze, meestal volledig onverteerd,  weer afgescheiden worden. Het alternatief als geheel is ‘overwonnen’. Of liever ‘unterwunden’ : daarmee bedoel ik de inhouden ervan bereiken ons in de vorm van vooroordelen die we ‘noch geloven noch weten’….”
“Maar?”
“Daarvoor ontbreekt tot nu toe het woord. Hoewel: negenennegentig procent van wat wij consumeren (of niet in staat zijn niet te consumeren) en voorlopig ‘hebben’, is noch ‘geweten’ noch ‘geloofd’. De beste benaming zou wel het Griekse woord Doxa zijn, dat u wel kent uit De Staat van Plato.”
“Maar daar gelooft men toch in”, wierp hij tegen.
“Juist. Maar is dat geloven dat systematisch wordt gevormd door hen die niet maar geloven, [10] maar weten, dat ons geloven voor hen nuttig is , – is dat geloof dan identiek met wat u in het begin als geloof verdedigd hebt? En willen of kunnen we zonder dat zogenaamd niet leven? Moet een beroeps ongelovige een geestelijke herinneren aan het verschil tussen credere en putare?”

Toen waren we er.

Kaisergarten Bad Ischl
Gelezen in Spinoza’s De Deo. p 16.

Dat er een wereld is, is mij van meet af  een raadsel geweest; de ontmoeting met Heidegger en het schrijven van mijn “Kosmologische Humoreske” waren maar intermezzi. Ik kan mij zelfs van mijn vroegste kindertijd niet herinneren dat het bestaan van de wereld en mijn eigen bestaan vanzelfsprekend voor me waren.
Maar nog raadselachtiger was voor mij dat iets dat nog meer raadselachtig was, het eerste raadsel zou moeten oplossen: een wezen – de ouden noemden dat, naar het mij voorkwam niet meer geheel overtuigd, God- ; een wezen waarvan de existentie nog niet eens zo ervaarbaar was als de altijd nog onbetwistbare wereld; en de herkomst van dat wezen was noch minder verklaarbaar dan de herkomst van die wereld.
Het was me een nog groter raadsel dat het bestaan van dat tweede raadsel het antwoord op het eerste zou zijn. En volslagen duister was voor mij het feit dat, naar ik hoorde, deze paradox gedurende duizenden eeuwen door miljoenen zonder enige vorm van tegenspraak werd geaccepteerd en dat anderzijds uit naam ervan de bloederigste oorlogen waren gevoerd.
Als het accepteren van deze feiten tot het wezen van ons menszijn zou behoren – en het onderwijs op school leek dat te veronderstellen – dan hoorde ik niet bij de anderen, want ik kon iets dergelijks niet accepteren. Dan was ik anders. Dan was ik maar een ketter.

Kaisergarten Bad Ischl, p 17

Ik zit met Spinoza’s ethiek “De deo” op en bank. Ik lees de “demonstratio” voor de “propositio XI”. Ik kan mijn ogen niet geloven. Dat zou een ketter moeten voorstellen?! Want daar betwijfelt hij – de prutser van een twijfelaar – dat het überhaupt mogelijk is het niet zijn van God ook maar te denken. De “demonstratio” begint met de woorden: “concipe, si fieri potest, Deum non existere”. Si fieri potest! En het achterkleinkind betroffen door de zogenaamde ketterij van zijn voorvader, verzucht: “Wat is er nu makkelijker dan dat!”

Kaisergarten. De ketter , p 17

Dr. Kohnstamm uit Amsterdam vertelt mij over het ontstaan van de Septuagint, de Griekse versie van het Oude Testament. Wie ook maar enig idee heeft van hoe geschiedenis in zijn werk gaat, die heeft meteen in de gaten dat dit verhaal een gladde, maar historisch hoogst interessante leugen is. Of nog juister: het moet wel van een vroege Kafka stammen.
Hoe dan ook, Dr. Kohnstamm beweerde dat er in Alexandrië 70 joodse geleerden in afzondering werden gezet met de opdracht het testament in het Grieks te vertalen voor de joodse bevolking van Alexandrië die de oertekst niet meer kon lezen. Toen ze klaar waren hadden ze met kloppende harten hun teksten met elkaar vergeleken – en zie: die stemden letterlijk met elkaar overeen. Wat dan natuurlijk het bewijs leverde dat zij allemaal door God geïnspireerd waren geweest.
“Wat aan uw vertelling ontbreekt, is afgezien van de waarheid nog iets anders”, antwoordde ik.
“Wat dan”, vroeg Dr. Kohnstamm.
“Een echte Jood.”
“?”
“Als ik een van die vertalers was geweest”, legde ik uit, “dan had ik argwaan gekregen: misschien bevatten onze vertalingen gewoonweg dezelfde fouten, misschien zijn wij allemaal door dezelfde..” – ik zocht naar een gepaste uitdrukking, maar vond alleen die van Descartes – “door dezelfde ‘boze geest (génie malin)’  misleid geworden”.
“Van deze variant heb ik nog nooit gehoord”, zei Dr. Kohnstamm hoofdschuddend.
“Daar zegt u wat!” riep ik, sprakeloos vanwege zoveel domheid. “Gelooft u nou echt dat ze zo’n variant in leven hadden gelaten?”

Tafelgebed in Ischl. Daar zat ik bezeerd en stom p 94

“B had me ooit in Frankfurt verteld dat G. Marcel hem jaren geleden had bezocht. En ze hadden het prima eens kunnen worden over geniale jeugdwerken zoals de Fantasie in C Groot van Schumann en het Concert in d klein van Brahms. Later had hij G.M. uitgenodigd voor het eten. Deze maakte aanstalten om voor het eten te bidden. Maar B. had hem weerhouden en hem hoffelijk te verstaan gegeven – ik denk niet dat ik die moed op had kunnen brengen – : ”Mijnheer, ik heb altijd grote waarde gehecht aan de reinheid van mijn huis. Als U de aandrang van een religieuze behoefte voelt, doet U dat dan buiten deze kamer tweede deur rechts.” En hij reikte hem zelfs een schone handdoek aan.
Tableau. Niet alleen had G.M. hoffelijk het vertrek verlaten, niet alleen had hij de handdoek gebruikt, niet alleen was hij onbekommerd in de kamer terug gekomen: maar bovendien hebben die twee vervolgens, bij de soep overgaand op Opus 1 van Berg, hun gesprek over geniale jeugdwerken voortgezet.Waar had B. zo veel moed vandaan gehaald? En waar had G.M. deze kolossale onwaardigheid vandaan?”

München. Einde van een vriendschap p. 186

Dat had ik nooit gedacht. Onvoorzien betrapte ik G erop dat hij aan het bidden was. Hij had blijkbaar vergeten de knip op de deur te doen. Maar hoewel hij – dat kon ik in dat korte moment net wel vast stellen – te diep verzonken was (in zijn gebed jab) om mij op te merken, ik kan toch niet meer doen alsof er niks gebeurd is. Hij heeft voor mij afgedaan. Werelden scheiden ons. Hoe zou ik met iemand die bidt een woord kunnen wisselen! Zelfs als wij over een of andere aangelegenheid een en dezelfde mening hebben, moet dat een vergissing zijn. Ik ben echt niet enghartig, en ik zou een Marsmannetje die mij zijn vriendschap bood nooit afwijzen. Maar ergens moet ik toch voor mezelf een grens trekken, ergens wordt het ook voor mij te dol. Dat is dus hier.

De ijzeren inconsequentie. P 197

“Ik vrees”, zei Prof. N. angstig, “dat mensen die u niet zo goed kennen als ik, u bijna voor een nihilist zouden kunnen houden.”
“Waarom ‘zouden kunnen’? En waarom ‘bijna’? Ik ben zelfs een dubbele nihilist.”
Pauze. Dan fluisterend: “Wat bedoelt u met ‘dubbel’?”
“Dat ik ons bestaan en de wereld waarin zich ons bestaan afspeelt voor contingent houd. En ten tweede dat ik de vraag waarom we moeten moeten (sollen sollen) niet beantwoorden kan.”
“Ontzettend!” kreunde hij.
“Kunt u dat dan?”
Hij bleef stom.
“En zo verschrikkelijk als u denkt is het helemaal niet. Ik kan me dat dubbele nihilisme absoluut veroorloven.”
“En waarom dan wel?”
Omdat ik me een niet onaanzienlijk deel van mijn lange leven met de strijd om het overleven van de mensheid bezig gehouden heb.
Dat wil in de eerste plaats zeggen dat ik de wereld, c.q. de mensheid niet behandeld heb alsof ze contingent waren, maar alsof alles aan kwam op hun voortbestaan.
En ten tweede dat ik geen minuut verspeeld heb aan me af te vragen op grond waarvan ik gehandeld heb zoals ik deed.
Met andere woorden: ik heb als filosofische theoreticus ons mensen geen missie of ‘betekenis’ toegekend; ik houd ons mensen ook niet voor een essentieel, of zelfs onontbeerlijk stuk van het universum, en al helemaal niet als het doel of de kroon ervan( wat min of meer uitgesproken bijna alle filosofen gedaan hebben). Maar mijn theoretisch nihilisme heeft mij als handelend persoon nooit beïnvloed. Nostra res agitur. ( Latijn voor: het gaat om onze zaak) Daarmee bedoel ik dat ik als handelende mens, me geen ogenblik door filosofische argumenten door mij de theoreticus of door filosofische argumenten laat aanpraten dat de mensenwereld moet blijven bestaan. Ik sta opdat overleven met ijzeren inconsequentie. En omdat ik er niet aan twijfel dat er voor dat overleven een aantal condities sine quibus non zijn, vind ik het de rechtmatige opgave van de moderne filosofische antropologie die voorwaarden op te speuren, op te stellen of te zekeren.”
“Neen maar!”, steunde hij. Ik weet niet of hij steunde omdat hij me begreep of omdat hij me niet begrepen had.

Votivkirche, p 218

Kwam langs een open kerkdeur. Dreunende orgelmuziek zwol naar buiten. Ik ging ‘zo’n beetje tegen de stroom in zwemmend’ naar binnen. Waarachtig: het feit dat ik dertig jaar geleden formuleerde in mijn eerste TV-analyse (Die Antiquirteit des Menschen Bd I S. 100 ff) en die dan in de fromulering van iemand anders wereldberoemd werd: “The medium is the message” is al oeroud. Wat daar op dat orgel gespeeld werd weet ik wel is waar niet, dat deed er ook volmaakt niet toe; vermoedelijk een was er een middelmatige organist aan het werk met een ‘compositie’ of een nabootsing van Reger of Heiller. Ik kan wel zeggen dat het er niet om ging of de muziek “goed” of “slecht” was, authentiek of tweedehands. Dat heb je op een orgel nauwelijks. Want het brullen van het orgel zelf is zo’n “message”, dat ze zelfs overweldigen kan met de domste en meest onoriginele woorden. Wat zeg ik: “kan”, “she can’t help overwhelming”.
Als de zware klokken van deze kerk dreunen, vraagt niemand zich af wat ze dreunen, of of ze “origineel” dreunen. Of wie het dreunen gecomponeerd heeft. Mutatis mutandis.
“Op geen enkel instrument kan men de kluit zo bedonderen als op een orgel. Als God zou bestaan wiens eeuwige roem naar men beweert door het orgel opgedragen wordt, – zou hij dan door hebben hoe sluw en systematisch hij bedrogen wordt?”

Kaisergarten Bad Ischl
Bijgeloof-gesprek. P 218

Waarom zitten theologen en geestelijken toch zo achter mij aan? Rechtstreekse zending probeert geen van hen. Dit keer een Jezuïet, die zich voor mijn niet geloven interesseerde. Aangetrokken door de ondeugd? [218]
“Ook vanuit uw perspectief”, begin hij voorzichtig, “zult u wel accepteren dat er terecht verschil gemaakt wordt tussen geloof en bijgeloof.”
“Hoe komt u daarbij? Wat ik accepteer en wat ik niet mag niet accepteren is het feit dat dit onderscheid in de godsdienst- en kerkgeschiedenis gemaakt wordt en gebruikelijk is.”
“Gebruikelijk. – U gelooft niet aan de rechtmatigheid van die onderscheiding?”
“Neen. Ik ben nog nooit op die gedachte gekomen.”
“Maar?”
“Of het wel zo opportuun is”
“Wat bedoelt u?”
“Dat ik je reinste bijgeloof vind…”
“Dus toch bijgeloof?”
“Zeker. Dat het wijd verbreid is hen ik nooit betwijfeld. Veel minder dan u!”
“Dus?”
“Ik houd het voor puur bijgeloof, zelfs het ergste, te geloven dat het rechtmatig is een scheidslijn te trekken tussen geloof en ongeloof.”
“Ach!”
Ik knikte.
“Wilt u daarmee zeggen”, vroeg hij tenslotte onzeker (wel met slecht geweten want vermoedelijk zag hij mijn antwoord al aankomen) “dat in zekere mate bijgeloof ook een vorm van geloof is?”
Omgekeerd. In zekere zin is geloof eek soort bijgeloof.”
Pauze.
“U accepteert dus geen onderscheiding?”
vroeg hij stemloos.
“Toch wel! ‘geloof’ noem ik naar algemeen spraakgebruik, dat bijgeloof dat door de heersenden geboden is en vertegenwoordigd wordt of op zijn minst getolereerd.
Pauze.
“Houd u als Jezuïet het protestantisme voor een geloof of voor bijgeloof?”
“Wij tolereren het”, zei hij ontwijkend. [219]
“In de eeuw van de tolerantie blijft er u nauwelijks iets anders over. – Als geloof of als ongeloof?”
Daar antwoordde hij niet op.
Wordt het protestantisme waar doordat u het duldt?”
Pauze.
“Jullie ongelovigen verstaan de kunst om ons in verlegenheid te brengen uitstekend.”
“Dat hoop ik ten zeerste”, besloot ik, “des te meer als jullie ons er om vragen”.

In de dierentuin geweest p 235

Wij zouden het heiligschennis vinden om aasgieren, wolven of siervissen een godsbegrip of een godsvoorstelling toe te kennen – zij ijdel zijn wij, zo trots op ons monopolie, zelfs op ons monopolie van nederigheid.-
Waarom eigenlijk? Waarom zijn deze zogenaamd door God geschapen creaturen te nietig om hun schepper (si esset, als die bestaat jab) tekenen of te kunnen missen – want dat is de eerste vorm van kennen- ? Loopt niet het monotheïsme uit op een antropocentrisme? Namelijk: dat er slechts één soort bestaat die het godsbegrip kent? (vgl ook blz 180, 212 jab) Zou niet het feit dat het aantal van hen die hem menen te kunnen kennen of te mogen kennen zo belachelijk klein is, alle gelovigen zeer diep in verwarring brengen? “Zou moeten” misschien. Maar ik ben nooit iemand tegen gekomen die zich daar ook maar een ogenblik over verbaasd heeft. En moet niet elke theoloog zich de vraag stellen, waarom God het raadzaam heeft geacht om anoniem schuil te gaan achter de overweldigende meerderheid van zijn creaturen? Si esset.[235] De schepper – maar dat zou hij si esset alleen zijn eigen conto moeten schrijven – zou bij die overgrote meerderheid volstrekt niet vermaard zijn. Blijkbaar is hij – si esset- net zo van schepselen verlaten als wij van god verlaten zijn. Waarom? Analoog daaraan zou iedere theoloog ontsteld moeten zijn over de vraag waarom God zijn anonimiteit uitgerekend voor ons  heeft laten varen: die oneindig kleine minderheid in het universum. Waaraan hebben  wij mensen dat eigenlijk verdiend op de wereld te zijn als “uitverkoren volk”, als de Joden van het universum? En tenslotte zou iedere theoloog ook nog moeten vragen wat zo’n uitverkiezing over God zelf zegt. Zou zeggen, si esset. Zeker niet dat dat rechtvaardig is. Het is eenvoudigweg onbegrijpelijk hoe hardnekkig miljoenen mensen eeuwen lang deze toch bepaald er niet bij de haren bij gesleepte vragen niet gesteld hebben. Is het niet de hoogste tijd, parallel aan de positieve geschiedenis van filosofie en theologie een negatieve geschiedenis te schrijven: een geschiedenis van de vragen, waar de mensen voor weg gelopen zijn, en van de motieven op grond waarvan ze daarvoor weg gelopen zijn? 

Ingang dierentuin Berlijn p 239

Ik kwam langs de ingang van de dierentuin tegenover het station. De verleiding om naar binnen te gaan was groot. Ineens schoot me te binnen dat ik hier met Hannah stond, en probeerde haar over te halen mee naar binnen te gaan: dan liet ik haar de pasgeboren Murmeltiere zien – het moet in de winter van 1929 geweest zijn, dus een halve eeuw geleden –
“Murmeltiere?”, herhaalde ze, alsof ik haar Marsmanetjes wilde opdringen.
¨ Ja, Murmeltiere” herhaalde ik zo onschuldig mogelijk. “Murmeltiere zijn ook. En leven ook ‘nur einmal, das kommt nicht wieder’. En die ene keer zijn die arme donders er zelfs toe veroordeeld in de Boedapeststraat te slijten.”
Toen kwam ze met deze uitspraak – was het echt zo stellig –  “Ik ben alleen in mensen geïnteresseerd“.
Als er iemand warm menselijk geweest is, dan was het zeker de Hannah van toen. Maar vreemd genoeg kwam de stelligheid waarmee ze verklaarde alleen in mensen geïnteresseerd te zijn, als onmenselijk op mij over. Als onmenselijk tegenover al het niet menselijke. Bijna: genadeloos.
Ik weet niet meer welk antwoord ik gegeven heb op deze verklaring; vast wel heftig. In eerste instantie denk ik : “Rassist!” maar dat kan niet kloppen, omdat die uitdrukking pas later als strijdwoord tegen het nationaalsocialisme in omloop kwam. Maar dat begrip dekt wel mijn opwinding.

Ijskoud onderweg naar huis zullen we wel geen woord gewisseld hebben. Toch. Ik heb haar gevraagd: “Houd jij ons mensen voor ‘het uitverkoren volk’?” Maar die vraag heeft ze niet beantwoord. Nu haar boeken er zijn, kun je er niet meer aan twijfelen dat haar antwoord “Ja” geweest zal zijn.

Tekst over “filosofische atropologie”
voor een verzamelband. p 281

De mensen zijn de joden onder de dieren: de onnatuurlijken, de uitzondering, de opvallenden onder de soorten en exemplaren die hen in aantal miljoenen keren overtreffen. Niet vastgelegd op één gedetermineerde leefwereld, of op een bepaalde gedragscodex of op één bepaalde taal, maar ertoe gedwongen, maar ook daartoe in staat gesteld, in zeer diverse werelden zeden en talen te leven. Mensen zijn de ‘uitverkoren soort’. Het zou me nauwelijks verwonderen als er iets zou bestaan vergelijkbaar met antisemitisme, een ressentiment tegen mensen, een “antiantropisme”.
Andersom: de Jood is de mens-in-potentie. Want hij seekt op zijn beurt weer af van de overige mensen, zoals de mensen afsteken van de dieren. Waarmee weer niet gezegd wil zijn, dat hij in theologische zin uitverkoren is. Hij is uitverkoren: zoals de mens onder de dieren: tot groter lijden en langer leven. Dat betekent geen grotere eer of geluk.

Nieuwe Joegoslavische werkster
ziet voor het eerst mijn boekenkast p 282

I

“Zo veel boek!” Ze hief haar handen boven het hoofd. “Jij niet geloven in God!”
In haar ogen was elk boek blijkbaar een anti-Bijbel. Op zijn minst een niet-Bijbel.

II

“Jij niet geloven in God”. Ik nog veel ergers niet. Want mijn niet geloven bestaat niet slecht uit de formule van Zarathustra “God is dood”, niet gewoon de huidige triviale twijfel aan Gods existentie, niet in een ontkenning die de mogelijkheid van andere credo’s nog open liet, maar daarin dat ik niet meer in geloven geloof, niet meer kan begrijpen en ook niet meer wens te begrijpen wat met het woord “geloven” tegenwoordig nog bedoeld kan zijn.

III

De stelling “ik geloof dus is het (er)” (ik weet wel : zo’n syllogisme spreekt men niet uit) schijnt me niet slechts zo fout als het cartesiaanse “Cogito” , maar bedrieglijk. Da versage ich mich nicht nur, da versage ich. Hoewel theologen me tegen mijn zin steeds weer alsof ze tegen me samenzweren “homo religiosus tegen zijn zin” noemen, ( wat me vaak argwanend maakt jegens mezelf) haak ik dan zo volledig af, als marsmannetjes bij de aanblik van een bidder of van het meemaken van een vergevingsrituaal afhaken. Maar waarom Marsmannetjes? ZOals ieder van ons afhaakt bij het zien van exotische cultussen. Die vergelijkingen kloppen precies. Want alle religie is voor mij exotisch.

IV

Zoals gezegd: niet slechts het geloofde, het dogma geloof ik niet; eigenlijk betwijfel ik zelfs dat het woord “geloof”ooit in werkelijkheid aan iets heeft beantwoord, dat de acte of de toestand die de zogenaamde gelovigen sedert Paulus “geloof”genoemd hebben, werkelijk bestaan heeft of bestaat. Ik geloof, dat ze slechts geloven dat ze geloven – waarbij dat eerste “geloven” een putare is, en het derde een credere en het middelste kan nauwelijks bepaald worden. In het Tertulliaanse ( of pseudo-Tertullisaanse) “credo quia absurdum” was alleen de geloofsinhoud absurd gedacht; (bv de dood van Christus). Of juister: daar werd de geloofsinhoud onder de kompetentie van het geloof gebracht daar hij voor het verstand niet toegankelijk was. Wat ik geloof daarentegen is dat de act geloven zelf, met wat voor inhoud dan ook, absurd is.

V

Vandaag de dag ontstaan er op iedere straathoek nieuwe sektes. Sektes wier dogma’s niet alleen voor Joden een schandaal moeten zijn en voor de Grieken een dwaasheid. Daarom is er nu niets belangrijker dan mijn stellig van e leegheid ondubbelzinnig te verwoorden. En niet minder belangrijk schijnt me, is het te benadrukken dat tenminste  mijn  ongeloof geen effect van materialisme kan zijn, omdat ik gedurende mijn leven nooit met natuurwetenschappen in aanraking ben geweest. Dit blijft staan ondanks de aanhoudende gelijkstelling van ongeloof en materialisme door beroeps gelovigen. Ook het boeddhisme is radicaal atheïstisch geweest, zonder ooit door een materialistische natuurwetenschap vervoerd te zijn geweest omdat er toen geen natuurwetenschap nog was.
Als mijn Joegoslavische werkster eens  zou vermoeden

Advertenties