Hiroshima is overal (voorwoord 1982)

Hiroshima is overal.

AndersTVClose83.gif

Anders op TV 1983

Door Günther Anders. Uitg. C.H.Beck, 1995. Onveranderde herdruk van 1982

Aan die staatsmannen, industriëlen,
wetenschappers en schrijvers,
die te lui zijn om te denken of
moreel te beperkt
om zich de gevolgen voor te stellen
van hun werkzaamheden
en die nog steeds niet in staat
zijn te begrijpen, dat zij
met hun onophoudelijke
onderdrukking en terrorisering
van de mensheid
als eerste de naam Terrorist
verdienen die ze zelf vervloeken.

Inleiding 1982

I

De titel van dit boek is niet nieuw; de thema’s die erin behandeld worden, evenmin. Maar uit “Stellingen voor het atoomtijdperk” van 1959. Destijds was het misschien nog overdreven gezegd. Ze is nu waar geworden: ze is niet heden nog waar, maar heden pas helemaal waar. Daarom vond ik het niet nodig een nieuwe prikkelende titel te zoeken.
Twintig jaar geleden had je geen gram waarzeggerij nodig om die inzichten te formuleren. Je toont ook echt geen speciaal talent door een hoogzwangere vrouw mee te delen dat ze in de loop van de komende weken wel een kind zal krijgen. Als ze al zo dwaas zou zijn om haar toestand door haar medemensen te laten uitdokteren.  Zij die, meestal te goeder trouw, mij dat nazeggen omdat ik destijds de ‘zwangerschap’ van de wereld had onderkend, dat ik dus zo normaal was die te onderkennen en er momentopnamen van te maken, die bewijzen daarmee slechts hun eigen visuele zwakte om niet te zeggen hun toenmalige blindheid. Natuurlijk waren er destijds duizenden zoals ik, zelfs honderdduizenden. Waaronder ook wetenschappers van de eerste garnituur die zelfs door de bloedige voorstanders van atomaire bewapening (bij wie ik als ‘bloedige leek’ te boek sta) niet als ondeskundig bestreden zouden kunnen worden. (maar de facto wel werden bestreden en dat nog worden) (1; zie eindnoten) En we werden destijds ook wel gehoord. In de jaren ’60 was een massabeweging ontstaan, de ‘Kampf dem atomtod-Bewegung’ die met name in de Bondsrepubliek een jaarlijks hoogtepunt had in de ‘Östermärschen’.(2)

Deze beweging die door een van de grootste partijen van de Bondsrepubliek werd verwelkomd, is dan gestopt omdat de subsidiekraan werd dichtgedraaid. – de trieste geschiedenis van dit bewust laten doodbloeden is [ X ] nooit geschreven. En dat dichtdraaien gebeurde natuurlijk onder druk van Washington. De Amerikanen maakten deze stemmingmakerij tegen Hiroshima en Nagasaki en de nucleaire bedreiging verdacht als anti-Amerikaans; dus automatisch als pro-sovjet Russisch. Net als later gebeurde met het protest tegen de volkerenmoord in Vietnam. Het zou zelfs ‘ferngelenkt’ zijn. En deze verdachtmaking die van ginds kwam, was helaas voldoende om staatslieden hier bang te maken, en zelfs het woord ‘Vrede’ als ‘on-westers’ te verketteren. Voor de jonge generatie van toen was het natuurlijk uiterst ontmoedigend, mee te moeten maken dat hun eerste grote morele beweging na het ineenstorten van het nationaalsocialisme door een wenk van boven c.q. daarginds lam gelegd kon worden. Van deze morele schok en teleurstelling heeft de Duitse jeugd die ondertussen geen jeugd meer is, zich niet meteen kunnen herstellen. Vooral niet toen hun land in vele andere opzichten zo weelderig leek te floreren. De eigen auto, de tweede woning, de trip naar Mallorca schenen de atoomdreiging te weerleggen, minstens emotioneel te weerleggen.

De anti-atoombeweging raakte ook in vergetelheid omdat er alternatieven voor opdoken. Want al gauw kwamen er internationale (jeugd-) bewegingen op die deels tegen de Vietnamoorlog protesteerden, deels de idealen van 1968 nastreefden, en ten dele het feminisme ter wereld brachten. Aan één van die bewegingen heb ook ik deelgenomen. (3)  En geen van deze bewegingen kan men het verwijt maken, (zoals bv de bourgeoisie van Zürich deed) van ‘rowdy-beweging’. Zonder twijfel : ze waren en zijn legitieme politieke bewegingen, En toch geldt: de doorslaggevende kwestie van onze tijd (en eventueel een volgende) : de oplopende atoombewapening en de ‘Dreiging met de atoomdood’ daarmee annex, is door deze bewegingen toch weggelaten. Ze hebben de noodzakelijke hoofdrevolutie door zij-revoluties overspeeld en de strijd tegen een toekomst zonder wereld of een wereld zonder toekomst door bijna allen te strijden tegen contemporain kwaad of tegen kwaad in een onbetwijfelde toekomst. Helaas hebben ze zich daar jarenlang toe beperkt. En misschien is de verdachtmaking wel terecht dat deze vervangende rebellieën [ XI ] de heersende machten best goed uitkwamen al deden ze het voorkomen van niet. Want terwijl deze opstanden plaats vonden, konden de wereldmachten in alle rust hun atoombewapening waanzinnig opvoeren.
Zoals gezegd, was ik toen, in die eerste fase van  ‘Kampf dem Atomtod’ maar ‘een van de duizenden’ Als ik een bijzondere opdracht gekregen zou hebben, dan zou die alleen hebben bestaan in een poging om de wijd verbreide sprakeloosheid te overwinnen. Preciezer gezegd: mijn vorming als filosoof en schrijver, die niet mijn verdienste was, maar een gunst van het lot, te gebruiken om voor de volstrekt nieuwe en ongehoorde situatie een enigermate passende vocabulaire en een manier van spreken die opgewassen is tegen de reusachtigheid van de zaak. te vinden of uit te vinden  Want de mensen van toen konden begrijpelijkerwijze deze zaken niet passend benoemen, het zij hun vergeven. (ook nu kunnen ze dat nog niet en dat gaat van de besten tot helemaal onderaan bij Reagan).
Wat je niet onder woorden kunt brengen, kun je niet begrijpen, neen je kunt het dan nog niet eens voorstellen, neen je kunt het nog niet eens correct waarnemen: daarom hield ik dat werk om het te formuleren voor absoluut noodzakelijk. Mijn poging is niet helemaal zonder resultaat gebleven, maar het kostte wel jaren. Het beruchte radiobericht van 6 augustus 1945 verlamde me en dat heb ik jaren niet kunnen te boven komen. Ook door spreken raakte ik die kramp niet kwijt. Pas in de jaren ’50, 1952 of 1953, lang na de terugkeer uit mijn Amerikaanse ballingschap lukte me een eerste begin. Pas toen dwong ik mezelf en stelde mezelf een soort ultimatum. En zittend onder een notenboom in een zomerse tuin in de buurt van Leipzig lukte het me een paar zinnen op papier te zetten over dit ‘voorwerp’. Het was tenslotte het belangrijkste thema überhaupt en je ‘bezig houden’ met enig ander ‘thema’ zou onvergeeflijk zijn en onbenullig. Ik kon niet eens vloeiend schrijven toen, en de letters die ik aarzelend schilderde waren de bekentenis dat ik het niet aan kon; neen, wij konden het niet eens aan om ons dat wat ‘wij’ toen uitgevreten hadden ons ook maar voor te stellen. Het eerste resultaat was dus eigenlijk slechts die duidelijk geformuleerde ‘bekentenis van mislukken’. Als iemand me toen gezegd had, dat uit deze treurige tekst [ XII ] nauwelijks drie pagina’s, ooit boeken zouden voortkomen, had ik hem uitgelachen. Pas een paar dagen later ging me een licht op: onze verschrikkelijke situatie namelijk dat we de mogelijkheid neen dat de waarschijnlijkheid van een herhaling van Hiroshima en Nagasaki nu juist beruste op die discrepantie tussen ons vermogen om te doen en dat om ons een voorstelling te maken (van wat we deden/doen, jab) Inderdaad zijn bijna al mijn verdere geschriften varianten op dat grondthema van de discrepantie. Ik heb dat sindsdien niet losgelaten; het heeft mij sindsdien niet losgelaten. Hoe dan ook, toen ontstond mijn essay ‘Über die Bombe und die Wurzeln der Apokalypseblindheit’. Die heb ik in 1956 in Band I van ‘Die Antiquiertheit des Menschen’ opgenomen. Met dat opstel is de filosofische ( en theologische) discussie wel begonnen voor het Duitse taalgebied. Maar die tekst was al jaren eerder gepubliceerd, volstrekt echoloos: uitgerekend en een beetje achter mijn rug om, vermoedelijk als alibi, door de deftige ‘Jaarkring van de Duitse industrie’. De nadere omstandigheden van deze klucht van zo’n dertig jaar geleden, herinner ik me niet meer precies. In elk geval kwam de industrie aan dit heftige anti-atoomopstel, zoals een maagd aan een kind – een misstap die ze na de verbetering van de politieke voorbehoedsmiddelen zeker niet meer zou kunnen begaan. Een unicum was dit ongeluk trouwens niet. Hoe dan ook, de publicaties van toen bewijzen dat er op dit probleemgebied nog niet te overtreffen onzekerheid en gedesoriënteerdheid heersen. De media wisten nog niet zo precies wat ze deden, als ze mijn niets verhullende teksten in de openbaarheid brachten. Het kon hun toen nog overkomen dat ze per ongeluk ethischer handelden dan ze eigenlijk van plan waren. Tempi passati.

II

Deze teksten van ongeveer twintig jaar geleden horen bij de voorgeschiedenis van de anti-atoombeweging, c.q. de eerste fase. Ze zijn getuigenissen uit het verleden- of het nu belangrijke of onbelangrijke zijn kan onbeantwoord blijven – Ze zijn vandaag niet alleen niet te verbeteren of ‘op het huidige niveau van onderzoek’ te brengen; ze zouden op vervalsingen uitlopen. [ XIII ] Filosofie is ook niet ‘up to date’  te maken. – En ook die was natuurlijk door de kieren deze teksten binnen geslopen.- Evenmin kunnen na zo lange tijd dagboekfragmenten (zie onder III) of brieven (IV) veranderd worden. Dat ‘noli me tangere’ geldt tenslotte ook voor de achttien jaar geleden gehouden ‘Rede over de drie wereldoorlogen’ (V), hoewel het morele hart ervan : het aan de arbeiders gerichte appèl tot productiestaking (4) tegenwoordig als ver verleden zou kunnen over komen, als onrealistisch en utopisch. Het was een oproep om zich aan te sluiten bij principes en besluiten van grote natuurwetenschappers : namelijk weigeren deel te nemen aan maken, transporteren, opstellen en ‘verzorging’ van massavernietigingsmiddelen. Ik formuleer dat zo in de conjunctief, om de indruk te vermijden als zou ik toen ik het opschreef naïef of utopisch geweest zijn; dat geef ik nu , verstandiger geworden, vijf minuten voor twaalf toch toe (en op). In de verste verte ben ik niet utopistisch geweest. Die beroeps hopers! Daarmee wil ik maar zeggen dat ik destijds ook geen ogenblik lang geloofd heb dat dat zo maar te doen was: die weigering te volvoeren. En er kan ook geen sprake van zijn dat ik gelukkig op het einde een bekering heb doorgemaakt naar ‘realisme’. Men roept tegenwoordig graag ‘de normatieve kracht van de feiten’ maar daar zou ik me met Kant voor schamen. Dat is een jammerlijke uitdrukking. Hoe dan ook, al bij het eerste ontwerp van de imperatief van productiestaking ben ik me bewust geweest van het onrealistische ervan. Maar ik zag dat niet ( en zie dat nu nog niet) als een afdoende reden om het te herroepen. Ook de geldigheid van het gebod ‘gij zult niet doden’ wordt niet waardeloos vanwege het bestaan van moordenaars. Veel meer is hun bestaan de grond voor dat gebod. Als ik destijds toen ik het gebod van productiestaking formuleerde , dat had mogen uitdragen in de USA – dat was mij niet toegestaan omdat ik,  officieel bestempeld als ‘fraud’ geen permissie had ‘to step on American ground’- (5), dan zou ik me geen moment verbaasd hebben over de woeste afwijzing ervan door regering, industrie en bonden; omgekeerd zou ik me ongelooflijk verbaasd hebben als iemand geapplaudisseerd had. En ik heb me ook niet verbaasd toen ik (wel een paar maanden na het opschrijven van de tekst) [ XIV ]  de gelegenheid kreeg om de grondgedachte van ‘productiestaking’ op een internationaal vredescongres in Warschau voor te dragen, en daar werd het misverstaan als anti-Sovjet-Unie (als oproep om de Amerikaanse Nucleaire bewapening niets in de weg te leggen). Ik werd door negentig procent van het publiek met ijzig zwijgen en door tien procent met spottende interrupties betaald. Zoals gezegd, verbaasd of gedesillusioneerd heeft ook dat me niet, hoogstens bedrukt. Wat echter niet betekende (en nu ook niet betekent) dat ik in het uitblijven van reactie of de valse reactie die ik kreeg in Warschau, aanleiding zag om de stelling af te zwakken. Uit de geschiedenis ken ik geen religieuze of morele codex waarvan de geboden ooit, zelfs meteen. opgevolgd zijn. Zijn die dan door het feit dat ze geminacht werden of overtreden, weerlegd, of waardeloos geworden? Hebben de stichters zich belachelijk gemaakt of als ‘onrealistisch’ of onrijp geblameerd, omdat hun geboden niet a la minute gehouden werden, misschien niet gehouden hadden kunnen worden? Is de verplichting van de Bergrede vervallen omdat we sinds tweeduizend jaar door stromen bloed gewaad hebben? Of door het feit dat de tijd na Christus beestachtiger is geweest dan die voorchristelijke?
Bovendien schijnt het mij dat onze eeuw, niet minder dan elke andere, verplicht is de maatstaven voor het moreel noodzakelijke,  voor wat er in die tijd eigenlijk gedaan of gelaten zou moeten worden, op de huistafel te leggen,- hoe onwaarschijnlijk het ook mag zijn dat die geboden en verboden meteen of überhaupt gehouden worden. Daar komt nog bij dat in de moraal hetzelfde geldt als in de ramsj: dat men namelijk meer verlangen moet dan men meteen mag verwachten te krijgen.

Verder ben ik met mijn stellingen helemaal niet zo slecht uitgekomen. Het gebeurde bijvoorbeeld dat sommige van mijn ‘Stellingen voor het atoomtijdperk’ (6) die in 1959 als ‘te vroeg’, ‘overdreven’, ‘utopistisch’, ‘te veel gevraagd’ terzijde werden geschoven, nu, dus een kwart eeuw later bij massademonstraties een rol begonnen te spelen als slogans. Je mag niet alleen veel verlangen, je moet dat ook. Misschien zal morgen dat wat teveel was, niet meer als te veel gelden.
Wat echter niet betekent dat mijn toen geformuleerde stellingen in toto vervuld zullen worden. [ XV ] Of zelfs vandaag vervuld worden. Geen sprake van. Maar wel dat ze heden als principes al gehoor vinden, soms zelfs instemming soms zelfs actiebereidheid

Natuurlijk moet je uit deze nabrander (Spätkrepiererbeispiel) niet de wijsneuzige conclusie trekken ‘dat je dus maar geduld moet hebben’. Mij bleef, na de eerste fase van de anti-atoombeweging ‘Kampf dem Atomtod’ (over het plotselinge uitsterven ervan laat ik me elders uit(7))  niets anders over dan geduld. Vandaag daarentegen, nu de tweede fase van de anti-atoombeweging is ingezet, zou niets meer verkeerd zijn dan lof van geduld in het algemeen aan te heffen; niets zou schadelijker, meer immoreel zijn dan geduld tot principe te verheffen c.q. als principe overeind te houden. Want de tijd waarin we leven is er een, waarin we geen tijd voor geduld meer hebben, dus niet hebben mogen. Geduld is voor ons geen deugd meer. (Zo leerde voor-nucleaire autoriteiten het ons wel, vaak misschien terecht, en zo willen tijdgenoten het ons vandaag de dag nog wijsmaken; maar dat zijn dan geen echte tijdgenoten.) Omgekeerd moeten we, omdat het onheil dat we in elk geval moeten proberen te voorkomen, zo reusachtig groot is, en omdat het tempo waarmee het onheil op ons afraast van dag tot dag zichtbaar oploopt, ongeduld als deugd benoemen; en wel als de hoogst noodzakelijke.

III

Het lijkt me overbodig om het Japan dagboek een wat uitgebreider commentaar mee te geven. Dit als voorgeschiedenis: mijn eerste tekst over het nucleaire gevaar (waarin ik de term ‘Apokalypseblindheit’ invoerde, die zich nu, na dertig jaren wel door doorgezet heeft) lag al vijf jaar achter mij. Die tekst heeft me in vriendschappelijk contact gebracht met de onvergetelijke stichter van de ‘Kampfbund gegen Atomschäden’ en schrijver van zeer belangrijke medische werken over stralingsgevaar: de ziekenhuisdirecteur Bodo Manstein met wie ik een band had van gemeenschappelijke zorg, al kwamen we uit politiek volledig verschillende nesten. Toen Manstein me in de lente van ’58 meedeelde dat er in de zomer een anti atoom congres in Tokio zou plaats vinden, besloten we dat ik, omdat ik de (Engelse) congres taal beheerste, als gedelegeerde van de ‘Bond’ zou deelnemen, maar zonder [ XVI ] enige ideologische of institutionele binding. – Aan het bericht over deze zo tot stand gekomen reis, is hooguit nog een enkel feit toe te voegen, die ik destijds niet belangrijk genoeg vond in de tekst  van het dagboek op te nemen (want het aantal ‘atomfähige’ leden van de zogenaamde ‘atoomclub’ was nog erg laag). Ik doel op mijn voorstel dat tegenwoordig wel wat actueler is geworden, namelijk dat een paar staten het ‘goede voorbeeld’ moeten geven en ‘Atoomonthouding’ beloven (de term sloeg niet aan). Ze zouden openlijk moeten verklaren voor goed af te zien van fabricage en opslag van nucleaire wapens; maar ze zouden dat niet ‘gratis’ doen, maar als tegenprestatie de garantie moeten krijgen van ‘atoomvrije zone te blijven’. En dus niet met atoomwapens mogen worden aangevallen. Mijn argument – dat ik destijds de naam ‘contagion argument’ noemde – was: De burgers van de landen grenzend aan regio’s die op deze manier waren beveiligd, zouden terecht op hen jaloers worden, en in zekere mate ‘besmet’ raken, dwz ze gaan dezelfde zekerheden bieden en dezelfde zekerheden eisen – wat dan misschien een continue automatische uitbreiding van de omtrek van het atoomvrije gebied ten gevolge zou kunnen hebben, Zoals gezegd: met dit voorstel, dat ik niet in de voltallige vergadering deed, maar individuele afgevaardigden voorlegde, ben ik toen niet doorgebroken. Velen die het atoomprobleem nog niet als een wereldwijd probleem konden onderkennen, begrepen me niet eens. Definitief opgegeven heb ik het idee ook nu nog niet, anders had ik de pijp al lang aan Maarten gegeven. Maar ik sta er natuurlijk sceptischer tegenover dan toen. Omdat de ontwikkeling van atoom ‘wapens’ niet te weerleggen is. Ze nemen in aantal en explosiekracht toe, dagelijks neemt de nucleaire vervuiling toe; het is technisch onmogelijk een atoomoorlog lokaal te houden. Daarom en niet in de laatste plaats omdat de mentaliteit ontstaat die ik ooit ‘Apokalypsefaulheit’ heb genoemd: dat is het feit dat het bestaan van een atoomdreiging en de waarschijnlijkheid van een atoomoorlog van dag tot dag steeds vanzelfsprekender wordt gevonden, zelfs saaier,  – Maar ik acht het evenzeer onbestrijdbaar dat ‘dit contagion argument’ in de ideeën-kroniek van het atoomtijdperk thuis hoort. Of zo’n kroniek er ooit komt is echter door het karakter van deze eeuw zelf onwaarschijnlijk geworden. (8)  [ XVII ]

IV

En nu naar het tweede stuk van deze band, dat de grootste publiciteit heeft getrokken: Briefwisseling met de Hiroshima piloot Eatherly.

claudeeatherly

Claude Eatherly

Die is bijna toevallig ontstaan. Mijn toenmalige echtgenote legde een notitie uit het Amerikaanse tijdschrift ‘Newsweek’ op mijn bureau, terwijl ik met filosofisch werk bezig was. Omdat ik niet gestoord wilde worden, veegde ik die bijna meteen in de prullenmand. Geheel niet onder de indruk viste zij het papiertje weer op, en ik veegde het weer terug. Woordloos herhaalde dit spel zich meerdere keren. Totdat zij won met de woorden: ‘Je moet daar wat aan doen!’. Het was een stukje van vijf regels. Het was het naïeve en theoretisch schamele bericht – toen al bestond er in de USA een hoogstens uit tien regels bestaand ‘pidgin-psychoanalitic’ – dat de Hiroshima piloot die rare half- en schijn-crimineel, op de keeper beschouwd slechts volledig onschadelijke daden had begaan; daarmee bewees hij een Oedipus-complex te hebben, en dat hij op basis van dit complex (dat wel is waar nog nooit met internering was bestraft) in een gesloten inrichting was opgesloten. Dit bericht, dit populair wetenschappelijke trefwoord rook niet naar waarheid, maar rook ‘fishy’. Men probeerde het publiek – want dat was het Amerikaanse volk al sinds lang geworden – aan te praten dat een man die meegezogen was in de Hiroshima catastrofe niet leed onder zijn niet gewilde deelname, maar uitgerekend onder een Oedipuscomplex- deze poging leek me niet maar een misleiding, niet slechts een verachting van het lezerspubliek, maar ook een symptoom van morele luiheid: men had nog niet eens de kleine moeite gedaan iets plausibelers te bedenken. Er viel praktisch niets te lezen van dat hij achter zijn moeder aan zat, of dat hij door zijn fixering op haar ingeklapt was of zijn vader had bedreigd.(9)  Om kort te gaan: ik gaf toe aan het aandringen van mijn vrouw, neen meer dan dat: ik hield het niet meer uit niets te ondernemen. Ik schoof mijn filosofisch manuscript van tafel en schreef, (in de overtuiging zoals in de decennia van de ballingschap, in het luchtledige te schrijven) aan een zekere Claude Eatherly, c/0 Veteranen Ziekenhuis etc. Waarom mijn eerste brief hem werkelijk bereikt heeft, een brief die de opmerkzaamheid van de ziekenhuiscensuur getrokken zou moeten hebben, omdat hij [ XVIII ] niet alleen uit Europa kwam, maar in een zeer onidiomatisch en wel verzorgd Engels was geschreven; en waarom de volgende brieven (tenminste de meeste) doorgelaten werden, dat begrijp ik ook nu nog niet. Want tenslotte was de inrichting waarin Claude zat, geen burgerlijke, maar een veteranen ziekenhuis. Omgekeerd houd ik het ook voor zeer onwaarschijnlijk dat de leiding van dit instituut zich zonder uitzondering liet kennen als mensen die het geval niet begrepen, gehoopt zal hebben dat mijn argumenten invloed op het geval van Claude zouden hebben. Ik kan al met al slechts aannemen, dat we gered werden door slordige verwaarlozing. Hoe dan ook zo is de briefwisseling tot stand gekomen. Merkwaardigerwijs wordt die nu nog gelezen, of liever die zal weer gelezen worden (want tussen toen en nu gaapt een gat van bijna twintig jaren).
Claude, de eerste, oorspronkelijk beoogde adressant is al lang overleden. (10) Maar wij van vandaag zijn talloze virtuele Claudes, ons kan hetzelfde overkomen wat Claude overkwam: namelijk als onderdeel van het apparaat mede-misdadiger te worden. Als ik deze brieven nu nog eens uitgeef dan hoop ik daardoor enige tijdgenoten te weerhouden om ‘Claudes’ te worden.

Natuurlijk was hij (zoals ik al in reactie op zijn eerste antwoordbrief uitvoerig heb benadrukt) in alle theoretische, politieke en ethische gedachtevorming en formuleringen absoluut onacademisch, neen: naïef. Waar zou hij ook de geestelijke fijnzinnigheden of taalkundige nuanceringen geleerd moeten hebben? In de Air Force soms? Hoogte- of dieptepunt van deze naïviteit wordt zichtbaar in brief 38. Maar dat gebrek helpt het hoofdfeit niet om zeep: namelijk dat hij zich ondanks de indirectheid van zijn schuld toch medeschuldig heeft gevoeld. Inderdaad is dit inzicht in het zonder schuld schuldig worden, in de indirectheid van de huidige complexiteit, het beslissende, inzicht van onze tijd dat niet ontbreken mag. Als Eatherly rechtstreeks en met volledige kennis van de gevolgen zou hebben gehandeld, als hij het echt was geweest die de bom losgekoppeld had en het resultaat dan zou hebben gezien en erkend, en als bij hem dan morele scrupules waren opgekomen, dan zouden die in de conventionele ethiek nog wel acceptabel zijn (zij het niet verplicht). In geen geval zou deze ethische reactie ook maar in de buurt komen van wat Claude in werkelijkheid gedaan heeft want zijn uitzonderlijke [ XIX ] prestatie heeft erin bestaan dat hij begreep en (zij het noodzakelijkerwijze tevergeefs) betreurde dat hij slechts mee-gemaakt heeft; dat hij moreel en emotioneel ‘overgenomen’ heeft wat hij eigenlijk  niet ‘ondernomen’ had.(11)

Deze prestatie is inderdaad ook begrepen, gewaardeerd en bewonderd, zeker ook omdat hij wel terecht als de tegenhanger van Eichmann wordt gezien. En dat niet alleen door mannen wier geestelijk en morele maatstaven onbetwijfelbaar bekend waren, zoals bv Bertrand Russell of Graham Greene of Thomas S. Sasz, maar ook van duizenden anonieme mensen, bijvoorbeeld de deelnemers aan de Paasmarsen. Daarvan konden velen – het zou onredelijk zijn dit zwaktepunt te verzwijgen- hun inzicht in de loop van de decennia niet overeind te houden; ze vielen terug in de tredmolen van alledag. Wie er nu marcheren en demonstreren zijn niet dezelfden als toen: de ouders en grootouders. Laten we hopen dat die hun kinderen en kleinkinderen niet bespotten, maar hen volgen, dus weer ‘de ouden’ worden.

Het zou niet waar zijn te beweren dat Claude twintig jaar geleden, toen hij als symboolfiguur gezien werd, algemeen erkend werd. Natuurlijk was het moeilijk, tenminste in de Verenigde Staten, om iemand die als Victory Boy was opgebouwd, een hooggedekoreerde officier die in verband stond met een wereldmonopolie: dat van het atomaire, helemaal anders te gaan zien. Daar moest je zelfstandig voor zijn en civiel courage hebben, het betekende dat je de overwinning moreel ter discussie stelde; dat je de overwinning afzwakte; en je bracht er het middel van de overwinning, de atoombom mee in diskrediet. Wie dat deed werd verdacht de koude oorlog tegen Rusland (die al in de laatste oorlogsjaren psychologisch was voorbereid) te saboteren, en het daardoor automatisch op te nemen voor het communisme. Kortom: wie voor Eatherly was was zelf een stalinist en ‘werd betaald door Moskou’. Zo simplistisch was het politieke denken – neen niet enkel van de massabladen en de massa’s die daarvan leefden; maar ook van de departementale top van menig westers land in de tijd van de koude oorlog. Met andere woorden: Claude en ik waren in de kortste keren personae non gratae – wat we te danken hadden aan mannen die of op een wenk (van deze of gene)  of vrijwillig de zaak opbliezen, of [XX ] (omdat ze mij als de opblazer zagen) ze lieten mij overkomen als zwendelaar. Wanneer ik  daarbij als de booswicht neergezet werd – de schuld lag niet aan de verwoesting van Hiroshima, maar bij ‘de moeite van de biechtvader’ – was dat omdat ik die op zich goede en argeloze boy from Texas gedachten ingefluisterd had, die nooit in zijn texaanse nevel hadden kunnen groeien. Geweten is niet alleen ‘off limits’, maar veel meer is het uitbreken van het roepende geweten als het bewijs van verleid zijn. Zonder verleider zou Claude in de ogen van de kwaadsprekers nooit een slachtoffer zijn geworden van de verlokkingen van de moraal. – Ergere roddel kan me niet overkomen.

Men mag deze mannen, die zich ervoor leenden deze zwartmakerij zo vlijtig uit te voeren, de eer niet gunnen van vergeten te worden. in het Duitstalige gebied presteerde de publicist Friedrich Torberg het best, die als schrijver natuurlijk een kop boven Claude uitstak, en ook intelligent genoeg was – soms was hij zelfs spits – om te erkennen dat Claude door keihard te blijven vasthouden aan zijn onschuldige schuld torenhoog boven hem uitstak (en ik stak ook een paar centimeter boven hem uit doordat ik hem probeerde te helpen). Maar wat betreft Hiroshima verdient hij niets anders dan weggehoond te worden. Want in ‘zijn’ tijdschrift ‘Forum’ (12) moest hij zijn taak vervullen, en dat deed hij zo prompt dat hij niet eens de tijd nam om het eerste stuk van de briefwisseling te lezen. Daarin had ik uitdrukkelijk aangevoerd dat Eatherly niet de bom had laten gaan, en dat zijn berouw juist daarom zo ‘verdienstelijk’ was omdat het een indirect vergrijp betrof – en dat is ‘des Pudels Kern’. Maar zo ver is Torberg niet gekomen, niet in de tekst en niet in de moraal. Hij was er blijkbaar van overtuigd dat ik Eatherly hield voor de verwoester van Hiroshima of hem tot verwoester benoemd had. Hij bleef me maar boosaardig beleren dat Eatherly die bom helemaal niet zelf gegooid had – onovertrefbare grap – dus had hij niets om berouw over te hebben, dus was ik erin gelopen, c.q. had ik een ‘hoax’ gelanceerd of onzin geschreven. Dat sloot hij dan af met de vermaning dat ‘ik op moest houden met schrijven’. (het is in zijn ‘verzamelde geschriften’ opgenomen, en hij noemde me daarbij ‘Burschi’) [ XXI ]

Maar de affaire was natuurlijk niet een lokaal Weense aangelegenheid maar een Amerikaanse, omdat de moraliteit van de verwoesting van Hiroshima en Nagasaki ‘at stake’ was, c.q. de moraliteit van het dreigen met een atoomoorlog. Inderdaad heeft Amerika snel en zeer hard gereageerd: ze hebben namelijk William B. Huie de opdracht gegeven een boek over Eatherly c.q. tegen mij te schrijven. (13) Hij stond in verbinding met de Air Force en was een bekende romanschrijver. Hij heeft heel wat meer moeite gedaan dan Torberg, want hij interviewt Eatherly herhaalde malen, en heeft (die interviews die vol suggestieve vragen staan waar de naïeve Eatherly dan intippelde) in een omvangrijke band samengevat. (14)  Zijn argumentatie verschilt fundamenteel van die van Torberg (al geldt dat niet van het ethische niveau ervan). Zijn punt is namelijk niet dat hij benadrukt dat Claude niet de (eigenlijke) ‘bommenwerper’ was – dat veronderstelt hij ook niet bij mij – maar dat Claude in werkelijkheid nooit berouw heeft gehad; Huie was nog nooit getuige geweest van zo’n berouw. En daar ligt des Pudels Kern. Dwz de kern van wat hij, c.q. Washington wilde: de rechtvaardiging van Hiroshima achteraf. Huie redeneerde: Claude had daarom geen berouw omdat hij niets te berouwen kon hebben; en dat kon hij niet omdat er niets te berouwen was. Of – op de volgorde van veronderstelling en bewering komt het Huie niet speciaal aan- Hiroshima is daarom wel o.k. geweest omdat Claude helemaal geen berouw heeft gehad. Net zoals de bommenwerper bij de start gezegend werd – dat is wel het ergste misbruik van zegen dat er in de christenwereld ooit begaan is –  is het door Huie post festum nog eens afgezegend. Meer zegen van God kan een mens niet verlangen. De goddeloze schrijver van deze regels huivert, en hij wordt mismoedig van de gedachte dat de gelovigen hun christendom niet beter te hulp schieten.

Juridisch: Als Huie met zijn argument dat Claude geen berouw heeft gehad of niets te berouwen had, er dus niets aan te merken valt of te berispen of te berouwen, gelijk had dan zou hij daar mee een , neen de revolutie van de rechtsgeschiedenis introduceren. Want dat argument zou erop neerkomen dat men alle misdadigers die geen berouw [ XXII ] hebben dus vrij moet spreken. Want met dat ze geen berouw hebben of geen geweten hebben, bewijzen ze hun onschuld. Dan blijf je nergens, dus.

Huie was de texaanse knaap natuurlijk de baas met argumenten en dialogen. Het is dus best mogelijk dat hij Claude in het nauw wist te drijven en hem ertoe bracht die antwoorden te geven, die bij Huie besteld waren en die hij moest leveren – suggestieve vragen zijn immers altijd voorgekauwde antwoorden. Bovendien is het psychologisch volstrekt niet te overtreffen primitief te verwachten dat aanwezigheid van berouw (laat staan diepte van berouw) te meten zou zijn als reacties in een laboratorium voor experimentele psychologie. Daar komt nog eens bij dat niet iedereen ten overstaan van iedereen berouw heeft. Veel meer geldt de regel: ‘Zeg me bij wie je, bij welke toehoorder je berouw hebt of geen berouw hebt, en ik zal zeggen wie je bent en wie je toehoorder is’. – Verder geen woord meer erover. Wie de eerste brief van Claude aan mij een nep-document noemt, verstaat niet alleen het karakter van de schrijver verkeerd, veel meer overschat hij diens geest schromelijk. Want om zo geraffineerd de boel te kunnen bedotten heb je een intelligentie nodig van een topacteur. en dat had Claude niet. Inderdaad is geen enkele psycholoog – de bekende Amerikaanse psycholoog Thomas S. Szasz heeft na lezing van de brieven meteen zijn hulp aangeboden – ooit op de gedachte gekomen een zwendelaar erin te laten lopen (laat staan twee); evenzo was Graham Greene bereid te helpen na lezing van de brieven, een psychologisch niet simpele persoon; mij tot nu toe persoonlijk onbekend. Al evenmin heeft Bertrand Russell ooit enige verdachtmaking geuit, en hem kun je toch een zekere intelligentie niet ontzeggen. Veeleer heeft hij meteen een verklaring over de brieven uitgegeven, al als inleiding op de Engelse uitgave, en die leidt deze Duitse uitgave ook in.

Maar onderschat toch vooral de invloed van die mannen niet, die niet wilden waar hebben dat iemand berouw had van de Hiroshima-missie en die door dat berouw in diskrediet bracht. Zo was er onder de vele uitgevers van de correspondentie een – hij had de tekst duidelijk niet gelezen – [ XXIII ] die de twee geschifte argumenten ‘Eatherly heeft de bom immers helemaal niet gegooid’ en ‘hij heeft immers helemaal geen berouw gehad’ tijdens een nachtje zuipen met Huie tijdens de Frankfurter Buchmesse – dat heeft hij mij argeloos zelf verteld, hij geloofde me iets schrikwekkends mee te kunnen delen – hij accepteerde dus die twee geschifte argumenten en ontdeed zich zonder de auteurs ervan te informeren van dat document dat Washington zo onaangenaam vond : hij haalde het (ondanks dat het als warme broodjes verkocht ; er zijn nog idealisten) dus uit de handel; en dacht daarmee het probleem ‘Eatherly en Anders’ geklaard te hebben. Hij heeft inderdaad door de briefwisseling  tenminste in één taal niet bestaand te verklaren, de missie die met het boek verbonden was kunnen afremmen. Hoe dan ook, het boek heeft zich nu van hem ontdaan en de kleinkinderen van de eerste lezers kunnen zich weer met de figuur van Eatherly vertrouwd maken.

Ik zelf, ik geld als uiterst argwanend, heb Claude er nooit van verdacht dat hij zijn berouw maar speelde, dus geen berouw had. Waarvoor, cui bono zou hij het ook gedaan hebben,- want de hem toegedachte rol als ‘national glamour boy’ beloofde hem toch veel meer op te leveren?Als ik echter enige argwaan gehad zou hebben, dan is die in 1962 wel definitief bij mij verdwenen, toen ik met hem in Mexico City was. (15) Ik maakte daar een aanval van berouw mee, en als die niet echt was, dan zou dat bewezen hebben dat Eatherly niet alleen de grootste brievenvervalser was maar ook de meest voortreffelijke acteur aller tijden. Dat ging zo: In de loop van de onderhandelingen voor een filmopname, stelde ik hem nog eens, vermoedelijk te direct, de vraag wanneer en met welk doel zijn bekering plaats had gevonden. En toen gebeurde het: hij, de zogenaamde trots van de natie werd overvallen door een huilkramp – hij rende maar op en neer in de kamer- een aanval die niet alleen hij niet aan kon; en ik bleef ook volledig niet in staat die te stelpen of te stoppen, terwijl ik toch zoals ik weet, een medemens soms tot rust kan brengen. Ik moest de aanval eenvoudig weg zijn gang laten gaan, totdat Claudes huilen na een laatste zucht verstomde, en hij, de glamour boy, krachteloos in een stoel viel. [ XXIV ] Wat hij me toen vertelde was – neem me mijn hier ongepaste woorden niet kwalijk – ‘reuze interessant’ omdat het alle sprookjes om hem weersprak. Hij bekende namelijk, niet alleen gedurende de heenvlucht, en niet slechts tijdens het geven van het signaal , maar ook nog in de dagen er na – precieze duur kon hij niet aangeven – helemaal nog niet had begrepen waarin hij daar verwikkeld was geraakt – ‘what I had done’. De echte schrik, het afgrijzen, het inzicht en het berouw waren pas ingetreden toen hij de eerste foto’s van de verwoeste stad en de verkoolde lijken die in het water dreven te zien kreeg. (16) Ik had het gevoel (nu Claude overleden is valt de juistheid ervan niet meer te bevestigen) dat de ineenstorting, waarvan ik zonder het te willen en zonder te kunnen helpen getuige was, niet slechts veroorzaakt was door het verlangen ‘niet schuldig daaraan te zijn’ (Matthias Claudius), maar meer nog door de schaamte daarover dat hij het pas zo laat door had, en zo indirect, waaraan hij daar had meegewerkt. De schaamte dus dat hij nu pas iets ‘mee-maakte’ en dit keer in de gebruikelijk betekenis van ‘lijden’. Echt berouw lijkt mij niet zo zeer gelegen in achteraf roepen: ‘Had ik het maar niet gedaan!’ maar veel meer in het veel ergere, alsmaar vergeefse ‘Probeer toch het ‘doe het niet’ nog over te doen. Er is niets meer beschamend dan daarvan getuige te moeten zijn. Mijn verzoek, mijn getuige zijn te verontschuldigen zal hij wel nauwelijks verstaan hebben.

Er waren echter veel meer mensen die het begrepen, dan mensen die het niet konden vatten, niet wilden en mensen die (anderen) belemmerden te begrijpen. Bijna ontelbaar de lezingen, drama’s stukken op radio en TV waarvoor de briefwisseling als basis c.q. als stof heeft gediend. En zonder een figuur als Eatherly was het bijvoorbeeld in Italië wel nauwelijks tot een anti-atoombeweging gekomen – wat bewees (en ook tegenwoordig weer bewijst, want de briefwisseling wordt opnieuw ingezet) dat die correspondentie niet zo maar als een meer of minder interessant stukje brief literatuur opgevat is, maar als iets van volledig andere aard: namelijk als symbool van een tijdperk, als symbool voor de problematiek waarmee we in de eeuw van de derde industriële revolutie geconfronteerd worden. Zeker, globaal. Het duidelijkste bewijs van dat wereldformaat [ XXV ] is wel het feit dat de brieven, die meteen in alle zgn ‘cultuur talen’ werden vertaald, tegelijk verschenen in het Spanje van Franco en in Sovjet-Rusland. In dit feit dat de brieven het ijzeren gordijn een tijd lang hebben kunnen doorbreken, zag ik echter niet alleen een reden tot trots, maar voor alles een vreselijke bevestiging dat de bedreiging echt overal zat. Vrienden die me feliciteerden met het wereldsucces van het boek, antwoordde ik dat dit niet anders was dan de zwakke echo van de wereld op het verschrikkelijke gevaar dat de wereld liep.

Er waren ook veel reacties die ik van personen, die eigenlijk veel meer dan ik met het lot van Claude hadden begaan moeten zijn nooit ontvangen heb. Want ze werden niet geschreven; dat zijn zijn familie, zijn arts, zijn rechter, zijn president. Met gemak zou je daarmee een tweede bundel van ‘off limits’ kunnen vullen. Flinterdun, maar ethisch onverdraaglijk zwaar. ‘Querulanten antwoord je niet’. Inderdaad hebben allen die mijn brieven niet beantwoordden zo gehandeld dat op hen de titel van toepassing is van de eerste Bundel ‘Off limits’. Vele niet reageerders zullen misschien zelfs als voorbeelden van inhumaniteit verder leven. De uitdrukking ‘off limits’ slaat natuurlijk niet op hen in die zin dat het hun, zoals Claude, verboden was geweest een geweten te hebben, maar daarin dat ze het zichzelf verboden hadden ; ze geloofden dat ze het zichzelf moesten verbieden een geweten te hebben (gesteld al dat ze vroeger überhaupt zoiets hadden bezeten). Of in die zin dat ze geloofden het zich te kunnen veroorloven gewetenloos te blijven.
Iedere lezer moge, als hij deze bundel dicht slaat met bezwaard gemoed (of liever nog: in goede woede) denken aan die tweede denkbeeldige bundel.

En daarmee neem ik afscheid van je, Claude. Je bent zeer vroeg er onderdoor gegaan; en wel na een leven dat vergeleken met zijn ‘hoogtepunt’, slechts middelmatigheid te zien gaf. De inhoud en de boodschap van je leven elke dag maar te herhalen door eraan te denken, zou niet alleen geen nut hebben, maar zou jouw krachten ook te boven gaan, wel van iedereen. Dat het juist jou getroffen heeft; [ XXVI ] dat juist jij deze ongelukkige figuur moest worden, zoals jij nu eenmaal geleefd hebt is puur toeval geweest, miljoenen anderen had het net zo kunnen overkomen. Maar je was niet alleen maar een ongelukkige figuur, maar ook een symbolische. En je hebt bewezen dat je tegen die jou toegevallen symboolfunctie opgewassen was. Als je van enige tijdgenoot mag beweren – het zalvende woord komt me maar moeilijk over de lippen – dat zijn leven ‘zin’ heeft gehad, dan van jou. Want  je hebt bewezen – dat heb ik je godzijdank nog bij leven duidelijk kunnen maken – dat Eichmann niet de enige verpersoonlijking van onze eeuw hoeft te zijn. Er is een alternatief. Thanks and good bye!

V

Ik heb in de eerste pagina’s  van dit voorwoord al gesproken over het derde stuk van deze bundel ‘Rede over de drie wereldoorlogen’. Om aan te geven dat daarin wel het meest fundamentele thema van het atoomtijdperk voor komt: dat van ‘de productie- of produceerstaking’.(17)  Andere punten die daar nog niet ter sprake kwamen, moet ik nu verduidelijken.

Wat in de eerste plaats opvalt, en wel heel verschrikkelijk, is dat de titel destijds als ‘ongeoorloofd pessimistisch’ uit gekreten werd  – wat een banale en leugenachtige uitdrukking, alsof waarheden van gemoedstoestanden afhingen – dat dus de uitdrukking ‘derde wereldoorlog’ tegenwoordig op ieders lippen ligt, omdat immers iedereen een volgende verwacht, en wel met de vanzelfsprekendheid als het aanstaande theaterseizoen. Als er nu echt iets ‘ongeoorloofd is’, dan zit dat  in plaats van in pessimisme, in de vanzelfsprekendheid, waarmee men zich gewend heeft aan de gedachteloze gedachte aan een nieuwe oorlog. (één!). Ik zeg : ‘Gedachteloze gedachte’ omdat men er pragmatisch niet in gelooft, maar men is vast overtuigd van de komst ervan. Daarmee bedoel ik dat men precies zo verder plannen maakt en leeft, alsof alles – inclusief Mallorca – door zou gaan, zoals het is.
Hoe dan ook, de titel van de rede  is net als het hele boek in de loop van die twintig jaar meer in overeenstemming met de tijd gekomen dan het oorspronkelijk was (of geschenen had). De werkelijkheid heeft hem ingehaald. [ XXVII ]

Iets anders heeft aan actualiteit ingeboet. Niet alles is zo constant gebleven als het basisgegeven van het atoomtijdperk als zodanig: de mogelijkheid, dan wel de waarschijnlijkheid van de zelfvernietiging van de mensheid. Maar dat betekent niet dat het doorgeven van wat niet meer actueel is, het niet konstant geblevene, wat ondertussen veranderde een anachronisme is. Een document uit het verleden veroudert niet omdat het een document uit het verleden is. Als dat het geval zou zijn, zou alles wat zich bezighoudt met het verleden een anachronisme zijn. Tenslotte bestaat toch het hele wezen of onwezen van de geschiedenis in verandering; en het feit dat er een constante is als de bovengenoemde is omgekeerd een uitzondering, misschien wel de enige unieke uitzondering in de geschiedenis van de mensheid. (18) Als ik dan het politieke wereldbeeld dat aan de orde was toen ik de rede schreef weer voor de geest haal, dan is dat niet omdat ik het nog voor actueel houd, of omdat ik ben blijven staan – blijven staan valt me als tachtigjarige veel en veel zwaarder dan me op de hoogte te stellen en anderen aan het rennen te krijgen – maar eenvoudig omdat wij, met name de jongeren onder ons, die eergisteren nog niet beleefd hebben, het heden zonder de kennis daarvan (van het wat eergisteren speelde) niet kunnen begrijpen.

De passages die ik daarbij vooral op het oog heb zijn die over Rusland en China. Hun verhouding nu verschilt sinds de ‘ommekeer’ van China die Nixon bzw Kissinger tot stand bracht, totaal van de verhouding die gold ten tijde dat ik de rede schreef. Maar de situatie is vooral veranderd op grond van de nucleaire situatie misschien zelfs op grond van het feit dat China zogenaamd (19) van beide kanten atomair bedreigd en aangevallen had kunnen worden. Hoe dan ook, toen ik mijn rede hield gold China nog als de besmettelijke reus, wier uitbreiding door het Westen ‘contained’ moest worden, omdat het op het punt stond het communisme in heel Zuid-Oost Azië te verspreiden – kortom: als de vijand van de Verenigde Staten die je wel in de gaten moest houden, maar niet moest verwelkomen. En in werkelijkheid had men China (dat schatte men niet als gevaarlijker in dan Rusland, maar wel als makkelijker te overwinnen) op het oog toen de USA overging op de zgn ‘anti-domino-strategie’ dus tot de overname van de oorlog in Zuid-Oost Azië. De miljoenen die later in Vietnam werden vermoord zijn inderdaad gestorven [ XXVIII ] in een oorlog die helemaal henzelf niet betrof. Ze waren bedoeld als  preventief voorspel bij de ‘indammings’oorlogen tegen China. (20)  Maar zo ver waren we toen nog niet.. Omdat toen de vijandschap tegen China actueler was dan die tegen de ultieme vijand Rusland, kon men zich toen nog, zoals ik in die rede heb gedaan, voorstellen dat Rusland als bemiddelaar ingeschakeld zou kunnen worden tussen USA en China. Dat zou tegenwoordig absurd klinken.

Voor hen die tijdens de eerste fase van de anti atoom beweging nog niet leefden of nog kinderen waren ( maar ook voor ons volwassenen , want de meeste van de toestanden zoals die heersten in de vroege jaren zestig zijn wij ondertussen vergeten) is het nauwelijks meer voor te stellen hoe diep de kloof was tussen de situatie in die fase en die van nu. En dat betreft niet alleen de verhouding van de wereldmachten tegenover elkaar, maar ook de explosieve kracht van de atoomwapens, die ons vandaag belachelijk voorkomen. Daar is verder nog het feit dat de atoomwapens destijds maar in de handen van een uiterst exclusieve ‘atoomclub’ (officiële politieke naam) waren, maar intussen zijn ze geheel vanzelfsprekend bezit van zowat alle landen geworden. En tenslotte – wat daarmee ten nauwste samenhangt – het nog zeer kleine aantal staten, dat destijds al druk bezig was nucleair gelijk te komen, om dus elkaar te kunnen chanteren. In zekere zin was dus de situatie van toen, vergeleken met die van nu, nog – sit venia verbo – (als ik dat zo mag zeggen, jab) ‘onschuldig‘ geweest. Deze relatieve onschuld moet men in gedachte houden om mijn woorden van toen te verstaan. (Die onschuld scheen nog te bestaan, ondanks de schrik die uit al mijn teksten tevoorschijn kwam en nooit onderbroken heb, maar constant overeind heb gehouden).

Dat is over. Van ‘relatieve onschuld’ kan geen sprake meer zijn, de tijd is volledig ondubbelzinnig geworden. Karakteristiek voor de huidige situatie is nu dat de techniek dus ook de atoomtechniek met alle politieke en militaire consequenties universeel is geworden, de exclusiviteit is opgeheven, iedereen is lid van ‘de club’ iedereen kan iedereen chanteren [ XXIX ] en dat doen ze ook effectief en pauzeloos door hun capaciteit. Geschied-filosofisch (21) betekent dat: de waarheid is niet dat er heden ten dage ook vervaardiging van atoomwapens bestaat; maar omgekeerd die techniek en de daarmee vervaardigde producten en de continue chantage ermee enkel door het bezit ervan, zijn het medium waarin zich de geschiedenis afspeelt.  

De politieke, dan wel historische veranderingen, die in de laatste vijfendertig jaren plaats hebben gevonden, met name de verandering van het tempo van de geschiedenis, zijn uiteindelijk bijna uitsluitend veranderingen geweest in de nucleaire machtsconstellaties en de echo’s daarop. Als de politieke geschiedenis in de laatste decennia zo op hol is geslagen, zich zo versneld heeft, dat we de in ‘de rede over de drie wereldoorlogen’ geschilderde situatie van de wereld nauwelijks meer kunnen herkennen of ook maar kunnen geloven, dan komt dat tenslotte omdat ze het razende tempo van de techniekgeschiedenis aangenomen heeft. Het tempo van de geschiedenis is steeds dat van de geschiedenis van de verandering der producten. (22)  Tegenwoordig is het vooral het tempo waarin de vernietigingsindustrie van staat A probeert die van staat B in te halen, waardoor de ‘gang’ van de geschiedenis zo razend versnelt; dus de ‘Concurrentie’ in een geheel nieuwe betekenis. En ook elk industrieel bedrijf is zo in concurrentie met zichzelf want om door te kunnen produceren is het gedwongen de eigen producten van gisteren te bestrijden, ouderwets te maken, dus door ze te vernietigen. Dit continue gevecht tegen de producten van gisteren – of het nu de eigen producten zijn of die van een vreemde – is eigenlijk al de derde wereldoorlog die in de titel van de rede van toen is verwoord. Het is de ‘koude’ derde wereldoorlog. De oorlog die we doorgaans ‘oorlog’ noemen (of al ‘derde wereldoorlog’)  is alleen het extreme stadium ervan. De als ‘Verzekering van de vrede’ door afschrikking vermomde oorlog zal op een (spoedige) dag in dat extreme stadium omslaan of we zullen er door bodemloos geklungel van de huidige politici intuimelen.

Hoe dan ook, ook de oorlog die nog in de toestand van ‘koude’ oorlog bevindt ,als productiemanie stevent op verwoesting af. Niet zozeer , zoals de dagelijkse leugen beweert op de omverwerping van ‘onvrije’ vormen van regering en economie, maar op die van producten, omdat het er zijn daarvan de verdere productie in Frage stelt.[ XXX ] Vernietiging ook van de technische installaties, is het doel waar de in de nucleaire industrie ‘belichaamde’ techniek  constant op gericht moet zijn, om zichzelf in leven te houden. (23)

Het aparte dat de eerste fase van de nucleaire situatie die nu twee decennia achter ons ligt had is karakteristiek voor het atomaire tijdperk. En dat aparte van gisteren zal zo lang blijven duren als wij er nog zijn. Zo vreemd als ons hedendaagse mensen de toestand voor twintig jaar , zal de kinderen  als die er dan nog zullen zijn, het beeld van onze fase voorkomen. Neem dus die twee decennia oude (maar zoveel ouder lijkende) ‘Rede’ als een voorbeeld voor het adembenemende tempo van de verandering van de politieke constellatie , die wij schepselen van het atoomtijdperk doorgemaakt hebben, doormaken en misschien, hopelijk, verder doormaken zullen. Deze ‘pagina’ van het atoomtijdperk is des te eigenaardiger als (wanneer men dat stevig klinkende woord mag gebruiken) het ‘fundament’ van onze eeuw constant blijft: namelijk dat er geen fundament is en dat ons bestaan niet constant is.

VI

De anti-atoombeweging die zoals gezegd jarenlang verlamd was, of moedwillig lam gelegd was. heeft zich dus toch weer opgericht. Het aantal mensen dat nu weet wat er op het spel staat; namelijk alles, is verveelvoudigd. De ‘tweede kruistocht’ is onderweg. Je zou willen opademen, als ware de goede afloop nu gegarandeerd of zelfs al in zicht. Nuchter blijven! Onze strijd is helemaal nog niet gewonnen door die verveelvoudiging. Een happy end beloven mag niet; dat moeten we toegeven.

Want we bevinden ons niet meer in dezelfde situatie als in de eerste fase van onze beweging, die trouwens al gevaarlijk genoeg was. Sindsdien is niet alleen het aantal medestrijders verveelvoudigd. Verveelvoudigd, wel duizendmaal is ook het aantal atoommachten; ook de massa en de reikwijdte van de klaar staande en de precies afgerichte wapens. Ook het aantal raket opslagplaatsen, en daarmee de doelen die ons allen in dodelijk gevaar brengen; ook het aantal koppen dat in elke raket gemonteerd is; ook het [ XXXI ] ontbreken van fantasie en geweten bij hen die al naar ze gemutst zijn over de heldhaftige. verleidelijke inzet van raketten en daarmee over ‘zijn of niet zijn’ beslissen kunnen. ( want die wapens kun je toch niet zo maar verspillen en ongebruikt laten rond slingeren; het Truman-argument). Daar komt tenslotte nog iets bij dat misschien wel het allerbelangrijkste is. Een feit waar de legers van alle landen al lang weet van hebben, maar dat we zelf in onze mentale luiheid ons nog niet duidelijk hebben gemaakt, dat we in elk geval nog nooit uitdrukkelijk geformuleerd hebben en dat tenslotte het totaal van onze inspanningen tot spookverschijningen zou kunnen maken – het feit namelijk dat (al sinds tientallen jaren) de strategische betekenis van het aantal mensen dat tegenstand biedt, dus de efficiëntie van de protesterende massa, door de gestegen efficiëntie van de techniek zeer drastisch is gedaald. We moeten de moed opbrengen ons af te vragen of de massa nog werkelijk de macht die we eraan toegedicht hebben ook werkelijk nog hebben; of de vergelijking ‘massa = macht’ werkelijk nog klopt. Als er vandaag honderdduizenden tegen het atoomgevaar demonstreren (terwijl het tien jaar geleden nog nauwelijks mogelijk was om er ook maar duizend de straat voor op te krijgen) dan betekent dat feit misschien minder dan het schijnt te beloven. We moeten de ogen hier niet voor sluiten. Die mogelijkheid bestaat al sinds Hiroshima. Stel dat op 6 augustus 1945 de 400.000 inwoners van de stad niet hun dagelijkse bezigheden waren gevolgd, maar een indrukwekkende triomfantelijke protestmars hadden gehouden. Of ze hadden zelfs – moeilijk voor te stellen hoe – een of andere tegenactie geprobeerd. (Even afgezien van de onvoorspelbaarheid van de aanval) Wat hadden ze dan kunnen verhinderen? Wie hadden ze dan kunnen imponeren? De piloot? Generaal Tibbets? De Air Force? Wetenschappers en ingenieurs? De apparatuur op Los Alamos? Mr Truman? En over wie van hen hadden ze dan kunnen triomferen?
De droeve regel – een tweevoudige – waar we de ogen niet voor mogen sluiten luidt:

  1. Hoe groter de efficiëntie van de technische apparatuur des te geringer die van de massa.
  2. Hoe groter de efficiëntie van de technische apparatuur des te groter ook die van de enkelingen die naar hun eigen smaak [ XXXII ] solistisch ‘politieke beslissingen’ mogen nemen, die enorme apparatuur in gang zet, dwz: miljoenen mensen of de mensheid als geheel onder kunnen laten gaan. We leven niet alleen in de eeuw van monstrueuze massificatie – zoals van de daken geroepen wordt – maar eveneens in de eeuw van de monstrueuze solo-actie.(24)

Konkreet: de president van een staat – als opperbevelhebber – zou in zijn eentje hoog boven het wolkendek zwevend het beslissende teken ‘GAAN’ kunnen geven, dat dan meteen het jongste gericht zou voltrekken. En dat zou hij ook dan  kunnen doen, als wij de vier miljard wereldbewoners op dat moment geflankeerd en gevolgd door alle levende wezens van onze aardkloot als vastbesloten processie zouden demonstreren en eenparig ‘Weg met de atoomdood’, zouden brullen en blaffen en blaten. (25)

Anders gezegd : de grote  industrie is niet slechts catastrofaal omdat ze – dat weten we al sinds tijden – ons mensen tot dingen, en miljoenen van ons werkloos maakt; maar ook omdat ze verzet en tegenstand verstikken en enkelingen almachtig maken kan. Ik weet – en ik huiver daarbij – dat deze waarschuwing fatalistisch klinkt. Maar als ik hem achterwege liet zou het bedrog zijn. We moeten de waarheid weten. En al weten we die, dan moeten we toch handelen alsof we ze niet weten. Dat is onontkoombaar. De ‘processie’ moet gehouden worden. Misschien zal ze de daders toch afschrikken of zelfs oppakken. Misschien. Het geldt nog steeds: ‘Als wij al vertwijfeld zijn, wat hebben we daar mee te maken?!’ Aan het werk!

Post scriptum

Op Eerste Paasdag 1982 heb ik deze inleiding afgesloten, want ik kon helaas vanwege ouderdom niet deelnemen aan de paasmarsen die die dag gehouden worden. Zojuist – ik had mijn pen al neergelegd – hoor ik op de radio dat een bepaalde Duitse politicus die honderdduizenden vredesdemonstranten ‘infantiel’ heeft genoemd.

Misschien is het een teken van infantiliteit bij mij als ik vind dat zo’n uitspraak juist op een dag als vandaag bewijst dat de spreker ontgroeid (entwachsen) [ XXXIII ] is aan alle hartstocht voor het goede, en dus ‘volwassen’ in de meest treurige zin van het woord is geworden. Ik ben in elk geval mijn leven lang ‘infantiel’ gebleven, beter gezegd: ik heb mij programmatisch ‘infantiel’ gehouden.  Zo infantiel, dat ik sinds 6 augustus 1945 niet in staat geweest ben niet bang te zijn voor de wereld; zo infantiel dat ik sinds 1953 onophoudelijk heb gewaarschuwd voor het gevaar; zo infantiel dat ik het in 1958 mijn plicht vond Hiroshima te bezoeken; zo infantiel dat ik het in 1959 raadzaam achtte contact op te nemen met de Hiroshima piloot Eatherly, Ik ben sindsdien chronisch infantiel gebleven. Als infantiele tachtigjarige bied ik mijn vele vrienden, die al rijp genoeg zijn om zich bij de rijen der ‘infantielen’ aan te sluiten nu dit boek aan. En ik wens hun toe dat ze zich nooit die ‘infantiliteit’ uit hun hoofd laten praten door een ‘volwassene’ in de meest treurige betekenis, en dat ze zich voor die ‘infantiliteit’ nooit zullen schamen.

Anderen zouden zich moeten schamen.

((Cursivering meestal van GA. [ ] verwijzen naar paginanummer in het origineel. jab))

Aantekeningen.

  1. Zij werden soms door vooraanstaande politici als luidruchtige schoolknapen berispt. Het meest blamabel was wel die kanselier die schaamteloos genoeg was uitgerekend de auteur van de nazistische Jodenwetten, Globke, als Eminentie van de Kanselarij te gebruiken, maar een groep Nobelprijswinnaars, die een beroep op hem deden ivm het voortbestaan van de wereld, afblafte met: ze moesten zich ‘niet met politiek bemoeien maar met hun laboratoria’. De schande hiervan is inmiddels verdrongen, maar mag niet geheel vergeten worden.
  2. Een parallelle beweging in Oostenrijk , hebben Robert Jungk en ik opgericht. Natuurlijk veel bescheidener.
  3. Als jurylid van het Bertrand Russell-tribunaal over de Vietnamoorlog. Ook als schrijver van dat boek over het Amerikaanse oorlogsvacubulair “Visit Beautiful Vietnam’ Köln 1968.
  4. Zie daarvoor ook mijn ‘Die atomare Drohung’, München 1981 p 135 e.v.
  5. Inmiddels heb ik dat gebod natuurlijk overtreden. – Nooit was ik overigens in beter gezelschap: Bertrand Russel, Graham Greene en Sartre was het ook verboden de grond daar te ontwijden.
  6. Herdrukt o.a. in ‘Die atomare Drohung, p. 93 e. v.
  7. p X
  8. De reactie van Duitse bladen destijds op mijn Hiroshimadagboek bewees hoe gedesoriënteerd ze zijn geweest tijdens de ‘koude oorlog’ wat betreft hun stellingname t.o het probleem van de nucleaire dreiging. Terwijl ‘Die Welt’ in een kop beweerde mijn dagboek tegen een goederentrein met pamfletten opwoog. noemde de ‘Spiegel’ me spottend de ‘Atoompastor van dienst’, – Deze gedesoriënteerdheid schijnt nu – ik durf niet echt te zeggen ‘gelukkig’ – door de onbetwiste ernst van de situatie ‘overwonnen’.
  9. In feite heeft in mijn correspondentie met Claude Eatherly, noch in onze gesprekken de relatie met zijn ouders enige rol van betekenis gespeeld. Hij was in de Air Force een knappe glamour boy in uniform daarom zal zijn wat boerse moeder voor hem geen erotische rol gespeeld hebben. En hij hoefde vermoedelijk ook niet jaloers te zijn op zijn vader, want hij was toch zelf goed voorzien.
  10. Dat zijn vroege dood aan kanker iets te maken heeft met Hiroshima houd ik voor onserieuze stemmingmakerij.
  11. Dit morele basisinzicht sluit niet uit dat hij zich in veel kleinigheden moreel dubieus heeft opgesteld. Hij heeft soms zeker gepronkt met verzonnen prestaties, bv met ‘artikelen’ waar ik er nooit één van gelezen heb. Het is onzin om van hem een heilige te maken. Dat is hij beslist niet geweest: ik heb hem meegemaakt ‘chasing girls’ op de daktuin van het Hilton Hotel van Mexico City. Maar waar staat geschreven dat een ‘good looking Air Force Officer’ – als zodanig stond hij terecht – op grond van het feit dat hij toevallig verwikkeld was in het ‘geval Hiroshima’ nu ook in elke relatie een modelkind zou moeten zijn? In de hoofdzaak heeft hij niet versaagd, alleen hij niet.
  12. Forum werd officieel door de ‘Republican Party’ onthuld als orgaan van de CIA, samen met de tijdschriften ‘Preuves’, ‘Encounter’ en ‘Der Monat’.
  13. Hij was de schrijver van 4 door hem zelf als ‘War reports’ betitelde boeken: ‘The fight for Air Power’ , ‘Can do: the story of the Seabees’, ‘From Omaha to Okinawa’, ‘The case against the admirals’.
  14. Toen deze band ‘Piloot van Hiroshima’ in 1964 bij Putnam verscheen (deze titel is misleidend, en niet van mij) begon ik een uitvoerige weerlegging te dicteren, om eerst maar eens alle foutieve citaten (alle citaten uit mijn tekst waren gewijzigd) vast te leggen en te corrigeren. Daar ben ik na een maand mee gestopt. omdat ik belangrijker verplichtingen had  dan me bezig te houden met een Amerikaanse romanschrijver, die het niet waar wilde hebben dat het hier niet om een privé kwestie ging maar om een een zaak van wereldbelang en kenmerkend voor onze tijd. Iemand anders kan misschien mijn gedicteerde materiaal nog eens uitgeven.
  15. Waarom hij tenslotte ontslagen werd en de USA uit mocht en mij mocht ontmoeten en weer terug mocht vliegen – kort gezegd: waarom hij ineens vrij man was, dat kan hij niet verklaren; en ik kan dat net zo min. Voor de stelling dat hij zijn vrijlating te danken had aan de publicatie van de briefwisseling bestaat geen enkel bewijs. – Ik kreeg wel een zekere Dr. Thomson op mijn dak gestuurd (in Cuernavaca), zogenaamd ‘Claudes psychiater’ [ XXXV ] die tijdens het gesprek met mij totale onwetendheid in dit geval bewees; kortom ze had de opdracht uit te vinden, waarom (dwz in wiens dienst) ik en mijn vrouw Charlotte een zo buitengewone interesse aan de dag legden voor Eatherly. Die arme vrouw stelde zich, omdat er serieus met haar gesproken werd, wat haar blijkbaar nog niet vaak was overkomen, menselijk op, aanraakbaar zelfs vertrouwelijk; ze was niet erg gelukkig met deze opdracht. Omdat ik echter de spits voorzichtig omdraaide en nu haar vroeg met welk doel zij zo’n buitengewone belangstelling voor mij aan de dag legde, kon ze geen antwoord geven. Ze moest terug zonder buit die een honorarium rechtvaardigde.
  16. Het bewijst wel dat mijn stelling (die ik aanhang sinds het vroege essay over ‘Phantom und Matrize’) een aanvulling nodig heeft. (Antiquiertheit des Menschen I, p 99 e.v.) Daar had ik de klacht geuit dat wij tegenwoordig in plaats van uit de wereld slechts nog leerden uit ‘wereldbeelden.’ Blijkbaar geldt net zo zeer dat we veel van wat we nooit te zien kregen (godlof) wel uit beelden kunnen leren kennen. Zo heeft het grootste deel van de Amerikaanse bevolking de zuivere, door geen leuzen vervuilde werkelijke vuiligheid van de Vietnamoorlog alleen door de TV ervaren. En zonder deze optische ‘Invasie van Vietnam in de Amerikaanse huizen’ zou de oorlog vermoedelijk nog veel langer hebben geduurd. (Zie mijn ‘Visit beautiful Vietnam’, Keulen 1968 passim).
  17. Zie mijn ‘Die atomare Drohung’, München 1981 p 170 e.v.
  18. ‘Die Antiquiertheit des Menschen’, Band II p 20 e.v.
  19. Het is nooit bewezen dat bepaalde opmerkingen van de Russische legertop daarover een reële grond hadden.
  20. En deze tegen China geplande oorlog was op zijn beurt weer als een preventieve voor-oorlog gepland: namelijk als een oorlog die de weg moest effenen voor de eigenlijke oorlog, namelijk tegen de ‘aarts-schuldigen’, de verbreiders van het ‘wereldcommunisme’ en last not least de nucleaire concurrenten.
  21. Zie mijn ‘Die Antiquiertheit des Menschen’, Band 2 p 9 e.v.
  22. Dat gold , op onschuldige wijze, al in de vorige eeuw , toen het tempo waarin de mode wisselde het tempo van de geschiedenis scheen te dicteren. (wat tegenwoordig terloops ook nog het geval is)
  23. Daar is de neutronenbom (tot nu toe slechts onbenullig en sentimenteel als ‘inhumaan’ bestreden) mee in tegenspraak : want in principe laat die alle reeds bestaande producten intact; dwz ze saboteert de wens van de huidige industrie dat het geproduceerde vernietigd moet worden om een aanleiding te geven voor verdere productie.
  24. Ik hoop in Band III van ‘Die Antiquiertheit des Menschen uit te leggen dat deze twee fenomenen slechts twee zijden van éénzelfde medaille zijn.
  25. Zeer goed denkbaar dat de ontwikkeling van de techniek (die zelf een revolutionaire ontwikkeling, zo niet de revolutie van one eeuw is geweest) revoluties in de klassieke zin [ XXVI ] waarbij de massa als macht ondersteld is, onmogelijk gemaakt heeft. Dat betekent echter niet dat de revolutionair op het punt staat een komische figuur van eergisteren te worden. Die zal in een nieuwe versie weer opduiken -die ontwikkeling tekent zich bijvoorbeeld in Midden-Amerika al af.