De man op de brug

(door Günther Anders. (a) )

Dagboek uit Hiroshima en Nagasaki

1958

Op een van de bruggen in Hiroshima staat iemand; hij zingt slaat op de snaren. Kijk hem aan. Waar je zijn gezicht verwacht, zul je geen gezicht vinden maar een doek: want hij heeft geen gezicht meer. En waar je zijn hand verwacht zul je geen hand vinden, maar een stalen klauw: want hij heeft geen hand meer.

Zolang wij niet bereiken waarvoor we hier samengekomen zijn: het gevaar uit te bannen dat toen het voor het eerst losbarstte 200.000 mensen roofde, zo lang zal die robot op de brug staan en zingen. En zolang hij op die brug staan zal, zolang staat hij op alle bruggen die naar onze gezamenlijke toekomst zullen voeren. Als schandvlek. En als boodschapper.

Laten we die man van zijn ambt ontheffen. Doen wij wat er nodig is om hem te kunnen zeggen: “Je bent overbodig geworden. Je mag gaan.”

(Slot van toespraak van de schrijver op
het 4e Int. Congres tegen atoom- en waterstofbommen
Tokio, 20 augustus 1958)

Inleiding

Deze dagboekaantekeningen wasemen geen ‘Verre Oosten Aroma’ uit. Van exotische zaken en pittoreske reizen, tempels of No-spel, Zen Boeddhisme of Thee-ceremonies, pagodes of tuinkunst, lampions of Geisha’s, zelfs van vissers en rijstboeren, zal nauwelijks sprake zijn. Deze pagina’s gaan niet over het ‘Verre Oosten’, maar van een land zeer dichtbij: alleen van dat land dat door Hiroshima en Nagasaki getekend is: waarin het atoomtijdperk dus een reële ervaring is geworden. Ik zeg : ‘een zeer nabij Oosten’. Want de topprestatie van onze tijd bestaat daarin dat het het begrip ‘verte’ neen niet slechts het begrip, maar de verte zelf geannuleerd heeft. Wij zijn nu niet slechts tijdgenoten, maar ook ruimte-genoten. En wie zich, omdat hij ‘zich interesseert voor het exotische’ iets verbeeldt van zijn avantgardisme, die is al van gisteren omdat het begrip ‘exotisch’ al ouderwets is.  Als er nu überhaupt nog iets exotisch bestaat, dan is dat alleen de tijd die voor ons was: de niet meer bereikbare kust van de pre-nucleaire tijd, die is echt exotisch geworden. Maar zij: ieder individu en elk land, leven als ruimte- en tijdgenoten in uiterst moorddadige nabuurschap (b) van elk ander individu en van elk ander land; en elke dag van morgen leeft in de uiterst moorddadige nabuurschap van telkens weer een dag van heden.

Er is natuurlijk niemand, die dat niet wist. Maar omdat de meesten het ‘alleen maar weten’; en omdat de minsten door hebben, dat ze het ‘alleen maar weten’, en omdat ‘alleen maar weten’ vandaag niet meer voldoende is; en omdat juist zij in wier handen de burenproblemen van tegenwoordig gelegd zijn, daar het minst van weten, kun je deze feiten niet vaak genoeg uitspreken. Al voor een half jaar was het vermoedelijk nuttig geweest, als bepaalde burgerministers of ook de minister van defensie de gelegenheid gehad zouden hebben, om deze reis te maken in mijn plaats, en in mijn plaats met de slachtoffers van Hiroshima te spreken. Als u, mijne heren, op zijn minst indirect door middel van deze aantekeningen een paar uur met deze mensen [ 4 ] zou doorbrengen, zou dat misschien een kleine compensatie zijn voor dat verzuim. Geloof me, u hoeft er niet de minste vrees voor te hebben. U bent immers ongelooflijk moedig. Niet alleen moedig voor uzelf – dat is vergeleken met wat tegenwoordig vereist is, natuurlijk een achterhaalde deugd – maar ook en zelfs vooral voor miljoenen van uw medemensen, ja zelfs voor al hun en onze nakomelingen – anders gezegd: U bent niet bang voor de gevaren van het atoomtijdperk. Omdat U echter iets wat zo helemaal niet te overzien is, niet vreest zou het een belachelijke brutaliteit zijn aan te nemen dat een paar kantjes bedrukt papier, U zouden kunnen beangstigen. Op die kantjes doet iemand een poging het door U niet gevreesde gevaar in gevaar te brengen en de door u niet gewantrouwde moed te ondermijnen. Schrijver van deze regels (die U gerust een ‘ondermijner’ mag noemen, omdat hij uw fantasieloosheid echt zou willen ondermijnen) zou voor niets dankbaarder zijn dan dat U de ervaringen die hij meebracht uit Japan een rustige avond zou willen wijden.
Met andere woorden: deze pagina’s zijn niet voor hen die toch al vermoeden waar het tegenwoordig om draait, en die toch al de moed opbrengen voor de angst die nu geboden is. Maar vooral voor hen die uit angst voor deze moed, hun angst voor moed uitgeven. 

In Japan kreeg ik twee kansen geboden. Ten eerste: zien hoe de ‘post-atomaire mens’ leeft; en ten tweede had ik de kans om met een paar van mijn nieuwe buren het wereldhistorisch gezien nieuwe nabuurschap te doordenken; of ook de principes en maatregelen te overwegen waarmee deze nieuwe moorddadige nabuurschap naar een vreedzame geleid kan worden. Daarover hier een paar woorden.
De tijdgenoten die ik (namelijk op het ‘Vierde wereld Congres tegen atoom- en waterstofbommen en voor ontwapening’ in Tokio) als mijn nieuwe ruimtegenoten, dus als mijn nieuwe ‘buren’ leerde kennen die waren zich, uit welk continent of welk land ze ook kwamen, van die taak bewust, vrijwel zonder uitzondering. Dat was een grote bemoediging.
Of wij, de mensen van vandaag en die van morgen überhaupt in staat zullen zijn om door te gaan, is onzeker. Want we zijn al zo ver [ 5 ] dat niet ons verdwijnen een wonder zou zijn, maar ons voortbestaan. Een miraculum perpetuum, dat iedere dag opnieuw moet gebeuren; dat wij iedere dag opnieuw moeten uitdagen. Als er een mensheid bestaat die voort bestaat, die zich bewust is van de opgaven die met dat voortbestaan elke dag opnieuw gemoeid zijn, dan was onze groep in Tokio een micro model van die mensheid van morgen. Want wij zagen de tegenstander niet in in dit of dat volk, niet in dit of dat regeringssysteem, niet in deze of die politieke filosofie, maar in de bedreiging waarin de technische ontwikkeling ons gebracht had. Ons allemaal. En we zagen de tegenstander in het feit dat geen van ons psychologisch opgewassen is tegen deze ontwikkeling. Dat wil zeggen: geen van ons is in staat ze qua voorstellingsvermogen, emotie of ethiek te hanteren.
Dat tweede gevaar, dus het feit dat we ons tegenover onze eigen producten en hun effecten net zo argeloos en ademloos verhouden alsof het spullen zijn, die bewoners van vreemde planeten ons ongevraagd thuis bezorgen, dat is wel het grootste gevaar van de twee.
Van die zorgen waren we vervuld. De schuldvraag lieten we zo goed als onvermeld. In Tokio was zorg zo acuut en levendig, dat het tijdverspilling was (dus niet maar onverstandig, maar zelfs niet te excuseren) de schuldvraag als de hoofdvraag te zien.

U zult vragen of we een bijeenkomst waren van kernfysici of van politici. Antwoord: Neen, dat waren we niet, hoewel beide categorieën er voorkwamen; daarnaast waren de meest verschillende beroepen vertegenwoordigd: vakbondsfunctionarissen, artsen, sociologen, geestelijken (van verschillende religies) studenten. – En u zult verder vragen, op grond waarvan we ons dan als ‘deskundigen’ beschouwden, met het recht om over dit probleem te spreken, terwijl ‘de zaak toch fysici en politici aangaat’. Waarop het antwoord eenvoudig luidt: verkeerde vraag. Het overleven van de mensheid is in het geding, dat is geen uitspraak van professionele angstzaaiers, maar een door verantwoordelijke natuurwetenschappers gedane publieke mededeling. [ 6 ] Dat is dan geen zaak die men aan specialisten mag over laten. Wie dat wil geeft daarmee te kennen dat hij de zaak niet snapt, namelijk dat hij de Apocalyps niet door heeft. ‘Competent’ en ‘deskundig’ waren wij in zoverre we wisten waarom het gaat: namelijk om zijn of niet zijn; en redding is alleen mogelijk door een informatie veldtocht die voor niemand halt houdt. En we moeten een front vormen dat alle grenzen en gordijnen miskent. Een front tegen hen die doen alsof het gaat om zaken van industriële of tactische aard en op de conventionele toer door willen gaan met het maken en opslaan van atoomwapens, met atoomproeven en testvluchten, met installatie van raketbases en het trainen van experts.

Als je nu verstandig wil spreken over de nucleaire situatie, en daarin verstandig wilt opereren, dan moet je een ‘Copernicaanse omwenteling’ realiseren; dan moet je je een volledig nieuw axioma eigen maken. Dat axioma, is door de meeste tijdgenoten, niet opgepakt, ook niet door de staatslieden van nu laat staan dat ze het innerlijk verwerkt hebben. Het luidt:
Het is verkeerd om te geloven dat er binnen de huidige situatie van de wereld onder andere ook zogenaamde ‘atoomwapens’ bestaan; dat  dat middelen zouden zijn die je voor dit of dat politiek doel zou kunnen gebruiken, strategisch of tactisch. Omgekeerd geldt: onze wereld wordt door de ‘atoomwapens’ geconfronteerd met ‘to be or not to be’ en daarmee is de situatie van onze wereld door nucleaire feiten gedefinieerd. Kortom: politiek vindt plaats binnen het raam van de nucleaire situatie.
Zoals gezegd, dat basisinzicht is nog geen algemeen bezit van onze tijd. En ook in de Tokio kring waren er die de ‘copernicaanse omwenteling’ nog niet, tenminste niet volledig voltrokken hadden. Daar had je twee typen:
Ten eerste vertegenwoordigers (of slachtoffers) van die grote landen wier tactiek daarin bestaat het probleem als puur tactisch voor te stellen, en wier principe is de atomaire dreiging tegelijk te gebruiken en af te zwakken. Dat type is ons zo vertrouwd dat het niet uitvoerig geschetst hoeft te worden. [ 7 ]
Ten tweede hoort daar ook een handvol vertegenwoordigers bij van volken die nog nooit genoten hebben van echte soevereiniteit, maar nu vanwege de atomaire situatie gedwongen worden die soevereiniteit te herzien en te beperken. Dat was hun dernier cri en dat blijkt nu een al verouderd doel te zijn. Het is begrijpelijk dat dit doel de achtergrond is waartegen zij alle andere problemen, soms dus ook de atoom problemen zien. Zij leven ook, net als wij bedreigde of te bedreigen mensen in het atoomtijdperk. Maar nog niet alleen in dat tijdperk, maar bovendien nog in een voor-nucleair tijdperk: zij zien het heden in zekere zin sub specie van een eergisteren, dat voor hen nog een overmorgen betekent.
Als ik hier al (1) te spreken kom over dat thema van ongelijktijdigheid die tegenspraak kan oproepen, dan is dat omdat het helemaal niet alleen bij volkeren met donkere huidskleur te vinden is. Ook van ons mag je niet beweren dat we uitsluitend in ‘het atoomtijdperk’ leven. In tegendeel. –
Maar laten we terugkeren naar onze groep op het Congres. U zult zeggen: ‘Vermoedelijk liepen er in die groep ook ‘duistere figuren’ rond, zoals op andere bijeenkomsten die zich met vitale problemen bezig houden die impact hebben op de politiek.’ – Onwaarschijnlijk, maar niet onmogelijk. Maar zelfs als dat het geval zou zijn, zouden die mensen, zonder iets naar huis zijn gegaan omdat alles wat daar maar besproken of beslist werd voor publicatie was bedoeld. Geheimen doorspelen aan hun opdrachtgevers in Oost of West zou in elk geval onmogelijk zijn geweest.
Maar, zoals gezegd, de aanwezigheid van dergelijke duistergasten is puur hypothetisch. In werkelijkheid heerste er volop vertrouwen wederzijds, en er was zo’n overtuigende solidariteit dat je daar gelukkig van kon worden, ware het niet dat datgene wat zo vol vertrouwen en solidariteit besproken werd, zo angstaanjagend was.
Er zijn heus situaties waarin alle wantrouwen vervalt; situaties waarin huichelaars niet meer verder huichelen kunnen, noch van officiële adviezen voorziene agenten door kunnen blijven gaan met hun uitsluitend tactische doelstellingen [ 8 ] kortom: situaties waarin zij, of ze het nu willen of niet, weer mensen worden. Zo’n situatie was bijvoorbeeld in Hiroshima , waar we overlevenden ontmoetten die fluisterend (als was slachtoffer zijn iets om je voor te schamen) vertelden van hun ‘belevenissen’. Mogelijk dat er tot dan nog barrières waren tussen de delegaties die elkaar niet kenden. Maar die vielen daar weg. Als iemand ons na deze avond onder de roos meegedeeld had dat er bij afgevaardigde X of Y geen sprake kon zijn van echte interesse, omdat hij alleen deelnam om voor zichzelf of zijn opdrachtgevers iets te bereiken- dan zouden we voor zo’n mededeling onze schouders slechts opgehaald hebben. Gesteld al (wat nog maar de vraag is) dat X of Y uitsluitend om tactische redenen of propagandistische motieven gekomen was – het zou waanzinnig zijn om te beweren dat deze mannen toen ze verbleekten bij de verhalen van de slachtoffers uit tactische of propagandistische gronden verbleekten.
En het zou ons evenzeer onzinnig voorkomen als iemand ons het geliefde sprookje dat de chauvinisten aller landen steeds weer opwarmen, had opgedist van de totale verscheidenheid van gevoelen bij de verschillende rassen. Het zij verre dat ik wezens verschillen  die voortvloeien uit afkomst zou loochenen. Maar wie deze omsmeedt tot beslissende wezens verschillen; wie ze gebruikt om te beweren dat gelijkgestemdheid ‘over de hele breedte’ uitgesloten is, die spreekt uit onkunde dan wel met valse bedoeling. Je weet pas hoe massief het gemeenschappelijk menszijn is, als je eens verkeerd hebt in een kring die samengesteld is uit vertegenwoordigers van alle volken der aarde. En die gemeenschappelijkheid bestaat niet maar uit een dunne algemene noemer, zoals men zo graag zegt, in de algemeenheid van ratio of vernuft, maar juist in een ‘algemeenheid van het hart’. Ja, het omgekeerde kwam soms wel voor: dat terwijl we allemaal gedragen werden door een en dezelfde golf van gevoel, als laatste verschil overbleef de rationaliteit, namelijk verschil in denkstijlen.
Zoals gezegd, ik heb hierbij vooral die avond op het oog dat de overlevenden van Hiroshima probeerden ons de seconde waarin ‘het’ gebeurd was en de minuten [ 9 ] die op de eerste seconde volgden te schilderen. De Europese zakenman, die zich een ogenblik in de tuin van het hotel waarin we bij elkaar zaten vergiste, en die ons allemaal: wit, zwart, geel en bruin in dezelfde houding aantrof namelijk met het gezicht naar de grond, moet in dit uniforme gedrag een soort ritueel gezien hebben, of ervan overtuigd geweest zijn dat we een of ander gezamenlijk experiment uitvoerden. Ik hoef niet te zeggen dat de identiteit van het gedrag niets anders was dan het onmiddellijke gevolg van identiteit van het gevoel.
U zult vragen waarin dat bij ons allen gelijke gevoel heeft bestaan. Het antwoord daarop – en dat is in latere gesprekken en uit andere monden steeds weer gegeven – : het heeft daarin bestaan dat wij ons voor elkaar schaamden namelijk dat we ons schaamden mensen te zijn. (2)
Dat kan vreemd klinken, zelfs hoogmoedig, misschien zelfs wel als een verbijsterende de-solidarisering. Kan. We hadden geen tijd om daarover na te denken. De eerste reactie was in elk geval een weigering: de weigering om iemand die een van ons zoiets had kunnen aandoen te erkennen als een van ons.
Versta dat niet verkeerd. Het beslissende element is niet de de-solidarisering die in dit schaamtegevoel zit, maar omgekeerd de gezamenlijkheid van deze de-solidarisering, dus de nieuwe solidariteit, die op dat moment werkelijk werd. En daarom is ontzetting over deze schaamte  (die ik na terugkeer vaak beleefd heb) onterecht. Wat mij betreft, ik heb in elk geval nooit sterker en pijnlijker ervaren wat ‘mensheid’ is, als in die uren van ‘desolidarisering’. Als je naasten, maakt niet uit of het Afrikanen, Amerikanen, Duitsers, Russen, Birmezen of Japanners zijn, om dezelfde reden verstommen als jij dan is daarmee de mensheid in ons niet beledigd, maar geheeld. Misschien wel voor het eerst tot stand gebracht.
Daarom draag ik de nu volgende pagina’s op aan hen die zich voor mij geschaamd hebben mensen te zijn, zoals ik mij voor hen geschaamd heb een mens te zijn.

Tenslotte twee opmerkingen bij de tekst: 

  1. Over wat de lezer hier niet mag verwachten. [ 10 ] Geen statistische gegevens. Informatie over de verwoestingsgraad, aantal slachtoffers, of over mensen die pas later ziek bleven te zijn van straling of daaraan gestorven; dat moet elders gezocht worden. En dat is ook mogelijk tegenwoordig. Evenmin vindt de lezer hier verslag van het ‘wereldcongres’. De verslagen en besluiten daarvan zijn eveneens publiekelijk beschikbaar. Zoiets zou ik ook beslist niet kunnen leveren omdat ik slechts aan één speciale commissie meegewerkt heb, nl. die over ‘morele verplichtingen in het atoomtijdperk’. 
  2. Over de bewerking van de oorspronkelijke dagboektekst. Die was schetsmatig, vol herhalingen en indiscreet met opmerkingen over personen. De schetsen heb ik uitgewerkt, de herhalingen geschrapt, de namen, plaatsen of data, daar waar het om de discretie nodig was onkenbaar gemaakt. Bovendien heb ik argumenten (in toespraken of gesprekken) die vaag bleven, toegespitst; en discussies die zich uitstrekten over meer dan één vergadering samengevoegd en hun tempo opgevoerd. Maar ook al is bijna geen regel onveranderd gebleven, toch meen ik geen afbreuk gedaan te hebben aan de waarheid.

[ 11 ]

24 juni. Tijdstip onbekend, want eeuwig dag.
6000 m boven de poolcirkel.

Je weet het wel, maar nu zie je het echt: namelijk dat de aarde een bol is. Dat is een historisch moment.
Want: als het je al niet dagelijks duidelijk was geweest: tussen weten en waarnemen, tussen het wereldbeeld van het verstand en dat van de zintuigen, tussen de aarde van Newton en die van alle dag,  zijn alle bruggen opgebroken. Twee werelden hebben er bestaan. – blik omlaag! Jouw oog, nu bijna goddelijk, ziet de aarde als globe en als landschap. De kloof is dicht.

Boven Groenland

Echt? Bergachtige horizon. Hoe hoog mag dat wel zijn? Hoe ver weg? Hoe is dat te beoordelen, nu er niks is om mee te vergelijken? Geen wonder dat de dikke man aan het raam het opgegeven heeft om naar beneden te kijken, en dat de twee Françaises voorin hoewel 6000 meter boven de poolcirkel zwevend tot menselijke proporties zijn teruggekeerd en slapen of in tijdschriften bladeren, of kaarten. Uren lang en zelfs met heel helder zicht – want het is glashelder buiten en alles is messcherp gearticuleerd – niet te kunnen onderscheiden of dat waar je overheen vliegt heuvels zijn of bergmassieven, plassen of meren zo groot als provincies, eilanden of continenten, is echt irritant. Zien we hoe groot de maan is?  Nu is het met de aarde hetzelfde. Belachelijk om te menen dat ‘vervreemding’ een truc is uit de literatuur of de kunst. Het is een methode van de moderne techniek, op zijn minst het gevolg ervan. En wie probeert van de maan aarde te maken, voor die ‘vermaand’ de aarde zich.

Nog steeds boven Groenland

Ginds achter links (in het Zuiden – maar wat is niet Zuid?) begint iets wat eruitziet als een haardunne wortelvezel. Of als een zwarte barst in het oneindige sneeuwdek. Wel een rivier, die zich vermoedelijk over honderden kilometers ons tegemoet meandert. En plotseling, wel in een of andere bocht zijn eind vindt. En dit: bron, verloop en monding [ 12 ] zie je in een blik; ingetekend in een enkele landkaart; neen slechts in een stukje van de landkaart, slechts in een piepkleine uitsnede van de omgeving die je beheerst. (beherrschst?) En daarvoor hoef je je hoofd niet te bewegen. – Landschap? Nauwelijks. Hoe ver weg zijn de ‘landschappen’! Hoe lang geleden waren ‘landschappen’! Want wat de Hobbema’s en de Ruisdaals, de Rousseaus en Monets ons gisteren voorgeschoteld hebben: land, en berg en meer hemel en weer en jaargetijde- allemaal uit onze perspectieven, als onze omgeving, als het door ons bebouwde, door ons  bewerkte, als het ons overweldigende – dat geldt niet meer. Nederzettingen bestaan niet. Jaargetijden zijn er niet. Wat zogenaamd overweldigt is overweldigd – door ons. Hobbema of Monet – de motor heeft hen allemaal overwonnen; terwijl een paar andere schilders, wier grootheid we onderschat hadden ( bv Altdorfer van de ‘Alexanderstrijd’ die gebergtes schilderde alsof hij ze hier bovenaf had gezien) plotseling profeten werden. Waarachtig, hij had ‘van tevoren-gezien. Want hij had aardschap geschilderd, geen ‘landschap’. En van ‘aardschap’ moet men hier ook spreken.

Boven Ellesmere Island,
punt dichtst bij de pool.

Ja, van ‘aardschap’. Want dit is de aarde zonder ons. Sinds vele uren – en ik heb geen moment het zoeken onderbroken – heb ik een spoor kunnen ontdekken dat me kon verraden of bevestigen dat wij (er) zijn. Het is onwaar. Wij zijn niet te vinden en onzichtbaar. Neen, niet geworden, we hebben ons onvindbaar en onzichtbaar gemaakt. Dat is onze prestatie dus. De Noordzee was de Noordzee geweest. Groenland Groenland en niets anders. En wat nu onder ons voorbij trekt – zoals gezegd: of het nu heuvels zijn of verijsde Alpen dat valt niet te onderscheiden – zegt in elk geval niets van ons en is er alleen maar als zijnde; en dat in de massiefste en verschrikkelijkste betekenis:namelijk zodat je er vanaf leest hoe weinig noodzakelijk het is te weten dat het is. En pas over zes, zeven uur, zegt men, zullen we als we de alpen van Alaska overvliegen (die zullen waarschijnlijk gloeien en dat gloeien prijst men ons aan als een speciale attractie van Air France voor haar passagiers) zullen we weer in de buurt komen van menselijke nederzettingen. – Maar zelfs indien. Zelfs indien er hier en daar punten waren opgedoken of nog zullen opduiken, punten waarvan we zouden weten dat ze ons mensen toebehoren [ 13 ] : zouden ze ook niet niets zijn – nietig zouden ze zijn, verloren in deze wijdheid en gezien vanaf deze hoogte, zeker. Daarmee ook – en dat is een beslissende beleving – vernietigbaar. Want op deze hoogte word je onnadenkend, vanaf deze hoogte voer je vernietigingen uit, als waren vernietigingen niets; dat begrijp je ineens. Ik zou ook wel geen remmingen hebben.

Ijszee

Er is een extreme fantasieloosheid, die zich voordoet als een waarnemingsdefect. Passagiers die niet naar beneden in het reusachtige Noordpool niets kijken, in de overtuiging dat daar toch niets (met kleine letters) te zien valt, maar in plaats daarvan kaarten, missen de capaciteit zich het waarneembare voor te stellen. En dat defect blijft zelfs actief (want van tijd tot tijd worden ze uit verveling toch verleid wel naar beneden te kijken) tijdens het waarnemen zelf. Ze zijn dus te fantasieloos om te zien wat ze zien.

Ijszee en Parry Islands

Kompassen zijn hier in de nabijheid van de magnetische Noordpool natuurlijk verouderde apparaten. Dus zegt men tegen elkaar wel als navigatie-troost : eigenlijk is de eenzaamheid waar we door vliegen helemaal geen echte eenzaamheid. Want waar we ook vlogen, nooit waren we meer dan twee uur vliegen verwijderd van die installaties die de Verenigde Staten en Canada om de hele pool hebben aangelegd; eigenlijk bleven we dus onophoudelijk in zeer dichte nabijheid en in lijfelijk contact. Nu weet ik wat nabuurschap is. Nu weet ik wat in lijfelijk contact is. ‘Twee uur vliegen’ zijn in feite niet meer dan een slordige zes honderd mijl, dus afstand Wenen-Frankfurt. Als je je ziek voelt in Wenen, geen nood! Je hoeft maar aan te kloppen en de goede buur in Frankfurt zal ontwaken en door de deur roepen wat hij voor je kan doen. Helemaal warm om het hart kan het je worden als je bedenkt met welk doel die buur asiels zijn opgericht: het zijn de behaaglijk verwarmde op de poolcirkel aangelegde bases voor atoombommenwerpers. Tranen van dankbaarheid wellen je heet in de ogen op. [ 14 ]

Boven de Beaufortzee.
Niets dan ijs

En toch: we zijn. Het vodje waarop ik hier schrijf (neen geen sprake van een ‘vodje’ in tegendeel: op zulk weelderig materiaal heb ik nog nooit geschreven: het lijkt wel tapijt!) is de menukaart van Air France die me (als ware ik gewend dagelijks vlakbij de Place Venôme te eten) in de meest elegante lettertypes meldt: 

Buche de jambon Lucullus
Tournedos dauté Helder
Salade Béatrice
Fruits de saison.

Waar ‘Salade Béatrice’ is, kan Toscane niet ver weg zijn; en de ‘fruits de saison’ troeven meteen de ijzige kou daar beneden af. ‘Welke vruchten’ zou ik willen vragen met een blik op de diepte daar beneden, en ‘Welk seizoen’? Maar eer ik kon vragen is me de luxus al benoemd, en wel in de vorm van aardbeien, die hoewel heel droog, zo sprookjesachtig geuren, dat naast deze zachte perfectie de woestenij beneden gewoon een waan lijkt. Ja, luxe heeft hier een geheel andere functie. Want die dient niet om het zijn te verzoeten, maar om het te bewijzen. Deze aardbeien zeggen: ‘Wij verwennen je, dus ben je.’ En hier is in elk geval dat zijnsbewijs ook nodig, want achter het vensterglas, dus een halve centimeter van me verwijderd begint de archaïsche wereld: de tijdloze wereld. De wereld voordat het leven werd geschapen, de wereld voor wij werden geschapen, de wereld die nog nooit van ons heeft gehoord, de wereld van eergisteren – dan zijn de ‘fruits de saison’ die men ons serveert en waarmee men ons in het centrum plaatst van de verzorging, het enige middel om ons terug te roepen.

Nog steeds Beaufortzee

De wereld van gisteren? Is het echt de wereld van gisteren, die daar beneden ons ligt? Zou het niet die van morgen zijn misschien? – Geen moment vergeten dat ze dat van het ene op het andere ogenblik kan worden, dat ze in de volgende seconde er al bij kan liggen, zoals ze er altijd heeft gelegen zonder te vermoeden of aan iemand te verraden dat ooit wij er ook waren geweest als ontologisch tussendoortje. [ 15 ] Daartoe heb ik ‘het onze’ immers ‘verlaten’. ‘Daarom’ betekent echter: ‘zodat het niet gebeurt’. 

Voor ons, diep beneden, Brooks Range.
Dus de Amerikaanse Alpen

Zojuist verscheen er aan de hemel (overigens in de hemel diep beneden ons- want dat is er tegenwoordig ook ) en maar voor een paar seconden (maar het was adembenemend, zoals een schip een ander schip op hoge zee tegenkomt) een nietigheid, een stipje, iets wat niet te herkennen viel als menselijk product, maar iets natuurlijks kan het ook niet geweest zijn – kortom: we hebben zojuist een ander vliegtuig gespot. En omdat dat vliegtuig zich in een andere richting voortbewoog, die nergens heen leidt (of slechts ergens heen voeren zou als er vreedzame polaire betrekkingen zouden bestaan tussen de USA en de USSR); en omdat het in noordelijke richting verdween (of was dat wel zuid?) kan het alleen een van hen uit de ‘buurtasielen’ zijn, dat hier in de buurt met op scherp gestelde atoomlading rond zwerft, constant paraat om , zoals men ter geruststelling erbij zegt ‘in geval van nood’ de halve route al afgelegd te hebben. ‘Testvlucht’ noemt men het.  Wat een uitdrukking! Alsof er iets zou zijn dat meer geschikt zou zijn een ‘geval van nood’ op te roepen, neen iets wat een ernstiger noodtoestand zou zijn dan dit zogenaamde voorkomen van zo’n noodgeval. – Stel jij bent piloot en jij zou elke dag met deze apocalyptische lading moeten oefenen – ben jij er dan zo zeker van dat je op een dag niet door zult vliegen om die af te leveren op de eigenlijke bestemming? Ja, dat zou je misschien doen. Waarschijnlijk zelfs. En waarachtig niet om een heldhaftige droom in vervulling te doen gaan. Maar eenvoudigweg omdat je een mens bent, niet ‘foolproof'(?? jab); omdat je zenuwen prikkelen; omdat je overvraagd bent als je eeuwig maar ‘alsof’ moet doen; omdat het oneerlijk is om hem die dagelijks moet oefenen nooit de gelegenheid te gunnen de proef op de som te leveren; omdat je er ‘recht’ op hebt. – Met welke variant van menselijk leven denken ze eigenlijk van doen te hebben, zij die ons op dergelijke vluchten sturen? En wat voor mensen zijn die opdrachtgevers zelf? Kan er ook maar de geringste twijfel bestaan dat mensen die medemensen als ‘foolproof’ inzetten [ 16 ] zelf ‘fools’ /gekken moeten zijn? Nooit vergeten dat ons lot in handen van dergelijke zotten ligt!

Boven Alaska. Prachtige alpine omgeving.
Daartussen een diep rivierdal

Ik moet naar beneden kijken. Want we vliegen nu op 8000 meter, op Everesthoogte; de McKinley berg ligt rechts diep onder ons, 2000 meter hoger dan de Mont Blanc. Het gloeien van de alpen is niet ten onrechte aangekondigd; het gloeien van de alpen onder je zien is bepaald niet alledaags. Maar de kijklust is weg. De boze noch de droeve heeft een oog voor schoonheid. En ik ben nog steeds boos en bedroefd, daar ik nog steeds bij dat punt ben dat even geleden ons pad kruiste, bij dat vliegtuig dat die gekken erop uit stuurden. En omdat ik in de geest nog verder noordwaarts vlieg (of juist omdat ik niet omdraai, zuidwaarts) om de lading die ik te vaak geoefend heb om nog te blijven oefenen, eindelijk af te kunnen gooien. En dan gebeurt het dus, het. En dan is het dus gebeurd. En ik ben het dus die het gedaan heeft, ik, die begonnen was… maar wat betekent ‘beginnen’? Want er bestaat geen twijfel over dat dat begin het signaal is, het signaal voor het einde; en dat over een  half uur alles wat onder ons ligt één groot Hiroshima is, een aarde die geen enkel spoor toont dat wij er ooit waren.
Blik naar beneden: deze planeet zonder mensen beneden je -is dat al niet de aarde na die dag?
Ach, dat ze het toch begrepen, die daar beneden ergens leven. Maar zelfs die zeven of acht die dat punt diep onder zich ook gezien hebben en die met mij wegvliegen over wat onze aarde eens is geweest, – zelfs die, de kleinkinderen van Daedalus en Icarus – die weten het niet. Want de een nipt aan zijn cointreau, de anderen slapen of bladeren in een tijdschrift of kaarten.

’s Middags, na 15 uur vliegen
boven de wolkenzee van de Stille Oceaan.

De wolkenzee breekt open, het licht indigoblauw op tussen de wattenbolletjes. Na 32 uur dus nog steeds zee. [ 17 ] Maar nu waaien de watten weg, en kijk, in de vliegrichting – we zijn er! we zijn bij mensen! – daar begint een schaakbord! En als een lopende band gaat het aan de haal; de schaakvelden worden echte velden, groene en gele; en naar rechts glinstert het, blinkende klaterende waterplassen; zullen wel rijstvelden onder water zijn. En dat groeit ons tegemoet, het groen tekent zich af en daartussen – ja, we zijn er! – daartussen ligt een dorp, verder ligt er weer een en nu kun je al honderd daken onderscheiden. ‘Verre Oosten’ fluister ik tegen mezelf. Maar met dat woord kan ik niets beginnen. Wat is nou ‘verre Oosten’? Dat archaïsche ligt achter ons. Het apocalyptische ligt achter ons. (?? jab) De aarde pakt ons weer. We zijn thuis.

Tokio, 22 juni

Aankomst gisteren: een paar keer een slinger boven de baai, vliegveld beneden ons direct aan het waterfront, grenzeloze stad. Als het vliegtuig scheef hangt is de horizon ver boven ooghoogte, geen streepje hemel er meer boven: stad als een stadskaart opgehangen voor me. Landing. Eruit. Beter: erin: want je komt een dampende wasserij binnen. Lopen naar het luchthavengebouw: terugvallen op de meest archaïsche manier van voortbewegen. Op het station allerhartelijkst ontvangen zonder ceremonieel door zes leden van het ‘voorbereidingscomité’; professoren, secretarissen, waaronder een die perfect Duits spreekt. Uitleg over het ‘grote station’. Ik ben de tweede die aankomt. Eerder was er al een Sudanees aangekomen. Eindeloze autorit, typische voorsteden, karakterloos als overal; aura van werk en afval; werkplaatsen, magazijnen, fabrieken, autokerkhoven. Het zou een door oostaziaten veroverde voorstad van Chicago kunnen zijn dat met Japanners was bevolkt en met Japans beschreven borden; een paar (vooral voor auto’s bedoelde) borden in het Engels hebben ze per abuis laten hangen. De stad net zo gezichtsloos. ‘Alles lag hier in puin’ , verklaart professor O. Mij dunkt dat de stad nog ‘in puin’ ligt. Of weer. Destijds was de Japanse stad verwoest, nu door de nieuwbouw de Japanse stad. Stoppen bij reuzen hotel. ‘Western style’. (‘Western’, een stijl die je slechts in het Oosten vindt, zoals ‘Europees’ of ‘continentaal’ een stijl is die je slechts in Amerika vindt.) ‘Westers’ vat alles wat niet Japans is, maar Amerikaans of Europees, van bed via schnitzel tot Coca Cola samen. [ 18 ] De hal van het hotel is ijzig, maar gevuld met bronstige Tosca muziek, die me achtervolgt tot op mijn kamer op de 8e etage. Slaap. ’s Avonds nieuwsgierig eropuit. Ik geraak in een wijk van allerlei gangetjes, lucht als gesmolten boter (?? jab), Vieux Quartier-achtig. Maar zelfs de duisterste figuren als door een ringetje te halen. Overal ligt de maaginhoud van de zee uitgestald: fantastische vissen (und Tangarten?? jab). Voor de Japanner is de wereld niet alleen zichtbaar, maar blijkbaar ook eetbaar. Gekleurde, gladde, bittere, medicinale geuren. Steegjes. Bordelen. Verleidingspogingen lang niet zo terroristisch als in Europa. Na tien minuten is de Japanse menigte niet meer zo verbazingwekkend. ‘Mensen zien er als Japanners uit’ , worden tot ‘fysiognomisch nulpunt’. Men staart mij aan, niet boos maar verrast; ik ben inderdaad de enige niet-Japanner. Om half twaalf totaal verdwaald; vermoedelijk tig keer in een rondje gelopen. In het Engels iets vragen is zinloos. Sta uiteindelijk bij het station (Shimbashi Station, weet ik nu). Vandaar kan ik de lichtreclame op het hotel zien. Blij terug te keren. In de entree omspeeld door Rusticana. In slaap gezongen door stemmen vol Siciliaanse bloedwraak.

Tokio, juni

Vergadering (de hoeveelste?) van het ‘Comité van voorbereiding’. Verheugend groot aantal academici. Niet per se alleen maar fysici of medici, maar om je te schamen en  benijdenswaard, ook vertegenwoordigers van rechts- en sociale wetenschappen. Ach, waar zitten die bij ons?
Eerste gelegenheid om mijn project ‘de moraalcode in het atoomtijdperk’ althans in te dienen. Voorstel: de afgevaardigden zouden zo’n code samen moeten uitwerken en zich op de geboden en verboden ervan vastleggen. De vaststelling van de tekst van de code zou aangekondigd moeten worden als één van de officiële opdrachten van het Congres. Daarom moet er een derde commissie aan de bestaande twee worden toegevoegd, die zich hiermee bezig houdt.
Men vraagt om onderbouwing.
Onderbouwing: ‘Omdat we nu in een geheel nieuwe, onvoorziene wereld met onafzienbare gevolgen leven; in een wereld waar afstanden afgeschaft zijn, daarentegen de mogelijkheid van een Apocalyps van eigen makelij dreigt, vereist dat regels die nog nooit te voren werden geformuleerd, die niet hoefden te worden geformuleerd ook, en niet konden worden geformuleerd. [ 19 ] Deze regels die de mensen van nu nog niet in hun moraalpakket hebben, vragen om formulering’.
Men vraagt om voorbeelden.

  1. ‘Omdat het effect van de ‘wapens’, dus van de zogenaamde ‘middelen’ ieder mogelijk doel zou vernietigen, is  er geen doel dat je als rechtvaardiging voor de inzet van atoomwapens voorstaan mag; inclusief wat we ‘proeven’ plegen te noemen.’ Of:
  2. ‘Omdat de effecten van wat je doet (ook weer inclusief de ‘proeven’) waar of wanneer dan ook iedereen treffen kunnen, beschadigen of vernietigen waar hij ook mag leven en wanneer, (niet slechts geografisch, maar ook in de tijd) moet je iedere ‘verste’ als je naaste zien en behandelen.

Men knikt. De inhoud van de stellingen stemmen ze mee in natuurlijk. Daarom zijn we hier immers. Maar de gedachte dat wat we allen willen in de vorm van morele eisen moeten onderbrengen, is hun blijkbaar vreemd.
Discussie. – Vraag 1: ‘Welk niet alleen moreel effect hoopt u te bereiken met de vaststelling van zo’n codex?
Antwoord: ‘Een Folie‘.
Vraag: ‘Wat bedoelt u?’
Antwoord: ‘De publieke beoordeling van nucleaire bewapening en alles wat ermee samenhangt had tot nu toe geen oriëntatiepunt. Je zou met de nieuwe codex een achtergrond kunnen geven waartegen de handelingen en de moralistische uitspraken van de atoommachten schril zouden afsteken; en een maatstaf waarmee je zou kunnen beoordelen.’
Vraag: ‘U bedoelt dat we moeten proberen om een ethische algemene noemer te maken die voor iedereen bindend is?’
‘Ja’.
‘Onderschat u de psychologische weerstand niet tegen het aannemen van zo’n algemene noemer onder al die afgevaardigden uit alle landen en filosofieën van de wereld?’
‘Dat denk ik niet. Ook ik schat de moeilijkheden zeer groot in. Vooral concentreer ik me op verzet van de kant van de ‘religieuzen’. (3) [ 20 ]
‘Waarom juist die?’
‘Bij hen maken ‘geboden en verboden’ deel uit van hun corpus religiosum, en zijn als zodanig van goddelijke of op zijn minst heilige herkomst. Ik verwacht dat zij in ons verlangen naar ‘nieuwe geboden’ een indirecte aanval zien, dat hun eigen sacrale geboden niet toereikend zouden zijn. Vermoedelijk gaan ze beweren dat onze eisen stilletjes veronderstellen dat in hun geboden niet alle situaties voorzien zijn. (bv niet die van vandaag)  Natuurlijk hebben ze daarmee gelijk: dat veronderstel ik inderdaad. Maar zij kunnen onmogelijk zo’n veronderstelling accepteren. Daarom acht ik het waarschijnlijk dat ze alles zullen doen om de nu onontbeerlijke geboden te doen voorkomen als gewone varianten of toepassingen van toch al bestaande en geldige ‘eeuwige geboden’; ja zelfs dat de vertegenwoordigers van de verschillende positieve religies zich bij elkaar zullen aansluiten en een gezamenlijke verdedigingslinie zullen optrekken, ondanks het feit dat eigenlijk hun ‘positiviteiten’ elkaar uitsluiten.’
‘Wat gaat u in zo’n geval doen?’
‘Hen tegemoet komen. – Er is mij alles aan gelegen om de indruk te vermijden dat we met de formulering van deze codex  het stichten van een nieuwe religie op het oog hebben. Dat is onzin. Daarom heb ik er niets op tegen als onze eisen slechts als toepassingen of aanvullingen worden gezien. Maar zelfs onze stijl moet behoedzaam zijn en zorgvuldig: taalkundige bijzonderheden en termen die ‘klinken’ naar religieuze ambities of concurrentie moeten strikt vermeden worden.
‘En hoe wilt u uw stellingen onderbouwen? ‘
‘Mijn antwoord zal u destemeer verbazen, omdat het uit de mond van een ‘beroeps filosoof’ komt. Het luidt: ‘Helemaal niet’. Omgekeerd moeten we de kwestie van ‘sanctionering’ (dus de vraag: welke bronnen maken dat je je aan de geboden moet houden, dus waar ze ‘verankerd’ zijn) bewust erbuiten laten; taboe. Het zou dwaas zijn om in een paar Congresdagen het daar eens over te willen worden. Zelfs immoreel. Want waar mensen dreigen te verdrinken en op redding wachten, mag je niet op de brug blijven staan om de filosofische [ 21 ] of theologische vragen te bespreken op grond waarvan we het leven van de te redden mensen de moeite waard moeten vinden. (De Ceylonese grijnst.) Anders gezegd: We moeten er beslist van afzien om tot de godsdiensthistorische wortels door te dringen. Diepzinnigheden verboden. Gezien het grote gevaar waarin we ons allemaal bevinden, is het een zwaardere verplichting om een algemene noemer te vinden die aanvaardbaar is voor  vertegenwoordigers van verschillende posities , dan de plicht het eens te worden over de sanctionerende wortels. De geboden moeten immers niet slechts aanvaardbaar zijn voor aanhangers van monotheïstische religies, die het verplichtende in Gods woord verankerd vinden; maar ook voor hen bij die een godsbegrip niet zo centraal staat, dus bv de boeddhisten (ik wacht even, geen tegenspraak) ; en evenzeer voor hen die zich zonder veel onderbouwing op ‘mensenrechten’ beroepen; of voor hen die zonder enige onderbouwing aan de heiligheid van het leven geloven; niet te vergeten voor die miljoenen of die niet religieus zijn of zelfs uitgesproken anti-religies – die moeten zich allemaal aansluiten, wij moeten ons allemaal aansluiten om ons tegen elkaar te beschermen. We zitten ‘in hetzelfde schuitje’. Dus we hebben allemaal hetzelfde scheepsreglement nodig. Op grond waarvan ieder dat verplicht vindt, kunnen we bespreken als we veilig de oever hebben bereikt.’
Eerste opvallende reactie: bevreemding. Onzekerheid hoe ze moeten reageren. In ieder geval bij een groot aantal Japanners. Op grond waarvan is mij althans onduidelijk (waarschijnlijk meerdere gronden ) Mogelijk gaat het om een ‘taalschok’ (onder andere); dat dus minstens bij ‘de linksen’ in de groep het woord ‘moraal’ toch als ‘burgerlijk’ dus verdacht geldt. De wereld is nog niet gesynchroniseerd.
Daarnaast ook bijval. Zeer sterke zelfs van de uiterst capabele (wonderlijk genoeg katholieke) vertegenwoordigster van Ceylon. Omdat die in hoog aanzien staat bij de Japanners, benadert men mijn bijdrage met respect. Ook de vertegenwoordigers uit Nederland en Peru stellen zich achter mijn project. Omdat wij vieren in dit prille stadium van het Congres nog de enige gasten zijn, is door mijn schuld een pijnlijke situatie ontstaan: onbedoeld vormen we een soort ‘front’. Maar de Japanners zijn fijngevoelig, een van hen, H. maakt een grapje [ 22 ] dat, omdat allen lachen meteen alles weer in orde brengt. Vooruitzicht voor het project: mooi weer niet onmogelijk, maar zeer onwaarschijnlijk. Om in elk geval duidelijk te maken welke inhoud ik op het oog heb voor de codex heb ik een Engelse versie van mijn ‘geboden voor het atoomtijdperk’ uitgedeeld. 

Tokio

De echte gewetenlozen van nu: zij die uit het feit dat ze niet door hun geweten geplaagd worden, dus uit hun morele analgie (gevoelloosheid voor pijn jab) concluderen dat ze niks gewetenloos hebben gedaan. ‘Neen ik voel geen enkele ‘pangs of conscience’ was het antwoord dat iemand (overigens een vroegere leidinggevende politicus die erop kon pochen het startschot gegeven te hebben voor twee massamoorden) een ondervrager gaf. Daarmee was wat hem betreft de kous af. En helaas niet voor hem alleen : want daarmee gold als bewezen dat zijn twee gruweldaden geen gruweldaden konden zijn. Formule: Gebrek aan slecht geweten is gelijk goed geweten is gelijk criterium van onschuld.
De werkelijk gewetensvolle mensen van nu zijn daarentegen de twijfelaars, om niet te zeggen: de gewetensnihilisten’ die niet alleen ervan afzien zich wijs te maken dat hun ‘morele analgie’ hun vlekkeloosheid bewijst; maar die ook weigeren op iemands blauwe ogen maar te accepteren dat de stem van het geweten (ze bestrijden niet dat die voor komt en scherp kan zijn) eo ipso de verplichting garandeert van waartoe het geweten oproept. Deze ‘piek van wantrouwen’ deze ‘waardevolle twijfel’ wordt echter maar zelden gehaald. Uitsluitend een paar grote karakters presteren het, die bij zichzelf en anderen ervaren hebben, dat wat we zogenaamd als de stem van het eigen geweten gehoord  hadden en gehoorzaamd, achteraf de stem van een papegaai bleek, die nagekletst had wat gewetenlozen hun in de vorm van bevelen op het hart hadden gedrukt; en die nu uit die ervaring de consequentie trokken. Formule: geweten is gelijk je geweten wantrouwen [ 23 ]

Tokyo. Uit een toespraak op een school
voor volwasseneneducatie

Laten we eens aannemen dat onze inspanningen gelukt zijn, de doelen waar we jaren voor gestreden hebben, zijn bereikt: de zogenaamde testvluchten en proefexplosies zijn opgeschort; de productie van atoomwapens is gestaakt; de opgeslagen wapens zijn onklaar gemaakt, de raketbases ontmanteld; en wederzijdse controle verhindert heimelijke voortzetting van de wederzijdse bedreiging – wat zouden we dan gewonnen hebben?
Veel, zeker. We mogen geen moment rusten om dat doel te verwezenlijken. En toch, laten we ons geen illusies maken. De hoofdzaak zou daarmee niet gewonnen zijn. Nooit is zoveel bereikt dat we de handen in de schoot mogen leggen; nooit dat we opgelucht mogen zeggen: ‘De toestand van voor Hiroshima of de toestand voor de dood van Kuboyama is hersteld. Want wat er ooit was is ook als het afgeschaft is, nooit zo alsof het niet geweest was. Wat gebeurde is onherroepelijk; omdat hetzelfde gebeuren steeds weer op te roepen en te herhalen is.
Natuurlijk verlangen we hartstochtelijk naar het herstel van de toestand van vroeger. En onze tijdgenoten die die hartstocht niet kennen, die komen ons als geestelijk blind voor.
Maar er bestaan helaas gevoelens die volledig niet kloppen op de huidige werkelijkheid; zo helemaal niet dat we ons moeten verbieden dat gevoel te hebben. En daarbij hoort ook ons verlangen naar de goede oude tijd van voor de atoombom. Dat gevoel is in tegenspraak met onze huidige situatie, omdat die situatie niet daarin bestaat wat we (de huidige mensheid)  hebben of doen; maar in dat wat we kunnen hebben of kunnen doen.
Hoe machtig de mens ook mag zijn: één ding kan hij niet: hij kan zijn eigen kunnen niet herroepen. En hoe geweldig zijn capaciteit om te leren ook is, één ding kan hij niet leren: namelijk wat hij kan, verleren.  De atoomwapens die hij heeft kan hij wel afschaffen, maar de kennis om ze te maken, raakt hij nooit meer kwijt. De technische situatie waarin de mens zich bevindt, is niet alleen weergegeven met wat [ 24 ] hij beheerst, maar ook met wat hij niet niet beheersen kan. Ook u, die net als ik geen natuurkundige bent, weet immers, dat de vaardigheid om atoomwapens te kunnen maken, niet op zichzelf staat; dat wie vreedzame kernreactoren maken kan ook te allen tijde in staat is nucleair verwoestingsmateriaal te maken. Want dat zijn – ook al overtreffen hun mogelijke effecten alles wat wij verder kunnen effectueren – slechts verbijzonderingen en onderdelen van het totaal van wat we bezitten aan natuurwetenschap en techniek. Dat bezit kunnen we niet afschaffen, dus de verbijzondering ook niet. Anders gezegd: zelfs als er geen enkel ‘atoomwapen’ meer is, geen testexplosie, geen testvlucht, geen lanceerinstallatie, en geen land dat deze wapens maakt, het gevaar zou niet over zijn. Omdat door het momentane afschaffen van dreigende apparaten de capaciteit om ze te maken niet mee-afgeschaft kan worden, en de verzoeking en verleiding om door middel van zulke apparaten almachtig te worden, natuurlijk ook niet, zullen we ons nog altijd en wel voor altijd in de apocalyptische situatie bevinden, waarin de mens zichzelf te gronde kan richten.
U ziet: de taak waar we zonder op te houden voor staan is niet te vervullen met behulp van slechts politieke (en al helemaal niet met technische) maatregelen, hoewel die taak elk moment maximale politieke wijsheid en behoedzaamheid vereist. De te nemen maatregelen horen in een andere klasse thuis: want het moeten maatregelen zijn die ons ervan afhouden dat te doen wat we zouden kunnen; maar ook van het maken van die apparaten waarvan we nooit zullen verleren hoe ze gemaakt moeten worden. Maar dat betekent dat de verandering van de mens de verandering van zijn moraal moet zijn. Het bewustzijn dat het hier gaat om een absoluut taboe. zal zo diep geworteld moeten zijn in ieder van ons, en zo algemeen, dat wie ook maar de mogelijkheid zou overwegen om zijn politieke doelen met deze middelen af te dwingen, meteen de verontwaardiging van de gezamenlijk mensheid tegenover zich zou zien.
De vooraanstaande geleerde von Weizsäcker heeft een ontzettende, ontzettend veel betekenende formule opgesteld. Die luidt [ 23 ] : ‘Leven met de bom’. Wat hij met deze formule bedoelde laten we in het midden. Hij is dubbel. Hij hoort bij een groep wetenschappers die vanwege hun civil courage terecht beroemd werden als ‘de Göttinger’, maar deze formule heeft hij gemunt op een moment dat de discussie over atoombewapening van het leger van de Bondsrepubliek haar hoogtepunt bereikte. En misschien gaf hij met zijn formule de voorstanders van deze bewapening toch een zekere steun. Hoe dat ook zij – als de formule goed begrepen wordt behelst ze een diepe waarheid. Want als ze goed begrepen wordt betekent het: we mogen onszelf geen moment aanpraten dat we ‘zonder bom’ leven; zelfs niet op momenten dat we misschien een tijd bereiken zonder bommen.
Ik weet dat wat ik zeg niet erg troostrijk klinkt. Wij wijden onze kracht aan het bereiken van een doel, en hopen dus dat we op een zekere dag dat doel voor goed bereikt hebben. Als ik u de hoop, dus op ‘eens voor goed’ ontneem, dan is dat opdat U zich geen illusies maakt en goed voor ogen houdt dat de strijd die we een paar jaar geleden zijn begonnen, en waarin we nu zitten, van nu af aan een nooit eindigend gevecht zal blijven. Elke dag die we winnen is wel een gewonnen dag. Maar geen gewonnen dag is een garantie dat de volgende dag er ook een is. We zullen nooit aankomen.
Eindeloze onzekerheid staat ons te wachten. Het is onze nooit eindigende opgave dat we er voor zorgen dat die onzekerheid geen einde neemt.
Nog eens: Ik leg u deze gedachte niet voor om u de strijdlust te benemen; of omdat ik ons gevecht als vergeefs beschouw. Als dat het geval zou zijn, was ik niet uit Europa bij u gekomen. Maar ik benadruk deze gedachte omdat ons gevecht van tevoren al tot mislukken gedoemd zou zijn, als we de aard van het gevecht verkeerd zouden inschatten. De opgave is niet van ons alleen; niet van onze generatie alleen; maar van nu af aan van alle mensen. Het is dus ons lot. Dat is onze erfenis aan onze kinderen, als we kinderen mogen hebben; en die moeten als hun kinderen gelaten worden, die erfenis weer aan hun kinderen doorgeven. Het is wel nodig het gevecht te winnen [ 26 ]; maar geen overwinning zal de definitieve zijn. Maar wie het verliest zal het voor goed verliezen. Voor zijn voorgeslacht; want van hen zal geen teken meer over blijven na de nederlaag; en voor zijn nakomelingen: want die zijn er niet na de nederlaag.
Beste vrienden, ik weet hoe onbeleefd het is als gast van zo’n vriendelijk en beleefd volk, zo onverbloemd en zo vreselijk te spreken, zoals ik nu doe. Excuus. Maar er zijn helaas situaties, waarin het onverantwoord is hoffelijk te blijven. We zijn nu in zo’n situatie en dat is mijn schuld noch de uwe. Ons verbindt de pijn dat we gedwongen zijn onhoffelijk te wezen.- Ik dank u. ‘ (4)

Kioto

’s Nachts op reis naar Kioto. Samen met twee andere afgevaardigden: de Nederlandse en de Peruaanse; en de heel jonge, schrandere vrolijke tolk. Zes mensen in de coupé. Om te stikken, ondanks ventilatoren tegen elkaar openstaande ramen. Japanse nachtwakers: kikkers. Hun gekwaak vanuit de rijstvelden begeleidt ons voortdurend. Niet luid, maar een veelstemmig lawaai.
Reden voor de reis: een jonge Boeddhist (Atsushi Nishimoto, ex-priester van de Nipponzan Myohoji tempel) heeft in Hiroshima een mars georganiseerd, een soort waarschuwings mars. Zijn eindpunt: het 1000 km van Hiroshima gelegen Tokio, waar hij als vertegenwoordiger van Hiroshima aan het begin van het internationale congres hoopt te arriveren. Ongeveer de afstand Wenen – Kopenhagen. Kern van de tocht: priesters en leken uit Hiroshima, waaronder een groep blinden en een oude boerin. De hoofdmacht wisselt van dorp tot dorp want in elke plaats waar ze doorkomen laten duizenden hun arbeid en gezin een paar dagen in de steek, om zich aan te sluiten bij de stoet. Honderdduizenden hebben al meegelopen. Niemand van de lopers zal de moeite die hij of zij in de mars investeert ooit vergeten, (1000 km door de Julihitte van Japan lopen is geen kleinigheid) daarom zullen ze het doel van de mars ook nooit vergeten.
Na één etappe stappen ze uit, als estafettelopers [ 27 ] en dragen hun plaats in de mars over aan de mensen van het volgende dorp die mee willen lopen. Ondanks deze stofwisseling blijft de tocht, geheel als het schip van Theseus, net als elk organisme geheel zichzelf. Wat daar loopt is de wil tot vrede zelve, de vastberadenheid van een volk om zichzelf te verhinderen lui of vergeetachtig te worden.
Natuurlijk moet de mars niet alleen waarschuwen vanwege het verleden, maar ook aan het alledaags wordende gevaar van iedere dag. De mensen marcheren niet voor een droombeeld, maar voor een actuele zaak. Want hier in Japan is het gevaar niet alleen niet geringer dan bij ons, maar zelfs groter. Tot voor kort zat  Japan in een ‘atoom val’: vanuit het westen nucleair verpest door Sovjet-Russische proeven; en vanuit het oosten door Amerikaanse. De Russische dreiging schijnt voor het moment door het stoppen van de experimenten in Siberië weg te vallen.Maar één bedreiging is ook voldoende. Het uit het oosten komende gevaar, dus door Amerika, is om twee redenen groter dan dat uit het westen: niet omdat het hoofdvoedsel van Japan, vis, onder de nucleaire besmetting van de Pacific gaat lijden; naar omdat er in het land honderden (naar men zegt 500) raketbases van Amerika zijn, dus honderden plaatsen die in geval van oorlog directe doelen zullen zijn, dus voor nucleaire aanvallen. (Hoe zou in het Japans mijn leus klinken: ‘Raketbases zijn magneten voor de ondergang’ ? Ultieme grens van vertalen.)

Doel van onze reis is op zijn minst een stuk met de Japanners meelopen. Om hen duidelijk te maken, dat ze niet alleen staan, dat wij hun gevaar als het onze zien, zo ook hun doel als het onze. (Hun vertellen dat hun doel het doel van iedereen is, zou helaas een leugen zijn)
Aankomst. Race naar het hotel; en weer weg om de processie buiten de stad te treffen. We rijden langs enorme tempelcomplexen. (5)
In de zijstraten van een voorstad die een voorstad van elke grote stad zou kunnen zijn, zijn een paar honderd mensen zich aan het formeren. Aan kop die acht of negen boeddhistische priesters: (6) gele jassen, trommels, strooien sandalen. Onder hen natuurlijk Nishimoto, heel jong,misschien begin dertig (maar hier schat je leeftijd [ 27 ] doorgaans te jong) mongools boerenjongensgezicht, stemmig, vrolijk, hartelijk, intelligent. Naast hem heel klein de oude boerin: als je haar wilt begroeten en haar leerachtig gegroefd gezicht wilt zien, dat door de mars door het zonnige land gebruind is als van een indiaanse, moet je haar enorme strohoed naar achteren schuiven. Wat zij met een lachje beantwoordt (Later wordt ze mijn ‘maatje’ we liepen arm in arm. Mijn ‘maatje’ aan de rechterkant: ook een kleine, vriendelijke, zeer Europees uitziende intellectueel met ballonmuts; hij ontpopt zich gedurende de mars als professor voor vergelijkend recht. Vooruitgelopen.)
We worden blijkbaar al verwacht. Erg warme begroeting, al is er eerst niemand die Engels spreekt. Maar men praat maar zo op elkaar in. ‘Zo’ betekent dat men zich om het feit van taalverschil niet bekommert. Het Babel van de hartelijkheid. Solidariteit is van voor de taal. Wat je elkaar te zeggen hebt weet je trouwens toch wel. Men drukt elkaar tegen de borst (dat hebben ze wel uit de Amerikaanse films geleerd). Één van de mannen stoot daarbij steeds ‘sweet, sweet, sweet’ uit (en knijpt ondertussen mijn artritische hand fijn); dat vat ik aanvankelijk op als zijn ietwat onalledaagse bijdrage in het Engels, totdat blijkt dat hij ooit als stoker naar Zweden was geweest. En omdat Zweden in Europa ligt, en ik uit Europa kom,- neen die redenering klopt niet; hooguit een redenering van het hart, want op zijn manier gelooft hij ook dat hij onze solidariteit kan versterken met een beroep op Zweden. Deze solidariteit is heel algemeen de wraak van de vriendelijkheid op de duivelse internationaliteit van het gevaar. ‘U kent geen grenzen’, schijnen de vriendelijken tegen dat gevaar te zeggen, ‘aub, wij kennen ze ook niet!’

Bij mijn geboorte heeft men niet gezongen dat ik met deze mannen in het gelid zou staan. Kijk mij eens aan. Moeilijk te geloven, dat ik het ben. De echte zit waarschijnlijk ergens in Oostenrijk en schrijft een of andere esoterische tekst over atoomgevaar. Zo was het immers begonnen. Toen had ik – dat is inmiddels vier jaar geleden – uit vertwijfeling over de situatie en niet wetend wat men daartegen in zou kunnen brengen, onder een notenboom in Steiermark gezeten en mijn [ 29 ] eerste woorden over ‘Apokalypseblindheid’, en mijn eerste woorden over ‘atoomstaking’ geprobeerd. Natuurlijk zonder de hoop ooit een brug naar de realiteit te kunnen slaan.
En nu is die brug er. En nu is er, uit duizend bronnen gevoed, een beweging; het rare solistische protest onder de notenboom heeft plaats gemaakt voor een wereldbeweging. Een vrouw uit Hiroshima hangt mij als bondgenote aan de arm. Dat is wel een moment dat zelfs onwrikbaarder personen uit het evenwicht zou kunnen brengen. Daar lopen we al.
Zingend in koor. Eerst stram, want hoewel ik in de voorste rijen loop, het gezang komt van voren. Dan snap ik het natuurlijk. Hier is het dus niet anders dan elders. Ook hier moet de schijn gemobiliseerd worden om de werkelijkheid op gang te brengen. Want wat daar voor me uit veelstemmig zingt, is een ding, dat er voor is gemaakt ons aan het zingen te krijgen. En dat ding doet zijn ding: en wij laten ons niet kennen voor dat ding en zingen nu ook mee.
Niet minder vreemd is wat we zingen. Twee uur lang (dan wordt ik bijgepraat) ben ik ervan overtuigd dat het om een Russisch lied gaat. (7) Dat boeddhistisch priesters uit Japan de ‘Russische melodie’ met hun trommels begeleiden, en dat ik als Europeaan in deze mengcultuur mee loop, is wel een heilzame les geschiedenis. Zo dus gebeurt geschiedenis; zo uiteenliggende elementen komen dus bij elkaar, om een werkelijk stuk geschiedenis te maken. En kijk: ça marche, het gaat zo, het resultaat is een marscolonne. Hoe absurd, om de geschiedenis de kwaliteit van een organisme toe te kennen of ‘eenheid van organisatie’ van haar te verlangen.
Eerst gaan we door voorsteden, langs gasfabrieken, werkplaatsen, autokerkhoven. De zon stijgt snel maar we komen slechts langzaam vooruit. Dat langzame is wel met opzet: ons verschijnen moet niet in een oogwenk voorbij zijn. En de verscheidenheid van hen die voor dat ene doel lopen moet vooral bij iedereen bekend worden. En dat is nodig. Want hoe waar het ook is, dat deze beweging hier door een massa gedragen wordt, dat honderden ons groeten; kooplui en handelaars komen hun winkel uit  om ons aan te staren; en als ze begrijpen waarvoor we marcheren roepen en wenken ze; (vermoedelijk in de overtuiging dat we Amerikanen zijn en ondanks [ 30 ] onze afkomst uit Amerika tegen Hiroshima protesteren); ze buigen voor mij en de twee andere witte afgevaardigden; veel kinderen met name zwaaien terug als wij naar hen zwaaien (wij zijn toch iets fijns, want wat is er voor kinderen fijner dan een optocht met muziek voorop, met marcherende priesters, met daartussen drie witte mannen, en met vlaggen en spandoeken?) – toch is het overdreven en onwaar om te beweren dat we door de bevolking van Kioto enthousiast werden verwelkomd. Voor 80% ging het gewone leven door in de straten; en voor velen waren we slechts een optocht van narren.
De zon klimt hoger. En al gauw leek iedere volgende stap een niet meer te beantwoorden uitdaging. De oude vrouw uit Hiroshima hing zwaar aan mijn arm. die dan wel geen slapeloze nachtreis achter de rug had maar wel veel erger: een voettocht van een paar honderd kilometer door de brandende zon. Van de stad zag ik al gauw niets meer, alleen dat de straten waar we door marcheerden geen schaduw meer boden; maar ook dat ‘zag’ ik niet echt meer, want mijn zonnebril was als in een waskeuken beslagen, en die schoon poetsen had al geen zin meer. Nieuwsgierigheid en verlangen waren opgedroogd; verder lopen was geen zaak van enthousiasme meer, maar een pure erezaak. En om die erezaak te leveren had je al je kracht nodig. Eindelijk vertraagde de optocht; ik dacht dat we op het punt stonden aan te komen, maar waar daar had ik niet het minste vermoeden van.- maar ik vergiste me schromelijk: nu begon het pas werkelijk: het plein, waarop de priesters in een halve cirkel neer hurkten, en daarachter de andere deelnemers en daarbij toch nog een paar honderd mensen die zich bij de optocht aangesloten hadden, brandde nog heftiger dan de straten. Nu werd er geroepen, en de tolk verklaarde: ‘Ze willen dat wij blanken spreken!’
Er bestaat intensheid die men slechts onder uiterste uitputting volbrengen kan. De lucht kookte, de straat kookte, geen wonder dat ook mijn woorden er kokend uitkwamen. De uitnodiging had ons zo verrast, dat het niet mogelijk was een of andere gedachte voor te bereiden. Voordat ik begreep wat er met me gebeurde (en waarom begrijp ik nu nog steeds niet) had men me naar een auto geduwd – ik botste ertegen aan, zijn dak was een ovenplaat; en voor ik het wist wat ik ging zeggen, sprak ik al. [ 31 ] Ik was me er vagelijk van bewust, dat ik niet alleen tegen mijn eigen uitputting aan moest praten, maar ook tegen die van de anderen. Bovendien luisterden naar deze toespraak niet Europese academici, maar op de grond gehurkte Aziaten; daarmee had ik alle bruggen achter me verbrand. En deze mensen verwachten woorden van me die ze mee naar huis konden nemen. Maar dat speelde allemaal op de achtergrond, terwijl ik al sprak. Omdat ik, zoals al gezegd niets voorbereid had, was ik zelf verbaasd dat ik me hoorde beweren dat er vandaag één enkele grote processie in duizenden delen over de aarde marcheerde nu hier dan daar. terwijl de tolk vertaalde kwam het als de bliksem bij me op dat deze dag mijn geboortedag was, en in een deel van een ogenblik dacht ik aan mijn moeder, die toen ze me in Breslau ter wereld bracht beslist niet aan een kind dacht dat op een markt in Kioto zou spreken. Maar die gedachte was even snel als ze opgekomen was al weer voorbij, de tolk die mijn woorden had vertaald gaf me een por; en ik hoorde me al weer door praten. En dit keer, weer tot mijn eigen verrassing van de optocht van de koorknapen in München die ik daar voor een paar weken had meegemaakt; ik vertelde van de dapperheid en vastberadenheid van deze tieners, die in de stromende regen ondanks verzet van de overheden door de straten waren getrokken en zowel hun ouders die de verschrikkingen van de oorlog al vergeten waren, alsook de regering eraan herinnerd hadden hoe de oorlog eruit had gezien en hoe de komende eruit zou zien. Ik citeerde één van die jongeren: ‘Ik weiger daarom massamoordenaar te worden, omdat een oude man aan het hoofd van onze regering niet in staat is zich in te denken wat hij bepleit. En ik weiger evenzo op deze grond ook slachtoffer te worden van massamoord’. – ‘Jullie zien’, ging ik verder, ‘bondgenoten overal. Verschil van woonplaats, ras, leeftijd speelt geen rol. Óf we hebben allen samen geen toekomst óf we hebben een gezamenlijke toekomst. En ik sloot af met de groeten over te brengen van die processie, zonder hun toestemming gevraagd te hebben; dus groeten van de processie aan de processie.
Kinderen uit München, vergeef me deze onwaarheid. Omdat ik geloof dat jullie me toestemming zouden hebben gegeven als jullie zouden geweten hebben van mij; [ 32 ] en omdat de mensen in Kioto door jullie groeten bemoedigd zijn geworden, zullen jullie me mijn onwaarheid vast niet kwalijk nemen. Het was een onwaarheid, maar dan een in dienst van de waarheid.

Kioto

Vijfendertig jaar geleden in een werkkamer in  de Lorettostrasze in Freiburg. Verschanst achter een muur van analyses die in een continue stroom van eeuwen werden geschreven, die hij niet werkelijk kende (deels omdat hij vanwege zijn schrijven niet meer aan lezen toe kwam, deels omdat zijn gezichtsvermogen hem hinderde) zat de oude Husserl aan zijn bureau, menselijk vaderlijk, wetenschappelijk onverbiddelijk; hij had me laten komen om op mijn geweten in te praten. Want hij had het verschrikkelijke bericht gehoord dat ik op een carnavalsavond als spook verkleed op de Kaiserstrasze had gedanst. En hij had ‘zeer ernstige bedenkingen tegen deze soort gekte.’ Een jonge man die zoiets deed, vond hij, en zelfs graag deed, gaf daarmee te kennen dat hij de inzichten die hij bij hem (Russell) leerde, niet verdiende; hij was onrijper dan zijn intelligentie; en als type nog meer bedreigd en gevaarlijker dan mijnheer Scheler. Ik zweeg. Om de grote oude man uit te leggen, uit te mogen leggen, dat de wereld niet alleen bestond uit ‘voorwerpen überhaupt’, en dat filosoferen en dansen elkaar niet uitsloten, daarvoor was ik veel te jong. En om dat te begrijpen, daarvoor was hij veel te oud; zijn leven lang al te oud geweest qua constitutie. Maar wat had de grand old man in vredesnaam nu wel gezegd. als men hem had overgebriefd dat ik ‘gefilosofeerd had’ op de markt in Kioto voor op de grond zittende boeddhistische priesters en blinden uit Hiroshima? En wat zou hij geantwoord hebben, als ik geprobeerd had hem uit te leggen, dat ik door daar te staan en te onderrichten, niet in tegenspraak was met de taak van de filosoof, maar een van de hoofdtaken van de filosofie vervulde? En dat niet alleen het meegedeelde waar moest zijn, maar ook het moment, en de plaats van het meegedeelde?
Heus, de kloof tussen het type denken van gisteren en dat van vandaag is zo verrassend breed, dat het wel lijkt of er eeuwen tussen liggen. En slechts das Nachleben des alten Mannes – want de muren van zijn manuscripten moesten om niet verloren te gaan, door geestelijken (? jab) in het buitenland in veiligheid gebracht worden – bewijst dat hij ook al in het heden reikte, onze dagen van vernietiging.

Biwa meer.

Uitgenodigd door het Kioto-comité, de hele dag op het Biwa meer. Ranke plezierboot, maar gloeiend van de hitte. Je waant je aan de Bodensee of in Tessin. Aan de rechterkant: wijkend bergpanorama dat een landschap van de Japanse landschapsschilders nabootst.- Van vroeg tot laat radio en TV.
Op het tussendek kauwen boeren genoeglijk en lawaaierig op bamboe. Drinken ondanks de middaghitte continu hun meegebrachte saki. Ze blijven ondanks hitte, wijn en roes zacht, vrolijk en om door een ringetje te halen. Raadselachtig en benijdenswaardig. De tolk legt hun de reden uit van ons verblijf in Japan. Daarop nodigen ze ons enthousiast uit. Sommigen trekken ons lachend op de grond en dringen ons hun flessen op. Ik probeer me voor te stellen hoe het zou zijn als de rollen omgedraaid zouden zijn. Maar het lukt me niet drie Japanners in beeld te krijgen die op het Starnberger meer varen en door Bayerische boeren stormachtig worden onthaald.
Anderen maken foto’s van ons. Merkwaardig. Niet alleen omdat, heel anders dan vroeger boeren stadslui fotograferen, maar ook omdat Oosterlingen Europeanen fotograferen. Zij vinden dat vanzelfsprekend.  Zo gewoon dat je zou denken dat fotoapparatuur al generaties lang bij de uitrusting van rijstboeren hoort. Gelukkig vraagt niemand mij een foto te maken. Europa zou in diskrediet gebracht zijn. Als achtergebleven en als technologisch dom-provinciaals. Of dan niet Europa, maar Australië, want ze houden ‘Austria’ (Oostenrijk, jab) voor Australië en een poging deze aangeschoten mensen dat subtiele verschil uit te leggen zou tevergeefs zijn.
Stoppen bij een tempel eiland op steile rots. Trap in de rots a la de Middellandse Zee. Terwijl we klimmen dreunt van onderen Puccini’s Turandot. Tot in de tempel achtervolgt ons deze veritalianiseerde variant op het ‘Verre Oosten’. Een paar pentatonische toonladders hebben wel wat Japans.
Zo geschiedt geschiedenis dus: de Oriënt neemt wat importartikelen over van het westen. Dat pakket bevat [ 34 ] ook de Europese pseudo-oriënt. De echte Oriënt maakt nu deze pseudo tot een lied over zijn wateren. Dus ‘terugtransport’.
Dit concept moeten we erin houden; het is als categorie voor de duiding van de moderne wereldgeschiedenis van belang. In de tempel hoorde men bovendien: be-bop, uit de loge van de tempeloverste. ’s Avonds weer Kioto.

Tokio

Ik kreeg van prof. O vandaag iets te horen over de achtergrond van de bevreemding die gevolgd was op mijn codex-voorstel. De term ‘moral code’ werd destijds door het ministerie van cultuur in uiterst conservatieve betekenis gebruikt. De bedoeling daarvan was het sinds 1945 afgeschafte jongeren onderwijs weer in te voeren; en daarin de principes die vóór 1945 golden weer tot leven te brengen. Met die politiek werd de term tegenwoordig geassocieerd. Natuurlijk wekte deze politiek bij progressieve leerkrachten sterk verzet. De bevreemding kwam werkelijk voort uit een ‘woord-schok’. Maar met een motief, dat ik niet vermoed had.

Vergadering. Ik hoor dat mijn codex-idee ondertussen in intern-Japanse kring door gesproken is. K. een voor mij onbekende Japanner (wel een wetenschapper) geeft te bedenken dat het accepteren van mijn voorstel de wereld kan bewijzen dat de Conferentie niet alleen politieke maar ook bredere doelen nastreeft. (Of hij dat serieus meende of als alibi, moet afgewacht worden). Ik:
Het komt mij niet aan op de term ‘moral code’. De werktitel: ‘The new obligations in the Atomic Age ‘ is wat mij betreft ook prima. Meteen, zonder aan de inhoud iets te veranderen komen de kansen beter te staan. Ik benadruk nog :de codex die ik mij voor ogen staat. onderscheidt zich fundamenteel van wat men gewoonlijk onder ‘moral code’ verstaat. Want de geboden zouden niet van boven naar beneden gedropt worden maar omgekeerd: van beneden naar boven. Niet onze plichten moeten in de geboden en verboden vastgelegd worden, in ieder geval niet in eerste instantie; maar die van hen die de atoommacht in handen hebben; zonder te begrijpen wat ze daarmee in handen hebben. Wij treden op als de eisers. [ 35 ] Iemand maakt de tegenwerping: ‘wetten zonder wetskracht’. Daar ga ik in mee; maar het is geen argument tegen. Veel meer is het juist de rol van de moraliteit, de onmoraal die ligt in het bezit van de wetskracht, in diskrediet te brengen en te vervangen. De stem van de moraliteit moet de stem van verzet zijn, als de legaliteit in onmoraal is geraakt. (Een paar woorden over Kants onderscheiding tussen ‘moraliteit’ en ‘legaliteit’: vervolgens over Antigone. Tenslotte, ook met betrekking tot een andere inbreng:) Het gaat om morele eisen die wij stellen aan de heersers. En hun plichten zijn andersoortig dan de onze. Daarom is het niet geraden, zoals eerst het plan was om een manifest te ontwerpen in zeker zin ‘Aan Allen’. Veel meer zou men twee verschillende manifesten voor de twee verschillende adressanten moeten opstellen. Dat laatste voorstel vindt men meteen interessant; maar mijn project blijft toch nog in de lucht hangen. Op grond van mijn eerdere toelichtingen schijnt men  bij ‘Experts’ wel aan ‘religionisten’ en aan filosofieprofessoren te denken.

Yaizu

Reis over Yokohama, langs de Stille Oceaankust naar Yaizu (8), de geboorteplaats van Aikichi Kuboyama (9). We willen daar de vredesmars van Nishimoto weer treffen en met hen naar het graf van Kuboyama lopen.
Ik ken de naam van dit vissersdorpje al sinds mijn studententijd, uit de lectuur van Lafkadio Hearn; want die bracht in Yaizu zijn zomers door. Eveneens is me de naam Kuboyama bekend want 35 jaar later, vier jaar geleden heb ik op een bank in Wenen een paar strofen genoteerd bij zijn dood. Maar wat wist ik destijds weinig van hem: slechts wat de kranten meteen over hem brachten, die hem als ‘visser’ typeerden. Dus ik had het beeld van een krabbenvisser in een klein zeilbootje. Helemaal vals. Hij is helemaal geen ‘dorpsfiguur’ veel meer was hij een gediplomeerd marconist, de adviseur van de bemanning van de kotter. Een man vol humor, een tijdgenoot; en een man die bij zijn sterven wist wat tot zijn dood geleid had. En nu vier jaar later ging ik zijn oude moeder, zijn weduwe en zijn dochter ontmoeten.
Aankomst op helder zonnig station,  begroet [ 36 ] door bange en duidelijk conservatieve burgemeester; koude thee aangeboden in het gebouw van de visserijvakbond. Weer terug naar het stationsplein. Daar wemelt het nu van de mensen: we waden door een zee van kinderen met hele kleine vlaggetjes. Van bovenaf zie je alleen het zwarte blinken van hun haar. Na een paar minuten gloeiend heet getrommel komt het mij al uit Kioto bekende marslied dichterbij. En daar zijn ze dan: Vooraan, stemmig en vrolijk, alsof hij niet de geringste inspanning achter de rug had, precies als in Kioto : Nishimoto; en naast hem ook weer die oude boerin uit Hiroshima met het gegroefde gezicht. We zwaaien naar elkaar, omhelzen elkaar, praten onzin die beiden in het Japans, ik in het Engels. Niemand verstaat niemand; iedereen iedereen.
Op de eerste rij van de menigte een kleine vrouw blijkbaar krom van de poly-artritis, als het al geen spondyl-artritis is. Men brengt  haar bij me. Kuboyama’s moeder. Forse mannen met bandrecorders: ‘Zegt u wat!’ De werkelijkheid moet plaats vinden om die te kunnen reproduceren. (c) Maar hier is het misschien gerechtvaardigd. Het is duidelijk dat de oude vrouw weinig meekrijgt van wat er aan de hand is noch van de rol die zij vandaag heeft. Als men haar mijn woorden vertaalt (dat vele moeders uit vele landen haar gedenken , ‘alle moeders uit alle landen’ durf ik niet te zeggen), vraagt ze waarom. Ja de mededeling lijkt haar een beetje bang te maken. In plaats daarvan houdt ze zachtjes mijn hand vast, en onderzoekt die met de deskundige blik van de artritiskenner; toont dan haar rechterhand en laat mij weten dat ze het door heeft. Deze solidariteit is me even welkom als de politieke. – De weduwe van Kuboyama, indiaans type, een zongebruinde, energieke en verstandig uitziende vrouw, op een natuurlijke manier waardevol, kent haar rol prima; zonder enige ijdelheid staat ze ter beschikking van de publieke zaak alleen om de zaak. – Verlegen tegen haar aangedrukt een van haar dochtertjes.
Een paar Japanse toespraken. Dan die van de Nederlandse afgevaardigde naar het wereldcongres, de Bock; tenslotte ik:

Beste Mevrouw Kuboyama,moeder van Kuboyama
Beste Mevrouw Kuboyama, weduwe Kuboyama
Lieve dochters van Kuboyama
Burgers, van Yaizu
Zeer geachte Burgemeester,
We zijn hier niet gekomen om u te beleren. Integendeel wij zijn vol respect gekomen gekomen om van u te leren. Wat wij, uit verre landen komend alleen maar ‘weten’ (slechts weten, zoals men dingen die je in de krant leest wel weet) – U weet ze werkelijk.
Drie dingen hebben we door uw ervaringen leren kennen.
Ten eerste: afstanden bestaan niet meer. Deze zoon van uw stad was de eerste die het ‘einde van de afstanden’ bewezen heeft. Door zijn dood is de boodschap van ‘einde van de afstanden’ naar alle verre plekken van de aarde uitgelopen; daarmee zijn die landen buurlanden geworden. Die boodschap hebben we gehoord, en begrepen, en we zijn gekomen. We zijn dus niet van verre gekomen. Veel meer omdat verte niet meer bestaat. Dus uit buurlanden naar een buurland.
Beste buren, de fall-out kent geen grenzen meer. Het dodelijk stof dat u van deze medeburger beroofd heeft zweeft nu om heel de aarde. En de dood die u bedreigt, bedreigt ook ons. Ook ons in Europa. Ook ons in Afrika. Ook ons in Amerika. Ons, waar we maar leven.
Wel, gebieden waartussen geen doodsgrenzen (d) meer bestaan vormen één land. (of politici dat willen waar hebben of niet) Als onze wereld zo geworden is, dat u te gronde kunt gaan. omdat ze bij ons aan het ‘experimenteren’ zijn; en dat wij om kunnen komen omdat bij u experimenten uitgevoerd worden, dan zijn we echt naasten. Op zijn minst als sterfelijke, op zijn minst als doodbare. Als buren leven we nu al in een enkel land, het land dat ‘aarde’ heet.
Maar ik vraag u: zullen we alleen als dodende, alleen als doodbare burgers van het ene land worden?
Uw en onze voorouders hebben verschil gemaakt tussen ‘oorlogen’ in de gebruikelijke (helaas gebruikelijke) zin, en ‘burgeroorlogen’. Door het opheffen van de grenzen door de nucleaire situatie is dat onderscheid ook opgeheven. In die explosie is het onderscheid mee ontploft. Tegenwoordig zou iedere oorlog die tussen twee landen uit zou breken, een burgeroorlog zijn. Maar, medeburgers van de aarde, zijn we alleen daarom medeburgers van dat ene land geworden zijn, om burgeroorlogen te voeren? [38 ]
Ten tweede: we hebben van uw ervaringen geleerd, dat wat men tegenwoordig ‘tests’ noemt, helemaal geen ‘tests’zijn, geen experimenten. Die uitdrukking moeten we wantrouwen. Misleidend. Uw vriend bevond zich toen de dodelijke stofdeeltjes hem bereikten 130 km van de plaats van de proef vandaan. Dat hij desondanks getroffen werd, betekent dat afstand geen afstand meer is. En daarom was het experiment ook geen experiment meer. Bij een ‘experiment’ hoort – gelooft u dat maar van een wetenschapper – dat het proces van het experiment een afgesloten geheel blijft. Dat is in Bikini niet gebeurd. En dat kan ook in toekomstige proeven niet gebeuren. In de explosie van de zogenaamde proeven is het begrip ‘experiment’ mee ontploft. De zogeheten ‘proeven’ zijn huidige werkelijkheid. En omdat die het werkelijke leven beschadigen, van hen, die vandaag, morgen en overmorgen leven, ja zelfs misschien het leven vernietigen, zijn die ‘tests’ een vorm van oorlog. Jazeker, de proeven zijn een oorlog tegen het leven. Bij ons in Europa is een oud gezegde: ‘oorlog is voortzetting van de politiek met andere middelen.’Tegenwoordig geldt het omgekeerde: ‘Wat nu ten onrechte ‘vrede’ wordt genoemd, is de voortzetting of voorbereiding van de volgende oorlog met andere middelen.

Neen, buren, het is voorbereiding van een gebeurtenis waarop zelfs de uitdrukking ‘oorlog’ niet meer past. Dat woord is nu achterhaald. Wie het gebruikt wil ons zand in de ogen strooien. We laten ons niet wijsmaken dat wat de kranten de mogelijke ‘oorlog van morgen’ noemen, nog een oorlog’ zal zijn. Was, wat zich in Hiroshima afspeelde nog ‘oorlog’? Was daar verzet? Kon je je daartegen verzetten? Het was zuiver afslachten. En de volgende oorlog, als die er komt, zal de algemene ondergang zijn. Dat is makkelijk gezegd. Sluit, buren, je ogen, want wat jullie hier voor je en om je heen zien: het leven, de huizen, de kinderen, de vlaggen – dat alles verhindert jullie het woord ‘ondergang’ in zijn totale betekenis te vatten. Dat woord betekent dat de aarde die sinds kort het gemeenschappelijk land van ons allemaal is geworden, zonder leven en zonder dat iemand er weet van heeft, als planeet onder andere planeten ronddraaien zal. – Hebt u die levenloze [ 39 ] planeet voor u gezien? Goed. Dan vraag ik u: ‘Hebben uw ouders en onze ouders voor zo’n aarde geleefd? Hebt u zich daarvoor moeite gegeven? Daarvoor vreugde en verwachtingen gehad? En leven we daarvoor? En die duizend kinderen hier op het plein, hebt u die daarvoor verwekt en daarvoor gebaard?

Na de toespraken wordt de stoet weer opgesteld. De Nederlandse gedelegeerde en ik voorop met de moeder en de weduwe van Kuboyama. Hoe de verkromde oude vrouw die links aan mijn arm en rechts aan die van de weduwe hing, het klaar speelde in de rij en in de pas te blijven, is onbegrijpelijk. Want hoewel ze niet wist waarom, wist ze toch dat dit de dag was, waarop ze haar laatste (kracht) moest geven. En ze zag dat het haar gloriedag was: want toen we door de straten en over de bruggen trokken, vormde de hele stad een erehaag: ze stonden tegen de muren, in de vensters, en omdat niemand de gelegenheid wilde missen om de beide vrouwen respect  te betuigen waren daar ook half geklede mensen bij, mensen die hun werk binnenshuis onderbraken, en zoals ze erbij liepen naar buiten kwamen, moeders met kinderen aan de borst. En allemaal bogen ze woordloos. Niet de bloedige daders betuigden ze eer, maar de slachtoffers.
Op een van de vele bruggen – de blik over de stroom was op zijn Amsterdams – stond een vissersvrouw, blijkbaar een kennis van de Kuboyamas. En dat was, als alle visverkoopsters ter wereld een energieke vrouw. Zonder te vragen pakte ze de oude moeder Kuboyama op , zeker om haar naar huis te brengen, wat de oude ook zonder verzet met zich liet doen. Met een blik van opluchting die mevrouw Kuboyama en ik wisselden, zeiden we meer dan woorden zouden hebben kunnen zeggen. Na die brug werd het zo smal dat je door de deuren meteen in de woonkamer kon kijken. Maar op dat deel van de etappe werden we nauwelijks meer gegroet, de kamers waren uitgestorven.  En wel omdat de hele bevolking achter ons aan marcheerde. Het was ondenkbaar dat iemand deze dag zou gebruiken om zijn slag te slaan in de lege huizen.
Toen we het grote plein bereikten, telden we, hoewel de stad klein was, veel meer mensen dan onlangs in de grote stad Kioto. [ 40 ]. Men sprak van 15.000. Dat getal kon me niet blij maken. Het is de geboorteplaats van Kuboyama. hoe zullen we de mensen in beweging krijgen in die steden waar geen Kuboyama geboren is.

Yaizu

Overnachting in ‘gasthaus’. Dat woord klopt niet. Het is met zijn rust en zachtaardigheid eerder een  sanatorium zonder opdringerig te zijn. Het heeft slechts één verdieping en is gebouwd om een tuin, die slechts de grootte van een kamer heeft maar compleet is met een kersenboom, struiken, vijver, schelpen, lotusbloemen, een brug en  leistenen. Dat tovert van mijn ‘bed’ (op de vlakke grond) uit de illusie van een onbegrensd landschap voor. Wat wij Europeanen slechts in de beeldende kunst, schilderkunst, sculptuur klaar spelen: de schijn van verkleining van de natuurlijke grootte, dat is hier in natura uitgevoerd. Bos wordt dus niet in een afbeelding van een bos weergegeven, maar in levende planten die echter niets anders voorstellen. Eigenlijk valt deze tuinkunst onder ‘theater’, want ook op het toneel treden geen ‘beelden’ op maar echte mensen, die alleen andere mensen ‘betekenen’. Vraag naar de herkomst: Zou deze kunstvorm niet ontstaan zijn doordat feodale mensen naar de residentie trokken en hun land wilden ‘mee nemen’?
Ondertussen werden we uitgenodigd in de badkamer. Met ons drieën gingen we in het hete bad. Werkelijk, als ‘okyaku’ (zoals de tolk spelt) als gast voor een nacht wordt men feodaal verwend. Nu hurken we, (de vertaler, de Nederlandse afgevaardigde en ik) om de grote zwart gelakeerde tafel en wachten op het avondeten. ‘Oyushaku’ (weer voor ons gespeld). Gegeten: een serie gerechten, helemaal niet mini, maar ook niet in grote hopen. Zeer delicaat, de flinterdun gesneden rode vis die op zalm lijkt. Totaal een rijke maaltijd. Elk gerecht door de voor de tafel geknielde bediende geserveerd, alle met aanbevelende woorden begeleid en vraag naar wensen. De beschaving van de meisjes is ongelooflijk: ze zijn duidelijk zelfs hier in de kleine stad zeer belangrijke ‘cultuurdraagsters’ (wat een log woord voor [ 41 ] deze mengeling van zachtheid, frisheid, virtuoze verzorging en zelfverzekerd je vak uitoefenen). Als mensen van cultuur, op een gecultiveerde manier bediend willen worden, moeten ze ervoor zorgen dat de zorgzame bediening gecultiveerd blijft. In de oudheid was dat gebruik. Hier ook. In elk geval nog.
Nog iets over ‘filosofie van het eten’. Voor de Japanner is de wereld niet alleen zichtbaar, maar ook even totaal eetbaar. Het eetbare is niet de uitzondering, maar het niet eetbare. Wat een mengeling van nieuwsgierigheid en dankbaarheid ten opzichte van de volheid van wat de wereld te bieden heeft. Maar elk stukje is magisch bewerkt tot een kunstwerkje. De in zwarte schalen geserveerde soep leek op een vijver in de tuin; de pastabolletjes die erin drijven zijn van sojabonen als uit ivoor geslagen eilandjes. En het eenzaam in het donkere van de vijver rondzwemmende blad was een gedicht op de herfst. Schilderkunst, tuinkunst, lyriek alles vlak bij elkaar.
Om 11 uur ’s avonds door het donkere stadje, overal kun je naar binnen kijken, de argeloosheid is grenzeloos. Strand bij nacht. Kleine krabjes kraken onder onze voeten. Links vermoedelijk een stenen of betonnen muur. Zwaar stuivende branding. Ruikt naar Cuxhaven. Pootje baden. Hier zwom Lofkadio Hearn in voor-nucleaire tijden. Hij hield Yaizu voor de hof van Eden. Tempora mutantur.

Yaizu

Afgevaardigde L. is nog een van de weinigen die je kunt verschrikken en in beroering brengen. Bovendien (ik zeg ‘bovendien’ omdat het een maar weinig met het andere te maken heeft) bovendien schrijft hij gedichten. Vandaag ontstond de volgende pijnlijke situatie: Na een officieel etentje werd L, door een van de Japanse gastheren uitgenodigd om een paar woorden te zeggen. After dinner speech. Hij stond op en vroeg in zijn moedertaal of hij in plaats daarvan een paar coupletten mocht voordragen. Van een gedicht ingegeven door de beleving van Yaizu. De gedachte dat je iets ging declameren, en dan nog wel in een taal die niemand hier verstond, voor deze  Japanners, die smetteloos gekleed waren en de ceremonie van hun gastvrijheid uitvoerden, wees op een dwaze blindheid voor de atmosfeer. Dat de heren daar niet het minste van lieten blijken [ 42 ] , maar veel meer zijn ongepaste voorstel als een volkomen onverdiende eer verwelkomden, maakte de situatie zo mogelijk nog erger. En L. geloofde hun hoffelijkheid letterlijk. Het ongeluk viel dus niet meer te keren. Snel trok hij, een blijkbaar al voorbereid, papiertje uit zijn zak en gaf mij toen hij me aan het andere eind van de tafel ontdekt had (omdat ik de enige was die zijn taal verstond) een teken waarmee hij me tot zijn tolk benoemde. Verzet had geen zin. Hij had niet in de gaten dat ik misselijk werd van de pijnlijke situatie. Daar ging het onheil al van start. Bevend van duistere emotie en zwaar zwetend las hij – neen geen sprake van ‘lezen’ , veel meer steunen, fluisteren, schreeuwen; en wel steunen, schreeuwen fluisteren tegen mij; ik moest blijkbaar eerst aangestoken worden en daardoor in staat gesteld om dan de anderen in vuur en vlam te zetten. Of ik wilde of niet, ik moest wel meedoen.
Haastig probeerde ik dan mee te schrijven: metaforen die elkaar op de hielen zaten, rijmwoorden, kreten; en het koude zweet brak me uit toen ik bedacht dat ik er een voor het Japans te gebruiken Engelse vertaling van moest maken. Ik kwam niet op de gedachte om mij af te vragen of zijn dichterlijke ontboezeming een beetje deugde of niet. Wat voor nut zou het ook gehad hebben om onder deze omstandigheden te onderscheiden tussen goed en slechte poëzie. Een hymne a la Hölderlin zou hier helemaal niets beter zijn. Het zit hem in de situatie.
Dan is hij ineens klaar. Na een ogenblik van verlegenheid of geroerdheid applaudisseerden de toehoorders, zelfs enthousiast. En toen keerden ze allemaal hun stoelen naar mij.
Hoe gek dat ook mag klinken: als je een zaak door moet geven dan voel je je niet minder verantwoordelijk voor de kwaliteit ervan als wanneer het van jezelf was. Maar hoe zou ik, zonder de situatie nog erger te maken die al meer dan genoeg in de soep gelopen was, of hoe zou ik hebben kunnen verklaren zonder L. in diskrediet te brengen, om welke reden ik de verantwoording niet op me kon nemen? Ik stond dus op; ik durfde L. niet aan te kijken. Ik was vast besloten af te zien van pathos, ik zou niet fluisteren, zoals hij , ik zou niet steunen zoals hij, of schreeuwen. Daarmee was het me duidelijk [43 ] dat L. zich (ondanks dat ik uiterst solidair met hem probeerde te zijn) verraden en verkocht zou voelen. Maar dat hielp niets. Ik moest op een of andere manier beginnen. Voor zover zijn ontboezeming begrijpbare elementen bevatte vertaalde ik die in het Engels, maar natuurlijk in proza. – natuurlijk incorrect, zinloos proza. Behalve de Japanse tolk, die ik immers mijn versie moest leveren en die op zijn beurt mijn Engels maakwerk in een Japanse versie moest omzetten, zag ik niemand. En hem ook slechts onopzettelijk en een kort ogenblik.  Maar dat was al voldoende om me ervan te overtuigen dat hij ook al in paniek raakte, en dat de notities die hij probeerde te maken, net zo vergeefs zouden zijn als de mijne. Waarschijnlijk had hij een nog erger schrikbeeld voor ogen dan ik: namelijk de blamage door de hoge heren van wie hij afhankelijk was- maar zoals gezegd, het onheil viel niet meer te stuiten. Beter dan mijn best kon ik niet leveren, dus moest hij zich maar opofferen.
Toen ik bij de slotregel aankwam, die bestond uit : ‘Schelp, Schelp, Schelp’ besloot ik met de moed der wanhoop dit eind waartegen ik me niet opgewassen voelde, domweg weg te laten en ging abrupt zitten. Men klapte ook voor mij enthousiast, zelfs L. en de tolk deed daar aan mee, hoewel L. me met een ijzige blik even aankeek, en de tolk als een ter dood veroordeelde. Ik beantwoordde geen van beiden, maar concentreerde me op een kruimel op het tafelkleed, en genoot even van het feit dat het onwaarschijnlijke nu achter me lag. Hoe zich mijn betreurenswaardige opvolger eruit heeft weten te  redden en wat voor tekst hij heeft weten te bakken uit mijn vormloze deeg, weet ik natuurlijk niet. Het enige wat mij opviel was dat ik nooit in mijn leven iemand zo zacht, zo ongearticuleerd en zonder overtuiging heb horen spreken; en dat zijn bijdrage opmerkelijk kort was. Terwijl ik van het tien-minuten-gedicht van L. al een vijf minuten klein stukje proza had gemaakt, de tolk maakte er drie minuten van. Echt, van de vloedgolf uit de mond van L. bleef slechts een armzalig stroompje over en van korte duur.
Maar wat volgde was hoogst opmerkelijk. Want nauwelijks was de vertaler gaan zitten – net zo abrupt als ik, trouwens – [ 44 ] of er steeg een werkelijk overweldigend applaus op.- de hemel mag weten wat de verlegen fluisterende vertaler L. in de mond heeft gelegd. Wij konden dat natuurlijk niet controleren, vermoedelijk dankwoorden van Chinese hoffelijkheid. Hoe dan ook: zo was de situatie gered. L. was ervan overtuigd dat zijn gedicht ‘wel wat hebben kon’ dat iets van zijn gloeiende vonken ondanks de tweevoudige transmissie wel overgesprongen zou zijn. En toen men hem (weer met inschakeling van de Japanse tolk en mij) bedankte voor de ‘profound impression’ die hij had verwoord, begon hij zelfs wat te glimlachen.

Hoe afschuwelijk ook, de situatie was uiterst leerzaam. En eigenlijk zou ik L. er dankbaar voor moeten zijn. Waarom?
Poëzie is alleen poëzie in de eigen taal. Ze kan niet in een andere vertaald worden, zoals een ‘ik’ niet kan worden vertaald in een ‘hij’. En ‘mijn pijn’ niet in ‘zijn pijn’. Poëzie is het arcanum in de eigen taal.
Tegenwoordig echter is ‘mijn pijn’ ‘ons aller pijn’. Want we zitten allemaal ‘in the same boat’. Dat wil zeggen: wat er tegenwoordig gezegd moet worden, raakt ons allemaal. – En niet in de zin van elkaar treffen op een ‘meeting’ maar dodelijk treffen wij elkaar en worden we door elkaar getroffen- Allemaal, en niet zoals bij Poëzie alleen die paar van de taalgroep. Een soort Latijn zou vereist zijn.
Wel, wat de inhoud van de elegie van L. betreft, die was helemaal niet benauwd. Feitelijk appelleert zijn Yaizu-elegie ‘aan allen’. Maar omdat het idioom waarvan hij zich bediende slechts door weinigen begrepen werd, is de discrepantie tussen doel en middel van het appèl onverdraaglijk. Om niet te zeggen belachelijk. Je kunt niet duizend mensen in één taal die slechts drie mensen verstaan toeroepen: ‘Kom allemaal, want we zijn een!’
Met andere woorden: Dichten is tegenwoordig een provinciale aangelegenheid; de dichter is op zijn minst nu een dorpsfiguur geworden. Het is dus nu zaak naar Korinthe te roepen en naar Rome te schrijven. Het zou zinloos zijn dat in het Aramees of in het Hebreeuws te doen. Dat moet ons bij blijven. En dit inzicht sluit niet alleen het expliciete dichten uit – dat moet nu maar eens zwijgen – [ 45 ] maar ook veel andere manieren van spreken.
Zolang we in een één wordende wereld veroordeeld blijven ons te moeten redden zonder gemeenschappelijke taal ( de gemixte taal ‘Esperanto’ is dan geen echte oplossing)  zolang moeten we ons vastberaden tot een provisorische methode wenden. We moeten namelijk van meet af en bewust leren om in onze eigen taal vertaalbaar te spreken, neen, zelfs om te vertalen. Dus zo, dat wat we zeggen de taalriemen van de vertaling zo min mogelijk beschadigt. Ik vind dat het weinig zin heeft om te speculeren tot welk niveau dat kan lukken. Maar men moet het proberen. Gemeten aan het ideaal van de diepte van de moedertaal of de rijkdom van de beschaafde taal zal dat wel een verarming zijn. Maar een arm woord dat in de verte aankomt is rijker dan een rijk woord dat thuis verpietert en zijn doel mist. Ook het middeleeuws Latijn was verhoudingsgewijs arm. Maar het stelde Europa zeker. En het is helemaal niet bewezen dat dit ‘nieuwe Latijn’ schameler moet klinken dan de thans gesproken en geschreven moedertalen; blikkeriger dan het idioom van hen die de zuiverheid ervan beroepsmatig willen beschermen.
Maar het zal discipline vereisen om deze doeltaal goed te spreken, namelijk laconiek. En omdat je er nooit in kunt kletsen zal men ze waarschijnlijk als een pijnlijke eis zien en daarom in allerheiligste woede als heiligschennis tegen de moedertaal afwijzen. Maar deze woede mag ons niet kopschuw maken.  Of deze taal de geest van onze taal weerspreekt, dat ligt alleen aan onszelf. Omgekeerd is het zeer goed denkbaar dat de vereiste discipline een goede terugkoppeling heeft op de moedertaal. In de wereldliteratuur zijn er steeds weer taalcreaties geweest (niet kortlopende motto’s of fabels, maar echte teksten) die sterk genoeg waren om in welke taal dan ook vertaald, hun eigen kracht en waarheid te behouden. Epictetus is vertaalbaar; van de Duitse filosofen van nu geen.
Natuurlijk heb ik op de markt in Kioto en op het stationsplein van Yaizu die norm nog niet gehaald. Ik kan niet beweren dat wat ik bedoelde al puur ter vertaling klaar lag [ 46 ]. Ik ben veel meer daar de opdracht pas gaan zien. Maar nu, (vooral na die absurde situatie in Yaizu) nu ken ik de opdracht. En nu zal ik ook uit kunnen vinden welke syntactische krullen weg moeten en welke  mengkleuren weggelaten moeten worden opdat de tekening duidelijk en in andere talen kopieerbaar uitpakt.

Wie alleen zijn eigen taal beheerst, door zijn eigen taal beheerst wordt dus, zal het nauwelijks lukken de taalkundige wereldstatus in zijn eigen taal te bereiken. Want alleen wie voortdurend de kans heeft om zelf waar te nemen of wat hij zegt in een andere, ook door hem beheerste taal overeind blijft, of dat dat zich in onzin oplost, alleen die kan de nu vereiste status bereiken.
Dank L. voor zijn hymnische ontboezeming. Hij heeft me een por gegeven.

De volgende morgen hergroepering van de stoet. Mars door de vishallen. Bergen glazig en slijmerige  mij onbekende reuzenvissen. Ongelijkmatige spasmen geven de berg als geheel een amorfe levendigheid. Buiten de stad rechts het grijze strand; daarachter blinkend de zee. Enorme bruggen over de rivier. Naar de boeddhistische dodenheuvel op de andere oever. Daar een viering voor Kuboyama bij diens graf. Knielend tussen de beide vrouwen moet ik een ‘kodo’ , een wierookstaafje, in de aarde van het graf steken. De beide vrouwen bidden. In het midden, treurend en stom het wereldkind.
Terug. Overvolle trein. Urenlang een Japans jongetje, ongeveer drie jaar op schoot. Hebben samen geschilderd: zoals vader het met mij deed: schepen die vogels worden die zeilboten worden die gezichten worden. uit alles werd alles, de tovenaar Disney zou bleek van jaloezie geworden zijn. Hij babbelde Japans, ik Engels. Hij was geen moment verbaasd dat we twee verschillende talen spraken. Hij merkte het niet op. Hoera voor het voor-talige! [ 47 ]

Tokio

Hier wordt volgens onbevestigd bericht geleurd met het grote boek van Jaspers dat tijdens mijn verblijf hier uitkwam. Daarin de offer-theorie die in het atoomgevaar zit. Volgens Jaspers zouden er omstandigheden kunnen zijn waarin het onvermijdelijk is (in een andere versie zelfs ‘geboden) dat de mensheid het ‘offer’ van de mensheid maar moet brengen. Ik vraag her en der wie dan volgens Jaspers wie moet offeren. en aan wie het offer dan gebracht moet worden. Maar tot nu toe heeft geen van de colporteurs het boek zelf gelezen. Het kan gewoon niet waar zijn.
Of toch wel? Want het woord ‘offer’ kunnen de mensen zelf niet bedacht hebben. Zou er dan toch wat van waar zijn?
Als hij zich nou nog tevreden gesteld had met de nuchtere uitdrukking ‘zelfmoord van de mensheid’, dus: onder bepaalde omstandigheden zou het moreel onvermijdelijk kunnen worden (of zelfs geboden) dat de mensheid zelfmoord moest plegen – dat zou al zinloos genoeg zijn. Want dat miljoenen met kind en kleinkind in een atoomoorlog ten onder gaan, dat die miljoenen eraan zouden denken collectief er een eind aan te maken, daar kan toch geen sprake zijn. Zij zouden zich niet opofferen, zij zouden ‘geofferd’ worden. Het enige woord dat overblijft en de zaak niet beliegt is ‘moord’. Dus : onder bepaalde omstandigheden zou het onvermijdelijk kunnen worden de mensheid uit te moorden. – Belachelijk! Dat Jaspers moord als ‘onder bepaalde omstandigheden moreel onvermijdelijk (of zelfs geboden)’ neerzet, en dat omgemunt heeft tot een ‘zichzelf opofferen’ weiger ik te geloven zonder het zelf zwart op wit gelezen te hebben.
En zoals gezegd: ik heb geen adres: aan wie gaat het offer gebracht worden?
Hier wreekt zich dat iemand als wij die allang niet meer aan cultus doen, (zo iemand is Jaspers beslist) toch cultus-categorieën in de mond blijft nemen om van de pathoskracht ervan gebruik te maken. Voor wat voor vreemde, voor welke vergezochte doelen we deze woorden dan kunnen inzetten! ‘Offer’! Alsof dat begrip werkelijk een zin zou hebben, zonder de vooronderstelling dat er een God zou zijn aan wie het offer gebracht zou kunnen worden; en die deze gave eist; die ze aanneemt; die ze fijn vindt.
Onze ouders in de laatste eeuw, die hun geloof aan … verdund hebben tot een lege en onovergankelijke gelovigheid die waren al rijkelijk geseculariseerd. [ 48 ] Maar als die van dit toppunt van secularisatie zouden gehoord hebben, van dit Kafkaëske ‘offer zonder adres’, van dit ‘offer in de leegte’, zouden ze van schrik sprakeloos geworden zijn. Daarnaast zou hun ‘geloof in de leegte’ nog eens ongevaarlijk en zonder consequenties zijn!
Of zou het mogelijk zijn, dat Jaspers het adres niet weggelaten heeft? Zou hij het lef gehad hebben te beweren dat God onder bepaalde omstandigheden dit ‘offer’ zou toelaten, goedkeuren, of zelfs verlangen? En dat hem dat offer dan moest gebracht worden? – Ondenkbaar. Net zo ondenkbaar. Het ene net zo duister als het andere.
Als echter – wat ons bespaard moge blijven – als de colportage toch bewaarheid zou worden, als Jaspers toch van ‘offer’ heeft gesproken – ik vrees, ik vrees dat de kinderen van het conformisme dat graag zouden horen, en vooral natuurlijk de kinderen van de Bundestag. Want hun kan toch geen mooier geschenk in de schoot vallen dan zo’n diepernstige, plechtig klinkende existentialistische bas bij hun gemene politieke lied!
Onzin. Morgen zal het onzin blijken te zijn. En Jaspers zal gerehabiliteerd zijn. (e)

Gedachte in de nacht

Wie tegenwoordig zich beperkt tot de waarneming van wat op dat moment te zien is, mist de werkelijkheid. Want de realiteit gaat zwanger van het fantastische. Wie vandaag niet voldoende fantasie heeft, of wie uit angst zijn fantasie niet toestaat het fantastische op gepaste wijze voor te stellen blijft een dromer. De zogenaamde waarneembare wereld is een ivoren toren, empirisme is escapisme.– Echt zien is nu alleen maar mogelijk met gesloten ogen; en alleen hij is ‘realist’, die genoeg fantasie heeft om zich de fantastische toekomst uit te tekenen.

Tokio, na een van de talloze
bijeenkomsten van het voorbereidingscomité

Groeipijnen van de globaliteit. Moeite met het vertaalmechanisme: Eerst vraagt men iets in het Engels (dat wil meestal zeggen, dat men al iets uit zijn moedertaal vertaald heeft in het Engels) de Engelse vraag wordt in het Japans vertaald, de Japanse vraag wordt in het Japans beantwoord, en het Japanse antwoord verandert dan weer in Engels. – dan heb je het antwoord.[ 49 ]  Als je het hebt! Want hoe vaak gebeurt het (niet) dat de helft van wat je bedoelt tussen de raderen van deze moeizame overdrachtsmachine vermalen wordt. Tijdens de eerste zittingen had dat nog wel enige fascinatie voor me: er zat symboliek in het proces, schaalmodel van alle processen, die als ‘internationaal verkeer’ ,’uitwisseling’, ‘communicatie’ in de veeltalige wereld sinds jaar en dag plaats hebben gevonden en doorgaan. Schaalmodel dus van processen van wereldformaat. Maar na een week had ik het wel gehad met de symboliek. Sinds ik probeer punten in te brengen en er door te krijgen, waar in het programma niet op gerekend was, en die binnen het kader van het vocabulaire niet geformuleerd konden worden, sindsdien maakt deze omslachtigheid me razend. Ik heb nog weken voor de boeg. Wat een linguïstisch luilekkerland thuis,- daar vliegen je de antwoorden rechtstreeks het oor binnen.

Wat je nu leren moet: zo te spreken dat het gevaar van vervalsing minimaal wordt. In korte zinnen, waarvan ieder de uitspraak maakt die voor hem geldt en niet van andere zinnen afhankelijk is.
Moeilijke syntaxis, of redenering vol gecompliceerde samenhangen (in de trant van ‘en dit des te minder dan ‘) die worden steevast misverstaan, die verwarren de vertaler, bevreemden de luisteraars – kortom: die komen niet over. Eén enkel klein vertaalfoutje (of de verkeerde vertaling van ‘en dat des te minder dan’) vernielt de hele zin die van dat woord afhangt. De vertaler is zo goed als de vertaling van de kleinste woordjes en lettergrepen; maar een spreker is des te beter, naarmate hij aan een niet bijster goede vertaler genoeg heeft, hoe minder hij bloot staat aan misverstanden. – De toespraken van R. zijn daarom onder tafel geraakt, omdat hij deze fundamentele moeilijkheden van vertalen niet gezien heeft. Mijn knappe tolk verklaarde mij zelfs: ‘Als u een stevige, vloeiende Japanse vertaling wilt, geef me dan geen stevig en vloeiend origineel, maar schijnbaar los naast elkaar staande enkelvoudige zinnen: die vlecht ik dan wel samen; daarentegen kan ik een te stevig origineel niet meteen overzien, dat moet ik eerst uit elkaar halen in enkelvoudige zinnen’. Als voorbeeld stel ik me de film voor [ 50 ] die in de vorm van vele losse beelden ‘uitgezonden’ wordt, maar vloeiend op het oog terecht komt en daar als continuüm wordt begrepen.
Compleet dorps zijn zij die geen enkele vreemde taal beheersen. En dat niet slechts om technische redenen, niet slechts omdat ze voor elk woord op vertaling aangewezen zijn, maar omdat (ook als ze weten dat er andere talen bestaan) in hun eigen taal de taal zien. ‘Waarom noemen Fransen brood eigenlijk ‘pain’?’, vroeg de Elzasser boer, ‘het is toch echt brood.’ Zo zullen ze het niet vragen; maar hun taalgebruik berust wel op deze plattelandse uiting van identiteit,- daarover bestaat geen enkele twijfel.
Ze begrijpen al helemaal niet dat er tegenwoordig nog een extra stap vereist is. Briand heeft eens de toespraken in de Volkerenbond bespot met: ‘On parle Francais dans toutes les langues’. Een volgende stap is, dat je tegenwoordig dit bonmot moet omdraaien en er een regel van moet maken; dat wil zeggen: op internationale congressen moet men zijn moedertaal spreken ‘dans toutes les langues’ dus zo dat het gesprokene geschikt is voor vertaling in andere talen, minstens in de hoofdtaal van het congres. Slechts dan spreek je ‘zuiver; namelijk ‘vrij van plaatselijk aangroeisel’. Natuurlijk is met ‘zuiver’ hier iets heel anders bedoeld dan het nationalisme van de vorige eeuw bracht; maar ook dat zuiverheidsconcept was een tweede, het was ook al over lijken gegaan, namelijk over die van zuivere dialecten. Hoe provocerend dat ook mag klinken, ‘internationaal zuiver’, ik bedoel het niet slechts metaforisch. als een Deen zit tussen een man uit Indonesië en een uit Peru, en dan probeert zich in zijn moedertaal uit te drukken, wekt hij de directe indruk dat hij voor het betreden van de congreszaal verzuimd heeft het stof van zijn lokale vooroordelen van zijn voeten te vegen.

Er was iemand, die in een romaanse taal zijn rede besloot met het woordspel ‘scientia-conscientia’  dus dat weten slechts dan echt is, als het tegelijk geweten is. Dit woordspel, dat probleemloos naar het Duits is te vertalen, levert in andere talen natuurlijk niets op. Wat in zijn eigen taal een stukje vuurwerk is bleef in het Japans [ 51 ] duidelijk een blindganger. Woordspelen zijn , ook de diepste, provincialismes. (10) Als je ze in internationale kringen gebruikt, sluit je je van de globaliteit af, hoe globaal de inhoud en bedoeling van je rede ook mag zijn. 

Tokio. Voorbereidingscomité

‘Er worden hier twee doelen bij elkaar genoemd: het doel de atomaire dreiging uit te bannen; en de zelfstandigheid van volken die tot nu toe niet of slechts half soeverein waren te bevorderen. Voor ik mijn gedachten daarover geef, merk ik op, dat ik slechts hierheen gekomen ben voor dat eerste doel, ik ben niet competent voor dat andere. Nu ter zake.
Als je het woordje ‘en’ zet tussen de twee doelen, kun je de verhouding van die twee tot elkaar geestelijk noch politiek de baas. ‘En’ blijft een plechtige bezwering’. (verbazing).
‘Ik ben blij dat ik me in de vele voorafgaande bijeenkomsten zo heb laten kennen dat men mij niet verdenkt van ‘antiprogressieve’ doeleinden. Wat ik u vraag is dit: Uw eis van soevereiniteit een pendant te geven in de vorm van reductie van soevereiniteit. Als we dat niet doen komen we met onszelf in tegenspraak. Ik bedoel het volgende:
Het principe soevereiniteit heeft een dialectische verandering gekregen. Want soevereine acties zijn inmengingsacties geworden: inmenging in de soevereiniteit van andere, alle staten. ‘Inmenging’ zijn bijvoorbeeld de ‘nucleaire proeven’, die formeel wel onder de competentie lijken te vallen van soevereine staten, (omdat ze plaatsvinden in of boven hun grondgebied, bv. Siberië); maar in feite schenden ze de rechten van andere staten, omdat de effecten ervan niet binnen hun eigen grenzen te houden zijn. Het formeel-juridische begrip soevereiniteit is verouderd; omdat dergelijke acties (onvermijdelijk) andere staten mee-treffen, zijn die ook inbegrepen. Het begrip moet zich aanpassen aan de veranderde techniek. Als de actieradius (namelijk van onvermijdelijke omvang van de effecten)  verandert (zich verbreedt) van op soeverein grondgebied uitgevoerde acties , dan verandert ook [ 52 ] (vermindert!) de soevereiniteit van de buren. In het gebruikelijke concept soevereiniteit werd stilzwijgend verondersteld, dat wat op het soevereine grondgebied A gebeurde de andere staten B – Z niets aanging, omdat de effecten van die handelingen van staat A die andere niet raakten. Vooropgezet was dus het samenvallen van plaats delict en plaats van lijden. Een vooronderstelling die al sinds lang door het gebruik van verreikende artillerie, ongeldig begon te worden. Maar nu (want nu worden er anderen ook getroffen waar je niet op richt, zelfs als je bewust probeert ze niet treffen) heeft het zijn geldigheid geheel verloren. Schending van soevereiniteit in de huidige betekenis is daar waar een staat acties onderneemt die effecten meebrengen in andere staten. Als criterium voor het schenden van soevereiniteit moet nu niet meer gelden de plaats delict maar de plek waar men eronder te lijden krijgt. Negatief geformuleerd: geen staat mag het soevereine recht hebben op handelingen die andere staten beschadigen. (11)
Daarmee ben ik bij de stelling waar ik naartoe wilde: Als we (zoals wij doen) ‘nucleaire controle’ eisen dan moeten we meteen ook een herziening c.q. een beperking eisen van het soevereiniteitsprincipe.’

Tokio. International House

Ik raakte toevallig betrokken bij een ‘religie-gesprek’. Een Amerikaanse zakenman en een Japanse historicus discussieerden.

Z(akenman): Eerlijk gezegd maakt het me somber om te zien dat zoveel Japanners, vooral academici, volledig atheïst zijn.
H(istoricus): U moet niet vergeten dat voor ons atheïsme niets nieuws is. Boeddhisme was van huis uit atheïstisch.
Z.: Uw religie – atheïstisch?
H.: Zeker, maar niet in de betekenis die u eraan geeft. Want wij hoeven de godsvoorstelling die u, zelfs als u die ontkent….
Z.: Ik zou die ontkennen?
H.: die de Europese atheïsten , zelfs als ze dat ontkennen, nog steeds vooronderstellen, helemaal niet hoeven te ontkennen.. Vermoedelijk was bij ons met onze boeddhistische achtergrond de stap naar modern atheïsme minder opwindend, minder revolutionair en minder ketters dan bij U. Misschien was het zelfs [ 53 ] ook maar een overstap: van de ene variant van atheïsme naar een andere.
Z. : Overstap klinkt vreemd. U zou dus niet willen beweren dat het Marxisme uw traditie afgebroken heeft?
H.: Hoe komt u nu ineens op Marxisme?
Z.: Wat anders? Door wat anders zou – hoe formuleerde u het ook alweer? – zou de ene variant verwisseld zijn voor de andere?
H.: Door het Marxisme? Waarom daardoor? Dan moet u toch een beetje dieper peilen, ben ik bang.
Z.: Wie ziet U dan als de schuldige?
H.: Schuldig niemand. Maar als wij atheïstisch geworden zijn in uw betekenis, dan komt dat door U.
Z.: Door ons?
H.: Mensen zoals U. Namelijk door hen die ons de natuurwetenschappen hebben gebracht en techniek. Want natuurwetenschappen en techniek zijn atheïstisch.
Z.: Dat is toch wel een grapje, zeker! Ik ben opgegroeid tussen broers en neven die techniek en natuurwetenschappen beoefenen, maar heb nooit een atheïstisch woord uit hun mond gehoord.
H.: Dat kan. Ik geef dat toe, de meesten zouden dat afwijzen. Velen zelfs ontzet.
Z.: Maar?
H.: Ze hoeven helemaal geen uitdrukkelijk atheïstisch credo te formuleren; ze praktiseren zo’n credo. Dat is veel meer. Heeft veel meer impact ook.
Z.: Praktiseren?
H.: Behandelen uw broers in de instituten en uw neven in hun workshops de processen in de wereld als processen die aan God gehoorzamen?
Z.: (aarzelend)  Uiteindelijk wel.
H.: Heel blij klinkt dat niet. U bedoelt natuurlijk: ‘hoogstens tenslotte’; en : ‘alleen in zoverre als ze juist geen natuurwetenschapper of technicus zijn´. Op Zondagen. Maar op werkdagen rekenen ze erop dat processen gehoorzamen aan wetten. Wetten die, of ze nu door God gemaakt zijn of niet, gelden. De jonge Boeddha moet [ 54 ] gezegd hebben: Of God bestaat of Goden bestaan, gaat ons niets aan. Dat zouden uw broers en neven zonder meer kunnen onderschrijven. Minstens op werkdagen. Minstens zo lang ze werken in hun instituten of workshops. En die instelling hebt U ons gebracht.
Z.: Maar bovendien hebben we u het Christendom gebracht.
H.: Bovendien.
Z.: Waarom herhaalt U dat?
H.: Omdat het verkeerd klinkt. – Als u me zou vertellen dat Engeland niet alleen katoen heeft geëxporteerd, maar bovendien wol. dan zou dat kloppen. Twee onderscheiden waren. Maar in ons geval gaat het niet om twee aparte waren, maar om twee wereldbeschouwingen. Om een naturalistische en een supranaturalistische. Die spreken elkaar tegen. Waarom zou u verwachten dat een van deze twee van uw importen geen uitwerking zou hebben?
Z.: (bleef stil)
H.: Laat me nog even op het begin terugkomen. Het lijkt me niet terecht dat U het Marxisme verantwoordelijk maakt voor het (voor u zo droeve) feit dat zovele Aziaten, met name academici, een naturalistische filosofie volgen. Het Marxisme was maar een kleinkind van het door u geïmporteerde naturalisme. Wel een bijzonder kleinkind: het sprak openlijker dan zijn stille voorouders en zijn broeders. Het formuleerde de heimelijk religieuze of zelfs irreligieuze principes van natuurwetenschappelijke of technische daden openlijk als theorie. Het klapt dus uit de school van de praxis. De school van de eeuw. Op grond daarvan kreeg dit kind zoveel aanhangers. Maar als u dat kind in de schoenen wilt schuiven, waarvoor de stille voorouder de verantwoording draagt, dan moet ik als historicus, als niet marxistisch historicus trouwens, maar vooral als liefhebber van historische waarheid, protest aantekenen.
Na dit gezegd te hebben nam hij afscheid en ging weg.
‘Wat jammer, zo’n geleerde man’, wendde de zakenman zich nu tot mij. Natuurwetenschappen. Wat begrijpen culturen elkaar moeilijk! Wat [ 55 ] een kloof tussen de continenten! Techniek! Waar staat die man wel? Maar we mogen de hoop nooit opgeven.’
‘Nooit’ echode ik.

Tokio

In de loop van de discussies krijgt mijn voorstel om een door iedereen te onderschrijven ‘moraalcode voor het atoomtijdperk’ op te stellen steeds een vreemde onzekere echo. De reacties slaan uit van argwaan naar bewondering. Het ene net zo zinloos en zonder reden als het andere. Maar dat iemand die geen opdracht daartoe had vanuit enige organisatie, die hem afvaardigde en zich ook niet op een beweging, partij of doctrine beriep een project op tafel legde, verblufte hen. Ze weten niet precies of ze mij als een kwakzalver moeten zien, die supergeheimzinnig zijn kaarten tegen de borst houdt, of toch als iets speciaals (de ‘uitvinder van een nieuw systeem’). Ik vraag ze een volgende stap te zetten: mijn voorstel te beschouwen als een meer of minder goed bruikbaar idee, en pro en contra af te wegen, maar dat gaat maar moeilijk. Het verzet zit niet in gebrek aan intelligentie, integendeel: intelligentie en het niveau van vorming zijn zeer hoog in het voorbereidingscomité; eerder zit het in die intelligentie: ze zijn slim genoeg om sceptisch te staan tegenover hun eigen vermogen om iets vreemds een plaats te geven. Sommigen geven dat ook open en vriendelijk toe en ik leg uit dat ik hetzelfde voel ten opzichte van hen; daarom is de situatie op zich niet kwetsend.

Tokio

Men heeft me gevraagd of ik mijn idee van die Codex wil voorleggen aan twee professoren in de filosofie om hun deskundig oordeel te krijgen. Daar het mij onbekend was (en nog is) waar die beiden ‘staan’, was dat een grote gok. Ik stelde op de voorgrond: de huidige situatie. Dus de mogelijkheid van zelfvernietiging der mensheid. en dat geen enkel ethisch systeem dat had kunnen voorzien. Onontkoombaar dat er aanvullingen en wel (omdat we er allen even erg en op dezelfde wijze in betrokken zijn) gelijke aanvullingen komen. Ik las ter illustratie  een paar paragrafen uit de ‘atoomstellingen’ voor uit het FAZ-artikel. [ 56 ]
‘En de atoombazen gaan dan uw eisen meteen opvolgen?’ reageerde een van hen ironisch.
‘Natuurlijk niet’, antwoordde ik. ‘Zo eenvoudig verloopt de geschiedenis niet. Als de maatregelen waarvan de heersende partijen ons proberen aan te praten dat ze ethisch geboden zijn, op grond van een wijdverbreide morele Codex als onethisch gelden, dan staan zij die ermee dreigen al in een veranderd ethisch klimaat.’
De andere wilde iets weten over de verhouding tot bestaande godsdiensten.
Antwoord: geboden en verboden moeten zo geformuleerd worden, dat ze heel natuurlijk passen in bestaande ethieken. – wat echter niet betekent dat het met behulp van wat taalkundige trucjes kan of mag gebeuren. Dat is trouwens ook overbodig want er is geen enkele religie die zich niet verzet tegen chantage op of genocide en zelfs uitroeiing van het menselijk geslacht. Afgezien van politieke machtsvisies die tot pseudo-religies werden, (zoals het Nationaalsocialisme).
Een derde vraag was uitgesproken filosofisch: de ‘Gretchenfrage’ : ‘En hoe denkt u  vooral gezien de veelheid aan religieuze vooronderstellingen te funderen dat uw geboden gehouden moeten worden? In elk absolutum wilt u de geldigheid van de atoomgeboden vastleggen?’- Ik: ‘Überhaupt niet’. Om dat te verduidelijken gebruikte ik de term ‘metafysische ascese’. en sloot af met: ‘Als het brandt mag men niet naar de legitimiteit van de brandweer vragen.’ – Komisch genoeg was het dit niet bepaald academische laat staan diepzinnige antwoord, wat me hun eerste sympathie opleverde. Misschien heeft het de klank van een of andere volkswijsheid, of een boeddhistisch motto. In elk geval grijnsden ze wat en namen vriendelijk afscheid. – Ik denk dat de kansen gunstiger worden.

Tokio

Lunch in ‘International House’ met een aardige Collegeprofessor Economie. – Als ik aan het eind van de lunch de definitieve stop van ‘proeven’ eis, noemt hij me een utopist. Daarop volgt dit gesprek:
Ik: Wat verstaat u onder een ‘utopist’?
Hij: Mijn god, wat iedereen eronder verstaat: een man die rechtstreeks op een droomwereld mikt.
Ik: En wat is ‘rechtstreeks’?
Hij: Zonder zich af te vragen of er wel wegen denkbaar zijn die uit de huidige toestand naar zijn gedroomde wereld kunnen binnen leiden; of hoe deze wereld te bereiken valt of zich laat verwerkelijken. En hij doet niet aan omwegen, iets dat indirect naar het doel leidt. Maar zelfs aan zijn programma vasthoudt als men hem bewijst dat er onmogelijk wegen zijn.
Ik: Dus een verstokte dromer.
Hij: Exactly.
Ik: Daar moest ik me even van vergewissen om de tweede vraag te stellen. Hebt u de Apocalyps geaccepteerd?
Hij: Zie ik er zo sceptisch uit?
Ik: Laat uw gezonde kleurtje maar zitten.- Rekent u ermee, dat onze globe in 1970 of 2000 onbewoond en zonder dat iemand ervan weet als een dode ster rond de zon cirkelt? Ja of Neen?
Hij: (lachend) Neen.
Ik: Verbazingwekkend.
Hij: Waarom?
Ik: Omdat U daarmee toegeeft dat u de utopist bent.
Hij: Ik?
Ik: Ja natuurlijk. Want u gaat af op een volledig imaginair doel. En wel – uw definitie – geheel rechtstreeks. Dus zonder u af te vragen of er wel wegen denkbaar zijn die uit de huidige situatie naar uw imaginaire wereld kunnen leiden; of op welke wegen die wereld zich zou laten realiseren.
Hij: En wat zou dan mijn denkbeeldig doel zijn?
Ik: Het bestaan der mensheid overmorgen, dat bezien vanuit de huidige situatie eenvoudigweg een fantastische onwaarschijnlijkheid is.
Hij: (met gefronste wenkbrauwen) U zet alles op zijn kop.
Ik: Ik niet. Merkt u niet dat u achterloopt? Hoe jammerlijk u achter de feiten aanhobbelt?
Hij: Ik loop achter? Dat vond nog niemand. In hoeverre? [ 58 ]
Ik: Omdat tegenwoordig niet meer iemand een utopist is als hij er genoeg aan heeft zich een niet bestaande droomwereld in te beelden; maar omgekeerd hij die zich dat wat morgen misschien of waarschijnlijk er niet meer is, als wel bestaand voorstelt, als nog-bestaand; en dat doet zonder enige rechtvaardiging. Niet degene die gelooft dat de wereld van nu vervangen wordt door iets dat er nog nooit was; maar omgekeerd hij, die aan het nog-bestaan gelooft zonder vragen (uw woorden). U weet wel.
Hij: U bent een sluwe vogel.
Ik: Dat is geen antwoord op wat ik gezegd heb.
Hij: Maar U bent echt een vreemde vogel.
Ik: Mijn geval staat hier niet ter discussie. Maar het uwe. En nog wel veel erger. Want u beperkt zich niet ertoe om niet erover na te denken of er wegen zouden kunnen zijn, die naar uw ideaal van er nog zijn, zouden kunnen leiden, of welke weg dat zou kunnen zijn; u bepleit zelfs (als men gewoon meelopen bepleiten mag noemen) u bepleit zelfs het doorgaan met die proeven, proefvluchten, productie van atoomwapens, ‘verbetering’ ervan , levering ervan aan andere landen en nog zo wat – kortom: de weg die omgekeerd voert naar de zelfvernietiging van de mensheid, en die het voortbestaan van de wereld als een outopos links laat liggen. En ondanks alles dus hoewel u alles doet om realisatie te voorkomen, desondanks gelooft u aan het voortbestaan van de wereld, U, malle dromer. Uw hele optimisme berust op niets anders dan op een weglating: u stelt zich de dreigende irrealiteit van de wereld niet voor de geest. Waarom niet : of u bent ‘gewend aan het zijn’ om dat te kunnen doen; of u bent te onzelfstandig of te lui of te laf – dat kan ik, als vreemde, niet onderscheiden.

Tokio

Mijn plan is aangenomen. Er wordt dus een derde commissie toegevoegd aan de oorspronkelijke twee: over ‘New moral obligations of man in atomic age’. Ik moet die openen, als bij een seminarie, met een openingsrede. – Wat bij deze positieve beslissing de doorslag heeft gegeven is niet helemaal duidelijk. [ 59 ] Behalve mijn argumenten vermoedelijk ook een tactische overweging: Het Japanse karakter dat het woord ‘moraal’ moet weergeven, is door de juridische kringen die de herinvoering voorstaan van het sinds 1945 afgeschafte keizerlijk-shintoïstische moraal-onderwijs gemonopoliseerd. Door overname van het thema en het gebruiken van het woord zullen thema en woord wel gede-monopoliseerd worden.- Ik vind het prima. De hoofdzaak is wat men ervan maakt. [ 60 ]

deel 2

Hier lag eine Stadt.
Hatte einen Namen.
Schutt und Asche – amen-
blieb an ihre statt.

Die noch gestern hier
Gingen und kamen
Liegen heute – amen-
Unter Ihr

Keiner rühr’ sie an.
Dasz ihr nackter Rahmen
zeige was Ihr – amen –
Selbst euch angetan.

‘Tafel auf einem (deutschen) Schutthaufen’ 1945

In de trein naar Hiroshima

De bom – qua explosiekracht vergelijkbaar met een ‘tactisch’ kernwapen van nu – explodeerde op 6 augustus 1945 om 8.30, 66 meter boven het Shima-ziekenhuis in Saiku-machi. – Hitte ontwikkelde zich naar 50 miljoen graad.

Op de dag van de catastrofe aantal inwoners: 250.000 Plus 150.000 gelegerde soldaten en vreemdelingen. Samen 400.000.

Doden (inclusief die tot 1950): 282.000 (12)
Opgesplitst in  tijd: 50% op de dag van de catastrofe zelf. 35% in de drie maanden daarop 15 % sinds november 1945. Overlevenden inclusief gewonden 158.000.

Ziekten bij de overlevenden: Bloedziektes (Perniciöse anämie, leukemie); littekens door verbrandingen van tumorachtige huidwoekeringen ) Leverziektes; staar; neuroses.

Deze gegevens ‘vluchtig’ doorgelezen. Maar zelfs bij het overnemen ze niet gevat. Wat een vreselijk woord: ‘vluchtig’. Want zo zonder het te vatten, vloog de bommenwerper over de slachtoffers, die achterbleven.

Hiroshima

’s Nachts in de trein, 83 graden hitte, met z’n zessen in een slaapwagen, tegenover mij een schrijfster uit Birma, zelfs zij steunend van de hitte. Urenlang begeleid door kwakende kikkers in de bevloeide rijstvelden. Blinkend helder stationsplein. Huizen als in modern Los Angeles. Schande: niets bewijst Hiroshima. Het zou Burbank kunnen zijn of San Fernando. Busreis. Je herkent de plek zo helemaal niet, dat R. begint te zingen hoewel je over tweehonderdduizend verbrande mensen rijdt. Hij weet het maar snapt niks. – Hotel heet: ‘Nieuw Hiroshima’. Of naïevelingen die naam gegeven hebben, dan wel cynici weet ik niet. Vermoedelijk foute vraag.  Er zijn omstandigheden waar naïef zijn in cynisme overgaat.
In de hete middag, samen met K, een vriend van Jungk, langs het gedenkteken over de brug de stad in, die niets verraadt van de catastrofe, aan mij tenminste niet. Anderen misschien, de inwoners zeker. Want O., die hier vandaan komt, maar op de dag van de catastrofe als jonge soldaat ergens door China marcheerde, verklaart ‘hier’ niet opgegroeid te zijn. Eigenlijk stond op deze hoek iets heel anders, en daar aan de overkant bij de brug weer iets anders. Allemaal vreemd, niets klopt. [ 62 ]
Die vreemdheid van O.  ken ik ook! Zijn ervaring van ‘niet daar te zijn waar je bent’ kennen wij bewoners van herbouwde steden zo goed, dat het zijn ergste verschrikking al bijna verloren heeft. Ja we zijn gewend aan gruwel. Ook toen O., midden op de brug stokstijf staand, uitriep: ‘Ja, toen ik de stad weer zag, toen ze nog in puin lag was ze er nog. Maar nu!’ – dat ken ik. Want herbouw is verwoesting van de verwoesting, dus het toppunt van verwoesting.  Eenvoudig ongelooflijk, die overeenkomst tussen hun situatie en de onze, tussen hun ervaring en de onze. Er is een algemene noemer van allen wier verleden verwoest is; van allen wier verleden verraden is. Toen ik hem een verdrietige zienersblik gaf, fluisterde hij (NB de Japanner tegen de ex-emigrant, en dan nog in het Engels) ‘Bedrogenen aller landen, verenigt u!’ Waarachtig, de wegen van het globalisme zijn wonderbaar.

Neen, ik kan niets zien van wat er gebeurd is. De zichtbare dingen: de nieuwe huizen, die verstoppen wat geweest is precies zo, als de kranten dat doen of in de gesprekken van alle dag. Alles schijnt ‘zeitneutral’ te zijn, dat wil zeggen: alles ziet er uit alsof het er al sinds ooit zo bijstond; het heden vermomt zich als ‘altijd al zo geweest’; en dit schijnverleden overwoekert wat er werkelijk is geweest. Geschiedenis wordt met terugwerkende kracht vervalst; en wel door de geschiedenis zelf (want de herbouw is natuurlijk ook geschiedenis) – geschiedenis is zelf vervalsing.

Als ik door de straten en  bazaars van de stad slenter – zoals gezegd dat zouden straten en bazaars van iedere andere Japanse stad van een kwartmiljoen inwoners zijn- is er voor mij alleen ‘het’ en ‘zij’. Anders kan ik het niet uitdrukken. ‘Het’ is wat er hier dertien jaar geleden gebeurd is; ‘zij’ zijn de tweehonderdduizend die hier onder me liggen; dat vleesgeworden en nauwelijks uitgegraven Pompeii. Noch van ‘het’ is ook maar het minste zichtbaar, noch van ‘hen’. Om het te ervaren ben je op jezelf aangewezen; op je vermogen om de vergelijking: ‘hier is het waar…’ alsmaar te realiseren. Elke minuut moet je je daarover tot de orde roepen. [ 63 ] Want onophoudelijk word je door de zogenaamde werkelijkheid verhinderd om de werkelijke werkelijkheid levend te houden.
Je kunt je afvragen of het nodig was hier heen te gaan. Want het gevoel dat hier bij hoort wordt niet gedicteerd door de waarneming. Maar van het weten, – en je weet het wel, ook zonder er fysiek te zijn. Het is wel mogelijk dat sommigen die hier komen, juist door de aanblik van het huidige Hiroshima verhinderd worden tot het juiste weten te komen, tot de juiste pijn. Dat komt dan omdat ze eraan gewend zijn dat de waarneming als zodanig sterker binnendringt dan als je het je alleen voorstelt; maar als ze hier op die waarneming vertrouwen blijkt die slechts onschuldige dingen te leveren. Morele voorwaarde voor de waarheid is tegenwoordig de voorstelling. Dat is even een omkering van de normale verhoudingen! Hoe absurd! Ik heb als student in eindeloze colleges fenomenologie geleerd dat zich elke voorstelling ‘had te vervullen’ in de ‘origineel gegeven’ acte van waarneming. Wat zou Husserl gedacht hebben, als hij gehoord zou hebben van feiten die zich (indien al) slechts door voorstelling ‘als zichzelf geven’? En van waarnemingen die eerst dan helemaal helder worden, als ze zich in voorstellingen vervullen? Ook ik ben sprakeloos, ook al heb ik al jaren geleden ‘opvoeding tot fantasie’ als de taak van heden heb aangemerkt.  Nodig is de discipline van ‘constant daar aan denken’ en ‘volhouden’ zonder zich door welke waarneming dan ook te laten bedriegen of te irriteren. Behalve V. en mij is deze taak blijkbaar niemand bekend. Steeds weer vallen ze (en ik ook vaak) terug in vergeten.  In de hal van het hotel spelen ze bijvoorbeeld kaart. Maar welk recht heb ik ze daarvoor te kapittelen? En wie schiet daar mee op? Want echt geholpen is niemand door de alertheid van ons denken; en attente pijn heeft ook nog niemand echt levend gemaakt.
Maar als het je lukt geen ogenblik te vergeten waar je bent, dan geschiedt het wonder dat deze bodem voor jou gewijde grond  wordt. Waarom is moeilijk te beantwoorden. Want waarom zouden mensen heilig worden doordat aan hen de uiterste misdaad is begaan, of op zijn minst de grond waarin ze liggen? Maar de plaatsen waarop Concentratiekampen stonden hebben die verandering ook doorgemaakt. – [ 64 ] Een waarschijnlijk niet toereikende poging tot verklaring: misschien is de misdaad zo over alle maat dat je ze slechts met religieuze, zij het negatief-religieuze categorieën de baas wordt, dus een luciferiaanse gebeurtenis; en de onschuldige slachtoffers van deze luciferiaanse gebeurtenis die zijn nu door de religieuze kwaliteit van de misdaad enigszins aangetast. In elk geval is me nog nooit zo duidelijk geweest als hier hoe dicht het gruwelijke naast het heilige kan liggen. Maar het gaat niet om mijn beleving, maar om de universaliteit van deze beleving en om de bestendigheid. Die vast te stellen is de taak.
Ik raakte in gesprek met een lokale redacteur van een krant, uitstekende man, hoog intelligent, en evenzo fijngevoelig. Hij vroeg me het een en ander en ik gebruikte de uitdrukking ‘allen hier’. Ik maakte daarbij niet alleen de gebruikelijk beweging naar links en rechts maar aanvullend ook een beweging naar beneden omdat ‘de doden hier een groter leger’ zijn dan de levenden. Waarop hij het hoofd boog en zei:’Arigató gozaimasu’ , wat naar men mij vertelt een zeer hoffelijk ‘Dank u’ is.

De gelijkenis met Los Angeles was niet slechts bij eerste oogopslag frappant, integendeel: elk moment wordt ze onverdraaglijker. En ze bereikt het hoogtepunt als men het symbolische centrum van Hiroshima doorkruist, het plein waar het gebeurd is, ‘het’. En daar staat nu het gedenkteken.
Afbeeldingsresultaat voor Hiroshima statue of peaceDit ‘teken’ die heel bekende betonnen boog van de foto’s is geen ‘toren’, geen ‘vredestoren’, zoals de Amerikanen het noemen. Eerder een brug (als je iets dat van nergens komt en nergens naartoe leidt zo mag noemen). Maar hoe je het ook wilt noemen, het is moreel ongepast en als gedenkteken ontoereikend. Een omheind niets zou veel dieper indruk maken en met veel meer nadruk vermanen. Neen, het is eenvoudigweg een zinloos ding. Je ziet wel dat het iets moet betekenen; maar alleen omdat iets wat geen functie heeft altijd de indruk maakt van symbolisch te zijn; en omdat, zo denkt men, wat zo duidelijk onbruikbaar is, op zijn minst ‘diep’ moet zijn. Wat het betekent blijft echter een raadsel. Juist daardoor maakt het ding een Amerikaanse indruk. Om de volgende reden:
Zoals bekend heeft Amerika in de jaren veertig er de hoogste waarde aan gehecht (en dat zelfs in ambtelijke stukken, ja in door het departement van oorlog uitgegeven tijdschriften) [ 65 ] objectloze kunst te propageren; ze waren er zelfs trots op door deze kunstwerken ( dus door het na-apen van een stijl die twintig jaar eerder in Europa was ontstaan en die daar en toen een onbetwist recht had van bestaan als waarschuwing vooraf voor een in scherven vallende wereld ) te bewijzen dat het cultureel up-to-date was. Deze vertraagde officiële voorliefde voor vernietiging van voorwerpelijke vormen in de kunst ( c.q. de propaganda voor het genieten van deze vernietiging en de bespotting van hen die deze kunstprogressie niet meemaakten) ging historisch synchroon met de daadwerkelijke verwoesting van de wereld; dat kan geen toeval zijn. Het is evenmin toeval dat de verwoesting van de wereld, waarvoor hier in Hiroshima de generale repetitie is gehouden, haar monument gekregen heeft in een ‘non objective object’.
Ik weet wel dat het ontwerp voor dit monument niet op een Amerikaanse tekentafel is ontstaan, maar op een Japans. Maar dat komt op hetzelfde neer. Overwonnen nemen de stijl aan van de overwinnaars, om hun bereidwilligheid te tonen tegenover hun kunstwerken; dat is in de historie heel normaal. Deze vaststelling is niet als verwijt bedoeld. En natuurlijk wisten de Japanners ook niet, dat ze door deze ‘brug’ te bouwen een namaak namaakten; al helemaal niet door terug te grijpen op een traditionele vorm van huis of brug de vanouds bij hen thuis was. Ze konden zichzelf aanpraten dat ze op de plek van de dood tenminste hun kunst konden laten overleven. Dit ding is niet te overtreffen als deprimerend voorbeeld van hoe de kunstgeschiedenis werkt. Als waarschuwing is het echter een niets.

Dit niets is het middelpunt van Hiroshima. Want die andere ‘musts’ staan hier ook: het chique hotel ‘New Hiroshima’, en het niet minder chique atoommuseum. Dat die twee als elkaar mooi aanvullende tweelingen gebouwd werden, werkt erg zinvol. Hoe dan ook: alles ligt praktisch naast elkaar opdat de bezoeker niet te veel moeite heeft en opdat hij ter plaatse waar het einde der tijden werd aangekondigd, in vredesnaam maar niet te veel tijd hoeft te verliezen. Met monument, hotel en museum heeft hij alles bij elkaar wat hij nodig heeft om er geweest te zijn. Hij kan ‘Hiroshima doen’ in een enkel uur; waarvan hij de helft voor het museum boekt, vooral – [ 66 ] dat de keuze voor deze beeldafdeling op deze stad is gevallen, is werkelijk ingenieus – op de afdeling van de blijde vooruitgang, waar de onvergelijkelijke schoonheden getoond worden van vreedzaam gebruik van atoomenergie. Wat na dit hartverwarmende ‘shot in the heart’ van de dag overblijft, dat kan hij dan gebruiken om op de schilderachtige weg langs de binnenzee naar Miyajima te rijden, waar hij zijn auto kan laten staan om op het veer over te stappen dat naar het eiland Itsukushima, dicht bezaaid met bazaars, vaart; en daar tenslotte de Shinto tempel te fotograferen die direct in het water gebouwd is. Een Paalgebouw. Drie sterretjes.
Neen, wandelaar,- niet naar Miyajima ; vergeet Itsukushima; blijf hier! Blijf hier, wandel over de straten en bruggen. Bedenk, waar je loopt, waarover en over wie. En bedenk dat niets van wat je ziet de realiteit is. Reëel is slechts het feit dat je de werkelijkheid niet ziet, en dat je de werkelijkheid niet meer zien kunt. Sluit je ogen en vertrouw je voorstellingsvermogen/fantasie. Want alleen onverschilligen vertrouwen vandaag  hun ogen.

Hiroshima, 6 augustus

Tijdrekening: 6 augustus 1945 is het dag nul. Deze dag, toen bewezen werd dat de wereldgeschiedenis misschien niet verder gaat, dat wij in elk geval in staat zijn de draad van de wereldgeschiedenis door te knippen, heeft een nieuw tijdperk in de wereldgeschiedenis gemarkeerd. Een nieuw tijdperk, ook als is het wezen daarvan  dat het misschien geen stand houdt. Wij leven in het jaar 13 van het onheil. Ik werd geboren 43 vóór het onheil. Mijn vader die ik in 1938 begroef, stierf in 7 voor. In een ander tijdperk.

Hiroshima, verjaardag. Begin van het jaar 14

Net terug van de officiële herdenking. In de open lucht onder strak blauwe hemel. Op de anders lege, en met mensen overdekte plek waar ‘het’ gebeurd is. Om acht uur ’s ochtends begonnen, dus op dat moment dat ‘het’ gebeurde.
Op de voorste banken genodigden, vertegenwoordigers uit de provincies, van steden, kerken, het hof, wij officiële gasten, waaronder marine officieren uit India [ 67 ] (zeker uit Nagasaki ingevlogen). Boven ons hoofd, zeer symbolisch, vliegtuigen. Toen het moment aanbrak, verstomde alles. Muziek. Treurmars van Chopin. Wonderbaarlijke onsterfelijkheid! Maar als treurmuziek voor tweehonderdduizend niet passend. Deze muziek schijnt een enkele dode, een hoogwaardigheidsbekleder te begraven. Kransen gelegd, toespraken, koren. Alles volgens star ritueel. Dat is goed. Want dat is een zekering tegen wat anders mateloos tot uitbarsting kan komen. –
Beklemmender echter dan dat alles, was wat niet gebeurde. Wat niet gebeurt kan een gebeurtenis worden die zo onverdraaglijk wordt , dat het alles wat in werkelijkheid  geschiedt gewoon uitwist. En dat was hier het geval. Hoewel de ceremonie wrijvingsloos verliep; hoewel de lucht opgevuld was met muziek en gezoem van de vliegtuigen; hoewel de kransleggingen en toespraken elkaar toerloos opvolgden; hoewel de levenden geen stukje bodem vrij lieten en de doden geen stukje grond – toch vond het niet-gebeuren gaatjes en kieren om in dat dichte gebeuren door te dringen. En wel zo krachtig, dat het het hele plein vulde en de hele viering duurde. Als topgebeuren van de dag te melden: geen enkele krans van de daders om deze dag te herdenken, en de slachtoffers gedachten de daders met geen enkel woord.
Dat is de wraak van het negatieve: wat nergens is, is overal; en wat niet op een bepaald ogenblik gebeurt, gebeurt op elk moment.

Of zullen ze zich geschaamd hebben? En daarom niet in het minst deelgenomen hebben aan deze herdenkingsdag?
Nauwelijks. Want op hun manier hadden ze al deelgenomen. Namelijk door middel van de zogenoemde proefexplosies, die ze terwijl men hier de plechtigheden voorbereidde, in de Stille Oceaan lieten ontploffen, en door middel van de aankondiging van nieuwe proeven.
Ja, ook in het raam hiervan stond de viering: een demonstratie van nooit-meer in een wereld van nog-steeds en steeds-weer. [ 68 ]

Hiroshima. 6 augustus.Warme donkere nacht

In de half verlichte buurt (grote pleinen, rivieroevers, bruggen), in de buurt dus waar ‘het’ gebeurde heerst nu een feestelijke drukte. Het pijnlijke is: dat men niet of in elk geval nauwelijks kan beweren  dat het hier om overgeblevenen gaat. ‘Overgeblevenen’ zijn hier maar weinig immers. Deze mensenstromen zijn dus slechts ‘navolgers’, een volgende werkploeg mensen.
Daartussendoor zie je wel kinderen met ballonnen, ja er flitsen zelfs verkopers doorheen die gebak aanbieden en zo de bedrijvigheid een beetje van een volksfeest geven; toch blijft het opvallend stil, een beetje als een stomme film. Voor het monument, dat nog maar net boven de bloemenzee die er tegen aangelegd is uitsteekt, glimmen duizenden wierookstokjes, die met hun zoete geur de lucht bijna niet meer in te ademen maken. Vóór de bloemenberg biddende mensen. V. (de enige met wie je deze avond door kunt brengen) en ik laten ons mee drijven. Zonder te praten. Hooguit wijzen we op dit of dat. Niets vermoedend staan we plotseling aan de oever van de rivier. We schrikken. Volledig onverwacht stuiten we daar op duizenden lichtjes die langzaam de rivier afdrijven. 
Ik weet niet meer hoe lang we naar dat schouwspel bleven kijken.Vaag herinner ik me een stem achter ons, die in het Frans zei: ‘Voor elk één’, maar we keerden ons nog niet eens naar de spreker om. Wat de onbekende bedoelde was duidelijk: voor ieder van de tweehonderdduizend die dertien jaar geleden op deze dag verbrandden of brandend verdronken – een lampion.
Langzaam werd de scène helderder. Op de andere oever van de rivier onderkende je nu duizenden die net als wij de rivier stonden af te kijken. Het was alsof wat daar door de stroom gedragen langzaam aan onze ogen voorbij trok, een vloot van dode zielen was en geen lampions. De wind voerde van andere plekken langs de oever flarden aan van wat gereciteerd werd, van meerdere plekken zelfs tegelijk. Waarschijnlijk missen voor de doden. Ach, wij hebben deze tonen niet nodig. Altijd zijn het de verkeerden die deze missen te horen krijgen. Anderen die deze tonen harder nodig hebben zouden hier meer op hun plek geweest zijn, dan wij. Ik wou meteen wel weg. [ 69 ]

Gelukkig is de avond zo donker. V. en ik vermijden het nog steeds elkaar aan te kijken. We hebben onze handen vol om klaar te komen met het schouwspel. En met het verbergen van onze gevoelens. Maar we kunnen ook niet ertoe komen het schouwspel te verlaten. Er bestaat zoiets als een gerechtvaardigde ‘voluptas oculorum’ (plezier der ogen, jab), een nieuwsgierigheid voortkomend uit pijn en woede. Alsmaar drijven we met de menigte mee, steeds dezelfde wegen (alsof het beledigend is voor deze mensen om terug te gaan naar de normale wereld in het hotel) en steeds weer houden we stil op dezelfde plekken. Tot we plotseling toch op een punt komen waar we nog niet waren: op een brug, waar we eerder nog niet over kwamen. En op die brug was er ook iets dat opgeschreven moet worden.

Eerst hoorden we alleen een iel getokkel op een instrument. Toen zagen we hem. Of juister: het. En als ik zeg dat ik ook nu nog aarzel tussen ‘het’ en ‘hem‘ is daarmee eigenlijk de hoofdzaak wel verteld.
Want wat daar muziek maakte was voor eerst niet te identificeren. Er was geen gezicht te zien, want er hing een doek voor. Waarom die daar hing daar kon je als Hiroshimabezoeker niet aan twijfelen.
Dus keek je maar bij hem naar beneden. (want wat een mens het meest tot mens maakt zijn na zijn gezicht, de handen). Maar daar zat geen hand. Wat daar muziek maakte was iets van staal. Waarom dat zo was daar kon je als Hiroshimabezoeker niet aan twijfelen.
Wat daar op de brug staat is dus een robot. En het griezelige aan hem is niet slechts dat hij geen gezicht heeft en zijn hand mist; maar omgekeerd dat er tussen deze twee lege en onmenselijk gemaakte onderdelen van zijn lichaam het onderdeel dat eens ‘gezicht ‘had geheten en dat wat eenmaal ‘hand’ had geheten een echt, levend kloppend lijf had gezeten. Onvoorstelbaar. Onder het gezang begon er iets te zoemen, Hoog boven ons, De stem achter de doek hield meteen op; het verborgen hoofd verdween tussen de schouders. En bleef daar zo lang tot het vliegtuig niet meer te horen was. Dan kwam het hoofd weer omhoog, en het zingen begon opnieuw. [ 70 ] Precies op het punt waar het afgebroken was. Welke muzikale pauze zou na deze pauze nog indruk kunnen maken? –
De inwoners kenden hem wel. De manier waarop ze rond hem stonden, woordloos, maar zonder verrassing, bewees dat ze hem als vast onderdeel verwacht hadden. Hij hoorde al als ambtelijk monster bij de dag.

Later

Zojuist hoor ik dat de man , hoewel hij erkend wordt als een stuk Hiroshima, niet gerekend wordt bij de ‘echte’ slachtoffers van de catastrofe. Veeleer slechts (dit ‘slechts’ is het meest ontzettende wat ik ooit gehoord heb) door de oorlog zo toegetakeld. Men voegt eraan toe dat boze tongen beweren dat hij een bedrieger is, en geven hem een naam die zoiets betekenen moet als ‘oorlogsprofiteur’. Mij maakt dat niet uit. Ik ben nu niet tegen hem. Ook als hij geen ‘echt slachtoffer’, geen slachtoffer van deze laatste versie van massamoord, dan staat hij toch maar op de brug die naar de oever van die versie voert. Het feit, dat er ook voor de nucleaire wapens bestonden, die een mens zo zouden kunnen toetakelen, maakt hem niet te schande. De waardigheid daar al toe te behoren, moet men hem gunnen Als hij geen teken is, dan is hij wel een voorteken; als hij geen eindpunt is, dan wel een wegwijzer. Dat is wel voldoende.

Hiroshima

Als dat vandaag was gebeurd.
Ja, als vandaag de stad verwoest was geworden, zou de bom die gebruikt werd als een ‘schone’ worden geclassificeerd.
De meesten van ons schijnen het nog niet tot zich te hebben laten doordringen, dat de poging om zogenaamde ‘schone bommen’ te maken, niet minder afschuwelijk is als de constructie van ‘atoombommen’ als zodanig. Daarbij doel ik niet op de vreemde huichelarij die in de uitdrukking zelf steekt, -want wat ooit gisteren ‘vies’ was is vandaag ‘schoon’; dat wil zeggen: schoon-zijn wordt niet aan echte, niet meer op te voeren vernietigingseffecten gemeten, maar slechts aan de mate waarin de vernietiging werd doorgevoerd. Ik bedoel eveneens niet de net zo vreemde veronderstelling dat de oorlogvoerenden [ 71 ] hoewel ze ‘vuile wapens’ tot hun beschikking hadden, zich braaf beperkten tot het gebruik van ‘schone’ – het ligt immers voor de hand dat op het moment dat er ernstige vijandigheden uitbreken het ‘Auktionsprinzip’ in werking zou treden – dat wil zeggen: als A de hoeveelheid wapens 1 inzet, dan zou B zich genoodzaakt zien, neen gerechtvaardigd, neen zelfs verplicht beschouwen met twee keer zo veel te antwoorden. En dan zou A zijnerzijds niet aarzelen om met drie keer zo veel te antwoorden; het kleine begin zou alleen maar een verdwijnend kort ritueel van zelfrechtvaardiging zijn dat meteen in een nauwelijks meer te volgen versnelling zou geraken en in de nucleaire maximale slachting zou ontaarden.
Neen, huichelarij is niets nieuws. Uniek en revolutionair daarentegen is dat wij ( en dat zelfs fanatiek) de poging wagen wapens te maken waarvan het geweld minder is dan van de wapens waar we al over beschikken. We moeten streven naar een ‘verbetering door verslechtering’. Dat is pas revolutionair, en dat we die willen hebben, omdat de slechtere de beter zijn, want de ‘betere’ zijn de absolute catastrofe die politiek en strategisch zinloos zijn . Maar de ‘slechtere’ zouden misschien nog ingezet kunnen worden als ‘wapens, dus als strategische en politieke middelen. Dat zou uniek zijn.
Wij verhouden ons tegenwoordig tegenover onze eigen producten zoals we tot gisteren gestaan hebben tegenover natuurkrachten. (en daarmee formuleer ik het revolutionaire van de technische status die we nu bereikt hebben). Die mateloze natuurkrachten die we eerst moesten temmen om er gebruik van te maken. Terwijl we tot gisteren zelf producten en installaties maakten waarmee we de natuurkrachten temmen konden zijn nu de krachten van onze eigen producten zo mateloos geworden, dat we genoodzaakt zijn deze nu te temmen.
Neen, het verschil tussen gisteren en nu is nog groter: wij waren tot gisteren bezig de natuur te domesticeren met als doel onze cultuur veilig te stellen en omhoog te stuwen (in de meest brede zin van het woord: onze kunstmatige wereld waar we niet zonder kunnen) maar nu is het doel van onze domesticatie dat het voortbestaan van de natuur (namelijk ons pure overleven) gewaarborgd wordt. Trefwoord voor nu: Tem onze producten.[ 72 ]

Ons machtspotentieel heeft zich zo vergroot, dat het onbruikbaar, namelijk groter is geworden dan elk gewenst, neen zelfs dan elk denkbaar doel van handeling. Daarom proberen we – en onder ‘we’ versta ik niet slechts ons, tegenstanders van atoomwapens, maar ook de advocaten ervan – die eigen macht terug te roepen. Zelfs in hen, die advocaten, leeft al ‘opstand tegen de machines’ (f)
Ik ken geen moment in de moderne geschiedenis, dus in de geschiedenis van de voortschrijdende techniek, dat er zo’n ‘achteruit’ bestond. Nooit heeft men geprobeerd locomotieven te bouwen die langzamer moesten rijden dan die al reden; nooit dat er geschut werd geproduceerd dat minder ver kon schieten dan wat al in gebruik was. Nu pas, nu we de ‘grenzen van de toepasbaarheid’ overschreden hebben is er dat omslagpunt voor de techniek dat ze techniek wordt die zichzelf terugroept.

Hiroshima

De doden zijn dood. Maar de levenden: de inwoners van Hiroshima nu, de nieuwe ( die natuurlijk de overweldigende meerderheid vormen) hebben ‘het‘ niet meegemaakt. Deze ‘tweede manschap’ van Hiroshima wordt het blijkbaar te veel om steeds weer ‘daarvan’ te horen. Het thema catastrofe is onpopulair geworden. Daarom worden de slachtoffers die als incarnaties van het ‘thema’ rondlopen, als vermaners tegen wil en dank niet de lievelingen van de stad. En ook niet de mensen die bewust het thema niet met rust laten. Omdat ze niet geliefd zijn werden ze schuw en beschaamd. Hoe ontstellend deze ontwikkeling ook is, ze is wel begrijpelijk.
K. vertelt met het volgende geval:
‘Mijn buurman lijdt aan leukemie. Omdat hij door steeds terugkerende vermoeidheid steeds weer van zijn werk wegbleef, verloor hij zijn baan in de fabriek. Dan besluit hij odd jobs aan te nemen. Werklozen arbeid. Die pakten voor hem zwaarder uit dan het werk in de fabriek. Geen wonder dat hij dit helemaal niet vol hield. Gevolg: zijn werklozen kaart werd hem afgenomen, hij is dus niet meer erkend als werkloze.’
‘Wat deed hij toen’?
‘Thuiswerk. Dat levert niets op’.
‘Krijgt hij dan helemaal geen steun? ‘
‘Toch wel. Tenslotte. Maar ook pas sinds drieënhalf jaar’.
‘U bedoelt dat hij het acht jaar lang zonder regeling van staatswege voor de misère van atoomslachtoffers moeten doen?’
‘Correct’. We zijn blij dat we dat er eindelijk door hebben weten te drukken’ (13)
‘En waarom gaat hij niet naar het ziekenhuis? Daar zou hij toch gratis worden opgenomen? ‘
‘Ja. Maar dat wil hij niet’.
‘Omdat hij er (dan) niet meer uitkomt?’
‘Neen. Omdat dan zijn gezin: vrouw en zoon zouden verhongeren.’
‘Die zouden geen uitkering krijgen? ‘
‘Neen.’
‘Er is nog veel werk te doen’
‘Juist. En daarom ging het er op de vergadering waar u net vandaan komt zo hartstochtelijk toe.’ (14)
‘En neemt uw buurman aan die besprekingen deel? Zit hij daar ook binnen?’
‘Neen. We kunnen hem er niet meer bij krijgen.’
‘En waarom niet?’
‘Omdat hij al op is. Al bijna asociaal geworden’.
‘U bedoelt dat hij geen mensen meer ontvangt?’
‘Nauwelijks meer. ‘Dat heeft toch geen zin’, vindt hij.
Bovendien denkt hij – en daar kun je hem niet helemaal ongelijk in geven – dat hij als waarschuwend relikwie niet geliefd is. Andere slachtoffers treft hij zo nu en dan nog wel. Maar praten met gezonden vindt hij zinloos.’Die begrijpen je toch niet’, zegt hij. ‘Die weten toch niet wat het is, atoom-ziek te zijn’.’
‘Is hij een apart geval?’
‘U bedoelt dat wegkruipen? Neen.’
‘En zijn weigering zich op te laten nemen in een ziekenhuis?’
‘Evenmin. – Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat meer dan één zwaar zieke ertoe besluit naar een ziekenhuis te gaan.’ [ 74 ]

Hiroshima

De schaamte van heden: schaamte over wat mensen mensen aan hadden kunnen doen; dus over wat ze ook vandaag elkaar nog aan zouden kunnen doen; dus over dat wat wij elkaar aan kunnen doen; dus schaamte ook mens te zijn.
Die schaamte moeten we opbrengen. Want zij die het gedaan hebben: de schuldigen, de schuldenaars vereffenen de schuld niet die nu eenmaal betaald moet worden, daarom moeten er plaatsvervangers inspringen, andere, die in hun plaats de schaamte opbrengen.
Wat een werkverdeling: de ene doet het, de andere schaamt zich rood (dood jab). Ze schamen zich zelfs daarover dat ze gedwongen worden in te springen.

Hiroshima

Het meest schandalige aan zo’n ‘oorlogshandeling’: dat ze het verschil tussen slachtoffers en treurenden uitwist. Deze doden is geen doodsklacht gegund. De huidige bevolking hier bestaat niet uit ‘overgeblevenen’ – hun percentage is verdwijnend klein- maar uit mensen ‘van een nieuwe ploeg’. Van fysische continuïteit kan nauwelijks sprake zijn. In zoverre er continuïteit is, is het de morele van de ‘opvolgers’.

Hiroshima

Behalve op het hoofdfrot moet de strijd tegen het atoomgevaar tegelijkertijd ook gevochten worden op nevenfronten. Bijvoorbeeld op dat van de taal. Want zolang er – argeloos dan wel kwaadwillig, woorden blijven rondzingen, die de situatie verhullen, kan ook de strijd op het hoofdfront niet slagen. Ik heb vijf jaar geleden al gewaarschuwd dat je de ‘voorwerpen’ waar het om gaat geen ‘wapens’ moet noemen; ik heb ze catastrofe apparatuur genoemd omdat het effect ervan principieel elk mogelijk doel te boven gaat, en het dus niet te rechtvaardigen is om ze in te zetten voor welk doel dan ook. Niet de ‘atoomwapens’ moeten afgeschaft worden, maar ook de term ‘atoomwapens‘. Dat is een ‘ideologische’ term.
Jawel; de uitdrukking zelf.
Dat klinkt merkwaardig. Want onder ideologisch verstaan we [ 75 ]  immers gewoonlijk geen losse woorden maar bepaalde uitspraken of theorieën. Kunnen losse woorden dan wel ideologisch zijn?
Ze kunnen dat niet alleen. Want er is, tenminste tegenwoordig, geen plek waar ideologieën zich zo graag ophouden als in losse woorden. De verklaring voor deze voorliefde: Losse woorden doen alsof ze nog niet iets speciaals willen zeggen of vastleggen. Anders gezegd: de leugen viert juist haar triomf daardoor dat ze, op haar bescheiden wijze in het voorkomen als los woord voorgeeft nog geen bewering te zijn.
Want losse woorden zijn niet de bouwstenen voor mogelijke beweringen, maar beweringen in geconcentreerde vorm, als een verbale pil. Het woord ‘atoomwapen’ herbergt al de onuitgesproken vooronderstelling, dat het hier gaat om een ‘wapen’. Het leugenachtige predicaat is al in het onderwerp zelf opgenomen. Niet zo zeer is wat men over ‘atoomwapens’ zegt dan leugen (of kan dan leugen zijn) maar wat het woord ‘atoomwapen’  zelf zegt: dat wapens aan de orde zijn.
Verzet tegen deze term is natuurlijk slechts het begin van wat op het gebied van de taal gedaan moet worden. Want het gaat om niets minder dan verandering van het hele atomaire vocabulaire.
Het meest onzuivere element in het internationale nucleaire jargon: de uitdrukking schone bom schijnt al op zoveel argwaan en verzet te stuiten dat het op korte of langere termijn wel sneuvelen zal. Maar dat betekent nog niet dat het dan plaats maakt voor de waarheid, maar voor een als waarheid verpakte tweede leugen. Want de tactiek van de huidige leugen is: ‘Houd de dief’ roepen. De leugenaar ruimt bij voorkeur een plaats in voor een andere leugen, om zich daardoor voor te doen als waarheidslievend. Nu al is de uitdrukking ‘conventionele wapens’ zo zeer ingeburgerd dat zelfs die (per raket afgevuurde) nucleaire bommen die een ontploffingskracht hebben gelijk aan die hier gebruikt werd, zonder bedenking als ‘conventioneel’ geclassificeerd worden. Dus de term ‘conventioneel’ moet ook bestreden worden. Bij elke gelegenheid moeten we die mannen die deze term publiekelijk gebruiken en daarmee aangeven dat voor hen dat wat hier gebeurd is, dus de vernietiging van tweehonderdduizend mensen ‘conventioneel’ [ 76 ] openlijk betuigen hoe onconventioneel het is met mensen van dergelijke conventie aan tafel te zitten.
En we moeten het woord oorlog de totale oorlog verklaren. Die goeie ouwe tijden toen er nog oorlogen waren! Want het is simpelweg een leugen om te veronderstellen dat wat er loskomt bij het uitbreken van een atoomoorlog ook nog maar iets te maken heeft met wat we tot gisteren met dat woord bedoelden. Van ‘oorlog’ kun je veelmeer alleen dan nog spreken als de oorlogshandeling een mogelijkheid van doorgaan open laat; als er een vijand verondersteld is die zich kan verdedigen; als men uit is op een leven na de oorlog dat niet door de handeling teniet is gedaan. Deze bodemeisen zijn in de vorige oorlog nog zo’n beetje nagekomen. Vandaag kan er geen sprake meer van zijn van de vervulling hiervan. Daarom is het alternatief niet meer: ‘oorlog of vrede’ – maar : ‘Ondergang of vrede’. – Omdat zoals wij betogen, de hedendaagse leugens niet meer, in elk geval niet alleen maar, in uitspraken bestaan, maar (uitspraken in zich dragende) woorden, moeten we daar de consequenties uit trekken. Dat wil zeggen: we moeten het principe waarvan de bedriegers zich bedienen overnemen; dus onze waarheden al in de woorden zelf onderbrengen. Niet bang zijn voor het hoongelach van de omgeving; we zullen overal waar je het woord oorlog zou verwachten, ondergang invullen: dus we spreken van ‘ministeries van ondergang’ en van ‘ondergangsstrategie’ , van ‘verdedigingsondergangen, van ‘gerechtvaardigde’ en ‘ongerechtvaardigde ondergangen’; en ons zelf zullen we ‘ondergangsdienstweigeraars’ noemen.

Hiroshima

Wat taal betreft: ik vind zojuist op de eerste pagina’s van het boek van Kissinger de volgende zin:
‘Atoomwapens zijn afgezien van die twee op Hiroshima en Nagasaki tot nu toe…. niet gebruikt.’
Dat is weer zo’n leugen die zich tooit als waarheid. Op zich kun je de uitspraak van Kissinger van geen onwaarheid betichten, door de bijzin had hij zich een alibi verschaft. Maar omdat die bijzin zo doet alsof  we moreel de vrijheid hebben om de ene keer het aan te zien en de andere keer ervan af te zien, maar deze veronderstelling een leugen is, [ 77 ] is die bewering ook een leugen. Je zou van een tactische ingezette syntaxis kunnen spreken. Met behulp daarvan maakt hij het enige beslissende feit tot een uitzondering van geen belang. Als je de bijzin weglaat omdat ze er naast zit, dan blijft als bewering over: ‘atoomwapens zijn tot nu toe niet gebruikt.’ 

Hiroshima

R., correspondent voor Franse kranten, voormalig lid van de Maquis, leeft sinds 1947 in Japan. De laatste tien jaar van Europa heeft hij gemist, hij is blijven steken in de te snel vergeten vertwijfeling van na de oorlog; met andere woorden: ‘hij is stil blijven staan´, vandaag nog in het donker, maar juist daardoor ontzettend veel rechtschapener dan al die professionele ‘overwinnaars van het nihilisme’ die de welvaart ons toebedeeld heeft. Een koloniale spruit van de goede ouwe tijd van vertwijfeling in Europa. Nostalgie beviel me.
Omdat hij in een paar achteloze woorden zijn verachting voor Kissinger had betuigd, en zijn enorme beduchtheid voor het grote gevaar, dacht ik natuurlijk dat hij één van ons was. Dat ontkende hij meteen. En éér ik kon vragen: ‘Waarom niet’, zette hij me het pistool al op de borst: ‘Waarom? Dus: waarom ik mij beschikbaar stelde voor de beweging?’ De vragen die hij op me afvuurde waren inderdaad vragen zoals alleen nihilisten die in voorraad hebben. Hier zijn ze:

‘Welke bron voedt uw morele woede?’
‘Van welk absolute leidt u de verplichting van uw eisen af?’
‘Op grond waarvan denkt u dat het voortbestaan van de mensheid noodzakelijk is?’
‘Waarom bent u ervan overtuigd dat wij er moeten zijn?’ Dergelijke vragen had ik al een paar weken niet meer gehoord. Bij de voorbereiding van het Congres ging het begrijpelijkerwijs alleen om wat men ‘problemen’ noemt en dat betekent vooral: tactische, managementproblemen.  Geen wonder dat de twee afgevaardigden die bij ons aan tafel zaten meteen argwanende blikken wisselden. Maar ik genoot ervan de scherpe geur van scepsis eindelijk weer eens te ruiken.
‘Uw vragen’, zei ik, ‘zijn helemaal terecht. Ik zal ze zo ver ik kan, beantwoorden.’ [ 78 ]
Maar daar maakte ik hem juist achterdochtig mee. Waarschijnlijk hield hij elke aankondiging van antwoord op dergelijke onbeantwoordbare vragen voor zwendel.
‘Laat mij mijn woorden toespitsen. Filosofisch zijn uw vragen terecht.’
‘Wat wilt u daarmee zeggen?’
‘Zo meteen. Bekijken we ze eerst eens filosofisch. Want daarin zijn we het , denk ik wel eens. Ik neem aan dat u bedoelt dat de kosmos ons wel kan missen. Of negatief gezegd: u houdt de vooronderstelling dat de kosmos niet om ons bestaan heen kan, metafysisch voor naïef , antropocentrische hoogmoed.’
‘Precies’.
‘Ik ook’.
Hij was perplex.
‘Kort: het gaat wel zonder ons. Of, om uw laatste woord ‘moeten’ te gebruiken, ik geloof net zo min als u dat we er zijn moeten. En overleven moeten.’
Nu gold de achterdocht van de twee disgenoten niet alleen hem. Zij lieten vreemde blikken over me gaan, en ik had het gevoel dat ze in mij plotseling iets verdachts zagen, alleen wisten ze niet precies van welke aard, want agenten van het nihilisme of van de ontologie zijn immers nog niet uitgevonden. – Maar de verwondering van R. was nog groter. Waarschijnlijk had hij gedacht dat ik hem aan boord zou komen met een of andere Heideggeriaanse humbug: dat ik hem een of ander antropocentrisme vertaald als ontologie zou opdissen, zoals dat wij als ‘herders van het zijn’ onmisbaar zouden zijn of iets dergelijks.
‘Het lijkt er wel op’, zei hij aarzelend, ‘dat we op dezelfde grond staan, dan wel boven dezelfde bodemloosheid hangen… ‘
‘Maar?’
‘Maar daarmee bewijst u alleen maar dat u inconsequent bent. Want hoewel u toegeeft ‘dat het ook zonder ons kan’, handelt u als een moralist van eergisteren. Namelijk zo, alsof het doel dat u door de inzet van uw krachten hoopt te bereiken : dus ons overleven, ‘toch iets is dat moet’.’ (Duits: ‘doch gesollt wäre’, jab).
‘Heb ik het woord ‘moeten’ gebruikt?’
‘Of het dat woord precies was, weet ik niet. Maar waarom handelt u dan, zoals u handelt, als u niet gelooft dat het ‘moet’? [ 79 ]
‘Al weer!’riep ik uit. ‘Ik was al bang dat u de moralist bent. En dat u van eergisteren bent. Niet ik.’
‘Waarom?’
‘Omdat het gebruik van zo’n woord uit de ethiek van eergisteren naïef is, omdat het hier gaat om de mogelijke zelfmoord van de mensheid.’
‘Ach’.
‘Zou u naar de wettigheid van het bestaan van wetten vragen?’
Dat begreep hij niet.
Ik herhaalde de vraag: ‘Wettelijkheid vooronderstelt immers dat er wetten bestaan. En net zo vooronderstelt ‘moeten’ het bestaan van de mensheid. Met andere woorden: Van een daad of toestand zeggen dat hij ‘moet’ kan alleen binnen het kader van een voorondersteld of erkend bestaan.’
‘U wilt zeggen: wat u doet doet u helemaal niet uit ethische gronden?’
‘Precies’.
‘Maar?’
‘Uit veel diepere. De diepste zelfs. De mannen van de leer zullen het wel oppervlakkig vinden als ik het noem. Ook de mannen van het nihilisme.’
‘Beetje mythisch’, dacht hij.
‘Nauwelijks. Ik weet in elk geval twee dingen op beslist niet mystieke wijze. Ten eerste ik vind het verkeerd (of ongepast, onpraktisch of onethisch – kiest u zelf maar) op het moment dat je iemand ziet verdrinken, je er het hoofd over te breken welke stem je gebiedt de man op het droge te brengen; en of die stem ook werkelijk legitiem is.’
‘En ten tweede?’
‘Ten tweede weet ik, dat de wereld een ingenieuze en onvergelijkelijke uitvinding is, die het waard is te bewaren. En dat het fijn is om daarin te bestaan. En dat ik de mensen die daar ook in bestaan eveneens liefheb. En dat ik het hoogst onprettig vind te denken dat alle lijden en vreugde die ze doormaken vergeefs geweest zullen zijn, en dat de aarde straks als een lege planeet door de woestijn van het heelal zal draaien. Dat knijpt me de keel zelfs af.’
Hij keek me geamuseerd aan. ‘Meent u dat echt?’, vroeg hij, [ 80 ] ‘dat is u voldoende? Uw toegesnoerde keel zou de filosofische rechtvaardiging voor uw doen en laten zijn?’
‘Filosofisch, weet ik niet. En of het een rechtvaardiging is in de meest stringente zin, kan me ook niet schelen. Maar het is in elk geval de grond van mijn bezigheden.’
‘En gelooft u dat dat argument van uw keel bewijst dat die wereld moet bestaan? Dat wij moeten overleven?’
Dat werd me toch te veel. ‘Dat wil ik nu juist niet bewijzen’, riep ik, ‘ik vind het niet nodig dat te bewijzen!’
‘Maar?’
‘Maar’, antwoordde ik op een toon die voortzetting van het gesprek onmogelijk maakte, ‘maar ik vind nu ook precies niet, dat we maar omkomen moeten omdat zich niet laat bewijzen, dat we er zijn moeten’.
Hij had wel is waar niet het laatste woord, maar wel het laatste gebaar. Want hij keek me nu met die verachting aan die rigoristen gereed houden om de nietigheid van epicuristen te bewijzen. Nooit eerder was het me zo duidelijk geworden, dat nihilisten de meest dwars gebakken moralisten van nu zijn.

Hiroshima

Situatie van het huidige nihilisme:
Het lijkt wel alsof de wereldgeest ronkend wraak neemt voor het feit, dat we het hoogtepunt van het nihilisme nu bereikt hebben. ‘Komt u binnen, Komt u maar binnen dames en heren!’ schreeuwt hij. Hier krijgt u het niets! En dan niet alleen het niets in een notendop, niet het niets als ‘relativisme’, als ‘zinsontlediging’, als ‘vernietsing’, dat is allemaal humbug; dat is de mode van gisteren, dat is voor hogere dochters (uitdrukking ken ik niet, jab) maar – dames en heren, deze aanbieding was er nog nooit – de zaak zelf, het niets zelf, het niets voor mannen: namelijk de vernietiging, ja, de levendige, massieve, totale vernietiging die niets overlaat wat ze niet vernietigen zou. Wat? Dan klets je niet meer hè! U bijvoorbeeld, ja u bedoel ik, die kleine donkere rechts op de laatste rij: kunt u me misschien vertellen waarom zijnden zijn zouden, en niet veel meer niet? Wat giechelt u nu? Het schijnt u reuze vrolijk te maken niet te kunnen antwoorden.  Mij ook! Dus! waar wachten we nog op? [ 81 ] Naar binnen!, dames en heren! Het niets, dames en heren. Het niets! Het niets!’

Zonder ons. Wij blijven buiten. Wij zeggen neen.
Wij kennen het waarom en waartoe niet: waarom er een wereld en waarom wij mensen er moeten zijn, en niet veel meer niet, dat weten we niet. Waarom leven ‘heilig’ zou zijn en waarom we tegen de vernietiging zouden moeten strijden, weten we niet. – maar hoe totaal onze metafysische argeloosheid ook mag zijn, en we praten die niet goed,- en zelfs als we al deze vragen voor onzin houden, : dat zegt allemaal nog niet dat wij dat ronkende aanbod verwelkomen, of er zelfs gebruik van gaan maken. Agnosticisme is geen vrijbrief. Ons devies luidt wel niet ‘credo quia absurdum,’ maar komt er wel dichtbij in de buurt: ‘Al weten we het niet, dat gaat ons niets aan!’

Hiroshima

Hete avond na nog hetere dag. Vanmiddag eindeloze debatten van het provinciaal congres bijgewoond. Ondanks koptelefoon bijna niet te volgen. Nu zitten we een beetje op adem te komen op het terras in de tuin van ‘Hotel Hiroshima’, dus op een plek waar vroeger geen plaats was voor een tuin. Waar catastrofes al niet goed voor zijn! – En we wachten op het bezoek van de slachtoffers, leden van de zelfhulpgroep.

Drie uur later

De een na de ander komt binnen. Allemaal zeer beleefd en terughoudend, allemaal zeer kleine mensen.
Het begin (dat geheel anders was dan wat volgde) werd gedaan door een uiterst vitaal zelfs vrolijk ogend donker persoon type musicus. Hij vertelde met verve, spanning en intelligentie. Wat hij zei was voordat het vertaald werd, al door zijn gesticulatie opwindend. (inmiddels heb ik begrepen dat hij zo ongeveer als ‘successlachtoffer’ van Hiroshima geldt. Men verwijt hem wel terecht of onterecht, weet ik niet, een rol gemaakt te hebben van zijn toestand, en in zekere zin als ‘Hiroshima profiteur’ te leven. Misschien klopt dat wel. Maar zelfs dan moet je hem daar niet aan ophangen. Want de man is wereldberoemd geworden [ 82 ] hoe vreemd de soort roem ook zijn mag: hij is de man die op de grootste huidbeschadiging, de grootste keloide littekens bogen kan. Zijn rug is tot de meeste medische tijdschriften over heel de wereld doorgedrongen. Maar ik vind hem niet exhibitionistisch optreden. Hij was zeker lang niet zo ijdel als al die andere medailledragers.)
De meesten, vooral de vrouwen beperken zich tot fluisteren. Eigenlijk spraken ze niet tegen ons, maar tegen hun tolken. Ja ze richtten hun blik, tijdens de vertaling ook op het tafelblad. Schuw waren ze veel eerder dan ijdel of pronkend. Het waren geen beroepsvertellers, dus was het moeilijk voor hen allemaal om niet maar een losse zaak te vertellen, maar een samenhangend compact bericht. Met uitzondering van de eerste). Bij drie of vier van hen kwam daar nog bij, dat het ophalen van de gebeurtenis van dertien jaar geleden hen danig opwond, zodat ze minstens eventjes de draad kwijt raakten.
Ik ben ervan overtuigd dat ik die avond geen enkele leugen heb gehoord. Ze waren allemaal heel kies over hun ongeluk (met uitzondering van die ene misschien). Niemand sprak vrijuit, De tolken stelden geen suggestieve vragen of strikvragen. Wij toehoorders zaten er vooral stil bij. Dat maakte de kans op de waarheid groot. ( Overigens: de takt van de tolken was bewonderenswaardig: ze vroegen met de behoedzaamheid van dokters; en er hing geen moment een wat in de psychologie genoemd wordt ‘Interview-sfeer’.)

Voorbeeld van wat iemand verteld:
‘Toen ik bij kennis kwam was ik zwaar verbrand. Ook mijn vrouw was vreselijk toegetakeld. Wij kropen uit het puin. Mijn vrouw struikelde over iets. Over een man. We herkenden hem niet en konden niet zien of hij nog leefde of al dood was. Hij herkende ons wel. ‘Laat mij maar, kinders’, fluisterde hij, ‘vlucht!’. De stem klonk vreemd (en gaumig, jab), maar ik wist dat het de stem van mijn vader was. Maar toen ik hem bekeek, zei ik tegen mezelf, hij is het toch niet. ‘Weg!’, riep hij toen (neen, ik geloof niet dat hij geroepen heeft maar het klonk wel als een bevel), ‘weg. Anders blijven jullie [ 83 ] ook liggen.’ Ik dacht nog ‘Hij is het toch‘ en rende weg en haalde een scherf vol water. Toen ik probeerde dat water in zijn mond te gieten, zei ik weer tegen mezelf: ‘Hij is het toch niet‘. Ik werd bang. Ik zei tegen mijn vrouw: ‘Laten we doen wat hij zegt!’, en trok haar achter me aan, en lieten hem liggen. Onderweg hebben we nog vele anderen gezien en laten liggen. Bij elk van hen dacht ik: ‘dat is mijn vader’.
‘Amen’ dacht ik.
Elk zinnetje werd begeleid door een gebaar dat scheen te zeggen: als u denkt dat u dat kunt veroordeel me dan. Toen hij klaar was maakte hij nog een gebaar dat in de lucht bleef hangen, en aangaf: ik dank u, want niemand van u schijnt een steen naar me te werpen. Maar ik kom niet klaar met wat ik daar gedaan en nagelaten heb. U zou er ook wel niet mee klaar komen.
‘Hij en zijn vrouw zouden namelijk eveneens omgekomen zijn verduidelijkte de tolk, ‘als hij had geprobeerd zijn vader mee te nemen.’
Maar die verduidelijking was overbodig. Er was vast niemand onder ons die er aan dacht een steen naar deze man te werpen; geen Europeaan, Indiër, Amerikaan, Australiër, Japanner zou het hebben gewaagd het gedrag van de man te beoordelen laat staan te veroordelen. We deden allemaal precies hetzelfde: we hielden ons hoofd omlaag, niet slechts omdat ons verdriet te groot was om te laten zien, maar ook omdat onze schaamte te groot was: onze schaamte dat we mensen waren; onze schaamte dat mensen mensen in situaties kunnen brengen, waarin het niet meer mogelijk is menselijk te handelen. Wat de Indische dame naast me wel wel meer tegen zichzelf dan tegen mij fluisterde: ‘Do we know how we would have behaved?’, zal wel ieder van ons gedacht hebben. Toen de verteller met een buiging afscheid nam om zijn plaats af te staan aan de volgende, boog iedereen voor hem: uit respect dat hij geheel onschuldig zo’n schuld moest dragen; en uit schaamte dat dat hem overkomen was en niet ons.
Welke beslissingen in dergelijke situaties [ 84 ] van een mens vereist worden, is gewoon te veel. We zeggen graag fors: ‘Wat men doet, is fout’, dat neemt hier de afschuwelijkste vorm van waarheid aan, omdat het je niet vergund is om juist te handelen. Als die man besloten had in plaats van zijn ogen, zijn oren te vertrouwen; als hij in plaats van uit die hel weg te rennen bij zijn vader was gebleven; of als hij ook maar geprobeerd had hem, zoals ooit Aeneas de oude Anchises, op zijn rug te nemen, zou hij zijn vrouw en zichzelf hebben geslachtofferd. Dat had ook niet gemogen.
De morele eis die hieruit weg loopt is heel merkwaardig. Wat in eerdere ethieken als vanzelfsprekend werd verondersteld, dat het mogelijk is moreel of immoreel te handelen, dat kun je nu niet meer zo stellen. Hoofdeis is dus het herstel van de situatie. De eis luidt dan: blokkeer het ontstaan van situaties waarin het niet meer mogelijk is ethisch te handelen, en dan te ontkomen aan een ethische beoordeling.
Als hier van onmoraal gesproken kan worden, dan is immoreel niet deze of die stap, die slachtoffers van zo’n situatie zetten, maar het handelen van hen die (hoe indirect of ongewild ook) zulke situaties veroorzaken, en die daardoor medemensen de mogelijkheid om moreel te handelen ontnemen. En immoreel is , hoe mensvriendelijk we verder ook mogen handelen ons handelen in zoverre het er niet op gericht is zo’n situatie ver verhinderen. 

Ik haat haten. En ik haat hen die mij dwingen te haten. Als ik Hitler gehaat heb dan is dat ook omdat hij me gedwongen heeft te haten; ja om te kunnen haten, zonder ophouden te kunnen haten.
Maar hier is daar te weinig van naar mijn smaak. Ze praten doorgaans over de catastrofe als over een aardbeving, een overstroming of een exploderende zon. De consequentie daarvan is, dat ze de daders ontzien, ze verdoezelen dat deze gebeurtenis door mensen is gedaan. De slachtoffers van de ergste misdaad hebben niet de geringste verwijten.- Dat is mij te veel. Dat is niet terecht. [ 85 ] Die groep slachtoffers die daar die avond tegenover ons zit bestaat uit louter genieën van liefde, toegeeflijkheid en wijsheid, maar dat is toch ondenkbaar? Wat is dat? Wat zit daarachter?
Hypothese 1: De eersten die de slachtoffers interviewden waren Amerikanen, overwinnaars, ‘daders’ dus. De vertellers moesten destijds een vertelmodel vinden of uitvinden, dat ze hanteerbaar vonden. Waarvan ze dus aannamen dat ze dat niet alleen hun toehoorders aan konden doen, maar ook zichzelf, zonder zich in de vingers te snijden.
Het lijkt me mogelijk dat deze eerste vertellingen tot een soort mal verhard werden waar de vertellers later steeds weer op terug grepen. Niet ondenkbaar zelfs, dat ze zich spoedig slechts dat eerdere verhaal herinnerden. De verhouding van herinneren en vertellen is immers ook omkeerbaar. Dat wil zeggen: je vertelt niet alleen wat je je herinnert, maar ook dat je je tenslotte nog alleen maar herinnert wat je eens (of meerdere keren) door het te berichten hebt vastgelegd.
Als deze hypothese klopt, dan zou het de Amerikanen, of ze daar nu op uit waren of niet, gelukt zijn het geheugen van de slachtoffers in hun voordeel te beïnvloeden. Tegen deze hypothese spreekt wel de schroom waarmee de herinneringen naar voren worden gebracht.

Hypothese 2: De slachtoffers hebben – hoe vreemd dat ook mag klinken – de catastrofe als zodanig überhaupt niet ‘be-leefd”. Maar slechts dat leven dat aan de catastrofe voorafging, en het leven of sterven dat erop volgde. Maar de bliksem daartussenin niet. Die was te verschrikkelijk; te plotseling, en te plotseling ook weer voorbij zodat ze hem  überhaupt niet hebben meegekregen. Ook nu is er nog dat onbevattelijke: ook nu nog kunnen ze dat gebeuren niet in woorden vatten of benoemen; ook nu nog beschrijven ze het doorgaans als een ‘it’ (then it happened). Misschien ook een eufemisme.

Hypothese 3: Bij de bliksem werd niet beleefd dat er een dader was. Omdat er geen vijand meer zichtbaar was. Men benadrukt tegenwoordig steeds weer: de vijand is anoniem geworden, dat is geen afdoende karakterisering, dat is achterhaald. Waar is daarentegen, dat tegenwoordig überhaupt geen vijand meer te zien is;  en dat [ 86 ] ook al in het geval van Hiroshima geen vijand was te zien. Daarom kon de slag niet samenvallen met iemand die sloeg, daarom werd niet eens geprobeerd zo’n verband te leggen. En daarom gingen de slachtoffers niet haten.
Als deze derde hypothese klopt, heeft zij voor nu en voor de directe en verdere toekomst wel de meeste gevolgen. In het  tijdperk van de langeafstandsraketten is het immers waarschijnlijk dat überhaupt niets meer te zien zal zijn: niet de dader, niet het wapen; niet alleen niet de ‘slag zonder slager’; neen omdat het verderf in een flits van een moment zal inslaan en alles verwoest, zie je nog niet eens het effect van de inslag.
Op het meest belangrijke moment zal de wereld van morgen onzichtbaar zijn en daardoor valt haar gebeuren met niemand af te rekenen. (Niet alleen, zoals nu alsmaar benadrukt wordt onberekenbaar). Alles zal met ‘alibi’ gebeuren. Dat wil zeggen: iemand wie iets aangedaan is, zal altijd ‘ergens anders’ zijn, niet op de plaats van de dader, niet op de plaats van de daad, want die vindt door middel van een druk op de knop elders plaats. Slager en geslagene zullen zo ver van elkaar vandaan zijn dat de getroffene  zichzelf onmogelijk als offer kan beschouwen. Terwijl vroeger elke ‘plaats delict’ tegelijk de plek van de dader en van zijn slachtoffer was, tegelijk plaats van actie en van lijden, – dat wordt nu uit elkaar gehaald in twee plaatsen. Deze splitsing is een van de ‘bestaansvoorwaarden’ van de split in het bewustzijn van de moderne mens. Niet slechts de ziel van de mens is tegenwoordig ‘schizoid’ maar het gebeuren zelf is het. (15) 

Min of meer gelden deze overwegingen ook voor Hiroshima. Want veronderstel maar eens dat dat vliegtuig dat de bom afwierp wel was gezien (vermoedelijk is het ook wel door deze of gene gezien) dan zou men psychologisch overvraagd zijn om dat verdwijnend kleine stipje aan de hemel in verband te brengen met de mateloze catastrofe die kwam. Onmogelijk, dat is het ook nu nog.
Als iemand zijn vuist tegen me opheft om die op mij neer te laten komen, dan vormen gebaar handeling en effect een geheel, een zo duidelijk geheel dat wat ik waarneem meteen beleefd wordt als een samenhang. Gevoelens aan het begin: schrik, afweer, haat etc. vormen [ 87 ] een geheel. Het is niet nodig eerst apart die samenhang te construeren.
Wij worden nu bedrogen wat betreft de rechtstreekse beleving van samenhangen. Voorbereiding, daad en effect zijn uit elkaar getrokken, en niet slechts in ruimtelijk opzicht. Wat wij waarnemen is steeds fragment: slechts de voorbereiding of slechts het effect. En dat geldt vooral in de belangrijkste situaties, dus waar het erom gaat dat wij beslissen over zijn of niet zijn van anderen of zij over dat van ons. Deze verminking van onze waarneming komt overeen met de verminking van onze gevoelens. Wat ik niet weet miegelt me niet. Wat we voorbereiden zonder het effect van de voorbereiding of het slachtoffer te zien; of wat ons treft zonder dat we vooraf de voorbereidingen van de dader zagen, dat blijft voor ons gevoel niet te verwerken. Om die onverwerkbaarheid draait het hier in Hiroshima. En daarom kunnen de slachtoffers niet haten.
Daarmee is natuurlijk niet beweerd dat de slachtoffers van Hiroshima niet wisten wie de catastrofe veroorzaakt heeft, wie de schuldigen zijn. Ze weten het. Maar emotioneel heeft dat weten bij hen geen gewicht, in elk geval geen consequenties. Toen de GI’s na de capitulatie het land in kwamen en de kinderen chocola en kauwgum aanreikten, bleven ze voor de Japanners als ‘daders’ onzichtbaar. Wat echter niet alleen maar te begrijpen is, maar in zekere zin ook te rechtvaardigen. Want het zou natuurlijk ook moreel fout zijn om deze jongens gelijk te stellen met de mannen die de bom hadden afgeworpen.  Wat ik bedoel is iets anders: namelijk het gevaar, dat op grond van de onzichtbaarheid van de schuldigen, ook het feit van de schuld zelf onzichtbaar blijft. In zoverre er überhaupt nog van ‘gevaar’ gesproken kan worden. Want het gaat al om een fait accompli: het ontbreken van haat hier correspondeert met het absoluut zuivere geweten daar, namelijk in huize Truman. Die beide horen bij elkaar. De onwaarachtigheid van de situatie is werkelijk ademberovend. Op het ogenblik dat de wereld, door ons nog wel, apocalyptisch wordt, toont ze zich als fata morgana, een paradijs dat door argeloze moordenaars en slachtoffers zonder haat wordt bewoond. Nergens een spoor van boosheid, alleen puin. Maar deze algemene liefde is niets anders [ 88 ] dan een mankement; niets anders dan een verschrikkelijke consequentie van onze technologische toestand; het gevolg van het feit dat wij door de splitsing van de ‘plaats van misdrijf’ niet meer in staat zijn die gevoelens op te brengen die gepast zouden zijn bij de toestand waarin onze wereld zich daadwerkelijk bevindt.

Ook de afgevaardigde S. was het opgevallen, ja hij kan het maar niet begrijpen dat er in de verhalen van de slachtoffers geen enkel woord tegen de Amerikanen is gevallen. Maar hij duidt dit geheel anders. Als christen. En als christen schaamt hij zich zeer dat in een land waar christenen slechts een minderheid zijn, een mate van wraakloosheid heerst die in het christelijke Europa nooit heeft geheerst. Ik vind zijn schaamte nietszeggend. Men kan nauwelijks beweren dat de bevolking van Duitsland wraakzuchtig was jegens de bezettingstroepen die in het land gelegerd werden. En dat hun houding van toen christelijk genoemd mag worden evenmin. Ook daar werden daad en daders niet meer bij elkaar gezien; ook daar was het ‘samenvallen’, de ‘identificering’ al niet meer op te brengen.

Hiroshima

Toen de vuurgloed die feller oplaaide dan duizend zonnen, opgeflitst was boven de daken van de stad – kijk, er waren nu geen daken meer- stegen de zuchten, het klagen en jammeren op in de lucht en voegden zich bij elkaar boven de plaats van verwoesting, en stegen op om de oren van de daders te bereiken.
Als een enorme zwerm vogels gingen ze naar het Oosten: als jammerende voorhoede de zwerm zuchten,; daar sloten zich de huilende pijnkreten bij aan; en als laatste donderend de eindeloze rij verschrikkelijke schreeuwen. Daar vlogen ze weg over de oceaan; en toen ze de kusten bereikten over de bergen en vlaktes van Amerika.
Toen de eerste het einde van de reis bereikten en de stad Washington zagen opdoemen, vredig uitgespreid in het morgenlicht en niets vermoedend van de vuurgloed die feller dan duizend zonnen opgeflitst was boven een andere stad, gleden ze naar beneden. En nadat ze als een zonsverduistering [ 89 ] torens en koepels in wijde bogen hadden omvlogen, stortten ze zich recht naar beneden door het open venster, rechtstreeks de kamer in en stopten die helemaal vol. zo vol dat de stroom die achter hen aan kwam meteen tegen de vensterbank begon op te stapelen. De volgende vonden daar geen plaats meer en moesten zich beperken tot het als een wolk tegen de gevel van het huis heen en weer bewegen, om af te wachten hoe hun verwanten nu in hun plaats hun plan zouden uitvoeren. Want dat daar binnen de dader lag, de man om wie ze hun reis waren begonnen, daar twijfelde niemand aan.
Je zou denken dat een minder buitengewone storing de slaper ook wel had moeten wekken. En dat hadden de aangekomene natuurlijk ook verwacht. Daar stonden ze nu alleen maar te spieden (dicht op elkaar gepakt, elkaar op de schouders slaande met hun vleugels, en velen zaten zelfs op het voeteneinde van zijn bed). Ze schenen geen andere taak te hebben dan de slaper te bewaken, om maar in geen geval het eerste trekken van de mond te missen, of het moment dat hij op zou schrikken en beseffen dat hij door hen omringd en een verloren man was. Zo wilden ze te werk gaan en dat deden ze nu ook. Alleen speelde hij niet mee. Want die daar lag te slapen met de mond half open, scheen zich niet in de ruimte te bevinden waar zij waren, maar op een andere planeet; hij scheen niets te hebben met dat wat zij zich hadden voorgesteld. Want het was überhaupt geen man die daar voor hen lag, maar een knaap. Een knaap die met glimlachend jongensgezicht de slaap des rechtvaardigen sliep; en die, hoe scherp ze hem ook bekeken en hoe grappig ze ook op zijn borst rond hupten, er niet aan dacht zijn gerechtvaardigde slaap te laten onderbreken. Je kunt eigenlijk alleen maar zeggen: wat er gebeurde was dat er niets gebeurde.
Op niets waren ze natuurlijk minder voorbereid dan op dit niets. De man die ze op hun tocht hierheen voor zich hadden gezien had de duistere trekken van de vijand vertoond, het gesloten gezicht van een bruut, masker van een verwoester. Op zo’n masker waren ze voorbereid geweest; daar waren ze gebrand op. [ 90 ] Ze wilden het oor van zo’n maskerdrager binnendringen en dan in zijn ziel; en indien nodig met geweld hem laten weten wat hij aangericht had – dat hadden ze zich voorgesteld als hun doel, als uiteindelijke genoegdoening.
Maar deze hier – zo een als deze hadden ze niet gedacht. Deze droeg immers geen masker, nog niet eens een gezicht. Want hoe zouden ze dat wat hier voor hen lag, dat onuitstaanbaar zwakke, dat lag er maar zonder woede, zonder verzet, en lachte peilloos diep, – een ‘gezicht’ hebben kunnen noemen. Ze waren duizenden mijlen hier vandaan opgestegen, om de man te bereiken op wiens woord het licht opgeschoten was dat helderder schitterde dan duizend zonnen, en op wiens wenk alles wat hun wereld geweest was, tot niets vervallen was. Zo’n vernietiger terugvinden in zo’n kleine, een zo grote schuldige in zo’n schuldeloze, dat konden zij in hun verduistering niet klaar krijgen. Zeer te begrijpen dus dat geen van hen de lust had en ook geen van hen de kracht daartoe kon opbrengen om hun plan uit te voeren en deze misdadiger de oren vol te schreeuwen. Veel meer schudden ze hun hoofd na hem zwijgend verbijsterd en verlamd aangezien te hebben; ze keken elkaar radeloos aan, sommigen begonnen zelfs (alsof ze hier uit die kamer wilden die hun niet pluis leek, en zo snel mogelijk naar buiten) te duwen, en enige andere die (als een van de buiten geblevenen vroeg, wat er allemaal aan de hand was en waarom er dan überhaupt niks gebeurde) in solidaire irritatie terug schreeuwden dat hij zeker nog steeds niet in de gaten had dat ze de verkeerde kamer hadden of zelfs het huis of de stad. En hij kon makkelijk mekkeren; en als hij zou zitten waar zij nu zaten, dan zou hij vast en zeker erkennen net als zij dat deze slaper hun man niet kon zijn. Kortom: hun expeditie had eigenlijk haar kracht al verloren, en vermoedelijk hadden ze die al gauw afgeblazen, als er niet één onder hen was geweest, die op dat ogenblik ingreep. De schreeuw van de verblinde namelijk, die (niet begrijpend wat de anderen ervan weerhield hun plan uit te voeren, ) op zijn heftigst erop aan drong bij het oor van de schuldige te mogen. Geen wonder dat zij die de moed al zo ongeveer verloren hadden in deze armste broeder hun laatste hoop zagen; ze fluisterden: [ 91 ] ‘Laat hem!’ en ‘Hij is immuun voor zijn schoonheid!’, en ze schoven hem op het bed.
Maar geloof maar niet dat daarmee de moeilijkheid opgelost was. Het is niet te betwisten dat een blinde het makkelijker heeft dan zijn ziende en daardoor makkelijker te verleiden broeders. Om zijn plan uit te voeren hoefde hij niets anders te doen dan zijn scheur open te zetten en in het voor hem liggende oor van de slaper te krijsen. Je kunt hem ook niet verwijten dat hij dat onhandig gedaan zou hebben, of dat het hem ontbrak aan trefzekerheid en vocale sterkte. Integendeel: zijn proefschreeuw was zo scherp en gillend, dat hij er zelf ook van schrok, en scheurde je trommelvliezen zo heftig dat de anderen dachten dat de bliksem die helderder dan duizend zonnen geflitst had, nu ook deze kamer had getroffen. Ze putten zelfs nieuwe moed uit zijn ontzettende schreeuw: want ze konden zich niet voorstellen dat er een levende ziel zou zijn, die zo geluidsdicht kon wezen dat zo’n signaal niet tot hem door kon dringen en in zijn binnenste zou worden getroffen. ‘Hij is onze gezant’, fluisterden ze dus, ‘dat is onze mond’ en : ‘Hij is de redder uit onze nood’.
Maar ten onrechte. Want nu zaten ze daar voor de tweede keer naar de slapende te staren, om in geen geval het ogenblik te missen, dat deze ontzet door deze ontzettende schreeuw, zou opveren en zelf met een luide schreeuw wakker zou worden – maar weer bleef alles bij het oude. Weer lag de slapende zoals hij erbij gelegen had; en weer of nog steeds was het enige wat gebeurde, dat er niets gebeurde.
Natuurlijk zult u zeggen: ‘De schreeuw van de blinde zou toch niks uitgehaald hebben; en hij had zijn plaats moeten afstaan aan een grotere broer, een van hen die op de vensterbank zaten, of van die daar buiten, die in reusachtige formatie tegen de gevel op en af golfden. Een daarvan zou het zeker gelukt zijn.
Maar zo eenvoudig is de zaak helaas ook weer niet. Zelfs als de grootste van hen op de proppen was gekomen om zijn verschrikkelijke stem te laten horen – dan zou hij niet alleen niet succesvoller geweest zijn, maar zelfs minder succes boeken. Want de blinde was niet mislukt omdat hij te zwak geschreeuwd had; maar omgekeerd omdat hij barstte van de onverdraaglijke pijn en de overmatige woede; hij kon alleen maar [ 92 ] te sterk en te schel schreeuwen. Zijn stem was te groot geweest om door de smalle deur van het gehoor in de ziel van de slapende door te dringen. Want niet alle berichten mogen daar binnen. Die een bepaalde maat te boven gaan blijven buiten, en vallen op de grond en raken daar in verval. Al stortte de wereld in elkaar, – de man zou de herrie niet vernemen. Want niet alleen het te kleine kun je niet waarnemen, maar ook het te grote.
Maar dat wisten ze immers niet. En omdat ze het niet wisten maakten ze weer niets klaar. Ze vielen weer terug in radeloosheid, wisselden vreemde blikken met elkaar., lieten weer de moed zinken, en maakten zich weer klaar hun expeditie op te geven. Dat zouden ze ook zeker gedaan hebben, als er niet ook dit maal één had ingegrepen, en ook weer op het laatste moment. Dit keer was het de verstomde; hij zwaaide vertwijfeld om zich heen en meldde op zijn manier dat hij niet van plan was deze stille man zijn verwijten te onthouden en ervan af te zien hem uit te leggen wat het is om een verstomde te moeten zijn. Of zijn broeders hem op lieten treden omdat ze het lef niet hadden hem, de beklagenswaardigste van hen allen een wens te weigeren, of omdat ze elke poging iets te ondernemen zelfs deze uiterst tegen-zinnige, altijd nog beter vonden dan helemaal niets, blijft een open vraag. In elk geval maakten ze wat plaats om bij de slaper te komen zodat ze een derde poging konden opzetten om contact te maken.
Als je van ‘contact opnemen’ mag spreken. Want het is echt moeilijk de vraag te beantwoorden hoe je  de handeling die nu begon zou moeten noemen. Tenslotte was de scène die een duet wilde wezen nog niet eens een solo-act, maar een niets, dubbel niets: want ze werd gespeeld door twee volledig ontoereikende wezens: de een die geen tonen kon laten horen, de andere die geen tonen kon horen.
Maar geloof nu niet, dat u licht kunt denken over de confrontatie van de stomme met de dove, of dat u het recht hebt er een verzonnen beeld in te zien of een eenmalige en daarom betekenisloze gebeurtenis. Want hoe vreemd dat ook mag klinken, geen opzetje in ons bestaan is alledaagser dan dit. [ 93 ] U zult toch ook niet willen bestrijden, dat we in een wereld leven waarin sommigen monddood blijven en andere doof; en dat wat wij ‘verkeer tussen mensen’ noemen meestal uitloopt op dat verkeer tussen doven en stommen. Dus. Alleen bent u dan – en dat maakt het verschrikkelijke eerst echt verschrikkelijk – vooral te blind om uw eigen stomheid en de doofheid van de anderen te zien. En dan bent u niet in staat in de scène die ik net vertelde uw eigen situatie te zien.
Daar zat de stomme dan, woest met zijn vleugels slaand om met zijn zinloze optreden te beginnen. Het was natuurlijk onjuist om te beweren dat hij zijn situatie niet door had, dat hij niet wist dat zijn verminking definitief was. Maar hij wist dat alleen maar, en wat stelt dat nu helemaal voor? Door zijn toorn, zijn woede, zijn vertwijfeling en door zijn ingewikkeld optreden bewees hij hartverscheurend hoe machteloos dat weten is en hoe weinig de toestand zijn toestand was geworden. U kent die oorlogsinvaliden wel, die na het verlies van hun handen nog lange tijd, zo niet voor altijd ‘mensen met handen’ blijven en die in hun ledematen die al lang vergaan zijn nog steeds de meest verschrikkelijke pijnen voelen. Op die beklagenswaardige mensen leek hij: hoewel van zijn stem beroofd, bleef hij nog altijd een schreeuwer: dus niet in staat te leren dat het mogelijk is geen stem te hebben; en niet in staat te geloven dat wie schreeuwen moet niet ook schreeuwen kan. Want het toneel dat hij nu opvoerde, zich in de meest tegen-zinnige en verschrikkelijke bochten draaiend, dat bewees dat hij het ongelooflijke feit van zijn stomheid nog niet had geaccepteerd, en dat hij tegen alle beter weten in ten diepste ervan overtuigd gebleven was ergens wel een positie te kunnen vinden waarin bewezen moest kunnen worden dat dat ongelooflijke feit niet juist was. Ik bespaar u de gedetailleerde beschrijving van de krampen en spasmen in zijn lijf. Want zelfs zijn broeders schenen zich te schamen om zijn woordeloos gevecht tussen hoop en vertwijfeling te volgen, en ze wachtten met afgewende hoofden. Ze zagen tenslotte niets meer dan alleen het laatste verstarde beeld van deze erbarmelijke scène: de stakker in een stand die de stem van de meest gezonde mens zou hebben afgesnoerd; [ 94 ] bevend over zijn hele lijf en met wijd opengesperde snavel, zo wijd dat er niets anders meer te zien was dan het rood van zijn strot. Hij zag eruit als een enorme jonge vogel, die om voedsel schreeuwt. Dat was dus zijn schreeuw. Die schreeuw maakte de geluidloosheid die toch al in de kamer hing nog meer geluidloos. En de man voor wie de schreeuw bedoeld was, en die daar maar bleef liggen zoals hij gelegen had, ademde gelijkmatig verder onaangedaan, onaantastbaar, met zijn gemene jongensgezicht. U zult wel begrijpen dat die nog dover leek dan voorheen. En ook dat het evenement nu echt ten einde was. En dan ook het ergste wat we hieruit leren moeten: slachtoffers tellen niet meer mee, want ze kunnen niets meer vertellen – dat zal dat beeld van die stomme (slaper) u wel voor goed bijgebracht hebben.
Want het is nog veel belangrijker dat ze tenslotte toch een uitweg vonden. Dat ze namelijk besloten dat elk van hen er zelf op uittrok om een oor te zoeken, dat meer bereid was zich te openen dan het eerste oor dat ze bezocht hadden. Ze verhieven zich op de avond van die onzalige dag boven de daken van Washington als een grote zwerm die eens boven de daken van Hiroshima zweefde; nu echter niet om bij elkaar te blijven, maar om zich te verspreiden. Ze splitsten zich in tweehonderdduizend stipjes, die elk hun eigen weg namen.
Het is wel is waar onbekend hoeveel van deze losse schreeuwen al geslaagd zijn in hun missie, maar zo veel weten we wel, dat ze steeds weer welkom waren bij mensen die al jaren wachtten om dergelijke gasten waardig te mogen ontvangen. En als u  zo’n mens bent en nog nooit van elkaar gehoord hebt dan bent u toch niet alleen. U hoort toch bij elkaar. Want welke schreeuw u ook opgepikt hebt, dat was ook een deel van de ene grote schreeuw van Hiroshima; dus bent u nu ook [ 95 ] een deel van die ene grote familie van hen die niet vergeten wat er is gebeurd en die de dreiging niet zullen laten begaan.

Hiroshima, in het hotel

We zitten zo rond tien of elf uur met een drankje. Bij ons twee Japanners, één tegenover me, één naast me. Rechtstreeks zicht op de ruïne. Ik laat tijdens het gesprek de retorische vraag vallen: ‘Maar waar is Hiroshima?’. Foute vraag.
Want de man tegenover me, een zwaarmoedig en schrander uitziend man vraagt meteen terug wat ik daarmee bedoel.
‘Hiroshima als belichaming van de vernietiging’
‘Dat is Hiroshima voor ons ook.’ zegt hij uitdrukkingsloos.
‘Voor u bovenal.- Ik bedoel, dat ik de vernietiging hier niet zie. Die is ook vernietigd. Hiroshima is ten tweede male vernietigd’.
‘Ten tweede male?’
‘Wat hier gebeurd is, heeft zich, zoals u weet, ook in Duitsland afgespeeld’, leg ik uit.
Hij fronst de wenkbrauwen. Hij is blijkbaar bang dat ik wedstrijdje puinhoop en dodenaantallen wil.
‘Natuurlijk in veel mindere mate. Maar toch heel ernstig’.
Hij wacht af.
‘Ook daar zijn steden in afval ondergegaan. En ook daar zijn honderdduizenden omgekomen.’
‘Maar?’
‘Maar de jeugd in Duitsland, zelfs de twintigjarigen van nu, weet nergens meer van’.
‘En waarom niet?’
‘Omdat ze als kind in de puinhopen opgegroeid zijn. Alsof puinhopen het natuurlijke en door God gegeven landschap van het leven vormden.’
Nu knikt hij. Zijn argwaan schijnt weg te vloeien.
‘Maar ook omdat die landschappen begonnen op te lichten. Of meer precies: omdat de gaten gevuld werden, en wel zo adem berovend snel, dat de woestenijen met elke dag minder zichtbaar werden.’
‘U heeft het nu over Duitsland? ‘vroeg hij [ 96 ]
Ik knikte. – ‘De verwoesting werd onzichtbaar. Dus vergaten de kinderen het. En ze vergaten niet alleen de verwoeste landschappen van gisteren. Ze vergaten ook die van daarvoor, toen de woestenijen van gisteren ontstonden.’
‘Duitsland komt me erg bekend voor’.
‘Juist. – En omdat zij die onder het puin begraven zijn, ook al vergeten waren; en zij aan wie we de verwoesting van toen te danken hebben ook … ‘
‘Kort en goed,’ onderbrak hij me, en hij maakte een snelle wegschuivende handbeweging, ‘everything is forgotten’, en hij kijkt me in solidaire droefheid aan.
We zitten een tijdlang zonder woorden.
‘Weet u’, zo vat ik tenslotte mijn uitspraken samen, ‘dat bedoelde ik met mijn vraag: ‘waar is Hiroshima?,’ en toen ik Hiroshima ‘voor de tweede keer verwoest’ noemde; en ‘de vernietiging is ook vernietigd’. De sporen van de vernietiging zijn uitgewist, daarmee is ook het tijdperk van de vernietiging uitgewist. – Het tijdperk van de vernietiging is uitgewist, dus is ook de herinnering aan hen die uitgewist werden uitgewist. De herinnering aan hen die werden uitgewist is, uitgewist dus is ook de herinnering aan hen die ze uitgewist hebben, uitgewist. – De herinnering aan de vernietigers is uitgewist, dus is ook het verzet tegen de vernietigers van morgen gewist. – Er staan dus weer overlevenden klaar. En al zullen ze het niet zelf doen, ze zullen wel mee doen aan de vernietiging; of die op zijn minst toe laten’.
Hij haalt diep adem. ‘We zijn één wereld’ , zegt hij uiteindelijk.
‘Vooral in onze zwakheden’.
‘Niet alleen daar. We zijn toch ook bondgenoten? Vechten we niet gezamenlijk tegen onze gezamenlijke (fouten)?’
‘Goede strijd’ zeg ik en hef aarzelend mijn glas.
Hij heft zijn glas ook.
‘En als ik in het begin onhoffelijk scheen..’
Hij maakt een afwerend gebaar. ‘En als ik u in het begin gewantrouwd heb…’
Ik maak nu een afwerend gebaar.
Zonder woorden grijpen nu ook de anderen naar hun glazen. Allemaal bondgenoten. Maar echt proosten durft niemand. Ik heb nooit een solidariteit beleefd die zo troostend was en tegelijk zo droevig.  [ 97 ]
De Japanner naast me heeft wel de meeste aarzeling bij het heffen van zijn glas.
‘Twijfel?’ vraag ik.
‘Misschien’ zegt hij hoffelijk.
‘En waarom?’
Hij wendt zich tot de Japanner tegenover mij. ‘Maar hij hebben er toch aan gedacht!’
‘Waaraan?’
‘Aan het overeind houden van de verwoesting’. Hij wijst naar het raam. We zien allemaal de ruïne.
‘Vindt u echt’, vraag ik, ‘dat deze ruïne u verhindert te vergeten? En waarschuwt die u?’
Hij knikt beslist.
‘Elke dag’, zegt hij.
‘Mij niet’, spreekt mijn bondgenoot tegen. ‘Het lijkt wel of we haar kunnen repareren. Of we  erover kunnen denken haar op te ruimen. De toestand van het gebouw had net zo goed door een zolderbrandje kunnen zijn ontstaan.’
Mijn buurman is sprakeloos. Het woord ‘zolderbrandje’ is voor hem heiligschennis.
‘Ik begrijp u heel goed,’ probeer ik te bemiddelen. ‘U ziet in de gebogen koepelconstructie een symbool.’
‘Juist’.
‘En dat het een symbool is, dat weten de kinderen van nu nog wel.’
‘Precies’.
‘Wat ‘weten’ ze dan? ‘vroeg mijn bondgenoot.
‘Ik ben ook bang, dat het alleen maar weten is’, vul ik aan.
‘Wat is ‘alleen maar’? vraagt hij.
‘Dat ze niet meer zien wat in dat symbool zit.’ Of dat ze het überhaupt nooit hadden kunnen zien’
Hij begrijpt het niet.
‘In Europa’, leg ik uit, ‘hebben we een uitdrukking die aangeeft wat een symbool is. ‘Pars pro toto’. Dat betekent een deel staat voor het geheel. Het deel incarneert het geheel.’
Die gedachte is hem vertrouwd.
Ik wijs weer op de roestige koepelconstructie. In dit geval gaat het Latijnse gezegde niet op. Dit deel staat niet voor het geheel. Er zijn nu eenmaal delen die dat geheel [ 98 ] dat ze willen symboliseren of voorwenden te symboliseren, niet aan kunnen; die dat geheel niet aan zichtbaarheid kunnen helpen; of die dat geheel zelfs vervalsen of onzichtbaar maken.’
‘En hoe komt dat?’
‘Bijvoorbeeld daardoor dat het deel, juist als deel begrensd en te overzien is; terwijl het geheel dat het moet belichamen, alle begrensdheid en overzienbaarheid overschrijdt; en door die overschrijding is het wat het is.
‘Dat gaat hier ook op’ vult mijn bondgenoot aan.
‘Of daardoor dat het deel zich nu voegt in een geheel nieuw ‘geheel’ , en of het nu wil of niet, deel daarvan wordt.
‘Wat hier ook op gaat.’
Met andere woorden: de mateloosheid van wat hier gebeurd is, kan door dit ene geruïneerde bouwsel niet belichaamd worden.’
Mijn buurman ziet eruit alsof ik hem een deel van zijn leven ontfutseld heb. Even blijft hij stil. ‘En wat hadden we dan moeten doen?’ vraagt hij tenslotte.
Ik haal mijn schouders op . ‘Daar is het nu te laat voor’.
‘Waarvoor?’
‘Het is zeer begrijpelijk dat hier nagelaten is, wat gedaan had moeten worden net zo goed als dat elders en ooit gebeurde. Want mensen willen toch verder leven. En wel waar ze leefden.’
‘Anders gezegd,’ vulde mijn bondgenoot aan, ‘we hadden de zaak zelf tot symbool moeten maken’.
Ik knikte.
‘Welke zaak?’ hij keek ons aan alsof we een soort dieventaaltje spraken.
‘Hiroshima zelf’, antwoordt mijn vriend. Dat hele verwoeste Hiroshima zelf. Dat hadden we moeten conserveren.’
Hij gelooft (zijn oren) niet. ‘Dat hele?’
‘Ja, dat had ik bedoeld’, bevestig ik.
‘Het geheel – als plaatsvervanging van het geheel?’
‘Neen, ook als ‘pars’. Helaas ook als ‘pars’. Want ook het verwoeste Hiroshima was maar een deel.’
‘Waarvan?’
‘Van de hele atomaire situatie’, antwoord ik. [ 99 ]
‘Van de totale mogelijke ondergang’, antwoordt mijn bondgenoot.
Hij kijkt nu van mij naar hem en van hem weer naar mij. Ik denk dat hij nu ook bondgenoot is.

Nacht

In zekere zin existeert het toch nog wel, dat verwoeste Hiroshima. Namelijk in de harten van velen, die dat nieuwe niet hebben gezien en nooit zullen zien. Maar die zullen nooit een ander beeld van Hiroshima leren kennen. Dat beeld zullen we vereeuwigen, en wieltjes geven en over de wereld rollen. Opdat zij die ook nu nog niet weten, eindelijk begrijpen dat de naam ‘Hiroshima’ geen stad betekent, maar de toestand van hun wereld; en dat ook zij in Hiroshima wonen. 

Hiroshima

Al eerder was ons verteld dat we het atoomslachtoffer-ziekenhuis zouden bezoeken.
Alle ziekenhuisbezoek is indiscreet. Als er echter een hele horde de kleine ziekenhuiswereld binnendringt; en als niemand een enkele zieke kent; en als geen van die vreemden in staat is een woord te wisselen met de zieken, dan is de hoogste graad van indiscretie wel bereikt.
Die top gaan we dus bereiken.

Misschien leest een van jullie hulpelozen, deze regels ooit. Laat hij dan weten en laat hij het de mensen in het bed naast hem doorvertellen dat onze groep, sinds ze weten van dit bezoek, zwijgend rondlopen, uit schaamte dat we u zo indiscreet bezocht hebben. Maar we moesten. Als zij die ons hierheen stuurden mee moeten helpen om herhaling van dat wat U gebeurd is te verhoeden, dan moeten we hun een beeld van uw lijden overbrengen.
Dat we uw bondgenoten zijn durven we niet zo beweren want we komen met lege handen. En we kunnen U niet helpen.
Maar U bent onze bondgenoten. En U kunt ons helpen. Alleen al door uw bestaan, alleen al door uw beeld. en wij moeten op die hulp aanspraak maken. [ 100 ]

Hiroshima

We komen net uit het ziekenhuis waarin mensen liggen die pas na jaren ziek zijn geworden en nu stervend zijn.
Niemand klaagt of toont zijn lijden of zelfs zijn doodsangst (wat vanwege de moeilijke wederzijdse communicatie wel voor de hand had gelegen). Ze waren alleen schuw en hoffelijk. ‘Deze Oostaziaten hebben nu eenmaal een andere verhouding tot de dood dan wij. Ze zijn meer fatalistisch’. Hoe vaak ik deze zin uit de mond van anti-Azië lui gehoord heb. Slagerswijsheid. Hoe simpel beschadigingen daarmee te rechtvaardigen, door de beschadigde te verachten, hem zelfs een ziel ontzegd. Hoe gemakkelijk de deugd die deze mannen tonen  (juist door niets te tonen) als een etnische merkwaardigheid te behandelen of als een teken van minderwaardigheid zelfs.
Dat Japanners ‘fatalisten’ zijn of ook maar ‘gelaten’, is in zijn algemeenheid natuurlijk eenvoudig onzin. Wie vrolijke Japanners meemaakte – en die kun je onmogelijk niet treffen, want de bevolking behoort tot de vrolijkste op aarde – die weet dat wat Aristoteles van het leven in het algemeen zegt, dat het ‘iets zoets is’, net zo zeer opgaat voor Japanners als voor ons. Maar zij zijn wel gedisciplineerd, en wel in zo’n beschaafde, in een zo socratische wijze dat ze niet alleen hun angst niet laten zien, maar ook hun discipline niet; de filosofische deugd van ‘gelijkmoedigheid’ om te munten tot onverschilligheid in de zin van domheid of botheid, is eenvoudigweg niet eerlijk. Maar je mag ook het woord ‘discipline niet verkeerd verstaan. Met ‘stijfheid’ heeft dat eveneens niets van doen; alleen met acht geven, dus met goed fatsoen.

Leukemie-kamer

Onvergetelijk: een olijfgroene kale man met hoge schedel die met ondersteuning van een verpleger rechtop in zijn bed zat en eruitzag als een door El Greco geschilderde heilige, die op het laatste oliesel wacht. Veertig of zestig jaar is niet te bepalen. Vanaf het eerste moment hield ik hem voor een priester aanvankelijk vanwege zijn El Greco-achtig uiterlijk, maar ook nu geloof ik dat nog, al sprak hij niets van theologie of religie. Heel goed mogelijk dat hij afzag van rechtstreeks theologische uitdrukkingen, omdat hij wist dat hij te maken had met vreemde, seculiere bezoekers; of ook [ 101 ] dat de tolk deze uitdrukkingen in neutraler idioom vertaalde. Maar de vertaling kan de zin niet verminkt hebben. Wat wij als zijn inbreng ervoeren, paste in elk geval volledig bij zijn uiterlijk en zijn gebaren.
T. vind het echter allemaal maar ingenieus theater, de man heeft ons een met deze bedoelingen vooraf bewerkte tekst opgedreund die hij vast wel x maal gehouden heeft. Als T. recht heeft met zijn wantrouwen dan is deze man een zeer geniale komediant. Want niet wat hij zei was schokkend, niet slechts hoe hij sprak, maar ook hoe hij niet sprak; dat wil zeggen de manier waarop hij pauzes ‘inlegde’. Vertwijfeld spande hij zich in om zich te weer te stellen tegen zijn uitputting. Dat ging gepaard met inspannende gebaren om na zijn pauzes weer de juiste uitdrukking te vinden. Hij slingerde zijn woorden er met een zeker wildheid uit, om in elk geval zijn volgende uitputting voor te blijven. Het lijkt me ondenkbaar dat dat allemaal maar een rol is.  Daar kwam nog bij dat de tolk zijn gewone routine verloor, hij werd er door aangestoken en raakte opgewonden. Maar bovendien tenslotte werden de woorden beslist niet zo maar in het algemeen gezegd, maar ze waren dubbel en dwars toegesneden op de speciale rol die wij speelden. Woorden van de ene bode aan andere boden.
Zijn eigen lijden liet hij onvermeld. Hij sprak nauwelijks van ‘ik’, bijna alleen van ‘wij’. – waarbij zijn rechterhand een boog maakte (of op zijn minst aanduidde) die niet alleen de patiënten in zijn ziekenhuis of die van Hiroshima en Nagasaki omvatte maar allen die misschien nog ziek zouden worden, met name de doden. Ik weet niet waarom hij die nooit bij name noemde, maar steeds met een wonderlijk eufemisme ‘de anderen’ aanduidde. Van niemand anders heb ik dat als synoniem gehoord.
‘Woorden van de ene bode aan andere boden’: terwijl wij levenden ons zelf zagen als de boden van hen die misschien ten dode opgeschreven waren, zag hij de stervende zich als de mond van de doden. Hier twee fragmenten van zijn toespraak:
‘…. de anderen mogen niet zomaar blijven rondslingeren. Hun dood is geen dood in de gebruikelijke zin. Maar een waarschuwing. Een taak om te waarschuwen. Omdat ‘die anderen’ die waarschuwing niet meer kunnen uitspreken [ 102 ] maar wij nog wel, nog net, moeten we dat snel doen, in hun plaats. Spreek uw medeburgers die u hierheen zonden erop aan, dat het in hun macht ligt of het hen zal vergaan zoals het ‘die anderen’ is vergaan; en hoe het ook ons binnenkort zal vergaan.’
‘…. Wij  matigen ons niets aan. We zijn nooit streberig geweest. Als de wereld o.k. gebleven was zou niemand van ons op de gedachte zijn gekomen zich te bemoeien met het leven van andere mensen laat staan het leven van gasten. We weten dat dat niet hoffelijk is. Wanneer wij desondanks optreden als waarschuwers dan is dat noch omdat wij geloven dat wij van nature wijzer zijn dan u, noch omdat we lak hebben aan de hoffelijkheid. Maar alleen omdat er mensen moeten zijn die doen wat er gedaan moet worden. En omdat het noodlot toevallig ons getroffen heeft, en niet u; ons uitgekozen heeft en niet u. Als het u gekozen had, dan zouden we u moeten aanhoren. Herhaal aub ook thuis dat we ons nooit op die rang beroepen, maar slechts op toeval. Miserie is geen verdienste. En het is ook toeval dat wij, hoewel getroffen er desondanks nog zijn. (Hij wees op het bed naast hem) Deze man hier werkte toen ‘het ‘ gebeurde in een aardewerkfabriek, die al zijn kameraden begroef. Als hij op dat moment niet toevallig om een boodschap was geweest, dan zou hij nu bij ‘de anderen’ liggen. (De man naast hem knikte, voor zover men liggend knikken kan.) En toch. Ook al is wat gebeurd is toeval, dat toeval geldt wel. Dat is de realiteit. Want nu zijn wij het die moeten spreken en laten zien, die het recht en de plicht hebben te spreken. En ons te tonen. (Toen pauzeerde hij een ogenblik en keek ons aan, alsof hij voor het eerst zag dat we totaal vreemden waren. Toen ging hij verder:) Bekijk ons goed, want weldra zijn wij ook ‘bij de anderen’. En dan is er niemand meer die mond en getuige kan zijn’.
(Hij gooide zijn hoofd in de nek, om zich als getuige te presenteren, dus om zich door ons te laten bezien en dat we hem zouden inprenten. Nooit eerder zag ik een exhibitionist met zo weinig ijdelheid. Nog nooit zag hij er zo El Greco-achtig uit. Nadat hij in die positie één, twee minuten gestaan had – maar dat leek wel een eeuwigheid – verstrakten zijn trekken plotseling. [ 103 ] De arts wees ter verklaring naar boven, boven het hospitaal dreunde een vliegtuig. Zo’n pauze had ik al eens eerder meegemaakt. – Op de brug. – Het duurde een hele tijd tot de paniek uit zijn gezicht weg was. Dan schudde hij zichzelf blijkbaar om zijn trekken weer op de plaats te krijgen. Maar toen hij zijn laatste woorden sprak, was zijn gezicht asgrauw.)
‘Mijn wereld is kleiner dan de uwe; maar toch lig ik een paar passen op u voor. Niet alleen omdat ik nog maar een paar passen voor me heb, en u meer. Maar ook omdat ik afgesloten van de wereld niks anders meer ben dan de waarschuwing zelve.’ En na een pauze ‘Ik wens u een goede gezondheid’. – Toen probeerde hij iets dat als buiging bedoeld was, en de verpleger legde hem weer in bed. Wij maakten een buiging en verlieten zwijgend de kamer.
‘Het meest vergevorderde geval van leukemie dat we hier hebben’, verklaarde de arts op de gang. –

Ons gedrag: niemand die de moeilijke opgave niet aankon, niemand gedroeg zich verkeerd. Sommigen van ons spraken de zieken rechtstreeks aan in het Engels; zelfs als er toevallig even geen tolk vrij was. En dat was niet geheel zinloos, maar het meest zinvolle wat we konden doen. Want dat we tegen hen spraken was veel belangrijker dan wat we zeiden. Door te spreken kwamen onze gebaren in orde en kreeg ons gedrag enige zekerheid. Dat was niet alleen bij ons, maar ook bij hen. In elk geval was duidelijk dat ze zich niet maar domweg aangegaapt voelden. Mimiek verstaat men internationaal en de melodie van de taal van de goede wil schijnt grenzeloos. Dat is een hele troost!
Een tweede troost: mensen die pas sinds kort samen zijn, gedragen zich hetzelfde, goed. Geen verschil tussen de vakbondsman uit Australië, de schrijfster uit Birma, de kernfysicus uit Frankrijk. Zonder afspraak, geheel improviserend sloegen we dezelfde toon aan. Niemand deed huilerig, niemand was indiscreet. Veelmeer traden we allemaal op als boden, we brachten groeten over. Gestuurd door de volken der aarde om hun te vertellen dat ze veel minder alleen stonden dan ze misschien vermoedden. Een zei, dat als ze door de wanden van haar klein geworden wereld heen kon kijken in de [ 104 ] verte, dan zou ze miljoenen vrienden zien. Een andere zei dat hij zich schaamde dat hij de tijd die met hun onheil begonnen was, zelf zo gezond had kunnen doorbrengen, terwijl zij slachtoffers zijn. Een derde zei dat hij hun de dankbaarheid van zijn volk wilde overbrengen, ook al zagen ze zichzelf misschien zonder enige verdienste, want door hun lijden kon je weten wat misschien voor de deur kon staan.
Pas na deze woorden, die gewoon als mededelingen gedaan werden, dus zonder pathos, zonder te jammeren, brachten we onze wensen voor genezing naar voren; die waren zo wel voor hen als voor ons het zwaarst. Want de wensenden geloofden niet wat ze zeiden en de dankenden niet wat ze hoorden.

Hiroshima

’s Avonds uitgenodigd om te komen eten bij de burgemeester. Smetteloze elegantie van een Zwitsers Grand Hotel. En dat in Hiroshima. Terwijl de gastheren, de sprekers van de verwoeste wereld en hun bedienden (die achter hun stoel gereed stonden) in formeel Europese dress en in hagelwitte overhemden waren gestoken, verschenen wij de vertegenwoordigers van de verhoudingsgewijs intacte werelddelen, in onze door de reis nog verfrommelde en door de vochtige hitte smoezelige kleding en we zagen eruit als mensen ’s avonds na een uitstapje in Augustus. De arme S., die al in Tokio op tilt was geslagen door de hete paniek en niet begrepen had wat voor lange reis hij voor de boeg had en zonder jas was vertrokken bleef niets anders over dan in hemdsmouwen te verschijnen. Daar kwam nog bij dat de meesten van ons na de resten en foto’s die we in het atoommuseum hadden gezien en na de helse vertellingen die we uit de mond van overlevenden hadden gehoord, nog geen woord uit konden brengen.
Hoewel geen van onze gastheren de discrepantie tussen hun smetteloos voorkomen en onze innerlijke en uiterlijke onorde te bemerken scheen – dat leek op een samenzwering van goede wil – was het vreselijk moeilijk om over die kloof heen met elkaar in gesprek te komen. Des te moeilijker omdat het enige middel, dat zo’n heikele situatie zou kunnen overbruggen, namelijk de grap van te voren afgeschreven moest worden vanwege de onvermijdelijke traagheid van de vertaalmachinerie. En daar kwam weer bij dat de ceremoniële beleefdheid, die zo kenmerkend is voor Japanners [ 205 ] en die ook vanzelfsprekend bij het gedrag van onze gastheren hoorde, bij gebrek aan gelijkwaardige partners gedoemd was nergens op te slaan. Als hij tegen een knoeier moet schaken staat ook de schaakmeester hulpeloos, juist zo iemand. Dat gebeurde hier ook. Kortom: dit diner was een kwelling, die iets lachwekkends aan zich had, omdat we het uitgerekend in Hiroshima moesten ondergaan.

Restauratie in de trein van Hiroshima
naar Nagasaki.

Tegenover me zat iemand die wel vijf minuten lang de suiker in zijn koffie roerde. Ik zou hem het lepeltje wel uit de hand hebben kunnen slaan. Duitse ingenieur. Vroeger in Berlijn. Had ergens in het Zuiden vriesinstallaties voor vis gemonteerd. Blij dat hij nu uit nowhere land weg was en na een week terug kon naar Düsseldorf. En wat ik hier verloren had.
‘Niks verloren. maar gewonnen. Heel veel zelfs.’
‘Gefeliciteerd’.
‘ Dank u wel. Ja ik heb belangrijke inzichten gewonnen’.
Zijn lepel staat stil. Hij kijkt me aan, knippert met zijn ogen alsof er iets in zijn oog gevlogen is.
‘Die ook thuis van belang zullen zijn. De belangrijkste die men tegenwoordig kan winnen. Ik kom namelijk uit Hiroshima.’
‘Ben ik ook geweest. Beestachtig heet.’
‘Ook, ja. Maar dat is niet het enige. Ik heb de herdenking mee gemaakt.’
“Welke herdenking?’
‘Van het afwerpen van de Bom’.
‘Daar moet je van houden’.
‘En ik ben in ziekenhuizen geweest. En heb enige slachtoffers gezien en hun verhalen gehoord.’
‘Zo. – En?’
Dit ‘en’ is het gemeenste wat ik ooit gehoord heb. Dat zal ik wel niet gauw vergeten.
Hij maakt een afwerend gebaar. ‘Daar hoeft u bij mij niet aan te komen. Dat is echt ouwe koek.’
‘In hoeverre?’
‘We maken ze tegenwoordig veel beter’.
(‘wij’! Wat een benijdenswaardige solidariteit aan de andere kant!) [ 106 ]
‘U bedoelt dat men tegenwoordig twee miljoen in één klap kan ombrengen en zonder zelf iets te hoeven incasseren. Destijds waren het er maar een belachelijke tweehonderdduizend, en je moest zelf nog incasseren, daarom zijn die tweehonderdduizend niet meer noemenswaard?’
Hij haalt de schouders op. ‘Het is anders allemaal mooi opgeruimd. Veel netter dan vroeger, zegt men’.
‘En?’
‘Hoe heet dat hotel ook weer?’ peinst hij. ‘O ja. Modern Hiroshima. Modern. Neen ‘nieuw’. Een nieuwe lente een nieuw geluid (kan dat voor ‘Alles neu macht der Mai? jab.) Prima plek. Recht tegenover het museum, als u wat wilt griezelen.’
‘Zeker wel’ zeg ik.
‘Dat dacht ik wel. Weet u wat u bent?’
‘Wel?’
‘Een paniekzaaier’.
‘U hebt het door! Een professionele zelfs.’
Nu wordt hij een beetje argwanend. ‘Professioneel?’ klinkt vreemd. ‘Wilt u me foppen?’
‘Niet in het minst. Het zijn tenslotte ook professionals die hun omgeving in gevaar brengen. Ook u in gevaar brengen, vergeet dat niet. En die dat gevaar professioneel afzwakken of professioneel verbergen. Dus moeten er ook een paar anderen zijn die besloten hebben de wereld professioneel tegen dit gevaar te waarschuwen.’
‘Klinkt logisch’.
‘Maar?’
‘Hij haalt de schouders op. Ook een vak. – bent u iets in de politiek?’
‘Neen.’
‘Of zo’n kernfysicus?’
‘Ook niet’-
‘Wel. Neem me niet kwalijk. Wat weet u er dan van? Waarom laat u die hele atoomkraam niet over aan de bevoegde heren?’
‘Heel eenvoudig: omdat er geen bevoegde heren zijn’.
‘In elke branche zit er één die competent is.’ [107 ]
‘Dat is het verschrikkelijke.’
‘Wat?’
“Dat u de mogelijke vernietiging van de aarde als een branche ziet.’
De leugen heeft er belang bij om de waarheid een andere naam te geven; daarom zegt hij: ‘U bent een slimmerd’.
‘Competentie is niet alleen dat je er verstand van hebt, maar ook dat je beslissingen neemt. Toch?’
‘En?’
‘En u meent dat kanseliers, of ministers van buitenlandse zaken en defensie omdat ze een paar getallen meer kennen dan wij over de waarschijnlijk miljoenen doden, een recht hebben over zijn en niet zijn van allen te beschikken? Bijvoorbeeld over uw kinderen? Reken er maar goed op: deze heren begrijpen daar net zo weinig van als u, omdat ze zich net zo weinig indenken als u. Daarvoor zijn ze net zo lui als u wanneer het erom gaat zich de zaak voor te stellen. Luilakken zijn jullie allemaal.’
‘Vlijt tekort’.
‘Onvoldoende. – En wie meent en beweert en napraat dat we ons op de ‘competenten’ moeten verlaten, bewijst daarmee naast zijn luiheid ook dat hij totaal incompetent is. Namelijk ter zake van ondergang.’
Hij had geamuseerd geluisterd. ‘Mijnheer,’ zei hij dan hoofdschuddend, ‘vertel dat maar aan uw grootmoeder. Ik weet waar het om draait. Namelijk: voor welke firma reist mijnheer? – Als men dat weet, zijn we eruit (? dann kann’s einem nicht durch’s Dach regnen)’
‘Mijn firma is u onbekend’.
‘Dat zal wel blijken’.
‘Kijk eens’, zei ik ietwat bezadigd. ‘U bent toch ook voor de westerse waarden, niet waar?’
‘Ja, Natuurlijk. maar wat heeft dat er mee te maken?’
‘Ik namelijk ook: voor de waarde van vrijheid van je geweten.’
‘Doe niet zo dwaas. U weet best waar ik heen wil. In wiens opdracht opereert u hier. En voor wie houdt u uw mooie praatjes.’
‘Precies dat heb ik u beantwoord. Ik ben namelijk een vrije schrijver, En wat ik doe, doe ik uit vrije wil.'[108 ]
‘Goed. U wilt niet. Gaat mij ook niets aan. Ik zou ook wel schrijver willen zijn. Is ook een beroep’.
‘In uw plaats zou ik daar nog maar eens goed over nadenken. Mijn chef is een slavendrijver. Met een nauwkeurigheidsmanie.’
‘Jammer’. Hij had het niet begrepen.
En bovendien is het echt een komisch beroep. Je leeft maar eens – en dan verbruik je dat ene leven om je omgeving het gevaar te verraden waarin ze verkeren… ik moet zeggen…’
‘Verraden is goed’ zegt hij lachend.
‘Zelfs het beste wat men tegenwoordig kan doen’
‘Weet u,’ roept hij dan plotseling en van plezier gooit hij zijn beide handen in de lucht. In zijn rechterhand blinkt zijn mes in zijn linker zijn vork. Dat moet u op uw visitekaartje laten drukken: ‘professionele verrader’.
Jammer dat ik mee moet lachen.
Hoe ongelooflijk het ook klinkt – maar zo verlopen dergelijke gesprekken – dat we samen lachen heeft in zijn ogen meteen alle geschil uitgewist, en blijkbaar betekent het voor hem ook een totaal bevredigende afsluiting van ons gesprek. Hij roept in het Duits: ‘Afrekenen!’ (‘Verstaan ze wel’, zegt hij grijnzend: de geboren koloniaal). En dan, als appelleert hij aan een algemene noemer voor alle mensen waar alle verschil mee tot nul wordt gereduceerd:  ‘ Wat een onzin allemaal’.
‘Wat?’
Met de twee wapens in zijn handen wijst hij nu op de rijstvelden buiten de ramen van de trein. ‘Kunt u zich soms voorstellen dat dat allemaal eraan gaat?’ Hij levert het antwoord zelf: ‘Nou dan’.
Ik schud mijn hoofd.
‘Zo helder als kouwe koffie’
‘Helemaal onhelder.- dat is het juist’.
‘Daar begint-ie weer’. (Hij betaalt. Fooi hoeven ze niet. Handig.’)- ‘Wat wilt u nu nog beweren?’
‘U denkt: als ik me de zaak niet kan voorstellen, dan kan de zaak ook niet gebeuren. Omdat u niet kan kan die niet.’
Hij is al opgestaan.
‘Wel’, zegt hij ‘ga zo maar door. Weet u [ 109 ] wat ik eerst gedacht heb? Doet er ook niet toe. Maar nu weet ik: U bent slechts een grapjas’. Hij vertrekt.- 

Je moet dus als grapjas rondgaan. Ik heb wel als erger rondgelopen.- 

Nagasaki

Aankomst in ontzettende atmosfeer, een huichelachtig medium, half water, half vuur. Volop bezig niet om te vallen. Zijn als prestatie. Onmogelijk te begrijpen waar je bent. In Nagasaki, ja. Nieuwsgierigheid sijpelt weg. Ook de mijne. – De meesten hangen in de hal van het hotel rond. – Was wel even buiten, – uit pedante plichtsgetrouwheid. Maar die raakte ook verlamd toen ik me een half uur door dit hete aquarium had gesleept. Nu weer ‘thuis’, rillend, want de airconditioning staat aan. – Een stad die tegen heuvels opkruipt, een Aziatische soort van Napolitaanse stad; alleen ondanks het vreselijke weer en de massa’s op straat onbegrijpelijkerwijs helemaal schoon.

Onderweg weer geprobeerd me voor de geest te halen wat hier is gebeurd; het niet zijnde op de plek van het zijnde te schuiven. Vergeefs. De nieuwe huizen die er nu eenmaal staan, blijven ondoorzichtig; ze lieten de puinhoop die ik wilde zien niet doorschijnen. Ik wandel dus door de straten alsof het elke willekeurige vreemde stad is. De schok die in Hiroshima zo ontzettend groot was: dat je je beweegt over een door ons zelf dichtgegooid Pompeii herhaalt zich hier niet. We zijn niet vrij om te voelen! Van analfabeten in het gevoel, eisen dat ze iets voelen, zou zinloos zijn. En helemaal onterecht ze te eisen van hen die hier thuis zijn.

’s Avonds

Ik kwam langs een bioscoop; een poster liet een op de grond liggende man zien, dodelijk verwond, en een ander schopte hem in zijn lijf. Een derde stond bleekwit op de achtergrond. – Nu weet ik pas waarom ik zo lang voor dit vulgaire beeld, dat ik al duizend keer eerder gezien had, ben blijven stil staan. Het is beeld van wat hier gebeurd is: [ 110 ] Het is algemeen gebruikelijk (ten dele vanwege het tijdverschil, ten dele omdat het aantal doden door een geografische toevalligheid tot 70.000 ‘beperkt’ bleef) om Hiroshima als het symbool te verstaan, het als eerste te noemen, dus ‘Hiroshima en Nagasaki’ te zeggen. Dat gebruik is niet terecht. Voor de moralisten zou het moeten heten: ‘Nagasaki en Hiroshima’. Want bij deze tweede slag ging het om iets dat nog veel erger was dan bij de eerste (als vergelijken überhaupt zin heeft) . Ook mijn vrienden in Tokio die uit overdreven eerlijkheid proberen Hiroshima uit oogpunt van strategie nog begrijpelijk te maken, of die als christen proberen die slag als ‘verdiend’ te rechtvaardigen, verstommen als de naam Nagasaki valt, en blijven dan versteend achter. Om de volgende redenen:
Iedereen weet dat Japan na de eerste atoomaanval machteloos op de grond lag en bereid was zonder voorwaarden te capituleren. Ook in de USA betwijfelt niemand dat. En veronderstel nu eens dat er bij de beslissende instanties in de USA wel twijfel zou hebben bestaan, dan hadden ze toch alleen maar kunnen dreigen met een tweede aanval, ipv meteen een tweede bom te gooien. ‘Alleen maar’. Dat ze dat niet gedaan hebben lijkt onbegrijpelijk.
Maar dat is maar schijn. Ze hebben wel degelijk gedreigd. Alleen op een ongehoord nieuwe manier.
Het is wat moeilijk uit te leggen, wat ik daarmee bedoel, want de gewone verhouding  tussen dreiging en daad is hier op duivelse wijze omgekeerd.
Normaal is het zinvol om de dreiging met een daad te onderscheiden van de daad zelf.
Maar dreigen is op zich natuurlijk ook al een daad. Zo was bijvoorbeeld het ultimatum van Hitler aan Benesch om Praag te bombarderen, ‘als hij niet’ , dus de dreiging met de (nog niet uitgevoerde) daad zelf al een daad. Maar de dreiging met een daad dus de chantage en die (nog niet uitgevoerde) daad zijn toch twee verschillende zaken.
Maar in het geval van Nagasaki heeft men die verhouding omgekeerd – en daarmee alles wat gebruikelijk was onder politici en beroepschanteurs, ver achter zich gelaten. Want men dreigde niet met een daad, (niet met een slag die zou komen ‘indien niet’) maar door middel van een werkelijk uitgevoerde slag. Die werkelijke slag was in zoverre [ 111 ] een dreiging dat ze gericht was aan het adres van iemand die daardoor moest ervaren dat hij ‘indien niet’ met een herhaling van die slag moest rekenen. Waarop het hen die deze daadwerkelijke slag, dus dit bloedbad, aanrichten aankwam was niet dat bloedbad zelf, maar alleen de dreiging die ze ermee wilden afgeven.
Ik zei dat de slag ‘aan iemand’ geadresseerd was. Die onbepaaldheid was met opzet. Wie was het?
Bij de gebruikelijke oorlogshandelingen is de bedreigde ook de aangevallene. Men dreigt iemand met een aanval; men valt die iemand aan die men tevoren bedreigd heeft.
Maar hier – dat is het nieuwe van deze gang van zaken – hier loopt dat uiteen. Er kan geen sprake van zijn dat de dreiging de Japanners gold die erdoor getroffen werden. Japan had geen dreiging nodig. Veel meer gold ze de ‘vijand van morgen’. Volgens de regel ‘Als je de bok  wilt afschrikken moet je het bokje slachten’, heeft men die bang willen maken door de catastrofe te laten zien. De oorlog tegen de ‘vijand van morgen’, de zogenaamde ‘koude oorlog’ was destijds nog slechts een mogelijkheid; directe bedreigingen tegen die vijand werden nog niet overwogen, daarom moest men indirect te werk gaan, en in vermomming. En die indirectheid vond men – en dat is de perversiteit van het geval ten top – in het meest directe, de vermomming was juist de naaktste naaktheid: namelijk een echte slag, maar die liet men nu niet neerkomen op hen die men wilde bedreigen, maar op hen die men, al was de oorlog de facto al ten einde, toch nog de jure als vijand behandelen mocht. Kortom: men gebruikte de net nog bestaande oorlogssituatie tegen Japan om daarin nog even gauw, een actie namelijk een dreiging, uit te voeren, die men na de capitulatie niet meer mocht uitvoeren. Men richtte een compleet bloedbad aan als gebaar van dreiging. (16)
De 70.000 die men vermoordde, werden dus niet omgebracht omdat ze nog vijanden waren, laat  staan gevaarlijke vijanden; maar alleen omdat men met hun massadood een voorbeeld kon stellen, omdat 70.000 lijken een functie  [ 112 ] konden hebben, die kon men gebruiken en wel als ‘dreig-materiaal’.
Let op die woorden: bloedbaden als dreigend gebaar tegen een derde en: doden als dreig-materiaal. De uitdrukkingen zijn nieuw en afschuwelijk, maar alleen omdat de zaken nieuw en afschuwelijk zijn. En zeg ze eens hardop om die zaken niet meer kwijt te raken. Want ze zijn veel te vreselijk dan dat je ze constant in de gaten hebt, ook als je ze al eens doorzien hebt. Dus: bloedbaden als dreigend gebaar tegen een derde en: doden als dreig-materiaal. – En vergeet niet: deze slag is niet gevallen in de laatste dagen van de hete oorlog, maar door gebruik te maken van de kans die de net nog niet bekoelde oorlog bood, al op de drempel naar de ‘koude’, naar de manoeuvreer-oorlog. Ik lig in een bed boven de 70.000 verkoolde lijken niet van dode soldaten, geen oorlogsdoden, maar manoevreer-doden. Prent ook dit woord in: manoevreer-doden.
Dit is een typisch geval van nu. Want er is niets, dat het wezen van onze tijd beter karakteriseert dan het feit dat daarin de grens tussen ‘proef’ en ‘echt’ tussen ‘dreiging’ en ‘daad’, tussen ‘koude’ en ‘hete’ oorlog systematisch uitgewist is. Nu zijn de ‘proefexplosies’ het klassieke voorbeeld daarvan want hoewel het zogenaamde ‘proeven’ zijn, zijn het inderdaad al dodelijke gebeurtenissen, ze zijn ‘dood-serieus’. Maar deze vermenging is niet nieuw. Die bestond al in 1936. Want de manoeuvre voor de Duitse luchtmacht en Hitlers dreiging met een Tweede Wereldoorlog hebben al in de vorm van een echte oorlog, namelijk de ‘Spaanse Burgeroorlog’ plaatsgevonden; en de doden van Guernica zijn al ‘manoevreerdoden’ geweest. – Nu dus waren het de Japanners.

Nachtgedachten

Naar model van ‘telefoon’ en ‘telegraaf’ zouden we het woord ‘telemoordenaar’ (c.q. ‘telemoord’) moeten vormen. Door de verschillende varianten van moord op afstand is de deugd van ridderlijkheid afgeschaft. Dat is duidelijk. En hier in Nagasaki heeft de wereldgeest die definitief afgeschaft. Maar niet alleen de ridderlijkheid, maar hoe paradoxaal dat ook mag klinken ook de oorlog zelf is door de telemoord afgeschaft. [ 113 ] Wie acties als die hier hebben plaatsgevonden nog ‘oorlog’ noemt, is óf te lui om na te denken, of hij is een boosaardige bedrieger. Maar deze ‘afschaffing van de oorlog’ betekent niet dat die nu plaats maakt voor de vrede, maar voor een andere soort actie, die vele malen erger is dan oorlog: namelijk de ‘verdelging’. En verdelging betekent vandaag niet alleen (wat op zich al voldoende zou zijn) de militaire uitroeiing van de tegenstander. Dat had je vroeger ook en in de Oudheid was het zelfs oorlogswet. Maar ook die was, vergeleken met wat nu gebeurt, nog humaan.  Maar zo’n handeling die fundamenteel niet meer rekent met tegenstand; die gaat op zo’n manier los dat al voor de akte van uitroeiing de kans op weerstand uitgeschakeld is. Niet eerst als verslagene, niet pas door het gevecht, niet pas na zijn nederlaag is de vijand verdelgd, maar reeds als strijder, al voor strijd en nederlaag. De mogelijkheid tot gevecht is geannuleerd. Anders gezegd: Als ‘verdelging’ wordt oorlog van een strategisch proces omgezet in een zuiver technisch proces, waardoor hij als oorlog eveneens geannuleerd is. De insectenverdelger die muggen uitroeit, zonder op tegenstand te hoeven rekenen, voert geen oorlog; hij voert gewoon een technische taak uit. Datzelfde gold ook voor Hitler, die toen hij de bewoners van zijn kampen de liquidatieinstallaties ‘inschoof’ geen oorlog voerde tegen Joden, zigeuners of ondermensen maar ze annuleerde. Dat principe is nu doorgetrokken. Ook hier werd niet met verzet gerekend. Nagasaki en de vernietigingskampen zijn van dezelfde klasse.
Als acties tegen groepen die zich niet verdedigen kunnen geen ‘oorlog’ meer zijn, dan zijn deze groepen ook niet meer ‘vijanden’ of ‘tegenstanders’ in de betekenis tot nu toe. Ook deze categorie is dus afgeschaft, ook dat begrip moeten we over boord gooien. Maar niet alleen het begrip ‘vijand’ is geantiqueerd, veel meer alles wat psychologisch met ‘vijandschap’ van doen heeft. Iemand die met een druk op de knop duizenden mijlen verwijderd van zijn doelen die doelen vernietigt, die kan daarbij geen haat voelen of stijgende strijdlust,- dat ligt wel voor de hand. – Op de knop drukken kun je niet al knarsetandend. Niets zou naïever zijn , niets meer misleidend, niets zou onze inspanningen [ 114 ] grondiger beschadigen dan het geloof dat de twee fronten van nu haat en haatloosheid zijn. Zo eenvoudig ligt het vandaag niet (meer).Veel meer zijn beide fronten fronten van haatloosheid. De aanstaande tele-moord-oorlog zal de meest haatloze oorlog zijn die er ooit in de geschiedenis geweest is.
Maar aan deze bewering mogen we, hoe opbeurend zij ook mag klinken, geen hoop hechten, – opbeurend klinkt zij slechts voor de oppervlakkigen.  Dat puur negatieve ‘haatloosheid’ garandeert nog niets. Integendeel: die haatloosheid zal de meest onmenselijke zijn die er ooit bestaan heeft. En haatloosheid en hardvochtigheid zullen op hetzelfde uitlopen. Als de verdelger de mensen die hij moet verdelgen principieel niet meer ziet en ze principieel niet meer kan voorstellen, dan verschrompelt zijn laatste remming naar nul. Hoe verschrikkelijker een daad, hoe makkelijker ze wordt. Tot een druk op een knop waarmee men ‘ver weg in Turkije’ honderdduizenden ombrengt, besluit je veel gauwer dan dat je de mens naast je een mes tussen de ribben steekt. Vindt u ook niet, Mr. Truman? U hebt misschien nooit een vlieg een poot uitgetrokken. En ik steek er blindelings mijn hand voor in het vuur dat u ook nooit de man naast u een mes tussen de ribben hebt gestoken, en dat u dat ook nooit zult doen. Die andere daad hebt u wel gedurfd. Maakt u zich geen illusies. Maken wij ons geen illusies.
De grond voor de haatloosheid aan beide zijden is verschillend, zelfs tegengesteld. Onze haatloosheid is allereenvoudigst positief gegrond namelijk daarin dat we van de mensen houden en haten haten en de gedachte aan het niet zijn van de mensheid niet verdragen. Die van de technici is  een ‘fenomeen van gebrek’, effect van geblokkeerd zijn. Want ze handelen eigenlijk niet meer, maar volgen blindelings het verloop van hun uitvindingen en ze gehoorzamen de eisen van hun apparaten, en drukken alleen maar op een knop. En omdat je als drukker-op-de-knop onmogelijk de honderdduizenden die je door zulke handgrepen ombrengt, voor je kunt zien of voorstellen, is elk potentieel voelen bij hen afgesloten. Niet alleen hun liefhebben, maar ook hun haten. Hun haatloosheid, zelfs die, is een teken van dehumanisering. [ 115 ]
En toch moeten we het feit dat het niet-haten tegenwoordig de algemene noemer is die de mensen , of ze het weten of niet, allemaal verbindt,- dat feit moeten we niet als quantité négligeable behandelen. De ‘geantiqueerdheid van vijandschap’ is het enige wat tegenwoordig ons allen, ondanks de scherpte van de huidige ideologische tegenstellingen verbindt. Het is zeer waarschijnlijk dat de (voor het grootste gedeelte kunstmatig geproduceerde ) tegenstellingen vandaag zo raar op de spits worden gedreven, omdat de tele-technische acties helemaal geen kans meer geven aan de verwerkelijking van haat en vijandschap. Omdat men niet meer , zoals vroeger erop vertrouwen kan, dat de echte strijdactie haat en vijandschap kan oproepen, of vergroten, meent men wel deze gevoelens van tevoren te moeten oproepen door pers, radio etc. – een helemaal gek en verouderd geloof. Want de komende oorlog zal geen haters meer nodig hebben, maar alleen betrouwbare op-de-knop-drukkers. Hoe dan ook: de geantiqueerdheid van de vijandschap is het punt waar we op in moeten zetten. Dat wil zeggen: degenen die uit verkeerde motieven haatloos zijn, moeten we verleiden tot positieve haatloosheid, die heet dan niet ‘druk op de knop’ maar liefde.

Nagasaki

Hete, nevelige nacht; om 11 uur nog boven de 35 graden. Geen sprake van slapen. Lang nachtgesprek met de Amerikaan R. in de lounge van het hotel. Over de schaamte die ook hij op een avond in Hiroshima had ervaren. Eerst was ik zo’n beetje blij om de solidariteit. Maar na een paar minuten bleek dat zijn schaamte compleet anders was dan de mijne – en dat maakt dat wij die toch al overprikkeld zijn de laatste dagen, tegen elkaar geïrriteerd raken -.
Hij schaamde zich als ‘zondaar’ als iemand die, omdat hij ook mens is, het ook had kunnen doen, en dus ook gedaan had. Deze manier van jezelf betichten in de conjunctief, die poging slechter te zijn dan je in feite bent, vind ik een gruwel. Het lijkt mij een ongeoorloofd ‘spelletje zelfontzetting’; huichelarij nog erger dan de huichelarij van iemand die probeert zich beter voor te doen dan hij werkelijk is. –  Het is gewoon niet waar dat hij ‘dat’ ook had kunnen doen, en hij had het niet gedaan. Hem ontbreekt de moed om zijn gebrek aan slechtheid toe te geven. Neen erger: hij wil ook slecht zijn; hij  misgunt zich de onschuld, om de kans [ 116 ] op berouw niet mis te lopen. – Als ik hem recht voor zijn raap zeg: ‘Hoe u erover denkt, dat is uw business. Maar ik heb het niet gedaan. Ik zou het niet hebben kunnen doen, en u ook niet.’ windt hij zich heel erg op. Niet alleen omdat hij een verklaring van niet-zondaar-zijn afschuwelijk vindt, maar omdat hij het gevoel heeft dat ik hem zijn superioriteit betwist die hij meent te hebben op grond van zijn schuldbelijdenis. Daarin heeft hij trouwens gelijk.
Bijna 40 jaar geleden in Freiburg, vervulde mij dit berouw met conjunctief ook al met afschuw; na lezing van de ‘Confessiones’. En ik herinner me een nachtgesprek van toen met J., waarin ik hem heftig beschuldigde van ‘voluptas contritionis’ : begeerte om (Matthias Claudius, pardon!) ‘ook daar aan schuldig’ te zijn; en van afgunst dat anderen ondeugden bezaten die hij niet ook zou hebben.-
Neen, mijn schaamte is van een andere soort; en heeft een ander object. Want het is schaamte over dat wat mensen mensen aan kunnen doen. Ik schaam me dus als mens een van hen te zijn, ook mens te zijn. – Als ik hem dat rustig uitleg, windt R. zich weer op, hij is helemaal buiten adem: dit keer over mijn gebrek aan deemoed en dat ik zo ontzettend onsolidair ben. – Alsof er solidariteit zou moeten bestaan in zonde en schuld! Veel meer hoort solidariteit bij actie. De actie van tegengaan van wat iemand van ons aangedaan is, en weer van iemand van ons aangedaan kan worden; in de actie van beiden te beschermen: de dader en het slachtoffer. Niet ‘ook ik had het kunnen doen’ is de ware solidariteit; maar ‘ook jullie zijn mensen, die het niet zouden mogen hebben doen, en die het niet zouden moeten lijden, en die het eigenlijk niet eens hadden kunnen doen.’-
De religieuze discussie was hevig, had wel iets van tropenkolder. Pas toen we ver na middernacht naar onze kamers gingen, en de Japanner achter de balie ons hoffelijk maar wantrouwend goedenacht wenste, beseften we weer waar we waren (dat waren we helemaal vergeten tijdens ons gebekvecht): niet in Denver of Wenen, maar in Nagasaki. En we waren hier om één en dezelfde reden, uit één en dezelfde zorg. Daarop wensten ook wij, een beetje beschaamd [ 117 ] elkaar goedenacht. Maar van slapen kon geen sprake zijn. En strijd die klonk uit de vensters van genabuurde huizen, bewees dat er ook anderen zijn, die in deze van boosheid getuigende nevelnacht geen rust konden vinden. –

Nagasaki, ziekenhuisbezoek

De organisatoren hadden ter voorkoming van een pijnlijke situatie die zou kunnen ontstaan als we met lege handen op bezoek kwamen voor bloemen en mandjes fruit gezorgd. Heel hoffelijk gaven ze ons niet de tijd daarvoor te bedanken. Dat kan ik nu pas weer inhalen. Georganiseerde fijngevoeligheid is honderd keer beter dan geen. Dus bedankt.
Welke kamer de tolk me binnen leidde en aan wie ik de bloemen over reikte was puur toeval. ‘Secundaire zieke’ was tegen mij gezegd en wij waren gewoon ‘Europese bezoekers’.
Het waren twee wijsneuzig uitziende, volstrekt krachteloze meisjes. deze secundair zieken. Ze hadden om de Europese gast te plezieren vermoedelijk met grote krachtsinspanning naast hun bedden plaats genomen, en aan de bedrand vasthoudend hadden ze ons bij binnentreden met een buiging begroet. Voor hun houding heb ik geen ander woord dan het aartsvaderlijke ‘zedigheid’, dat bedoel ik hier beslist niet spottend, integendeel: alleen dat woord duidt de tot deugd geworden schaamte aan. De beiden schenen niets anders dan die schaamte te belichamen. Schaamte over gebrekkig te zijn; schaamte over te moeten sterven; schaamte over vereerd te worden met een bezoek; schaamte om tegenover een vreemde te staan; schaamte daarover de gast niet te kunnen antwoorden.

Zich schamen schijnt aanstekelijk te werken, net als lachen. In elk geval dwingt iemand die zich schaamt de ander voor wie hij zich schaamt, zich eveneens te schamen, hij zet diens remmechanisme in werking, ‘ontwapent’ hem. Waarschijnlijk bestaat de ‘list van de schaamte’, dus haar pragmatisch geheim, in die ontwapening.
Die twee vijftienjarigen wisten natuurlijk niets van dat mechanisme. Zij schaamden zich zonder enige bijgedachte. Maar ze deden het toch met groot succes. Want in een oogwenk bereikten ze [ 118 ], dat ook ik me voor hen schaamde en niet minder dan zij zich voor mij.
Maar daar viel niets aan te doen. Omdat die twee kinderen de situatie doorstonden, moest ik dat ook. Daarom stemde ik mijn stem af op hun leeftijd en koos bij het overhandigen van de boeketten woorden die me voor schoolkinderen juist leken.
Hoewel ze geen van mijn woorden begrepen, konden ze met geen mogelijkheid de toon ervan misverstaan. Waarom hun gezichten daarbij een uitdrukking van schrik hield, was me niet duidelijk, ik was me niet van een faux pas bewust. Hoe dan ook, ondanks de schrik namen ze de boeketten uiterst hoffelijk aan en lieten ze na weer een buiging gemaakt te hebben de tolk mij bedanken dat ik ‘vanwege het ongeluk zo’n verre, vermoeiende en gevaarlijke reis had ondernomen’. Waarschijnlijk is dat een bestaande term, die heel vanzelfsprekend bij bepaalde gelegenheden gebruikt wordt. Maar in de Engelse vertaling klonken de woorden zo alsof ze wilden zeggen dat ik degene was die het offer bracht en alsof mijn comfortabele vliegreis meer moeite veroorzaakte en verdere en gevaarlijker was dan hun zo vroegtijdige reis in de dood. En ook met deze veronderstelling maakten ze me beschaamd.
Dus ik was blij toen de tolk me een teken gaf dat het doel van mijn bezoek bereikt was. Ik wuifde naar de twee en dat gebaar deden ze me na (maar heel langzaam alsof het ging om een onbekend en onbegrepen gebaar). Toen stonden we weer buiten. Ik was juist bezig me weer te  herpakken, toen een van de toevallig door de gang rennende artsen, die had gezien dat ik de kamer had verlaten, op me afkwam en terloops opmerkte dat de twee vrouwen op die dag dertien jaar geleden vijftien jaar waren geweest.
Eer ik nog kon vragen: ‘Die twee vrouwen?’ was de arts weg.
De werkelijke schaamte begint dus nu pas.

Nagasaki

Per autobus passeren we lorries, draglines, hijskranen en dan de bouwplaats waar in plaats van de dertien jaar geleden verwoeste oude kathedraal, in de steigers al de nieuwe kathedraal ontstaat. Met pokerface [ 119 ] verklaart de naast mij zittende tolk: ‘Jullie brachten het, jullie vernietigden het’. Of hij met ‘it’ alleen dat ene gebouw bedoelde of iets meer algemeens, liet hij open. Zonder te laten merken dat hij wat open liet. Ik drong er ook niet bij hem op aan, want zijn woorden sneden me door de ziel, en ik probeerde uit te vinden waarom. Nu pas heb ik door dat zijn woorden uiterst nauw aansloten bij de formule ‘de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd.’ Alleen sloeg de lofprijzing bij hem nergens op.

Nagasaki

Hoe ontoereikend zijn monumenten tegenwoordig. Niet om kunsthistorische redenen. Twee angsten (en wel twee die met elkaar strijdig zijn) schijnen monumenten ontoereikend te maken. Beide karakteristiek voor de dubieuze morele houding die wij innemen tegenover de gruwelijke tijd.
Enerzijds schamen we ons – voor wie is al onduidelijk – om alles maar te vergeten, dus maar helemaal af te zien van het oprichten  van gedenktekens. Anderzijds verzetten we ons er heel hevig tegen om ons werkelijk bloot te stellen aan herinneren, dus de vermaning al te duidelijk uit te spreken, of ook maar de gedenktekens op zulke plaatsen neer te zetten dat we ze dagelijks in het oog krijgen, laat staan in het geweten. Ik ken geen enkel gedenkteken in het centrum van een stad in Duitsland, dat ons dagelijks de mensen die door Hitler werden vermoord in herinnering roept. Er staan nog beelden van ruiters. Maar de monumenten die men blijkbaar opgericht heeft om een goed geweten te hebben dat men niet niets gedaan heeft die heeft men op verborgen plaatsen opgericht, niet anders dan men de misdaden en slachtoffers waar ze aan herinneren moesten, verstopt heeft.
Wat voor Duitsland geldt, gaat hier helaas ook op. De opgerichte tekens zijn gewoon nietig. En ik ben bang dat die nietigheid ook hier niet slechts gebrek aan talent verraadt.

Zoëven stond ik op de plek waar (of waar boven) de bom ontplofte. Als je het niet al wist, zou je het niet weten. Een gazon. Daarin een obelisk die net zo goed [ 120 ] kon slaan op een keizerlijk gebeuren. Daarvoor een bord met toelichting. En daarvoor een straatverkoper die deze armzaligheid in de vorm van ansichtkaarten verkoopt. Dat is alles.
Neen, Toch niet alles: in het gras nog een stuk muur van de verwoeste kathedraal dat men hier opgesteld heeft.

Zeker, elk ander monument zou hier net zo misplaatst zijn. Zelfs van de beste beeldhouwer. In vergelijking met de grootte van het onheil en de misdaad, zou elk kunstwerk ook het meest serieuze niet serieus zijn. Het einde van kunst die op zijn plaats is. Misschien hebben degenen die deze plek aan moesten leggen daar niet bewust genoeg over nagedacht. Want ze hebben afgezien van een kunstwerk en deze plek slechts gemarkeerd. Voor mensen met ontoereikende verbeeldingskracht, dus voor ons mensen, is dat niet voldoende. En er zou een mogelijkheid geweest zijn. Een die helemaal voldoende zou zijn geweest. Maar daar zijn ze ook bang voor geweest.
Men zou namelijk ook hier, zoals in Hiroshima het hart van het onheil ongerept moeten laten liggen. Men zou het door een omheining taboe moeten maken, verboden gebied, een ‘telemenon’. Te laat. Je kunt dat niet over doen. Puin speciaal te maken om tentoon te stellen, is gekunsteld.

Middernacht

Academisch waren mijn overwegingen over gedenktekens niet. Want men heeft hier een monument opgericht. Niet op deze plek. Maar wel op een zo representatieve en zichtbare plaats, dat die nu tot de eigenlijke ‘plaats atoom’ van Nagasaki is geworden.
Maar het monument is een gruwel.
Afbeeldingsresultaat voor nagasaki statue of peaceNiemand kan beweren dat dit ‘memorial statue’ ook maar in de verste verte iets te maken heeft met het onheil dan wel met de wens naar vrede. (Ook al geeft men voor dat het de god van de vrede voorstelt). Wat men daar op een heuvel boven de stad en de stad beheersend geplaatst heeft, is een kolossale kerel op een zware sokkel van graniet, wiens brute borstkas, lompe nek en armen en benen als knotsen afgeleid zijn van een zwaargewicht bokser;  terwijl zijn (proportioneel veel te klein uitgevallen) hoofd bij een [ 121 ] slaperige cretin (dwaas jab) met een sluw lachje hoort. Als de beeldhouwer de bedoeling had gehad om een afgodsbeeld te maken van het toppunt van de blindste, stomste en meest wellustige gewelddadigheid dan had hij het niet beter kunnen verwerkelijken dan met dit standbeeld. Daar komt nog bij dat zijn zogenaamd bij de Aziatische symboliek van de lichaamshouding aansluitende plaats van zijn lichaam  een hakenkruis beschrijft – bewust of onbewust, weet ik niet. Hoe dan ook het gebaar van zijn naar de hemel geheven rechterarm en zijn zogenaamd zegenende linker geven een niet te overtreffen onverbiddelijkheid aan. Als men mij zonder me van tevoren over de betekenis van de sculptuur in te lichten gevraagd had wat ze te betekenen had, dan zou ik zonder een moment te aarzelen geantwoord hebben: een reusachtige Baäl wiens rechterhand het voor het offer klaar staande slachtvee in toom hield; terwijl de linker naar de hemel wijst om aan te geven dat het offerbevel dat van boven zou komen geen enkele tegenspraak duldt. Historisch: de stijl schijnt afgekeken van nationaalsocialistische monumenten. Als het stuk als symbool van de Japanse Olympische Spelen zou zijn ontstaan zou je gezegd hebben: ‘typisch’. Waarschuwen is een extreem karakteristiek onderdeel van waarvoor zogenaamd gewaarschuwd moet worden.
Voor deze bodybuilder moeten nu dus die twee herdenkingen uitgevoerd worden: die van hedenavond en die van morgen vroeg. 

Nacht

Het avondoptreden: de ‘kerel’ stond als zogenaamde schutspatroon van Nagasaki ja van de wereldvrede in de schijnwerpers. ‘The Lord in the limelight’. Hij stak schril wit af tegen de zuidelijke avondhemel. De indruk was helaas onbetwistbaar adembenemend. Helaas: want het is gewoon schandelijk dat iets wat zo smakeloos is, zo afschuwelijk door te goede belichting zo geweldig kan worden. Veel en veel geweldiger dan zakelijk belichte meesterwerken. In principe valt wat ‘limelight’ doet samen met het principe en de prestatie van publiciteit: beide is het volstrekt onverschillig hoe middelmatig, vulgair of grof het voorwerp is dat ze uit het donker moeten halen. In beide gevallen wordt niet het grote in het licht gezet, maar omgekeerd wordt het in het licht gezette daardoor groot gemaakt.
Maar niemand zat daar mee, niemand scheen notitie te nemen van de kerel. Want zij die aan de avond voor de [ 122 ] herdenkingsdag de verhoging bestegen hadden, dat waren in doorsnee mensen op wie men niet alleen niet kunstmatig indruk hoefde te maken, die men ook kunstmatig helemaal niet onder de indruk kon brengen: namelijk de slachtoffers en de overlevenden die zelf heel precies wisten wat er was gebeurd, waarom het ging en wat zij wensten. Hun aantal lag hier hoger dan in Hiroshima, (omdat de heuvels van de stad vuur en radioactiviteit ingedamd hadden). In elk geval waren zij die daar boven de stad zaten (terwijl van beneden, uit het havengebied vuurwerk de avondhemel invloog) getuigen overgeblevenen en aanklagers. Het was een echte gedachtenisbijeenkomst, een echte protestbijeenkomst.
Ter opening – een bemoedigend teken dat de groep haar esoterie nu wat begint te doorbreken – begroetingen door hoogwaardigheidsbekleders; zeer waardig. Maar de hoofdsprekers waren de mannen en vrouwen van de SlachtofferBond, en het hoofdthema was en bleef toch de eis: erken ons als oorlogsslachtoffer, help ons als oorlogsslachtoffers in elk geval deze ‘ene keer’. Want een ‘volgende keer’ mag er toch niet zijn. Dat je deze eis nog in het jaar 13 van het atoomtijdperk moet herhalen, blijft ook na alles wat we er in Hiroshima over gehoord hebben, stuitend. Deze stoerheid waarmee de politici de normen van de tijd dat er nog  geen atoomslachtoffers waren, willen overeind houden is net zo groot als die van het leger om hun normen (bv dat ze nucleaire ‘monsters’ als ‘wapens’ blijven zien) willen handhaven. Als het (wat echter onwaarschijnlijk is) bij dat niet erkennen zou blijven zou in geval van een oorlog soldaat zijn de veiligste optie zijn. Militaire en burgerlijke bevolking zouden in een atoomoorlog wel in gelijke mate bedreigd zijn, maar de burgers zouden daar bovenop nog het risico lopen dat ze in het geval van letsel geen ondersteuning zouden krijgen en in het geval van sterven hun nabestaanden zonder rechten zouden moeten achter laten. Onder ‘burger’ zou je dus moeten verstaan een ‘onverzekerde moriturus’ (iemand die gaat sterven, jab) onder ‘soldaat’ een ‘verzekerde’. -Voorstel voor het ‘Woordenboek voor morgen’. –
Opvallend verschil tussen de toespraken van mannen en die van vrouwen. Blijkbaar zijn mannen door de training [ 123 ] in terughoudendheid en zelfbeheersing veel meer gehandicapt dan vrouwen: in elk geval toonde niemand zijn innerlijke emotie. Maar vrouwen schenen door generlei conventie gehinderd: zij vertelden openlijk van hun persoonlijke belevenissen; hart op de tong. Eén vrouw overkwam het, toen ze details van wat 13 jaar geleden was gebeurd ophaalde, dat ze zo opgewonden raakte dat ze op moest houden.
Ik heb nooit zo’n volmaakte stilte gehoord als tijdens die onderbreking. In één keer was onze heuveltop een verstomde plek en de verte was alleen maar te horen: het verre knetteren van het vuurwerk, dat boven de daken werd afgestoken. En nooit heb ik zulke solidaire schaamte beleefd. Want er was wel niemand van ons die de vrouw aankeek hoe ze voor aller ogen haar snikken probeerde te bedwingen: je kunt bijna zeggen : niemand heeft haar gezien. Want allen sloegen hun ogen neer. Om haar haar schaamte te verlichten (door zichzelf te schamen). Ze keken pas weer op toen de stem van de vrouw weer te horen viel; toen ze zich weer zeker voelde. Menselijker kun je het je niet voorstellen.
En ook een andere was onvergetelijk; ze brandde niet alleen van verdriet en duistere opwinding om haar hele familie die ze verloren had, maar nu was ze zelf sinds korte tijd hopeloos ziek van de straling, en ze wijdde nu de laatste tijd die haar gegeven was aan ‘de zaak’. De boodschapper van Marathon die na zijn boodschap gebracht te hebben in een zinkt.
Haar toespraak was het hoogtepunt van de bijeenkomst. Want hoewel ik meende – en op de tolken kon je wel behoorlijk vertrouwen – dat het verschil tussen wat zij zei en wat eerder gezegd was, niet fundamenteel was, veranderde zij de tot dan stille toehoorders totaal: ze raakten opgewonden, ze interrumpeerden, ze wakkerden de vlammen aan. En voor mij is deze vrouw omdat ik wist dat ze net nog kon spreken, maar waarschijnlijk het volgende jaar de viering al niet meer zou kunnen toespreken, de hoofdspreekster. [ 124 ]

Nagasaki, 9 augustus

Verjaardag van de catastrofe. Ik kom net terug van de morgenviering, die op een andere heuvel van de stad plaatsvond.
Ik had niet vermoed dat mijn niet geloven nog zo intiem verbonden is met het geloof dat het heeft verlaten; in welke hoge mate het een afleggertje is dat afhankelijk is gebleven van de polemiek. Waarschijnlijk lijkt mijn niet geloven veel meer op monotheïstisch geloof dan de varianten van niet geloven waarop andere religies uitgelopen zijn. Geen neen, dat niet het legaat van een ja is gebleven.

Kortom: Ik was woedend; ik was te schande gemaakt, want de viering was Baälsdienst. Dat zegt niks ten nadele van de Japanners, natuurlijk. Alleen wat over ons: namelijk over de protestantse theoloog V. en mij die met de andere afgevaardigden deel namen aan deze viering. V. en ik zaten naast elkaar. V. zag bleek ondanks de hitte. en hij begon zo te beven dat ik bang werd dat hij zich tot een of andere heiligschennis tegen deze heiligschennis zou laten meeslepen.  Toen dat niet gebeurde, kwam dat ook wel daardoor dat hij er boven mate over verbaasd was dat mijn boosheid niet geringer was dan de zijne. De blamage van mijn ongeloof redde de situatie.
Zoals gezegd: het was afgoderij; de eerste waar ik aan deelnam, de laatste waaraan ik deel zal nemen, hoop ik. Afgoderij: want de viering vandaag vond niet alleen plaats aan de voeten van de stenen god, zoals gisteren, maar ook ter ere ervan en uitsluitend ter ere ervan. De steen stond niet slechts voor de god, maar was veel meer de god. En deze vergoddelijkte steen werd aangesproken; hem golden de gebeden en de offergaven. Wij daarentegen, de mensen, mochten het ritueel slechts van achteren, met een blik op de rug van de celebranten beschouwen. Naast de kolos waren wij niets; en soms had ik zelfs het gevoel dat wij het vee waren dat geofferd zou worden – wat natuurlijk volmaakte waanzin was, want er werden alleen bloemen geofferd.
En toch het was beter geweest als men ons van te voren een hint had gegeven over de aard van deze uitvoering, zodat wij ons er tactisch aan hadden kunnen onttrekken. Op een of andere [ 125 ] manier mee doen was nu niet meer te vermijden als we het heiligdom van de gastheren niet wilden beledigen. Dus moesten wij ook onze boeketjes bij de steen brengen.  Het was een beetje een troost dat de gezamenlijke Europese herkomst samenzweerderig uitpakte: niemand van ons bewees in navolging van de Japanners de steen eer; en de steen liet zich onze oneerbiedigheid slaperig wel gevallen. Maar de belediging die onze oncorrectheid jegens de priesters en de gastheren was, had men kunnen vermijden. En nu was het te laat.
Meteen probeerde ik de vraag te beantwoorden welke houding en rol men eigenlijk van ons Europese gasten verwachtte: of men ons puur als toeschouwers uitgenodigd had of toch ook als deelnemers aan de cultus. Maar vermoedelijk is die vraag niet te beantwoorden, waarschijnlijk hadden onze gastheren zich die vraag niet eens gesteld, misschien zouden ze die ook niet eens begrepen hebben. Want zelfs van de Japanners werd me niet duidelijk hoe zij deelnamen. Als ik er niet te ver naast zit, bleven ook zij vrijblijvende toeschouwers, althans de meesten van hen.-  In zoverre dat verschil tussen ‘vrijblijvend’ en ‘geëngageerd’ hier überhaupt gebruikt mag worden. Wellicht heeft dat onderscheid geen enkele zin buiten onze specifieke Europese situatie van deïsme en secularisatie.
Hoe dan ook: nooit is me de wortel van mijn bestaan zo duidelijk geworden, als gedurende de drie uren waarin de prevelende geestelijken de steen gaven wat geen steen toekomt. Maar nu ken ik mijn wortel: ‘Gij zult u geen beeld maken’. Daar komen al mijn hartstochten vandaan. Heel mijn filosoferen bestaat in niets anders dan opvolging van dat gebod: in de bestrijding van vleesgeworden dogma’s; dus in beeldenstorm. En als men mij aanwrijft dichtbij het Marxisme te staan, dan is dat terecht: want dat is de strijd tegen de afgodsbeelden begonnen, al wordt het alarmerend genoeg door praktiserende materialisten als ‘materialistisch’ gesmaad. En ook al noemt het die afgodsbeelden ‘ideologieën’. Het was dan toch maar de laatste realisering van het iconoclasme. 

De opzet van de viering bleef me ook onduidelijk, omdat het bij geen enkele positieve religie scheen te behoren. Dat klinkt [ 126 ] vreemd omdat er tenslotte (zou je denken) niets is wat de ‘positiviteit’ van een religie ondubbelzinniger vastlegt dan een bepaald godenbeeld; en zo’n beeld was er niet alleen, maar beheerste ook de viering. Desondanks – duiden kan ik het niet, alleen meedelen – desondanks was het een gezamenlijk ritueel want het werd in ‘teamwork’ gecelebreerd door geestelijken van drie verschillende kerken: twee boeddhistische priesters, een shintoïstische en merkwaardigerwijze iemand van de High Church. (17)
De vraag in hoeverre deze geestelijken bij elkaar hoorden, is moeilijk te beantwoorden. Dit beeld communiceert echter wel: ze zaten er (beschermd tegen de zonnegloed door een scherm dat twee tempelmedewerkers omhoog hielden) als vier grootinquisiteurs naast elkaar; of als vier mummies, maar volledig roerloos. Inderdaad had men het gevoel dat ze met niets anders bezig waren, dan het hoog houden van de religie die zij vertegenwoordigden. Ze deden een ‘wedstrijd verlamming’. Ze wonnen allemaal. Levend was alleen het verenwerk op hun hoofden, dat zo nu en dan op een briesje boven hen ritselde. Daarmee maakten hun gezichten en lijven nog erger de indruk versteend te zijn of verhout. Het samenvallen van onbeweeglijkheid en waardigheid kende ik wel van vroeger. Maar ik wist niks van zo’n ‘voorstadium van standbeeld’ waarin hoogwaardigheidsbekleders zich nog bij hun leven ‘standbeeldig maken’. Ze lopen al tijdens hun leven op de standbeelden die ze misschien later nog krijgen vooruit.
De uitdrukking ‘gemeenschappelijk ritueel’ is niet overdreven. Wanneer geestelijken van verschillende religies zo een gezamenlijke dienst uitvoeren, dat ze elkaar qua functie volgens een van tevoren uitgewerkt schema aflossen, dan resulteert dat in een nieuw ritueel dan is daarmee een mengreligie gesticht. Europeanen kunnen dat niet meemaken. Bij ons begon driehonderd jaar geleden – toen het gevaar van zelfvernietiging acuut werd – een ontwikkeling, die deels leidde tot wederzijdse tolerantie of respectering van positief blijvende godsdiensten . Maar deels ook deïstisch neutrale vormingsreligies bracht; deels het opkomen van toegespitst [ 127 ] atheïsme meebracht (vaak zelf weer lijkend op religie). Deze ontwikkeling was blijkbaar slechts één van de ontwikkelingsmogelijkheden onder andere. De in de Verenigde Staten gehanteerde godsdienstvrede vinden Europeanen vreemd. Daar is men wederzijds gastvrij in de kerken met behoud en wederzijdse erkenning van verschillen in het praktiseren, (bijvoorbeeld: de rabbijn of Episcopaal die in een Baptistenkerk uitgenodigd wordt de preek te houden). Maar wat zich hier afspeelt dat gaat veel verder dan deze vorm van actieve godsdienstvrede, omdat het om een daadwerkelijke cultische samenwerking gaat van verschillende religies.
Mijn Japanse vrienden, met wie ik zoveel andere fundamentele problemen kan doorspreken, zouden mijn verbazing wel niet begrijpen. ‘Positiviteit’ betekent voor hen blijkbaar iets heel anders, dan voor ons. Toen ik me er onlangs over verbaasde dat een paar dat Shintoïstisch getrouwd was, regelmatig een Boeddhistische tempel bezocht, waren ze verwonderd over mijn verbazing. Inderdaad functioneren de Shinto-godheden als manifestaties van in het Boeddhisme getoonde basiskrachten. Dat bewijst dat deze godsdiensten elkaar niet alleen wederzijds verdragen, maar ook in een gemeenschappelijke theologie leven.

Met afgevaardigden uit Europa of Amerika over dit probleem spreken is overigens ook niet makkelijker. De eerste met wie ik het probeerde was een katholiek. Hij was verbaasd dat ik het niet begreep. ‘Juist u zou er enthousiast over moeten zijn,’ vond hij. Toen ik vroeg waarom juist ik , ‘Wat betekent uw inspanning, om een voor allen moreel verplichtende Codex voor het atoomtijdperk op te stellen, anders dan dat wat hier beoefend wordt? Is het dan ook niet uw wens  Boeddhistische priesters, christelijke theologen, professoren, ongelovigen etc op één noemer te krijgen?’ – ‘Ja dat wel’, gaf ik toe. ‘Ziet U! U zou wat hier gebeurt moeten begroeten, niet berispen’. – Of hij er zelf positief tegenover stond of negatief, liet hij niet merken. Duidelijk was wel dat hij geen fundamenteel verschil zag tussen deze hutspotceremonie en mijn doel.
Met mensen van links was het niet makkelijker. Integendeel: juist zij zijn diep onder de indruk van deze godsdienstvrede; [ 128 ] juist zij vinden dat we een voorbeeld moeten nemen aan deze eendracht en ervan leren.
Zelfs een gereformeerde uit Nederland die blijkbaar vertrouwd is met de wederzijdse vreemdheid van het katholieke en het protestantse volksdeel, is enthousiast. Hij kan niet begrijpen, dat op het moment van zulke vrede de godsdiensten hun aanspraak op de waarheid opgeven, en zichzelf daarmee verspelen. Mijn situatie tegenover hem is absurd: tot gisteren zag hij me als een gevaarlijke atheïst. Nu distantieer ik me van Theokrasie (?? jab) en hutspotreligie en denkt hij dat ik om een of andere mysterieuze tactische reden plotseling opduik als apologeet van de positieve religie. Dat maakt me in zijn ogen pas goed verdacht.
De enige die mijn positie begrijpt is de protestantse theoloog V. ‘Het is een schande voor ons dat u de niet gelovige zich beter opwindt dan wij.’ En ook ik vind het wat raar te zien,dat er situaties zijn die hem, de echte gelovige en mij de echte ongelovige tot makkers maken. 

Nagasaki

Onze groep werd door de directeur van een ziekenhuis ontvangen. Ik vroeg hem naar de rol van neurosen. Zijn antwoord: Die zijn er wel, maar niet zo zeer bij de zieken als wel bij de gezonden en nog gezonden. Onder hen zijn er veel (hoeveel is natuurlijk niet vast te stellen) die zich ’s avonds te slapen leggen met de angst de volgende morgen atoomziek wakker te worden; ze vermoeden in elke onschuldige vermoeidheid de eerste noodlottige symptomen te zien. Het feit dat blijkbaar gisteren nog schijnbaar gezonde buren plotseling ziek werden heeft een buitengewoon sterke indruk gemaakt. Er is sprake van een akelige periode dat de ziekte zich verbergen kan en achteraf pas de gezondheid schijn blijkt te zijn. Dat richtte meer schade aan dan de drie schokken Hiroshima, Nagasaki en ´Lucky Dragon’ (de zgn fall out, jab) gedaan hadden. Al was het getal van nieuwe zieken naast dat van hen die bij de catastrofes waren omgekomen waren natuurlijk laag.
Ik aarzelde om de vraag die ik nu opschrijf te stellen. Of niet ook de psychische schade die de angst aanricht, een ‘positieve schade’ is. Of deze angst als correctie op het vergeten waardevol is? Of die niet voorkomt [ 129 ] dat de catastrofes Hiroshima en Nagasaki  wegzinken in wat voorbij is en gewoon historische gebeurtenissen worden? Wat behalve deze angst zou anders nog in staat zijn het bewustzijn levend te houden van de nog aanwezige dreiging. 

Nagasaki

Dit schrijf ik op de hoeveelste verdieping van de wolkenkrabber in Nagasaki: diep beneden me roken werkplaatsen, fabrieken, huizen; achter schuift de baai de stad in. En driekwart van het beeld innemend verheffen de heuvels zich, die zo beslist lijken op die van Californië, dat ik steeds weer tegen mezelf moet roepen:’Je bent niet in Los Angeles!’. Hier zit ik met een Coca Cola, voor me staan imitaties van ‘Drugstore-sandwiches’ , en waarachtig, als ik een Amerikaan was zou ik het gevoel hebben: reizen is niet meer nodig. Waar ik kom is Amerika.
Op een van de etages naar beneden zou ik me, als ik Amerikaan was niet al te graag ophouden. Want daar is de ‘verzameling ondergebracht, dat wil zeggen die stukken die uit de catastrofe overgebleven zijn. En hoewel deze verzameling veel minder pretentie heeft dan het representatieve Atoommuseum in Hiroshima qua manier van opstelling en aantal objecten, kan ze toch, om in termen van Museumjargon te blijven, stukken van ‘eerste klasse’ laten zien. Inderdaad zijn deze stukken zo gruwelijk dat wij (tenminste diegenen van ons wier zielen na Hiroshima überhaupt nog bereikbaar en kwetsbaar waren gebleven) ons verdekt opstelden in de hoeken van de zaal om weer tot onszelf te komen en ons zo lang als mogelijk aan het kijken te onttrekken. Als we maar zo kort mogelijk weer zo’n puinhoopfoto van dichtbij hoefden te bestuderen.
Het is een surrealistische tentoonstelling. Waarom surrealistisch?
Wat surrealistische beelden zo schokkend maakt is : dat daarin niet slechts verschillende soorten dingen bij elkaar gepoot worden, maar dat dingen van verschillende zijnswijzen gedwongen worden samen te groeien, ja dat er zijnswijzen uitgewisseld worden – hier kan men leren dat deze kunsten van het surrealisme absoluut pasten bij dit tijdperk.  Ik heb het er niet over dat het surrealisme met graagte zijn gruwelijke dubbelzinnigheden laat zien, dat hoort zelf bij het gruwelijke van onze eeuw. Voor de rest moet men hem nageven [ 130 ] het heeft de dubbelzinnigheden niet uitgevonden, maar gevonden. Op zijn manier was het helemaal realistisch; realistisch juist omdat het de wereld als verschrikkelijk afschilderde – waarmee ik niet alleen bedoel dat het ons verschrikte, maar dat het een ‘ontzettende’ wereld toonde: namelijk al het levende en menselijke werd eraf gehaald. Het haalde het humane af van plaatsen waar het hoort en verplaatste het naar waar het niet hoorde: en verving het door pure dingen.
En dat alles is hier nu hoewel we ons echt niet in een moderne kunstgalerie bevinden, te zien. Daar is bijvoorbeeld – ja hoe zal ik het noemen? – een voorwerp, dat bij eerste onbevangen blik niet te herkennen blijft, maar bij het lezen van de toelichting op het bijschrift langzamerhand verandert tot het plotseling te plaatsen is – maak dat je wegkomt! Neen, ook als het geen ‘voorwerp’ is, maar een monster, loop niet weg. je moet het zien, je moet het bij de naam noemen. Want wat je daar onder ogen hebt tien centimeter voor je, slechts door glas van je gescheiden, zo dichtbij als je eigen lichaam, is een hand die met een bierflesje samen is gesmolten. Waar de fles ophoudt fles te zijn en waar de hand begint hand te zijn is hier niet vast te stellen. – Maar een fractie van een seconde was daar iemand die dorstig een flesje naar de mond had willen brengen; misschien heeft hij de eerste slok nog genomen; men had  hem minstens dat flesje leeg moeten laten drinken, maar toen viel de bijl van dat jongste gericht ertussen; en net zo weinig als het de bijl interesseerde of de handeling af was gemaakt of niet, interesseerde het hem waar een hand ophield hand te zijn een een flesje begon fles te zijn – hij bracht de coupure aan waar hij wilde- wat maakt het verschil nou tussen een hand en een flesje, wat gaat hem de verscheidenheid van de zijnswijzen aan. Alles is wat hem betreft ‘hetzelfde’, omdat beide op dezelfde manier smeltbaar zijn, beide zijn ‘niet als’ verwoestbaar materiaal – waarachtig, als er een zinvolle definitie is van nihilisme, dan niet dat het nihilisme alles ‘als nietig’ beschouwt, maar dat het alles op dezelfde manier als te vernietigen opvat, dat maakt het nihilisme uit.
Dat gebeurde dus in de flits van dat moment. En wat de flits van dat moment opleverde dat bleef staan, dat vloeide uit tot voorwerp, dat werd eeuwig – lees: gelukkig eeuwig. Want het werd tot getuigenis tot eeuwig getuigenis, laten we dat hopen. [ 131 ]

Genoeg! Neen, niet genoeg! Ontlopen kun je het niet; je wordt van vitrine naar vitrine geschoven.
Wat je het eerst ziet is herkenbaar. Maar wat je ziet is maar de helft, neen, niets. (ik merk dat de beschrijving nu vals wordt, maar: schrijf verder! En wie dat ooit leest: lees verder. Want alleen het valse bereikt het gruwelijke. ) Wat je daar voor je ziet, is, het klinkt als een uitvinding met patent, een helm met dubbele bodem. Dat wil zeggen: de holle kant van dit item dat als bescherming bedoeld was, als bescherming van een ‘evenbeeld’ , is niet meer los te krijgen van de holle kant van dit item, ligt als een soepkom in een andere prima passend, een schedel. En ergens al lang vergeten verbrandde wat er verder van de man geweest mag zijn. Blijkbaar hoorde voor de bliksem die schedel meer bij de helm dan bij die mens; zo deelde hij op zijn surrealistische manier, en zo verbuk (onbekend woord jab) hij zelfs de onderdelen op zijn surrealistische manier.

Genoeg! Neen, nog niet genoeg! Want men stuwt je verder, bezwaar maken is er niet bij. Waar zeventigduizend in één klap instortten onder de bliksem van dat moment, dan is de grootste tegemoetkoming als je alleen maar van vitrine naar vitrine voortgeduwd wordt en voor enige minuten niet los wordt gelaten.
Eerst schijnt het slechts niets. Een relikwie kan het niet zijn in elk geval. Want het is slechts een foto. Een beeld. Slechts het beeld van een muur. Wat moet ik daar mee?
Kijk beter. Misschien heb je het niet nauwkeurig genoeg bekeken. Wat zie je op  de muur?
Juist. Daar is iets. Een silhouet of een schaduw. De schaduw van een man. Wat is daar zo ontzettend aan?
Ontdek je andere schaduwen op de foto?
Neen.
En zie je een man van wie de schaduw is?
Ook niet.
Dus?
Wat ‘dus’? Dat bestaat toch niet. Een Peter-Schlemihl-schaduw (g). Een schaduw zonder man. Een schaduw die voor zichzelf is beginnen. Een vereeuwigde schaduw. [ 132 ]
Toch, dat is het precies. En daarom sta je hier. Lees de toelichting.
Zo was het gegaan:
Iemand had ’s morgens  op de 9e nietsvermoedend tegen deze muur gestaan. Toen had de bliksem ingeslagen. En in dat moment was de muur een gloeiend oppervlak geweest en de man as.
Alleen dat stukje van de muur was niet vergloeid dat de man in de laatste fractie van zijn laatste seconde afgedekt had. Dat stuk was door de flitslichtopname vastgelegd. Als negatief. Dit stuk had hij gered. In dit negatief had hij zich gered. Want dit is het enige spoor, dat van zijn aardse dagen overgebleven is, het enige dat over zal blijven.
Wat zal er dan van ons blijven?
Dat blijft er van de laatste mens: zijn contour op het voorwerp dat zijn lichaam op het moment van de bliksem toevallig bedekt. Dat zal het laatste beeld van de laatste mens zijn. Als je dat een beeld mag noemen. Want getuigen die het zouden vinden of zouden herkennen, zijn er immers niet. Alleen maar andere schaduwen op andere muren. Maar die zullen blind zijn en elkaar niet herkennen.

Daarmee was ons bezoek aan de tentoonstelling ten einde.

Beneden echter, in hetzelfde gebouw maar een paar meter hiervandaan, maar een paar werelden hier vandaan – beneden zijn ‘cultuurkamers’ ingericht, en daar is zelfs een verfrissende fontein; vrolijke binnenhuisarchitectuur. En ook wij zijn uitgenodigd op een avond waar volksdansen worden opgevoerd en waar we volksliederen mee mogen zingen.
Ik ben bang, ik ben bang: die objecten die maar een paar meter boven ons opgesteld staan, – daar begrijp ik niet van dat die niet te zwaar zijn voor hun kasten en zich door de vloer heen gebrand hebben. Ik ben bang dat die voorwerpen, die opgeraapt zijn om het vergeten te verhinderen langzaam besmet zullen raken met het restaurant boven en de fontein beneden; en dat de verzameling langzaam zal veranderen in wat musea doorgaans zijn: opbergplek voor wat je nergens onder kunt brengen maar je geneert je om het weg te gooien. Dan wordt [ 133 ] de vernietiging van Nagasaki vernietigd en dan zal de plek vrij zijn voor nieuwe vernietiging.

Nagasaki

De bergen in – gastvrij idee van onze gastheren, want wij afgevaardigden hebben dringend behoefte aan frisse lucht en slaap. Naar Unzen. (‘Ja, U zou naar Unzen moeten’, hadden mijn Weense artsen acht jaar geleden grijnzend gezegd, ‘daar zou u wel van uw artritis afkomen! Maar kom daar maar eens!’ – Ik dus, alleen acht jaar te laat). Vanuit de bus die slingerend naar boven rijdt : vissersdorpen, in de bochten genesteld; netten, eindeloze, drogend langs het strand, van hierboven als reepjes van een sluier; de zee en daarin als kruimels talloze eilandjes. Hoe hoger we komen, des te beter is de lucht in te ademen. Ruikt naar Zwarte Woud. Ineens stank: zwavel, grond naast de weg borrelt. ’s Avonds wandeling door het dorp: zou een elegant Zwitsers kuuroord kunnen zijn.Te grote hotels; te dure restaurants. souvenirwinkels met spul van een soort berggeesten. Koele nacht, echt geslapen. ’s Morgens aan het raam: vinken brutaal alsof zij, de Japanse vinken, de eigenlijke vinken zijn. Morgenwandeling: zolen worden heet, plassen die bellen blazen; rotsen waartussen het fluit als een waterketel. De natuur schijnt honend te waarschuwen dat ook zij nog niet uitgespeeld is, en ons nog niet hoeft te duchten als catastrofe-concurrent. Dan na veertien uur onderbreking op hoogte terug in de hitte van Nagasaki.

In de trein terug naar Tokio

Ik lees: ‘Schattingen van mogelijke of waarschijnlijke verliezen bij atoomaanvallen op de belangrijkste vijftig steden van USA: behalve 10 tot 20 miljoen doden 20 tot 25 miljoen gewonden.’ De man schijnt tegen te zijn. Waarom?
‘Zo’n getal zou de vraag hoe men de gewonden kan verplegen tot een onoplosbaar probleem maken’, antwoordt hij.
Is de man echt tegen?
Niets minder dan dat.
Want als wat zijn de gewonden (om maar van de doden te zwijgen) in de berekening opgenomen?
Alleen als een hoeveelheid werk die het verplegend personeel [ 134 ] niet kan leveren (18) Met andere woorden: het probleem van de vernietiging en beschadiging van mensen is hier teruggebracht tot slechts de verhouding tussen aantal werknemers en hoeveelheid werk. Doden zou verboden moeten zijn vanwege overwerkt zijn van doodgravers. De conclusie zou helemaal terecht zijn dat de man positiever zou staan tegenover de ‘bijna onoplosbare opgave’, als er mega caritas-fabrieken zouden zijn die 20 tot 25 miljoen wel aan de lopende band zouden kunnen verzorgen.

Tokio

Ik krijg een hele stapel tabellen die op een atoomoorlog slaan bezorgd. De plaats van afzenden is me wel is waar onbekend, maar omdat ik in het “International House’ logeerde, is dat niet moeilijk te raden. Het is bagatelliserings voer.
Maar verschrikkelijk leerrijk: want het onthult de huidige stand van de leugen en verraadt de stijl van de hedendaagse huichelarij.
Het materiaal bevat namelijk geen, tenminste geen in het oog springende onwaarheden. Omdat alles door de onwaarachtige presentatie vals kan worden gemaakt, zijn directe verduisteringen en vervalsingen niet meer nodig.
In tabellen zien de opgestelde feiten eruit :

  1. ‘onvermijdelijk’
  2. ‘niet zo erg'( Zo biedt een tabel over de Hiroshima doden hetzelfde beeld als elke andere tabel, bijvoorbeeld over de eierexport uit Idaho)

‘Onvermijdbaar maar niet zo erg’- dat is het dubbele psychologische doel waarop gemikt wordt. De tabellenmaker weet wat hij wil. Of beter: wat men van hem verwacht.

Tabellen weggelegd. Regel: als je een op zich ware uitspraak over voorwerp A zo presenteert zoals dat past bij voorwerp B (dus bv in tabellen) dan wordt A verstaan als B en zo geclassificeerd. Door die vervalsing werd niet slechts het verstand misleid, maar ook het gevoel. Want tabellen daar neem je hooguit kennis van, maar daar ben je niet bang voor. Dat gaat niet slechts op voor de lezer, maar ook voor degene die de uitspraak produceerde: wie in tabellen over de Apocalyps schrijft moet zich vroeger of later blind maken voor zijn onderwerp. [ 135 ]
De verandering van gebeurtenissen in gegevens in een tabel zijn tegenwoordig in geen enkel opzicht minder noodlottig dan de verandering van onze leefwereld in een goederenwereld. Omdat de gedrukte tabel, die (zoals hier) ‘de te verwachten hoeveelheid verlies van x% van de bevolking van land A en de y% verlaging van deze hoeveelheid als je maar z% grote bommen inzet’ weergeeft, er ordelijk uitziet, schijnt de weergegeven zaak zelf ook wel in orde. De zuiverheid van de berichtgeving geeft af op de inhoud van het bericht. Statistische weergave ziet er keurig en betrouwbaar uit en maakt rokende puinhopen hygiënisch en steriliseert de radioactief besmette lijken.
Om wat voor soort manipulatie gaat het bij zo’n ‘ontsmetting’? Om een soort ‘vervreemding’?
Blijkbaar niet. Want juist het tegendeel van ‘vervreemding is het doel. Want het vreemde en afschuwelijke wat gebeurde of zou kunnen gebeuren moet kleiner gemaakt worden.
Dus om een soort ‘verburgerlijking'(19)?
Blijkbaar ook niet. Want de toon van wetenschappelijk taalgebruik is niet er op uit om dingen leuker te maken, maar andersom op ‘vernuchtering’.
Maar wat blijft er naast de alternatieven ‘Vervreemding- verburgerlijking ‘ nog over? Is daarnaast nog iets?
Ja er is nog iets.
Niets zou namelijk naïever zijn dan te geloven dat onze huidige leefwereld in twee keurig van elkaar te scheiden parten uiteenvalt: ‘wat vertrouwd is’ en wat ‘vreemd is’. En dat pogingen tot bedrog er slechts in bestaan dat ze wat vertrouwd is vreemd maken en wat vreemd is vertrouwd. De zaak is veel ingewikkelder; dialectisch zelfs: want tegenwoordig zijn er vertrouwde dingen die ons vertrouwd toeschijnen, omdat het vreemd is, en (maar dat is hier niet aan de orde) vreemde zaken die ons vreemd lijken omdat ze vertrouwd zijn. Het is ons volkomen vanzelfsprekend dat wij door duizend ons onbegrijpelijke spullen, beroepen, formules omgeven zijn; niets stelt ons zo gerust als wat ons in vreemd deskundigen jargon wordt gepresenteerd. Bv de chemische formules op de verpakking van pillen boezemen ons vertrouwen in, omdat ze voor ons tot het ons vreemde gebied ‘wetenschap’ behoren; dat onbegrijpelijke gebied wekt juist vertrouwen. Het vreemde is dus een deel van de vertrouwde wereld [ 136 ] : wij manipuleren en gebruiken het zonder wantrouwen.En als het feit dat er in onze wereld zo veel onbegrijpelijks is, niet zou bestaan, zou onze wereld ons uiterst merkwaardig voorkomen en onvertrouwd, zo niet zelfs onbegrijpelijk.
Van dat feit maakt de verburgerlijking van nu gebruik.
Om bijv. te verhinderen dat de vreselijke vreemdheid van een gevaar , die paniek of verzet zou kunnen opleveren, ons werkelijk bevreemdt. Of om door te zetten dat dit gevaar ons als schijnvertrouwd voorkomt, formuleert men het in dat ‘vreemde’ idioom dat we kennen, dus in dat jargon van de wetenschap. Met andere woorden:
De ondialectische verburgerlijking beperkt zich tot het verstoppen van het feit van een vreemde wereld. Dat doet ze door ons een vloed van heel vreemde zaken aan te bieden, maar zo verkleed als waren ze vertrouwd. Geïllustreerde bladen, TV etc. Maar de ‘dialectische verburgerlijking’ biedt ons vreemd materiaal met opzet en uitdrukkelijk aan als vreemd. Dat lukt ook, omdat het proces van vervreemding en het bestaan van vreemde zaken al vanzelfsprekende elementen van ons leven van alledag zijn geworden. Ze bedient zich ook opzettelijk en uitdrukkelijk van ‘vreemde’ taal, namelijk van ‘nuchtere’ taal, omdat die ook al hoort tot het vertrouwde en vertrouwen wekkende bestand van ons leven.
Zoals gezegd deze procedure wordt vooral dan gevolgd als het zich zoals in het geval van de atoomsituatie gaat om zaken die ons niet al te zeer bevreemden moeten, maar waarmee we anderzijds ons ook niet al te vertrouwd moeten maken. Dan maakt men zo’n zaak voor ons schijnvertrouwd, en wel door middel van vervreemding. Het nucleaire gevaar wordt vertaald in het brave en argeloze idioom van vervreemding dat we kennen van de onbelangrijke wetenschappelijke berichten, of van alledaagse pillenbijsluiters. Daarvan zijn we gewend te zeggen: ‘We kunnen die formule wel niet natrekken, maar dat hoeven we godlof ook niet’. Dan is het doel bereikt: dan hebben we geen kans meer de vreemde bedreiging die in deze afschuwelijke zaak zit werkelijk te doorgronden. We zijn niet meer vrij ze ons als bevreemdend  eigen te maken. We zijn niet meer vrij om ze ons als ‘res nostra’ eigen te maken. Maar toch voelen we ons daar wel goed bij, omdat ons de toonaard die men gebruikt geheel alledaags en volledig vertrouwd voorkomt. [ 137 ]
Natuurlijk is deze variant van ‘verburgerlijking’ die bestaat uit voorgewende vertrouwde vreemdheid, veel huichelachtiger dan de ondialectische basisvorm van ‘verburgerlijking’. Als het niet zo gemeen was, zou het bewondering verdienen.

Tokio

Ik trof bij terugkeer uit Nagasaki de brief van een oude studievriend uit Duitsland. Hier het slot van de brief: ‘Hoe sensationeel jouw adres ook klinken mag, het deprimeert me. Want het bewijst me dat je een ‘particularist’ geworden bent: je draaft in één enkel specifiek probleem door, je hebt je enkelsporig gemaakt. Je verdoet je leven nu aan het nucleaire idée fixe. Ik heb al een hele tijd vanuit de verte gezien dat je oogkleppen opdeed. En ik heb mijn mond gehouden. Maar ik moet het toch een keer zeggen, hoe diep me dat teleurgesteld heeft dat ik van jou een artikel over atoomangst kreeg in plaats van de verwachte tweede filosofische Bundel. En zelfs een tweede artikel over hetzelfde thema in plaats van aangekondigde vertellingen. Specialist zijn is al erg genoeg. Maar specialist in angst is gewoon komisch. – De spreuk van onze filosofen broederschap ‘het totaal is het ware’ heb je in elk geval in de steek gelaten. Moet ik je echt afschrijven?’

Daarop antwoordde ik eerst met een variatie op de Galilei van Brecht: ‘Gelukkige tijden, die geen mannen met idées fixes nodig hebben’. En vervolgens: ‘En hoe gelukkig zou ook ik zijn als ik in zo’n tijd zou mogen leven. Ik heb immers vóór het jaar nul ook al geleefd en zeker geen leeg leven. En ik heb bepaald niet hoeven wachten op fixe ideeën , of op die die jij als mijn speciale idée fixe ziet. Je zult je nog herinneren dat, toen we elkaar leerden kennen, niet ik de specialist was. Destijds betichtte je men niet van monomanie, maar omgekeerd, van ´pantomanie’. Ik joeg en zwierf door alle streken van wat er te beleven viel. Ik weigerde enige activiteit als ‘onterecht’ uit te sluiten of enige van de geschenken die de wereld ons toebedeelt, onaangeroerd te laten. Kortom: ik weigerde me [ 138 ] me vast te leggen op welk particularisme ook. Je had destijds niet veel begrip voor deze jammerlijke toestand die uit gelijke delen fanatisme voor gerechtigheid en paniek om iets te missen bestond. Want jij zag daarin slechts een sluwe vermomming van besluiteloosheid en een zwakke wil. Maar zelfs vandaag ben ik er nog van overtuigd dat deze situatie, ook al zat er stellig een niet te loochenen trek van onvolwassenheid in, de ware metafysische ziekte was, en daarmee de voorwaarde voor filosoferen.
Houd jij het dan serieus voor mogelijk, dat iemand die verslaafd is aan metafysica in één klap van het ene extremum in het andere kan vallen? Kan hij plotseling in een hartstochtelijke metafysische geheelonthouder veranderen of verpoppen tot specialist? Geloof je nu echt dat ‘het geheel’ me niet meer opwindt? Dat het bonte me niet meer verleidt? Neen, zo eenvoudig is het niet. Duizend maal liever dan zoals ik het doe, elke morgen weer de pen oppakken en de niet verder te denken gedachte aan ‘het einde aller dingen’ als een Penelope opnieuw te doordenken en elke dag hetzelfde te prediken, – duizend maal liever zou ik nog vandaag en hier mijn oude zwerftocht opgeven en in de volheid van het vreemde onderduiken. Bijvoorbeeld zou ik willen uitvinden hoe het staat met de raadselachtige perspectieven van de hedendaagse landschapsschilderkunst of met het irritante intervalsysteem van de Japanse muziek. Er is heus geen gebrek aan dingen en ideeën die me vuriger interesseren dan wat ik in plaats daarvan bedrijf met de door jou betreurde exclusiviteit waarvoor je me berispt hebt. Ik zou je zelfs toegeven, (al heb je het daar helemaal niet over,) dat dat ‘thema’ van mijn éénsporigheid  iets schraals heeft, iets geks. Vergeleken met welk ander geestelijk of artistiek voorwerp dan ook, blijft de vraag naar het pure ‘of’ (of de wereld doorgaat) leeg. Elke diepgang ontbreekt. elke historisering. Ze vergt in het geheel geen cultuur. – kortom: de leegheid van de gedachte aan een mogelijk niets, de verveeldheid van de apocalyps is onbetwistbaar. Ik geef je deze ‘leegte’ en die ‘verveling’ zelfs toe, opdat je tenminste een minimaal argument hebt voor je bewering dat ik mijn leven vergooi. –
En nu wat betreft die bewering als zodanig: [ 139 ]
Ik zelf vind niet dat ik mijn leven vergooi (eerlijk gezegd zou ik niet weten hoe ik dat zou moeten klaarspelen). Maar stel dat je gelijk hebt, zou dat dan zo heel erg zijn? Ik neem aan dat je erkent dat bij de huidige ontwikkelingen er een toestand kan ontstaan waarbij alles (niet alleen elke toekomst, maar met haar ook alle verleden) tevergeefs zou zijn, vergokt. Alles. Ik snap niet waarom ik het onder deze omstandigheden erger zou moeten vinden wat ik persoonlijk vergooi dan dat andere dat vergokt raakt. Ook als ik op jouw advies zou proberen door het vermijden van eenzijdigheid mijn leven niet te verdoen – in geval van de apocalyps zou mijn zogenaamd niet vergooide leven slechts een druppel zijn in de zee van het geheel, dus vergokt samen met al het andere.
En nu wat betreft jouw verschil tussen het ‘totaal’ en het ‘bijzondere’. Wat is dat zwart-wit; wat is dat onfilosofisch! Als een project zoals waar ik mee bezig ben, het voortbestaan van veel of alles wat bedreigd is wil verzekeren – ja, kan men het dan om de pedante reden dat dat project slechts één is, als ‘bijzonder’ classificeren en daarmee afdoen? Je aantijging dat ik ons aloude devies ‘het geheel is het ware’ verraden heb, slaat werkelijk nergens op. Niet om persoonlijke redenen, niet omdat ik decennialang alle krachten die ik overhield met de wereldgeschiedenis op mijn hielen, geïnvesteerd heb in ‘het totaal’, dus met filosofie; niet alleen omdat ik ook nu nog vatbaar ben voor ‘de verleidingen van het geheel’ , en wel nauwelijks minder dan vroeger… maar om een reden die met mij als persoon niks van doen heeft, namelijk omdat het devies ons in de steek heeft gelaten, het heeft zijn geldigheid verloren. Daarmee bedoel ik het volgende:
Het geheel hangt aan een (zijden) draadje, het loopt gevaar te vallen en zijn geheel-zijn te verliezen, daarom is de opgave nu het aangrijpingspunt te realiseren waar het behoud ervan geborgd kan worden, van waaruit je zijn ineenstorting kan verhinderen. Niet meer zoals in de goeie ouwe tijd voor het jaar nul het geheel als de ware inhoud vast te pakken. Niet het geheel is nu de waarheid, maar de redding van het geheel. [ 140 ] Of de vraag hoe die redding mogelijk is, die immers bij de ‘praktische Vernunft’ hoort, iets met waarheid in de gebruikelijke zin te doen heeft, is een cura posterior (zorg voor later, jab) Evenzo of de ‘redder het te redden (object) erkent’. Maar als jij die redding afdoet als een of ander speciaal punt op het schilderij van het geheel,- niet de spijker waar het schilderij aan opgehangen is, dan bewijst dat alleen maar dat je stekeblind bent.-
Tenslotte nog iets over die twee woorden van je: ‘idée fixe’ en ‘éénsporig’. Ik vind dat het onterechte verwijten zijn, maar de beslissende vraag is: ‘Wie dwingt wie?’ en ‘Wie heeft het spoor gelegd?’
Stel ik ben werkelijk éénsporig geworden. Dan ben ik net zo éénsporig als de wagon waarop ons lot richting de mogelijke catastrofe rolt. Dat spoor dwingt me tot éénsporigheid. Velen van hen die in die wagon zitten, passagiers zoals jij zijn met andere dingen bezig dan ik op het moment,- dat ontken ik zeker niet. Maar wat heb je nu aan die ‘veelsporigheid’ als je in zo’n wagon zit die op de catastrofe toeraast? – Wie echter jullie ‘veelsporigen’ wil redden, wie een spaak in het wiel wil steken, die moet op dat ene spoor waarop de wagon rijdt, achter die wagon aan rennen. Zonder naar rechts of links te kijken. Dat probeer ik te doen.’

Tokio

Daar zijn ze dan: de zonen en dochters van vroegere koloniën. Aanschouwelijk onderwijs over Dialectiek vandaag.
Eerste dialectische stap: Omdat ze tot gisteren door ons overheerst werden, beheersen ze – ieder van hen – behalve hun eigen taal ook een van de onze. Daarmee zijn ze veelzijdiger geïnformeerd dan wij; globaler dan wij; als ‘tijdgenoot’ completer dan wij. Wie van ons spreekt er nu Hindi, Arabisch of Siamees? Zij spreken echter behalve hun eigen taal Engels of Frans of Russisch (één zelfs wat Duits). Wat weten wij nou van hun bestaan? Zij weten van het onze zeer veel. Waar nemen wij nou deel aan hun doen en laten? Zij daarentegen [ 141 ]  nemen aan heel onze wereld deel, minstens aan heel onze tegenwoordige tijd.
Dat komt ervan. Ik bedoel van het kolonialisme. Regel: Omdat de kolonist door zijn heerschappij de koloniale volken dwingt zijn taal te leren, dus de kolonistentaal, maakt hij van hen mensen die bij twee werelden horen, dus een bredere horizon hebben dan ‘gevormden’ zoals hij zelf. Deze dialectiek ‘kolonist – koloniaal volk’ is de buitenlandse zaken variant van het Hegelse dialectiekmodel ‘Heer en Knecht’.
Naast deze ‘exoten’ voel ik me boers. En degenen onder ons (bepaald niet weinigen) die nog niet eens een tweede Europese taal spreken, en die (of ze dat nu willen of niet en of ze dat nu weten of niet) gewoon door het feit van hun ééntaligheid optreden alsof de wereldgeest zich uitgerekend in hun taalidioom heeft genesteld of geopenbaard, die hebben iets van een dorpsimbeciel over zich, al komen ze ook uit New York, Parijs of Berlijn. Provinciaals is niet hij die niet uit een ‘middelpunt’ komt (de wereld van nu heeft geen middelpunt meer); maar degene die (omdat hij elders niets kan verstaan en zich niet verstaanbaar maken kan)  slecht op zijn plek van herkomst thuis kan zijn.
Tweede dialectische stap: Elk volk heeft zijn koloniale tijd in eenzaamheid moeten uitzitten. Zolang ze koloniaal afhankelijk waren, hadden ze geen contact met anderen. Maar ze kijken nu op hun koloniale verleden wel terug als op een gemeenschappelijk lot. Bondgenoten naar achteren. En die gezamenlijke ervaring is nu zelfs het fundament geworden van elkaar begrijpen. De mens uit Indochina begroet een Arabier in het Frans; onderling maken ze zich verstaanbaar in de talen van de bazen van gisteren. Dat gaat niet slechts op voor gesprek, maar ook voor hun gedrag: vormen van gedrag en hoffelijkheid  zijn veelal de onze. Afscheid van Europa vindt op zijn Europees plaats.
Derde dialectische stap: Maar dat afscheid van Europa is wel Europeïsering. Want ze hebben hun politieke hoop en hun industriële doelstellingen van het Europa van hun meesters geërfd. (Onder ‘Europa’ versta ik hier het principe waarmee ook Amerika en Sovjet Rusland werken. Ook deze beide [ 142 ] machten zijn onze erfgenamen, ook al ontnemen ze Europa haar macht. Anders dan vroeger raakt Europa niet meer in gevaar door principes van buiten Europa, maar – en daarmee is dit tijdperk wel gedefinieerd – alleen door Europeïsering van niet Europeanen.)  Als ze met elkaar spreken over ‘zelfbestemming van volken’ of over ‘soevereiniteit’, of als ze de elektrificatie van hun landen vergelijken, dan komt ons dat wel vertrouwd voor.
Daar zijn ze dus. Gisteren waren ze nog thuis in Algiers, of in Mongolië, Indochina. Gisternacht zweefden ze nog boven de Indische Oceaan of de Westpacific – en vandaag zijn ze bij elkaar in Tokio. Ook weer dialectisch en geheel in de betekenis van zojuist. Want als ze zo bij elkaar zwermen dan is dat op basis van de ontwikkeling van natuurwetenschap en techniek, dus op basis van Europa. In de geschiedenis is wel sprake van te danken hebben aan, maar niet van bedankjes; ze zijn niet dankbaar en in zekere zin zelfs terecht. Want we kunnen niet beweren dat onze voorouders hun ontdekkingen en uitvindingen uit liefdadigheid maakten en over de wereld uitstrooiden. En zelfs als dat wel het geval was geweest, dan is hun ‘ondankbaarheid’ geen moreel gebrek, want ze zijn nog niet eens verbaasd over wat ze uit ‘onze’ handen hebben ontvangen. Hun luchtsprongen over werelddelen en zeeën met BEA, Air France of SAS, de vertechnisering van de wereld, het afschaffen van afstanden – dat schijnen ze niet meer voor noemenswaard te houden. Terwijl ik, de Europeaan, na al die weken nog altijd ademloos over de vlucht over de Noordpool ben, hebben zij met hun onbevangenheid die me nogmaals ademloos maakt, de techniek die ze van Europa kregen, als geheel het meest vanzelfsprekende op aarde geaccepteerd. Ze maken er gebruik van als was hun abrupte nieuwe start de meest natuurlijke voortzetting van hun eigen traditie. Ik kijk onderzoekend naar hun gezichten. Ergens moet zich toch op die gezichten (of op hun gezichtsloosheid) deze inbreuk als een kras aftekenen, denk ik.  Ergens moet toch iets dat niet klopt in hun gezicht bewijzen dat ze ‘gebroken mensen’ zijn. Maar niets van dat al. [ 143 ] Waarschijnlijk is mijn verwachting eenvoudig een kind van speculatie namelijk van de speculatieve geschiedenisfilosofie van de Duitse romantiek, waar ik ook nog aan doe. Een kind van het empirie-vrije axioma ‘echte geschiedenis vertoont organische continuïteit’,- geschiedenis ‘facit non saltus’. Humbug. Als we alleen continue geschiedenis als  ‘echt’ erkennen, hoe zullen we dan wat zich hier afspeelt benoemen?
Neen, van een ‘fysiognomische breuk’ kan geen sprake zijn. Integendeel, de mensen om mij heen gedragen zich zo onbevangen en doelbewust, discussiëren zo temperamentvol en serieus, lachen zo veel en zo goed en zo graag, dat je alleen maar kunt zeggen (afschuwelijk woord, maar welk is hier beter op zijn plaats?) heler kunnen mensen er nauwelijks uitzien. Voor het grootste deel zijn ze ook bepaald mooi – sommigen omdat ze nog deel hebben aan de elegante dierlijke kracht die bij hun ras hoort, andere omdat ze beslist als eerste generatie al de schoonheid van geestelijke hartstocht weerspiegelen; en andere tenslotte, vooral de afgevaardigden van de oude cultuurvolken, omdat ze een traditie van wijsheid achter zich hebben, die hun gezichten vriendelijker heeft gemaakt. Wij Europeanen zien er daarnaast wasachtig en uitgedroogd uit. Wij nemen geen ereplaats in, in deze wereldwijde galerij.
Meteen zijn ze vrienden. Even terug zette ik het woord ‘exoten’ tussen aanhalingstekens. Dat deed ik, omdat het hier überhaupt niet voorkomt dat een exoot een andere exoot als ‘exoot’ beziet of behandelt. Vermoedelijk hebben ze dat begrip nooit geleerd. Hij is het exclusief Europees: zolang de wereld nog niet een geworden was, zolang er behalve Europa nog ‘werelden buiten de wereld’  waren, dus buiten Europa; en in die werelden ook volken, die door ons niet besmet waren, en ontoegankelijk waren gebleven voor ons, volken die hoogstens door avonturiers, rovers, kolonisatoren of onderzoekers vluchtig konden worden bezocht – zo lang had dit bijna zoölogische begrip nog wel wat. Maar omdat die toestand nu voorbij is, omdat ver weg bereikt is, is het als ver kwijt geraakt. Daarmee wordt het vocabulaire dat betrekking heeft op ver eveneens ongeldig. Ook wij moeten het begrip ‘exoot’ verder laten schieten.
Voor de mensen die hier keuvelend bij elkaar staan, [ 144 ] hebben er in elk geval nooit ‘exoten’ bestaan. Voor ze elkaar in deze zwerm konden bereiken, wisten ze van elkaar nauwelijks de naam: Voor welke Sudanees zou het bestaan van Burma enige betekenis hebben, en omgekeerd. Ze zijn uit een totaal wederkerig niet voor elkaar bestaan overgesprongen in volledige wederkerige nabuurschap. Dat feit is van beslissende betekenis voor hun argeloosheid over en weer. Omdat ze elkaar niet hadden kunnen bereiken hebben ze elkaar ook niet kunnen bestrijden. Als ze bijeenkomen, dan niet na het vergieten van bloed zoals dat bij ons het geval is. Ook niet in de hoop of met de bedoeling twisten bij te leggen; maar met de bedoeling twisten te vermijden. Hun vreedzaamheid is dus van een geheel andere soort dan die van mensen die vrede (moeten jab) sluiten.  Ze lijken een familie, ze zijn een familie.
En één familie. Van ‘natuurlijke barrières’ die zogenaamd alle volken van elkaar zouden scheiden is niets te bespeuren. Resten van nationale apartheden verhinderen in elk geval niet contact met elkaar op te nemen. Ze jagen allemaal, waar ze ook vandaan mogen komen, aan de ene kant hetzelfde doel van soevereiniteit na en aan de andere kant voordat ze hun doel bereikt hebben ze al contact met elkaar opgenomen, neutraliseren ze hun nationalisme al, of ze het nu willen of niet, of ze het zich bewust zijn of niet. In elk geval beletten ze dat uiterst scherpe vormen aan te nemen.
Misschien doet deze situatie waar ik getuige van ben zich voor de eerste keer voor. Want vroeger werden soevereiniteiten niet met gezamenlijke instemming voorbereid. Maar dat het nu gebeurt is goed en troostrijk, want in dit nucleaire moment hebben wij geen behoefte aan de ongebreidelde en eigenmachtige soevereiniteit, maar een die door wederzijdse controle gegarandeerde relatieve soevereiniteit.
Hoe belangrijk velen de vraag van soevereiniteit ook vinden, de gezamenlijke bedreiging waaraan we blootstaan door het  atoomgevaar blijft ook nog eens op de voorgrond staan. En het is een hoofdprogramma om gezamenlijk te formuleren wat ertegen gedaan moet worden. Daarom is deze bijeenkomst bijna zo internationaal als het atoomgevaar zelf. En als het woord ‘nationaal’ iemand uit de mond valt, [ 145 ] die een minuut tevoren de gemeenschappelijkheid van actie benadrukt heeft denk je dat verkeerd te horen; en ik vermoed zelfs dat vele sprekers ook zelf dat onbehaaglijke gevoel hebben dat ze verkeerd spreken.
Er is ook geen sprake van dat de verschillende religies muren tussen hen opwerpen.Die drie die daar vrolijk met elkaar staan te praten, daarvan is er één een Japanse wetenschapper die zo weinig religieus is als welke Franse of Russische collega ook maar; de andere is een moslim uit Java; en de derde een Hindoe uit New Delhi. Ik weet niet wie van hen zijn religie nog praktiseert. Techniek, natuurwetenschap, nationalisme hebben ook daar waar marxistische invloeden niet de doorslag hebben gegeven, het hunne gedaan.
Ze behandelen ons, Europeanen, als hun gelijken. Ik heb geen enkele keer een woord vol ressentiment of wraaklust gehoord tegen afgevaardigden van die volken die in de koloniale geschiedenis een leidende of beruchte rol hebben gespeeld. We zijn gelijkwaardigen; dus gelijk.
Als men ’s avonds bij elkaar zit, zingen ze hun volksliederen. (20) En ze vragen ons, die van ons aan te heffen. Als wij niet muzikaal zijn of te geremd om onze producten te leveren, dan valt soms een Aziaat in, een Japanner of iemand uit India, die tot onze verrassing Europese liederen kent. Gisteren heb ik op een feestje voor een gedelegeerde ‘O Tannenbaum’ horen zingen. Let wel: op een augustusavond in Tokio, en de zanger kwam uit Bombay. Toen ik hem vroeg hoe hij dit lied had leren kennen  antwoordde hij : ‘Van school’. Vermoedelijk had een leraar op een door de Britten gerund gymnasium het aangeleerd.
Lange jaren heb ik me  (gewoon omdat ik van land tot land zwerven moest) als ‘no land’s man’ gevoeld. Voor de eerste keer voelde ik me thuis: namelijk als ‘kind van onze aarde’. 

Tokio. Congres

Hoe pijnlijk dat de Europeanen wier landen van herkomst van hieruit gezien worden als één land, en dan nog niet eens een groot land, niet in staat zijn het met elkaar eens te worden. En hoe waardeloos dat kleuterschool-mechanisme dat steeds weer voor hen in gang gezet moet worden. Want als mijnheer X uit land X zijn buurman Y uit land Y wil meedelen dat hij ook tegen raketbases is, [ 146 ] dan moet hij een Japanner in de arm nemen, een deskundige in taal X die zijn X-woorden vertaalt in het Japans, zodat zijn collega de expert in taal Y de Japanse woorden voor mijnheer Y in de taal Y kan vertalen. Dat gaat maar heen en weer.
De Japanners verraden wel is waar met geen enkel lachje dat ze het komische van deze procedure zich wel bewust zijn, maar de indruk: ‘Zonder Japanners geen relatie tussen ons Europese buren’, en ‘Oost-Azië , de overslagplek voor Europa’ is onuitwisbaar.
Stel je het omgekeerde eens voor: Japanners en Koreanen, op een congres in München die slechts met behulp van twee tolken met elkaar kunnen omgaan.

Tokio

Openingszitting. Reusachtige sport- en congreshal. Vooral puur representatief. Maar iemand die naast de voorzitter zat heeft het programma dat op de minuut in elkaar stak met boodschappen van overal en met begroetingstoespraken van afgevaardigden uit alle landen was volgepropt zeer onorthodox onderbroken. Dat ging zo:
Geheel volgens het boekje was Nishimoto (21)  met een paar van zijn vrienden de zaal binnengekomen en had zijn mensen voorgesteld en een uit Hiroshima meegebrachte gesmolten tegel op de tafel van de voorzitter neergelegd.
Toen hield de man naast de voorzitter het niet meer uit. Blijkbaar kon hij de gedachte niet verdragen, dat dit voorwerp zonder commentaar zo maar naast de andere geschenken uit de hele wereld zou blijven liggen. Hij sloeg op de tafel en vroeg het woord. Had het voor het hem gegeven was, verzocht om stilte en hief het voorwerp voor iedereen zichtbaar in de hoogte en verklaarde met luider stem:’ Dit is het heilige voorwerp van het atoomtijdperk´.
Iedereen compleet overrompeld.
‘In dit voorwerp’, ging hij na deze eerste verklaring verder, ‘woont de gebeurtenis die de reden is dat we hier zijn bijeengekomen. Die gebeurtenis die in geen enkele tegel van de toekomst meer wonen mag. Kijk er goed naar. Het is geen tegel meer. Maar een geglazuurde massa. Maar het was eens een tegel, onder vele, stuk van een huis. [ 147 ]
Dat ons onbekende huis willen we nu gedenken. En daarmee hen die in dat huis thuis waren. ik weet dat dat niet gemakkelijk is, wij kennen die mensen niet; we weten niet aan wie we denken moeten, welke richting we onze gedachten moeten geven. Ons gedenken zal dus wellicht verdwalen en in plaats van aan te komen bij hen die we willen bereiken, aankomen bij de buren. Maar zelfs al zou dat gebeuren – dat zou geen rol spelen, ook zij horen er terecht bij: want dit voorwerp dat voor alle tegels staat, die nu geen tegel meer zijn, staat voor alle huizen die nu geen huis meer zijn; en voor alle mensen die nu geen mensen meer zijn. Daar zijn er honderdduizenden van. We zitten er nooit naast.’
Nadat hij zo gesproken had en om een minuut stilte had gevraagd, gaf hij het woord weer terug aan de voorzitter en verontschuldigde zich bij hem voor de onderbreking. Waarop het programma hernomen werd.

Tokio

Gisteren en vandaag is dus de ‘Ethische Commissie’ bijeen geweest. Omdat bij de voorbesprekingen en in de openingszitting van gisteren verregaande overeenstemming was vastgesteld, en vele deelnemers zelf onafhankelijk van elkaar bijna gelijkluidende formuleringen voor hadden gesteld, was ik aanvankelijk vol vertrouwen. Maar wat ik me van de tekst voorgesteld had is niet tot stand gekomen. Maar een appellerende tekst.
Behalve ik schijnt er niemand teleurgesteld te zijn. De anderen hebben geen vastomlijnd plan meegebracht. Ze vinden:
Het is al een succes dat het aangekondigde thema ondanks dat de andere commissies tegelijkertijd vergaderden toch zo’n groot deel van de afgevaardigden (ongeveer 70) achter zich had gekregen. De discussiegroep (uit Japanners, Indonesiërs, Indiërs, Arabieren, Europeanen enz. bestaande) was niet minder globaal geweest dan het gevaar zelf. Vakbondsmensen zaten naast professoren filosofie, natuurwetenschappers naast theologen, artsen naast politici, geestelijken van de ene godsdienst naast die van andere; de groep had professioneel en wereldbeschouwelijk niet breder kunnen zijn samengesteld. De deelname was hartstochtelijk geweest en over alle verschillen heen [ 148 ] had er absolute eenheid geheerst over de veroordeling van de proeven, van de verdere productie en opslag van atoomwapens en van de politiek die op atomaire afpersing berustte.
Dat laatste punt schijnt me nogal vanzelfsprekend. Net zo vanzelfsprekend als op een artsencongres eenparige belangstelling heerst voor geneeskunde.
Daar kun je geen eer mee behalen.
Maar waar is wel, dat het hartstochtelijke verhandelingen waren en dat de golven hoog sloegen nog voor er meningsverschillen waren. Dus de keuze van het thema was terecht. – En waar was eveneens dat er nooit een filosofisch colloquium op zo’n wereldschaal is geweest. Het eerste uur na mijn voordracht, toen alles nog soepel scheen te lopen, was ik zelfs zo overmoedig geweest mij de grote traditie van de fictieve godsdienstgesprekken van Cusanus tot Lessings ‘Nathan’ erbij te halen en te vragen  of vandaag niet het ogenblik was aangebroken waarop dat wat toen gefingeerd en utopisch was, werkelijkheid werd omdat de overeenstemming werkelijk een zaak van leven en dood was.
Maar ik merkte al gauw dat ik te hoog had gemikt. Omdat nu slechts de samenstelling van de commissie klopte en haar goede wil, die wel voldoende was voor een gezamenlijke appèltekst, maar niet voor een praktisch handhaafbare tekst, was wat hier zich afspeelde een van de talrijke experimenten om dat fictieve van toen in werkelijkheid om te zetten. En ik ben niet bescheiden genoeg om de zin van een bijeenkomst te vinden in haar ‘symboolfunctie’ en niet in haar resultaat.
Wat een volledig succes in de weg stond:

  1. De beperkte tijd. Het zou alleen mogelijk geweest zijn om het eens te worden over een door ieder erkende tekst, als er een bijna klare tekst op tafel had gelegen. Wat echter betekend zou hebben dat men de discussie moest beperken tot franje, en dat een met zulke middelen bereikt succes een Pyrrusoverwinning zou zijn geweest.- Daar komt nog bij dat het merendeel van de deelnemers nu pas aangekomen was. En omdat de speciale commissie eerst vlak voor de opening van het Congres ingericht was, kon men niet meer van tevoren schriftelijk op de hoogte worden gesteld.
  2. Maar er zijn ook diepere gronden voor het te bescheiden resultaat van de verhandelingen: echte meningsverschillen, ja een botsing [ 149 ] die iets had van een echt gevecht, zelfs van een religieuze strijd, en die vergde veel tijd en energie. Uit het perspectief van de anderen mag die botsing misschien een tussendoortje geweest zijn, voor mij stond ze op de voorgrond.
    Twee christelijke theologen hadden voorgesteld om de geplande gemeenschappelijke verklaring vooraf te laten gaan door een preambule. Daarin zou uitgesproken worden dat ieder van ons zich ervan bewust was mee schuldig te zijn aan de ontwikkeling die geleid had tot de atomaire bedreiging van de mensheid; in hun woorden: ‘we kunnen onze overtuiging niet verhelen dat alle mensen, ook wijzelf schuldig zijn dat mensen bang zijn voor de mensen, dat mensen mensen haten, dat mensen mensen doden.’

Ik weerlegde.
Ik had gehoopt dat er een religieus neutrale verklaring zou komen, dus een tekst die geen stukken zou bevatten van een positieve religie en dus geaccepteerd zou kunnen worden door vertegenwoordigers van alle godsdiensten. In de voorgestelde schuldbekentenis zag ik een duidelijke verwijzing naar het ‘peccatum originale’, of tenminste naar kwaad als constitutioneel kenmerk van de mens, en ik was bang dat op dit punt de samenwerking met andere godsdiensten of met religieus neutralen of niet gelovigen schipbreuk zou lijden.
Maar dat was niet de enige grond voor mijn weigering.
Het beslissende punt in onze huidige ethische c.q. onethische situatie (verklaarde ik) zit nu juist daarin dat kwaad niet op basis van slechte bedoelingen, laat staan op basis van constitutionele verdorvenheid van onze natuur wordt gedaan, maar omdat de schakels tussen oogmerk, daad en effect verscheurd zijn; de daders van vandaag weten niet wat ze doen, stellen het zich in elk geval niet voor. Deze discrepantie is veroorzaakt door de ontwikkeling van de techniek en de arbeidsdeling, is wel een ‘malum’ maar is iets anders dan ‘schuld’ in de klassieke zin. Zelfs de Hiroshima piloot was immers misbruikt geworden; was in zekere zin ‘onschuldig schuldig’. (22) Schuld van de schuldigen is zelfs niet meer eenduidig. – Ik zou volstrekt niet weten waarom wij onder deze omstandigheden ‘schuldig’ zouden zijn en zelfs officieel schuld moeten bekennen. Wij zijn voor die ontwikkeling van de techniek niet verantwoordelijk; wij verzetten ons juist tegen het misbruiken van de mens. [ 150 ]
Vervolgens is er heden ten dage geen begrip dat meer misleidend is dan ‘morality begins at home’. De daden waar het hier om draait: nucleaire proeven, of dreigingen met atoombommen, om maar te zwijgen van daadwerkelijk die bommen gooien, die komen als ‘home acts’ niet voor. Dat is juist de problematiek van de huidige ethiek.
De principes die opgesteld moesten worden betroffen dus vrijwel uitsluitend de machtigen der aarde; hen die hun (onoverzienbare) macht stevig vast houden. Het gaat erom hun ogen te openen: slechts voor hen zouden de geboden en verboden die we wilden opstellen bedoeld zijn en verplichtend. We moeten leren, we zouden de moed moeten hebben om te leren, met een goed geweten te waarschuwen en ons zelf niet op de borst te slaan. Het is toch ook geen gewoonte dat artsen die iemand aan staar helpen eerst zichzelf als blinden beschrijven en oogoperaties aan zichzelf doen.
Tenslotte sprak ik de voorstellers zelf aan. Ik zei tenslotte dat ik het beledigend vond dat ze mannen die met gevaar voor eigen leven het fascisme hadden bestreden en van meet af gevochten hadden tegen de dreiging van atoomwapens, als ‘schuldigen’ beschouwen. Het is niet in te zien waarom schone handen zich zouden moeten schamen schone handen te zijn.
‘Dat moet u maar aan ons overlaten’, riep een van de voorstellers. In hoeverre hij zelf schuldig was, legde hij natuurlijk niet uit: hij zag schuld als iets heel vanzelfsprekends, ja hij verdedigde die zelfs als iets waar hij aanspraak op kon maken. Hij ging niet in op mijn eerste argumenten. Wat hem hoog zat was alleen dat ik hem een ‘bonum’ waar hij recht op had misgunde. De ontzetting waarmee hij me aankeek bewees dat hij in mij de vlees geworden eigengerechtigheid zag: de aanblik van een goed geweten was hem een gruwel. Kortom: de situatie was bijna identiek aan die tijdens het godsdienstgesprek in de lobby van het hotel in Nagasaki. Maar hier waren er helaas getuigen bij.
Ik kon niet beoordelen of en in hoeverre mijn woorden overtuigend waren; voorlopig had ik het gevoel volledig in het luchtledige gesproken te hebben. Dat vooral nadat [ 151 ] een niet christelijke geestelijke opgetreden was, die als ik het goed begreep, voor de motie was. Zijn argument was het klassieke achteraf argument van de godsdienstige logica: religieus gesproken konden de catastrofes (Hiroshima en Nagasaki) slechts zin hebben als straffen, en daarmee gerechtvaardigd zijn, en omdat straf schuld bewijst, mocht je niet twijfelen aan schuld. Langzamerhand werd het pleidooi voor een schuldbekentenis zo heftig dat het oorspronkelijke project naar de achtergrond dreigde te verdwijnen. Er was bijvoorbeeld een christelijke Japanse (ik kende haar sinds een paar weken uit het voorbereidingscomité, de goedheid zelve en vol opoffering, en ze was de eerste geweest die zich ondanks de bezwaren van anderen van het begin af aan voor het doorzetten van mijn plan ingezet had) die opveerde en als een ‘revivalist’ zich te buiten ging aan zelfbeschuldigingen, die niet alleen onbegrijpelijk bleven omdat er duidelijk niets concreets in stak, maar ook omdat het arme mens steeds weer probeerde Engels te spreken opdat ons in geen geval ook maar een kruimeltje van haar verdorvenheid verborgen zou blijven. Hoe graag had ik haar toe willen roepen dat het wel genoeg was. Maar het was onmogelijk in deze hartverscheurende en schaamteloze ontboezeming in te grijpen, er zijn extases die van buitenaf niet te doorbreken zijn. De scène maakte me wel duidelijk dat bij de tegenwoordig bekende arbeidsdelingen ook die van schuld en berouw hoort; de ene doet iets en de andere heeft er berouw van.
Het is me nauwelijks meer mogelijk om achteraf uit te dokteren hoe de situatie tot rust kwam en normaliseerde. Ook niet hoe het tenslotte lukte een compromisoplossing te vinden: namelijk de in de motie voorgestelde schuldformule niet in de tekst van de commissie op te nemen, maar in de tekst van het congres. Er bleef weinig tijd over om nog een appèltekst op te stellen.  Dat appèl (23) geeft aan: “Los van hun religieuze, wereldbeschouwelijke of politieke verschillen verklaren de deelnemers aan het 4e wereldcongres dat productie, testen en gebruik van massavernietigingsmiddelen, die bij geval het menselijke geslacht, ja het aardse leven überhaupt vernietigen, door geen enkel argument en geen doel van welke aard ook ooit gerechtvaardigd kunnen worden. Omdat bepaalde regeringen dit principe niet naleven is iedereen verplicht deels door informatie, deels door pressie op [ 152 ] de regeringen het zijne bij te dragen aan de beëindiging van deze toestand. We stellen dit appèl op in het bewustzijn dat we één enkele mensen familie zijn; en in besef van eerbied voor het leven van de mens en van het leven in het algemeen.’

Tokio. Nacht van 23 op 24 augustus.
Vertrek en vlucht naar Bangkok.

Schijnwerper: een lichtmolen die de regen tot heel fijn stof vermaalt. – Onder klapperende reuzenparapluie naar de machine van Air India. Zitplaats vlakbij rechter uitlaatpijp: oranje neusgat van een chinees draak in de nacht. Twee grote bochten in het donker en weg is Tokio.
Desondanks naar beneden gekeken, alsof het doordringen van het ondoordringbare slechts een kwestie van willen is. Tevergeefs. Je ziet geen bewegen, hoogstens een soort trillen. We zouden naar het Zuiden vliegen.
Een paar rijen voor me een schommelmandje waar gekraai uitkomt. Een pasgeborene.
De anderen slapen. Waar de slapers en slaapster wel mogen verwijlen? In welk engerling-bestaan? Dat men zulke stukjes slaap mee omhoog kan nemen. Dat men op zulke grote hoogte zwevend zo diep vallen kan. En zonder te pletter te vallen. De Indiase mevrouw bijvoorbeeld, die zoëven nog toen ze binnen kwam ruisen als een ongenaakbare koningin: waar is die nu? Een wie is ze nu? Of wat? Wat daar in de hoek ligt, is in elk geval geen koningin meer. Eerder een verlepte oosterlinge. Of een vermoorde wier mond is open blijven staan. Neen nu alleen nog maar een hoopje. En zo maar open en bloot. Vreemden moet je niets voor-slapen. In de beste van alle werelden zou dat beter geregeld zijn: Slaap zou ons niet slechts blind maken, maar ook onzichtbaar. Off limits. (verboden toegang, jab)

Een uur later

Een heer in dezelfde rij als ik, naast het gangpad. Bleek, verzorgd, Amerikaan of Noord-Europeaan, Heeft moeite om zijn ooievaarsstelten kwijt te raken. Hoe hij de plaid over zijn benen spreidt: een magistraal en aristocratisch gebaar voor zo’n alledaagse handeling. Hoog, wel edel voorhoofd, maar vrijwel geen kin; lippen theatraal afkeurend;  [ 153 ] heersers blik, maar matte ogen. Diplomaat? Reder? Wetenschapper? Begint te schrijven. Wil niemand wat voor-slapen. Bekijkt mij zoals ik hem: van terzijde. Kijkt dan naar buiten. Ik breek het ijs:
‘Hoopt u al op de schemering?’
‘Hij schrikt op, kijkt me oververmoeid aan. ‘Vermoedelijk’.
‘Nog lang niet. We vliegen immers niet alleen naar het Zuiden, maar ook westwaarts. De nacht achterna.’
Hij rekent het na en knikt: ‘Geen alledaagse ervaring’. – Oxford Engels.
‘Helaas die van alledag. Als we haar nu eindelijk eens te pakken weten te krijgen.’
Hij kijkt verrast op. ‘Mag ik vragen op welke nacht u doelt? ‘
‘Die van onze eeuw. De tocht gaat tenslotte ook naar Hiroshima.’ (h)
‘Daar had ik niet bij stil gestaan’.
Goddank beter dan die diepvriestechnicus, denk ik.  Dan kijkt hij nog wel aarzelend weer naar beneden en neemt een besluit. Hij grijpt in zijn jaszak maar ook nu met dat magistrale gebaar, en overhandigt mij zijn kaartje. Deense psychiater. Ik wil me revancheren maar heb alleen het Japanse kaartje met mijn Congresfunctie. Ene kant Japans. Andere kant Engels. Kijkt ernaar; schudt zijn hoofd, veert op als hij de Engelse tekst ziet, en is na herlezing zelfs verrast. Tenslotte fronst hij zijn voorhoofd, alsof hij zich een verwijt maakt, waarschijnlijk daarover dat hij zich zo had kunnen vergissen en op zoiets was ingegaan. Hij legt het kaartje dat hij niet bij zich wil steken op zijn stoel.
‘Heb ik u geïrriteerd?’
‘Zo zou u het kunnen uitdrukken. Ik ben niet gewend, met … personen van uw …. categorie… te communiceren.’
‘Mag ik vragen in welke categorie u me onderbrengt?’
‘Niet nodig. Ik heb over uw congres gelezen. Paar notities slechts, maar genoeg om te weten: u zit in … het andere kamp’.
Het ouwe liedje.
‘Is het duidelijk genoeg, wat ik bedoel?’ [ 154 ]
‘Vanzelfsprekend. Alleen vergist u zich.’
‘Standaardantwoord. Antwoord dat te verwachten viel.’
‘Mogelijk, maar dat u het verwacht hebt, bewijst nog niets’.
‘Ook dat is een standaardantwoord.’
Zo gaan gesprekken tegenwoordig. Zelfs in de nachthemel boven Japan. Dit gesprek voortzetten onder dergelijke voortekenen, daar zie ik weinig in. Dus maar weer zwijgen. Rechts beneden lichten. Dun gezaaid, maar in een wijde omtrek. Zal Kioto wel zijn.

Een half uur later

Hij verbreekt, nadat hij vast gesteld had dat ik niet sliep, het zwijgen.  Heeft zeker spijt dat hij te grof was.
‘Zoals ik zei’, neemt hij de draad weer op, ‘is het eigenlijk niet mijn gewoonte om over die kloof heen gesprekken te voeren. Dat is eigenlijk tegen mijn principes’.
‘Maar?’
‘Zweven we hier boven niet in zekere zin in het ongeldige? Zonder consequenties? Vakantie van het fundamentele?’
Ik betwijfel dat.
‘Hoe dan ook. En bovendien horen U en ik toch wel tot dezelfde cultuurlaag. In elk geval vind ik het onbegrijpelijk en pijnlijk te denken dat er geen algemene noemer te vinden is.’
‘Ik ook’.
‘Daar ben ik echt blij om. En juist daarom kan ik niet begrijpen. dat u echt blind bent, dat u blind kunt zijn, tegenover het vreselijke dilemma, waarin we nu steken.’
‘Wat brengt u tot die veronderstelling?’
‘Uw kaartje’.
‘Helemaal te begrijpen dat u dat zeggen moet. Zelfs van uw goede wil ben ik overtuigd.’
‘Waarmee u zeggen wilt : slechts van mijn goede wil.’
Dat laat hij open. ‘Ik heb u uitgelegd, vervolgt hij in plaats daarvan, dat ik bereid ben – hier boven – hoe noemde ik dat? ‘
‘Vakantie van de principes… ‘
‘Helemaal juist. Dank u. Vakantie houden van principes.'[ 155 ] Wilt u me daar gezelschap bij houden? Wilt u niet eveneens proberen zich ietwat te laten gaan? Wat ons scheidt is toch waarachtig te groot voor een kat-en-muis tactiek. En wat op het spel staat is eigenlijk evident. Want de waarheid van tegenwoordig luidt, luidt helaas: het banaalste en ordinairste en schandelijkste Of – of heeft vreselijk gelijk gekregen.’
‘Dat is beslist ook mijn visie. Nooit eerder was er een dergelijk Of – Of. Vrede of ondergang. To be or not to be.’
Natuurlijk ook dat. Dat gevaar onderken ik wel. Ik zwak het ook niet af. Ik verbied afzwakkingen.’
‘Dat verheugt me oprecht.’
‘Maar op dit moment denk ik aan een ander alternatief. Wij leven tussen twee hellen. Geeft u toe, dat de mens niet alleen geruïneerd kan worden doordat hij omgebracht wordt?’
‘De vraag alleen al! De methoden van ruïnering zijn legio.’
‘Dat brengt ons dichter bij elkaar. Een beslissende stap zelf. Ik zou dat zo willen uitdrukken, dat wat geruïneerd worden kan, niet slechts onze existentie is. Veel meer zijn er kwade machten die op iets anders uit zijn. Op de menselijkheid van de mens. Op zijn wezen. En van zo’n macht, of juister gezegd van iemand in wie zich dat kwaad incarneert, spreek ik: van de onverzadigbare en misschien niet in te dammen kolos, de behemoth, die geen ander doel kent dan het wezen van de mens, onze vrijheid in elkaar te walsen.’
‘Neem me niet kwalijk’, onderbrak ik hem, ‘maar uw mythologiserende taal is me niet geheel duidelijk. Maakt u een toespeling op de techniek? ‘
Hij kijkt me wantrouwend aan. ‘Ook het probleem van de techniek kleineer ik niet. Maar dat is een ander hoofdstuk. U weet zeer wel dat ik nu van het totalitarisme spreek. Dat zal ons onze banaal fysieke existentie wel laten behouden, moet het vermoedelijk ook wel, – ja moet : want zijn duivels plezier bestaat immers in het manipuleren van de ontmenselijkte mens, en daar heeft het ons voor nodig – maar die vindt geen rust tot het zich de genoegdoening heeft verschaft, tot het hem gelukt is, de mens in een totaal onvrij onderdeel van de machine te veranderen. En tot het [ 156 ] alle mensen in zulke onderdelen heeft veranderd. Resten zijn voor alle systemen schandalen. Dat geldt ook voor dit systeem. Hier nog meer dan elders. Ik hoef u niet te vertellen. dat deze kolos liever vandaag dan morgen, ons alle – wat zeg ik: alles het hele gebied van de vrije wereld inclusief Madrid en Lissabon verslinden. Wie daar de ogen voor sluit, wie zich ertoe beperkt onze situatie terug te brengen op de formule ‘to be or not to be’, ziet af van intellectuele zuiverheid. Want tegelijkertijd zijn we geconfronteerd met de formule ‘totalitarisme of vrijheid’. En echt kritisch is onze toestand geworden uitsluitend doordat wij tegelijkertijd geflankeerd zijn door deze twee even immense , even duivelse alternatieven.’
Nu pas krijg ik een kans er een paar woorden tussen te krijgen.
‘ Werkelijk even immens?’ vraag ik. ‘Werkelijk even duivels?’
Hij is ervaren. Hij ziet kans mijn twijfel meteen in zijn voordeel aan te wenden. ‘Goed dat u dat vraagt’, antwoordt hij namelijk. ‘Een zekere correctie zou hier wel op zijn plaats zijn. Zelfs wel vereist. Want beide bedreigingen zijn wel immens. Maar diabolisch is strikt genomen alleen de laatste, de totalitaire.’
‘En waarom die alleen?’
‘Omdat het chantage is. Omdat het ons ervan weerhoudt ethisch te zijn.’
‘Wat bedoelt u daarmee?’
‘Als die totalitaire er niet was, zou onze houding tegenover de eerste, de nucleaire dreiging, ondubbelzinnig kunnen zijn. Dan zouden we die vrijmoedig kunnen bevechten. Neen dat zouden we dan zelfs moeten. U hoort het, ik zeg ‘zouden moeten’. Geheel onverbloemd.
(onverbloemd in de conjunctief, denk ik)
‘Ik vraag u nog een keer daar goed nota van te nemen. opdat u me niet verkeerd inschat. Het gevaar dat u in mij een hemelbestormer ziet, bestaat nauwelijks. Maar het zou niet minder absurd zijn, als u me zou onderbrengen bij die machtsbeluste en bekrompen mensen, die tegen geen wapen neen kunnen zeggen. Het zou echt vreselijk jammer zijn als u in plaats van mijn echte beeld een fantoombeeld van me zou bestrijden. De voorwaarde [ 157 ] voor de waarheid is, als ik me zelf eens mag citeren, van ethische aard. Zie mij daarom als een verstandig man; een man die een zware en eenzame weg is gegaan, en die, om zeker te zijn van zijn overtuiging in deze verschrikkelijkste aller tijden ’s nachts met zijn engel heeft gevochten. Maar hij heeft nu die weg en dat gevecht met de engel achter de rug, en weet wat hij zegt. Die man verklaart u dus: behalve het tweede gevaar is er geen argument dat hij als rechtvaardiging van de atomaire dreiging en helemaal niet van de atoomoorlog erkent, of dat hij zich als rechtvaardiging door iemand laat aanpraten. Voor hem geldt alleen dit enige. Maar dat enige heeft zich ook als geldig bewezen. U kunt niet bestrijden dat we al lang vermorzeld zouden zijn geweest; we zouden al van onze waardigheid beroofd zijn, we zouden al van onze vrijheid beroofd zijn geweest als het lot ons het middel dat er tegenop kon in handen had gegeven. Het middel dat zo massief is dat het de massiviteit en de afschrikkingskracht heeft die die van het ons bedreigende fascisme evenaart. (Ik weet dat dat cynisch klinkt, en het doet me pijn cynisch te zijn, maar die pijn te overwinnen is nu eenmaal een van de smartelijkste plichten van nu).
(Alleen het woordje ‘genadig’ ontbreekt, denk ik. ‘Het genadige lot’)
Hij gaat verder: ‘Dit is dus onze situatie. Ik ontken het niet: onze verschrikkelijke situatie. Hoewel er beslist een zekere apocalyptische grootsheid in zit. We zijn nog nooit zo getest. Zoals nog nooit in de geschiedenis van de menselijke uitreddingen. Misschien mag ons die grootsheid, of laten we maar gerust zeggen de verhevenheid van deze test ons met een bepaalde trots vervullen. Het leven is niet het hoogste van alle goederen…’
(Ook dat van anderen niet? denk ik. ook dat van de toekomstige mensen niet?)
‘…. als wij dus om ons wezen niet aan de behemoth te laten, onwrikbaar bereid zijn de totale bedreiging met totale middelen en met totale inzet tegemoet te treden, dus met het offer van onszelf …’
(‘offer aan wie? Offer voor wie? denk ik)
‘ … dan slagen we voor de test. Als wij daarentegen [ 158 ] en dat schijnt het niet bepaald nobele doel dat u, mijnheer schijnt na te streven, dat in elk geval uw fameuze congres nastreefde – als we daarentegen deze bereidheid uit de weg gaan, of als op het beslissende moment deze bereidheid ontbreekt, dan hebben we al versaagd, dan hebben we al bewezen dat ons puur fysieke voort vegeteren ons dierbaarder is dan ons wezen.Met andere woorden: De mogelijkheid van het totale offer moeten we onder ogen zien. Bijna had ik gezegd: tot ons heil. De situatie is verschrikkelijk. Maar verschrikkelijker zou de waardeloosheid zijn.’
Klaar. Alleen het woordje ‘dixi’ ontbrak. Of ‘Amen’. Uitgebreid veegt hij zijn voorhoofd af; hij is duidelijk niet alleen bevredigd door zijn rede, maar ook overmand.

Voel me hondsberoerd. Zo beroerd als je alleen maar kunt worden als de onwaarachtigheid naast je zit. Kon ik het raam maar openen. Gelukkig maar dat hij niet meteen aandringt op een antwoord. Hij is zeker bang dat dat afbreuk zou doen aan het tragische effect van zijn woorden.
Ik was vergeten waar we zijn. Probeer het me weer voor de geest te halen. Er is wel een horizon te zien, maar verder niets. Je kunt nog niet eens onderscheiden of dat wat onder ons ligt land is of water. Wat ik hier inadem is in elk geval land- noch zeelucht, maar de doffe lucht van zelfgenoegzaamheid, conformisme en pathos. De zelfgenoegzaamheid die zich vermomt als opofferingsbereidheid. Conformisme die zich uitgeeft voor zwaar bevochten persoonlijke overtuiging. Pathos dat zich als intellectuele zindelijkheid op de kaart zet. Deze lucht beklemt me.
Een paar rijen voor me weer dat gekraai. Dat Japanse kindje dat dertien jaar na Dag Nul is geboren. Waarschijnlijk wakker geworden door ons. Door ons pathetisch gezwets of ons plotseling stil vallen. De woorden ‘heil’ en ‘waardeloosheid’ dreunen nog in mijn oren. Hoe hol klinken ze naast dat stemmetje. En hoe troebel. Of het zo oud zal worden als wij, deze door de ruimte vliegende baby? Of zal men hem dat niet gunnen?
Hij hoort dat gehuil. Scherp draait hij zijn hoofd in die richting, als een leraar die een leerling op gefluister betrapt bij de ochtendwijding. Magister mundi. Dan schudt hij zijn hoofd vol ongeloof.
Die gebaren zijn voor mij bedoeld. Om te veronderstellen dat ik ook wel door dat kind gestoord zal zijn. Hij wil uitlokken dat we daarin het met elkaar eens zijn. [ 159 ] ‘Wel, hebt u hier niets op te zeggen?’ vraagt hij dan.
‘Veel’.
‘Neem de tijd’ zegt hij. Hij staat toe wat (toch ) al gebeurt.
Moet ik überhaupt wel antwoorden? Is dat de moeite waard? Kan hij wel (willen) luisteren? Is hij niet hopeloos vastgeroest? Moet hij dat al niet lang geweest zijn? Nog voor hij zichzelf vastlegde? Afgezien van woordkeus en taalniveau, waarin zit dan het verschil tussen wat hij me daar net voorgedragen heeft en de officiële tekst die je dagelijks op je bord krijgt?
Aan de andere kant – wat zit hij er daar zelfverzekerd bij. Met wat voor een verveelde superioriteit. Alsof de triomf die hij verwacht al achter hem ligt. Kan de leugen werkelijk zo zeker zijn? – Zou die man niet ook eerlijk zijn? Tenminste op zijn manier, zodat hij tenminste meent wat hij zegt? Zou hij niet werkelijk menen dat hij in het donker met de engel heeft gevochten, en in de eenzaamheid zijn eigen beslissing heeft genomen? Wat een duivelse mogelijkheid, wat een verbijsterend-komische mogelijkheid, dat iemand steunend en met verrekte heup in de nacht zijn Jakobsgevecht vecht om dan tenslotte gezegend met een antwoord dat hij zonder enige moeite in de avondkrant van gisteren had kunnen lezen, uit het strijdperk te komen! Misschien bestaat dat wel. Misschien bestaat in zo’n Uilenspiegelact de hedendaagse ‘list van het verstand.’ Vermoedelijk zelfs. Vermoedelijk hebben ze groot plezier, die individuen die niet de vrijheid hebben om eigen antwoorden te geven, toch nog een beetje vrijheid te gunnen: namelijk de illusie van het zoeken van een antwoord. De illusie van vechten om een antwoord. De illusie dat ze zelf verworven hebben wat hun wordt aangereikt. Dat zou wel kunnen.
Kijk naar beneden. De wereld is nog niet op kleur ontwaakt. En van hierboven in dit half uur heb ik wat zich daar in de schemering voor mij vormt wel is waar nog nooit gezien. Maar vreemd is me dat ‘Californische heuvellandschap’ niet. Of we recht boven het gebied van Hiroshima zweven of dat we dat al achter ons hebben gelaten, daar komt het niet op aan. Want nu weet ik waarmee ik zal starten. Waarmee ik hem zal raken. Met dat daar beneden. [ 160 ]
‘U hebt zojuist elke afzwakking ondubbelzinnig afgelegd. U zei: ‘Ik verbied die’.
‘Juist. Doe ik. En na een pauze: ‘En?’
‘Geen en. Maar een maar. Ik vind u desondanks toch een afzwakker.’
Verbluft. ‘En hoe komt het tot dat misverstand?’
‘Ik zal straks aangeven waarom u op dat misverstand bent gekomen dat u een vijand van afzwakking bent. U doet er zelf aan, omdat u zich beperkt tot het futurum. En tot de conjunctief.
‘Tot wat!?’
Ik wijs naar de bodem van het vliegtuig. ‘Omdat u dat daar beneden niet genoemd hebt. Dat wat daar onder ons ligt. Geen enkele maal.’
‘Bedoelt u wat daar beneden ligt? ‘
‘Ja, dat bedoel ik. Dat is de streek van Hiroshima. Ongeveer in elk geval. En waar wij nu vliegen is ongeveer de streek waar een zeker ander vliegtuig vloog.’ 
Hij is een ogenblik stil. Dan probeert hij naar beneden te kijken. ‘Je ziet haast niets’.
‘Natuurlijk niet. Ook bij daglicht zou u niets zien. Helaas niet. Beter zou het zijn als u het Niets zou zien.’
Het niets?’
‘Dat niets, dat destijds ingesteld werd. En dat elk ogenblik weer ingesteld kan worden. Nu. Helaas zijn wij erop aangewezen het ons voor te stellen.
Zijn onzekere blik verraadt dat hij dit onbehaaglijk vindt. Hij weet helemaal niet meer wat hij van me denken moet.
‘Helaas is het vernietigd.’
‘Wat?’
‘Dat niets’.
‘Dat niets?’
‘Dat niets. Als u daar was geweest, ik bedoel daar beneden in Hiroshima dan zou u geweten hebben, dat alles weer opgebouwd is. En wel zo ontzettend compleet dat niets meer spreekt van de vernietiging. De wereld ziet er weer helemaal compleet uit. Ondanks de tweehonderdduizend. Helaas ziet ze er altijd compleet uit’. [ 161 ]
Dat is geheel buiten het boekje. ‘En wat bedoelt u nu weer?’
‘Dat de wederopbouw ontrouw is aan de doden. Die klagen zelf niet. Die doden, bedoel ik. Die klagen nooit. Die melden zich niet op het appèl, die vallen nergens op. Als ontbrekende, bedoel ik. Niet dat de doden onzichtbaar zijn, is het schandaal. Maar dat hun ontbreken ontbreekt, Hun ontbreken is onzichtbaar.’
Hij is weer stil. Zijn concept is nu helemaal door de war. Niets van wat hij over me uitgedokterd had, schijnt door mijn woorden bevestigd. ‘Zegt u eens’, vraagt hij tenslotte, maar met grote aarzeling, ‘verontschuldig mijn indiscretie, maar bent u toevallig een ex-theoloog?’ Na weer een pauze : ‘Dat komt toch voor..’
‘Wat?’
‘Dat voormalige theologen … ‘
‘Wat? ‘
‘Wel, in hun latere ontwikkeling, in zekere zin naar het politieke vlak overhellend…’
Ik snap hem. ‘Neen. Twee keer zit u ernaast. Verleden mis. Heden mis. Ik probeer alleen wat in de filosofie. Moraalfilosofie. Niet serieus natuurlijk. Niet zo professioneel als u. De echte dingen waren voor mij steeds belangrijker.’
‘De echte dingen? ‘
‘Wel, ja bijvoorbeeld dat daar beneden. En de feiten. Bijvoorbeeld het feit dat u terwijl wij – hoe heet dat ook alweer zo mooi? – terwijl wij over ‘het nucleaire probleem spreken dat daar beneden niet vermeld hebt.’
Hij zwijgt.
‘Ziet u: dat is de reden dat ik u een ‘afzwakker’ noem. U hebt alleen maar geargumenteerd alsof het ging om iets wat zou kunnen zijn. Conjunctief.’ Ik wijs weer naar beneden. ‘Maar dat daar dat is in de indicatief gebeurd. In de onbetwistbare indicatief.’
‘Dat bestrijd ik niet’.
‘Dat kunt u ook niet. Maar u voert het niet op.’
‘ik ben me daar niet bewust van. Maar als u gelijk hebt – en wie kan dat nu nog uitmaken ? – dan is het om de meest plausibele redenen ter wereld gedaan. Namelijk [ 162 ] gewoon omdat dat feit maar al te bekend is. Voorondersteld bij elk gesprek.’
‘Dat klinkt een beetje komisch’.
‘Wat?’
‘Hiroshima te vooronderstellen’.
‘Wees nu geen woorden peuteraar. U weet best wat ik bedoel.’ En na een pauze: ‘En overigens bestaat het gevaar echt niet in wat gebeurd is.’
‘Ach!’
‘En wat deugt er nu weer niet aan deze opmerking?’
‘Dat die de sfeer van de afzwakking aan het licht brengt.’
‘Zo langzamerhand wordt dit absurd’.
‘Ik in elk geval zou niet weten, wat de ware omvang van het gevaar zo duidelijk, zo ontzettend duidelijk zou kunnen maken, als het feit dat atoombommen een keer werkelijk gebruikt zijn. Helemaal afgezien van de omstandigheden waaronder dat gebruik gerealiseerd werd.’
‘Welke omstandigheden? ‘
‘Het historisch ogenblik waarop men die man die hier vloog waar wij nu vliegen, hierheen gedirigeerd had, en het wapen liet afgaan. Of zou u zo ver willen gaan dat de Verenigde Staten of de vrije wereld begin augustus ’45 dus ten dage van het afwerpen in acuut gevaar waren door het Japanse fascisme onder de voet te worden gelopen?’
Hij haalt de schouders op.
‘Dus. Daarmee geeft u toe dat de omstandigheden van toen geen noodsituatie was die u zojuist als enige rechtvaardiging had aangemerkt voor dreigen met atoomwapens of ze inzetten. Het geeft ook aan, dat en wanneer we weer mogen verwachten dat ze gebruikt worden. Moeten verwachten.’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Dat is niet eerlijk, mijnheer! U zult moeten toegeven dat u uw argument met terugwerkende kracht geldigheid geeft. Dat is nooit fair. U weet ook best dat de discussie over atoom-ethiek die nu loopt, destijds nog niet begonnen was.’
‘Zelfs dat bestrijd ik. Want dat gesprek was al begonnen voor Hiroshima. Om precies te zijn met de motie van Szilard. [ 163 ] En dat gesprek is nooit afgebroken. Maar zelfs als u daar gelijk mee zou hebben, – is dan moord op maandag geen moord meer omdat men ‘moord’ pas op dinsdag definieert?
Hij kijkt me niet begrijpend aan.
‘U noemt het oneerlijk om een criterium aan te leggen op iets wat gisteren gebeurde. Ik noem het inconsequent het niet te doen. Met andere woorden: vandaag is er het gesprek over atoom-ethiek. Nu hebben we maatstaven en criteria. En ook u hebt me uw criteria zojuist aangegeven’.
‘En?’
‘Die criteria van nu stellen niets voor.’
‘Nu vraag ik U toch!’
‘Stellen niks voor. Want zoals men zich nu, ik benadruk nu dus ondanks de criteria, opstelt tegenover de inzet, toont op de meest ontzettende wijze waar we ook nu rekening mee moeten houden.’
‘En op welke houding ten opzichte van de eerste bommen zinspeelt u?’
‘Dat u dat nog vraagt! U belichaamt die houding zelf. Men is er totaal niet mee bezig. Ik ken in elk geval niemand die beweert dat de beoordeling van wat er destijds gebeurde door de argumenten van het hedendaagse atoomgesprek beïnvloed werd. Laat staan herzien. De ‘missie op Hiroshima’ gold, toen ze bekend gemaakt werd, als indiscutabel, was taboe. En ze is heden nog taboe. Men wil ook nu nog wat er werkelijk gebeurde niet meten aan de huidige criteria. Of kent u uitzonderingen? Zou u me onder de officiële personen, onder de politici die zoals u dagelijks benadrukken dat ze ‘afgezien van de bedreiging van de vrije wereld door het totalitarisme geen rechtvaardiging erkennen voor atoombewapening en de inzet ervan – zou u me onder mensen als Dulles en Adenauer ook maar een enkele kunnen noemen die toegegeven heeft of uitdrukkelijk verklaard, dat bij die twee bommen die daadwerkelijk gegooid werden, dus op Hiroshima en Nagasaki,- dat aan deze criteria van rechtvaardiging niet voldaan was? Of ook maar een die ze aan de kaak heeft gesteld en zich er van gedistantieerd heeft?’
Hij zwijgt. [ 164 ]
‘Maar uiteindelijk bent u voor deze mannen niet verantwoordelijk’.
‘Juist’.
‘Daarom beperk ik me tot de vraag: heeft u dat gedaan? Heeft u op grond van dit inzicht de Hiroshima-misse aan de kaak gesteld?. Hebt u er zich van gedistantieerd?’
‘Daar stuurde u op aan?’
‘Daar op’.
‘Handig.’
‘Dat is geen antwoord’.
‘En u denkt dat ik het gesprek op zo’n zijspoor laat rangeren?’
‘Zijspoor? Bent u weer bezig het te kleineren?’
‘Hang me niet op aan een woord’ 
‘Goed, Dat laten we zitten. Ik heb er niet op tegen om om ons gesprek om te rangeren op uw spoor. Uw ‘hoofdspoor.’ En mijn tegenwerpingen daar te brengen. Of de reis dan aangenamer wordt…’
‘Laat u dat maar aan mij over.’
‘Goed. Op welk spoor dan? Dat van het ‘totalitarisme’? Of dat van ‘adequate middelen’? Of op dat van ‘offers’?
‘Dat is aan u. De begrippen horen bij elkaar.’
‘Goed. Het spoor ‘totalitarisme’. Maar ik begin met een zeer persoonlijke opmerking.’
Hij kijkt nieuwsgierig op.
‘Ik ben zelf een slachtoffer van het totalitarisme, geweest, meer dan tien jaar lang. Dat heeft me definitief gestempeld. Tot op vandaag. Ik heb niet alleen het totalitaire Duitsland als Jood moeten ontvluchten, ik heb me niet alleen als Jood de hele wereld over moeten laten jagen (dat ook). maar ik heb ook omdat ik al voor de uitbraak van de vernedering en de terreur, dus al meer dan een kwart eeuw geleden, (helaas desondanks te laat) in een soort Swiftiade het mechanisme van het totalitarisme geanalyseerd; en heb geprobeerd te waarschuwen. Mijn leven heeft meer dan een decennium uit niets anders bestaan dan uit registreren, duiden, pijn, vertwijfeling en haat – in niets anders dus dan in dagelijks duel met het totalitarisme. De uiteindelijke instorting ervan [ 165 ] heeft me niet gerust kunnen stellen. Ik weet definitief dat wat één keer heeft kunnen gebeuren, steeds weer kan gebeuren. Ik wantrouw niemand minder dan hen die plegen te roepen: ‘Het is immers over!’ Kortom – en dat is het argumentum ad hominem waarop ik doelde met mijn opmerking vooraf – ik vraag u uiterst dringend me belering over het totalitarisme te besparen.’
‘Moment!’
‘Het spijt me. Nu spreek ik. En vergeet dat niet, op uw verzoek.  Uw ongeduldig verzoek. Ik ben nog niet eens met de bezwaren waar u om vroeg begonnen.’
‘Goed dan. Later. Om welk bezwaar gaat het?’
Bezwaren’ , zeg ik ‘embarras de richesse’.
‘Dus welke bezwaren? ‘
‘Vindt u ook niet dat het het meest praktisch is, met dat bezwaar te beginnen, dat ingaat op uw proton pseudos, dus op de valse vooronderstelling die ten grondslag ligt aan al uw beweringen?’
‘Bedoelt u met pseudos ‘valsheid’ of ‘leugen’?’
‘Kiest u maar.  – Ik begin dus met de stelling dat de vraag ‘liever rood dan dood’ waarmee men helaas een beroemde wetenschapper heeft kunnen vangen, niets anders is dan een ordinaire strikvraag. Een vraag die, veronderstelt dat een onwaarheid die verder niet onderzocht werd, waarheid is.’
‘Verschrikkelijk.’
‘Juist. Het alternatief ‘atoomdreiging of totalitarisme’ loopt uit op een verschrikkelijke leugen. Namelijk die van de buitenlandse politiek versie van het totalitarisme. Ze bestaat uit een continu ‘wanneer niet, dan… ‘, een voortdurende chantage met mogelijke vernietiging. Ze veroordeelt de mensheid tot een ‘totalitair leven’, namelijk tot een leven, dat men net zoals bij gevangenen in een concentratiekamp niet anders kan beschrijven dan als ‘nog-niet-omgebracht-zijn’. Daardoor is de wereld veranderd in één groot concentratiekamp. Zal ik met deze tegenwerping beginnen?’
‘Moment!’. Hij trekt zijn boekje en begint woedend aantekeningen te maken. [ 166 ]
Na een tijdje: ‘Nog meer?’
‘Nog veel meer. – Of wilt u deze tegenwerping liever in uw eigen jargon noteren? Dus: de atomaire dreiging verhindert de mens zijn menselijk ‘wezen’ te realiseren. En nog erger dan bij Hitler of Stalin. Want hierbij staat de mensheid als geheel op het spel. De mensheid als geheel die van haar ‘wezens-kant’ beroofd wordt. In dit geval wordt de mensheid dan dubbel bedreigd. In haar wezen en in haar existentie. Zal ik daar mee beginnen?’
Hoofdschuddend maakte hij aantekeningen.
‘Of misschien met het bezwaar dat het absurd is de vrijheid te willen redden door de ene variant van totalitarisme tegen de andere in te zetten? ‘
‘Of met het bezwaar dat niemand datgene wat u gewoon vooronderstelt beslist kan weten, namelijk dat het wezen van de mens door een totalitair regiem definitief vernietigd kan worden. Daarom heeft ook niemand het recht te pleiten voor zelfmoord van de mensheid, zelfs niet als hij de definitieve vernietiging voor waarschijnlijk houdt.’
‘Of?’
‘Of met het bezwaar dat het gemakzucht is en schematisch zwart-wit denken als men de alternatieve formule ‘ vrije wereld – onvrije wereld’ nakletst. De mensen in de vrije wereld, bijvoorbeeld Amerika  zijn al verregaand gestempeld en ontstempeld, dus wenzenloos en onvrij gemaakt, en wel door techniek, massamedia en massaproducten. Dat loopt uit op de vraag of deze ‘wezensmoord’ door partijapparaten wordt bewerkstelligd dan wel door apparaten in de gebruikelijke zin van het woord. Het wezen van hen die door apparaten geruïneerd werden, – ik heb veertien jaar tussen deze werkers geleefd – is net zo in tact als dat van hen die door partijterreur en -schablones werden gestempeld of ontstempeld. Moet ik daar misschien mee beginnen?’
Hij geeft een raar geluid dat wel een verachtelijk lachje zal zijn.
‘Of wilt u in plaats daarvan eerst horen dat intellectuelen slechts met uiterste krachtsinspanning in staat zouden zijn een gevaar, welk dan ook, hoe groot dan ook [ 167 ] in één adem te noemen met het absolute gevaar, dus met het gevaar van de definitieve en onherroepelijke uitroeiing van het menselijk geslacht.’
‘Al u daarmee wilt zeggen… ‘
‘Precies wat ik zeg: totalitarisme, hoe erg dat ook is, is het kleinere gevaar; het brengt het bestaan van de mensheid en haar toekomst niet in gevaar. Het is veel meer slechts een stuk geschiedenis. Dat verandert, zoals elk ander stuk geschiedenis, heeft zich al veranderd, en wel wezenlijk.’
‘Aha’.
‘Of zal ik u eerst vertellen van hen die het infernalisme leren? Zij willen op grond van het systeem dat het door hen verabsoluteerde kwaad zichzelf gelijk blijft en wijzen zeer heftig de mogelijkheid af van een empirische verandering, zelfs de gedachte van een mogelijkheid van verandering. Want door zo’n verandering zou hun verabsolutering in diskrediet geraken, of het raamwerk van hun systeem kapot gaan. Moet ik daar misschien mee beginnen?’
De korte blik die hij me toewerpt zit nu vol ondubbelzinnige haat.
‘Of daarmee – u ziet dat ook mijn punten met elkaar samenhangen – dat wie het totalitaire gevaar op dezelfde hoogte stelt als dat van de atoombom, daarmee of hij het wil of niet, of hij het weet of niet, het atomaire gevaar bagatelliseert?’
‘Of daarmee, dat het op laster neerkomt, als je hen die bestrijden dat die twee op gelijke hoogte staan en die genoeg trots bezitten om zich niet te laten verleiden om onder druk van de opinie hun mening te veranderen,- als je hen advocaten van het totalitarisme noemt? ‘
‘Of zal ik beginnen met het bezwaar dat alleen rare denkende mensen ervan uit kunnen gaan dat er doelen zijn, dat er überhaupt doelen zouden kunnen zijn, die in dezelfde orde van grootte thuis horen als de ‘totale middelen’? Zo’n uitgangspunt weerspreekt het begrip ‘doel’ want als je dat middel gebruikt zijn de mogelijkheden om überhaupt nog doelen te willen bereiken uitgeblust.’
‘Of zal ik eerst inbrengen, dat het egocentrisch is, ‘historisch egocentrisch’, op grond van waarden die (indien al) hoogstens waarde [ 168 ] van nu, hoogstens die van onze eigen generatie  betreffen. Egocentrisch is het de toekomst als geheel, die van de kinderen en kleinkinderen op grond van die waarden op het spel te zetten. Moet ik nog zeggen dat er überhaupt geen verschil is tussen ‘après moi le déluge’ waarvan we dertien jaar geleden getuigen waren en uw ‘après moi le déluge’?
‘Wilt u dat nog eens zeggen’, vraagt hij stemmeloos.
‘Dat is nauwelijks nodig.
Dan slaat hij zijn boekje dicht en doet alsof hij niet meer luistert.
Maar daar sla ik geen acht op. ‘Of moet ik beginnen te zeggen dat het een belediging is de vernietiging van allen, alle anderen, alle toekomstigen, een ‘offer’ te noemen?’
‘Of dat het onduidelijk blijft wie dat offer waar u het over heeft, moet brengen. Even als wie de zelfmoord van de mensheid wenst te riskeren? En het blijft duister of wij daarmee bedoeld zijn. En wie bedoelt u met ‘wij’? De mensheid, de miljoenen die nu leven? Of wie anders?’
‘Of zal ik eerst melden dat de vrije mensheid, als die zich (waarvan natuurlijk  nooit sprake kan zijn) en bloque tot zelfmoord bereid zou verklaren vanwege haar waardigheid, geen ‘vrije mensheid’ meer zou zijn? De vaste wil om tot de dood bereid te zijn, zou alleen bereikt kunnen worden als ze eerst ‘getotaliseerd’ zou zijn. Het ‘offer voor het wezen’ kan alleen gebracht worden met behulp van een ad hoc opgeofferde en wezenloos gemaakte mensheid. ‘
‘Het is evenzeer onduidelijk aan wie het offer gebracht wordt. In mijn oren klinkt het absurd (en in de uwe godslasterlijk) als een gave die aan niemand geofferd wordt (dus niet aan een god die het verlangt) een ‘offer’ genoemd wordt. Wat daar zou gebeuren is een grote verkwisting en vernietiging. Hoe zeer het ook vermomd zou worden als nobel en existentieel het verdient geen andere naam dan ‘herostratisme'(hemelbestormerij, jab).
Hij had zich al in de slaaphouding gezet. Maar dit laatste woord bewees dat hij nog luistert en zeer levendig is. Hij veert op, alsof ik hem met een zwaar wapen op hem in had geslagen. Dan vleit hij zich achterover, zwaar ademend; en zijn [ 169 ] herhaald hoofdschudden schijnt te zeggen: ‘Hemeltjelief, waarom heb ik me met hem bemoeid.’ Tenslotte is hij stil. En speelt weer de slaper.

Klaar.
Blik uit het raam. De morgen is aangebroken. Opkomst gemist. Om ons heen een zacht blauw met sliertjes roze. Kosmische idylle.
Nauwelijks te merken dat we bewegen. We schijnen opgehangen aan een haak in het zenit. Recht onder ons een eiland ingesloten in een ring van donker smaragd; zachtgroen, bedekt met mos, riet of struiken (wie kan dat onderscheiden van boven). Ik heradem. De loden druk van de nacht is voorbij. De wereld.
De anderen liggen nog als bundels te slapen. Hij is de enige die ook kijkt. Hij plakt zelfs aan het raam en moet zich daarvoor strekken. Misschien om maar zo ver mogelijk van me weg te zijn. Maar misschien grijpt het weerzien met de aarde hem wel net zo aan als mij. Misschien zou dit het moment zijn dat een wat meer verzoenend woord mogelijk zou zijn. Maar is de schoonheid van de wereld een gemeenschappelijke morele noemer? Kan men hemel en aarde of hemel en water daarvoor misbruiken om solidariteit te herstellen, die beneden meteen niks om het lijf zou blijken te hebben en ongegrond. Het gaat niet.

Later

Optreden: stewardess, prachtig mooi nieuw gemengd type, kruising van priesteres voor de maan en Amerikaanse tennisster. Ze wenst ons in alle denkbare talen een goede morgen. Brengt ontbijt. Neen verkeerd beschreven. Want het gebaar waarmee ze het dienblad draagt – en dragen is dan van voetzool tot haar vingertoppen, een dans – is zo plechtig mooi, is helemaal ten voeten uit rituele presentatie; je denkt dat op het blad de offergave voor een godheid ligt, en niet het sinaasappelsap, de toast, koffie, zacht gekookte eieren, die ze nu op mijn hangtafeltje zet. Haar vijf woorden: ‘Pas op, mijnheer, gloeiend heet’ klinken zo schoon en troostend, alsof ze alle aardse en hemelse verzorging garanderen. Onze zonen en kleinzonen (in zoverre die er zullen zijn) de interplanetaire handelsreizigers van morgen [ 170 ] (in zoverre er een morgen zal zijn ) krijgen door deze priesteressen hun ontbijt vermoedelijk gepresenteerd in een siriusraket. En dit berichtje zal dan als rijtuigklets van een gevoelige ouwe man weggezet zijn.
Hij. Hij behandelt me als niet-existent. Of hij ook probeert de nacht voor niet-existent te houden? Dat zal hem niet lukken. Ik zal meteen proberen het ‘gesprek’, dus zijn en mijn monologen, te reconstrueren en  op te schrijven.
Ook de bundeltjes anderen komen nu in beweging. De Indiase mevrouw vlecht haar armdikke blauwzwarte vlecht, ze heeft het grootste deel van de terugweg naar haar koninklijke hoogheid nu achter zich. Een Japans jochie met een banaan als een sigaret in zijn mond springt wat tussen de stoelenrijen. What’s your name? Schaamt zich dan, meteen.
Daar is de ontbijtpriesteres weer. Nu brengt ze ook hem zijn offerblad. Ook hij is niet blind. Ook hem valt haar adembenemende schoonheid op. Met een magistraat gebaar naar het raam – alsof hij wat daar buiten ligt: het blauw en roze en het leigrijs en smaragdgroen zelf geschapen: ‘Als de eerste dag’.
‘Certainly, Sir’ zegt zij.
‘Nog!’ roep ik.
Hij rilt.
‘Net nog!’.
Hij rilt nog een keer. Maar nog voor hij zich weer hersteld heeft, komt er de stem van de piloot uit de luidspreker, die hem voor de derde keer doet schrikken:
‘We bevinden ons nu al ten zuiden van Taiwan. We zijn in een wijde boog om het oorlogstoneel heen gevlogen. Eerste landing Hongkong.’
De vijandigheden tussen Quemoy en het vaste land zijn begonnen. De morgen van 24 augustus 1958.

Voorbij Hongkong

Zijn stoel is leeg. Hij is uitgestapt. Ik mis hem.
Wel omdat ik nog niet alles wat ik voor hem, tegen hem op mijn hart heb geloosd heb.
Ik zou hem willen vragen: ‘Hoe is het toch mogelijk, dat u ‘filosoferen’, dus de doxa wantrouwt? U bent er echt van overtuigd dat u uw eigen positie bepaald hebt en niet aan afzwakking doet? [171 ] En dat u er zelfs trots op bent? En desondanks loopt u zo helemaal in de pas met de officiële politiek en de meest platte redeneringen?’
Maar hij geeft geen antwoord. Gaf hij toen al niet.
Speurt de man dan niet welke dubieuze rol hij speelt? Waar hij voor gebruikt wordt? Wiens hulpje hij is? Wiens employee?
Vermoedelijk niet. Vermoedelijk is hij echt ‘schoon’. Echt niet wat men vroeger onder ‘corrupt’ had verstaan.
Maar wat betekent dat nu?
Niets.
Want het is nu overbodig om mensen met expliciete maatregelen van corruptie te corrumperen. En het is daarom overbodig, omdat het proces van corruptie nu zelf gecorrumpeerd is. Wat wil dat zeggen?
Dat corruptie niet meer op zichzelf staat. Ze is maar een heel klein golfje in de ontzettende zeegang van massabeïnvloeding. Die massabeïnvloeding gooit continu en anoniem, onderbewust op- en neer zwellend opdrachten op het strand  en hoeft dan geen naam van adressant of afzender te vermelden; ook niet wat uitdrukkelijk de wens is van de opdrachtgever of de plicht van de aangesprokene. Dan heb je geen lakeien of schoften meer nodig. (Dat zijn echt achterhaalde theaterrollen geworden) – Omdat vorming in de massamaatschappij als geheel corruptie is, is er geen functie meer voor de thuisarbeid van individuele corruptie: oprechte, ondubbelzinnige omkoping of chantage, bewust iemand kopen of zich verkopen is een geantiqueerd handwerk geworden. Indirect en zonder enig vermoeden ontvangt iedereen tegenwoordig de hem toe gedachte opdracht. Onnodig individueel te overleggen. De opdracht hoeft alleen maar duidelijk uitgesproken te worden. indirect en zonder enig vermoeden verricht de hofleverancier van de massamaatschappij zijn opdracht. Hij ziet die niet als opdracht en kan die ook niet zo zien.  Hij kan met gerust geweten leven. Het maatwerk dat men hem laat maken en dat hij volgens schema levert, laat hij zich uit zijn pijnlijk bloedend hart rukken. [172 ]… kortom: zijn intellectuele onafhankelijkheid en integriteit te bewaren. (Onbegrepen, te lange zin van Anders, jab) Daarom kan tegenwoordig de geestelijke de plaats innemen van de lakei van vroeger. En wat geldt voor degene die de opdracht ontvangt, de gecorrumpeerde, geldt navenant ook voor de opdrachtgever, de corrumpeerder: want het gebeurt vaak,  (zo niet meestal) dat hij ook niets in de gaten heeft van dat hij en aan wie hij opdrachten geeft of gegeven heeft. Ook hij geeft er de voorkeur aan dat zijn werkers hun werk doen zonder het gevoel een opdracht te hebben gekregen. Ze willen veel liever dat gevoel dat bij mijn Deen zo sterk was ontwikkeld: bij een missie te horen.
Het is het mysterie van de ‘zachte terreur’, de triomf van de conformistische wereld die de vrije wereld geworden is. Ze is geheel en al onvrij en onwaarachtig daarom kan ze zich de luxe permitteren af te zien van manifest onvrije en leugenachtige mensen. Zelfs als ze uitsluitend uit ‘zuiveren’ zou bestaan, zou dat nog niet in mindering komen op de viesheid van het systeem. De som van alle ‘zuiveren’ hoeft niet noodzakelijkerwijs zuiver te zijn. Integendeel: het systeem wil dat al zijn onderdelen een alibi voor hem zijn, dat wil zeggen: ieder moet zich vrij voelen, en stralen van zuiverheid. En een van die subjectief vrije en stralend zuivere mensen is mijn Deen.

Kijk naar beneden. Nog steeds water. Zee is Zee. Niet te zien dat het de Zuid-Chinese is. Kon net zo goed de Oostzee zijn.

Hij zei steeds weer dat hij fel tegen de afzwakking van atoomgevaar is. Waarschijnlijk is hij dat werkelijk. Zelfs bona fide. Maar dat bewijst niets. Want er zijn indirecte manieren van afzwakking. En de ‘intellectuelen onder de afzwakkers’ die hij vertegenwoordigt krijgen de indirecte methoden aangereikt. Zijn taak is het atoomgevaar daardoor af te zwakken, dat hij het gevaar van afzwakking afzwakt. Hoe hij dat doet?
Hij begint met een apocalyptisch voorspel: plechtig en duister georkestreerd voor bazuinen en pauken. dat klinkt van: ‘Ik laat me niks wijs maken; jullie moeten je ook niets laten wijs maken. Het gevaar is ontzettend, niemand mag het bagatelliseren.’ Met deze bangmakerij en waarschuwing als ouverture wint hij het publiek, dat in hem nu de heraut van zuiverheid en verantwoordelijkheid ziet en zich in vertrouwen voor hem openstelt. [ 173 ]
Nadat hij zo zijn gehoor rijkelijk heeft bewerkt, gaat op zijn wenk, zonder dat waarschuwende muziek er tussen kwam, het doek open, van het donkere toneel klinkt nog steeds begeleid door de bazuinen van het wereldeinde vierstemmige koormuziek, en langzaam herkent men het atoomlied ‘vrijheid en offer’. Geleidelijk wordt het toneel nu lichter en men herkent ook de zangers en zie: één van de zangers die voor het merendeel afkomstig zijn uit zakenwereld en leger, is niemand anders dan hij: hij de componist van de ouverture.
Grenzeloze verwondering bij het publiek. Maar de apocalyptische klanken zijn nog niet verstomd. En omdat het te veel gevraagd zou zijn dat ze dat vertrouwen dat ze net omarmd hadden meteen weer moeten opzeggen raken ze in de meest verschrikkelijke desoriëntering. Les amis de mes amis sont mes amis. In plaats dat ze hun vertrouwen in hem opzeggen, wat gepast zou zijn vanwege de heren met wie hij in het koor zingt, schenken ze omgekeerd de heren van het koor om zijnentwil ook hun vertrouwen. Want ze zingen met hem dus moeten ze wel gewetensvolle, verantwoordingsbewuste vertrouwenswaardige mensen zijn, in elk geval ongevaarlijke. Uiteindelijk ook tegenstanders van atoombewapening en – dreiging. Kortom: de fronten zijn door elkaar geraakt. je kunt niet meer onderkennen wie voor is of tegen: iedereen schijnt tegen. Niemand schijnt een vijand te zijn. Het is allemaal niet zo erg. We kunnen rustig naar huis gaan.
Zo werkt mijn Deen. Zo zou hij op zijn minst werken als hij geen esoterische geleerde zou zijn, maar een publieke figuur, Maar is het denkbaar dat ik de kans verspeeld heb hem tot een publieke figuur te maken?

Nachtvlucht  Bangkok-Calcutta

Weer in het vliegtuig. Weer thuis.
Want dat daar beneden, die pruttelende, kokende teerketel Bangkok was werkelijk de vreemde, dat was nu echt ‘het verre Oosten’. Was je daar beneden blijven hangen op de solo-trip en verdwaald in de labyrinten van tempelsteden of kanalen, of als de cholera je te pakken had gekregen- zouden ze zich dood gezocht hebben naar je en de hele wereld uitgekamd, want wie zou je in Bangkok vermoed hebben? Maar nu ben je weer thuis. Strek je benen maar, nu heb je [ 174 ] weer vaste grond onder de voeten, en zit je weer op je aloude plekje, op jouw [plekje waar je sinds Tokio zat. En ook al is het een andere stoel in een ander vliegtuig: wat zegt ‘anders’ tegenwoordig nog? Als het al niet dezelfde stoel is, dan toch wel net zo één, als het al niet hetzelfde vliegtuig is, dan toch wel een zustervliegtuig. Mijn vingers jeuken om tussen de stoelen te gaan zoeken om mijn ballpoint  op te duikelen, die voor Hongkong tussen de stoelen van het vorige toestel is geroetsjt. En als ik het zou vinden, zou ik niet verbaasd zijn. Als je met A bekend bent weet je ook in B het knopje van het licht te vinden, of de ventilator of de zeep. Dan kan je niks gebeuren. Dan ‘ben je er weer’. Onder je mag een moeras zijn, of de cholera woeden, maar hierboven, net achter je, zoemt vriendelijk een symbool van de stabiele wereld, de verchroomde elektrische keuken; die heb je wel niet gezien, maar je zou er blindelings de weg vinden. Op de heenweg heeft het je vaak geïrriteerd, dat je niet precies kon onderkennen of dat wat onder de dikke laag troebele lucht lag werkelijk het aardoppervlak was, met bergen en dalen, of dat het niet veel meer de bodem van de zee was met ondiepten en riffen. Je had gelijk, zo is het: Het aardoppervlak is zeebodem geworden, we zwemmen eroverheen als schippers over de riffen. Wat hierboven telt en werkelijk is: de stoel, de zeep,de espresso die je ruikt en die niet onderdoet voor Wiener Schwarz. Relax en wees dankbaar. Je kunt je duikershelm afzetten. Je bent er weer.

Later

Voor ik het vergeet – want het onwaarschijnlijke kun je niet herinneren – wie was dat?
Vier uur geleden was ik – maar dat lijkt al jaren geleden- per abuis verdwaald in de tempelstad Watprakee. En ik was aan het dwalen geraakt, geheel doorweekt van warmwaterregen alleen tussen met klokjes behangen pagodes en enorme fallustorens en enorme godenbeelden als op de Fiji-eilanden. Totdat ik goddank bij een poort kwam die alleen maar dichtgeschoven was. Ik was eerst gelukkig geweest en dacht dat ik ontkomen was en de weg die ik gekomen was ook weer terug zou kunnen vinden. Ik ging er tegenaan. Maar ik was er niet uitgekomen, maar erin. Nu was [ 175 ] ik pas echt binnen in het labyrint van de vochtige en plotseling schaduwachtige stad. En na een uur – toen had ik al ‘thuis’ moeten zijn in het hotel – kon ik mezelf niet meer voor de gek houden: door de vettige damp van deze gebraden vissen was ik op de heenweg niet gekomen. Dat zou mijn neus gemerkt hebben. De hemel mag weten op welke verkeerde hoek ik de tempelstad weer heb verlaten. Blanken nergens, ik heb ze geloof ik in Bangkok niet gezien.
Treurig. Ik vroeg met een beleefde buiging een kaalhoofdig persoon in gele mantel, dus een boeddhistische priester naar de weg, een op de drie is daar een priester. Maar die ging als doofstom verder. Het leek wel of hij recht door me heen liep. Ik ben nog nooit zo behandeld alsof ik lucht was. Zelfde ervaring met een tweede, een derde. Toen gaf ik het op de hulp van Boeddha in te roepen. Niet bepaald goed gemutst besloot ik het zelf te proberen. Ik volgde een stinkend kanaal met kwakende kikkers, want dat herinnerde me aan een een stroompje dat ik vanuit het dakraam van het hotel had gezien. Wat een belachelijk toeval dat dit kanaal me inderdaad terugbracht, -ik schrik achteraf weer : want nu zie ik op de plattegrond hoeveel dergelijke kanalen daar ginds, daar onder, in Bangkok zijn.
En vanmorgen – maar dat is al decennia geleden – had ik het bergmassief van de Waratun- piramide beklommen. De grootste kolos die mensenhand maakte, het meest hybride wat ik ooit gezien heb, want het was geen gebouw in het landschap, maar met al zijn nevenpagoden en opbergplaatsen zelf een landschap. Op heel speciale manier gegidst door een stinkend en vuil , maar engelachtig lachend vier- of vijfjarig meisje, dat net zo goed de weg wist tussen deze rotspunten en kloven, als ik als jongen tussen de rotsen van het Reuzengebergte. Wat ze van me wilde, voor wie ze me hield, weet ze waarschijnlijk net zo min als ik. Toen ik met de veerboot aankwam bij de piramide , was ze meteen lachend op me afgelopen en had van dat moment af mijn hand niet losgelaten. Geld wilde ze niet, ik probeerde me los te kopen. Groter vertrouwen heb ik nooit gekregen. Arm kind! Wat zul je daar ooit mee op de koffie komen! [ 176 ]
En nog gisteren – maar ik heb het gevoel dat dat in een ander leven was – had ik me in paleontologische tijden verplaatst. namelijk op de honderd waterarmen van de Schae-Fyya rivier in de straten van een voorstad van Bangkok tussen de oneindige kolonies van in het water staande paalgebouwen, waar je in kon kijken als in kamers in een toneeldecor, want vanaf het water hebben ze geen wanden daar kookten en aten ze en maakten vlechtwerk en lagen ze te dutten precies als vijfduizend jaar geleden. Ik had de hele tijd het gevoel: die zal het niet treffen, die zullen de catastrofe overleven want die hebben het nucleaire moment van nu nog niet bereikt. Wat natuurlijk onzin is, want precies zoals de catastrofe ook ons verleden zal te gronde richten, zal ze ook hen mee te gronde richten die nog in het verleden leven.-
Op een bepaald punt, aan een kruising van kanalen was een weekmarkt, met meloenen, groentescheuten, en stukken vlees, zwart van de vliegen. Ze kochten en verkochten van boot naar boot. Ik sloot mijn ogen: de illusie was volmaakt: het geroep over en weer klonk Venetiaans. –

Later

Ik moet geslapen hebben. Boven Birma. Zijn nu boven de Golf van Bengalen. Neem er geen notitie van. Ik heb mijn portie globaliteit gehad. Ben blij dat ik gearriveerd ben, en dat alles weer bij het oude is.

Nachtvlucht Karachi – Caïro

Niets te zien. Onder ons zou Saudi-Arabië moeten zijn. Woestijn. – Mijn buren: een keurige Australische dominee, half Dickensiaans, half mid-western, met zoon van tien en dochter van acht. Beide kinderen vriendelijke reuzen: braaf, maar een kop groter dan ik, houthakkers gezichten, houthakkers handen, schoenmaat vioolkist. –

De geografische interesse van de familie is uitsluitend Bijbels bepaald. Bij het woord ‘woestijn’ denkt de man meteen aan Hagar. Dus vertelt hij zijn kinderen die geschiedenis (zij het zo gekuist dat je het bijna niet herkent) van de op staande voet ontslagen Hagar. Je krijgt het gevoel dat de stakker op dit moment met zand in de schoenen daar beneden door de nachtelijke woestijn op een tankstation met de naam Sur afstevent, om God daar aan te roepen en hem haar beklag te doen over het onrechtmatige ontslag.

De zachte reuzin gloeit van verontwaardiging, ze snapt de reden van ontslag niet; terwijl de reus helemaal niet luistert, maar voortdurend aan zijn camera prutst: want hij heeft de idée fixe dat onze route de volgende morgen over Ararat voert, en hij is bang dat hij met de snelheid van ons vliegtuig  het moment mist voor de opname van de Ark van Noach. Als ik hem aanwijs op de vliegkaart dat we ons honderden mijlen ten Zuiden van Ararat bevinden, en hem verzeker dat de resten van de ark zelfs dan onzichtbaar zouden blijven, als we haarscherp over de top van de Ararat zouden vliegen, heeft hij moeite om zijn tranen te bedwingen. Om de reus te troosten bied ik hem een paar mooie originele piramiden aan die hij kort voor de landing in Caïro kan ‘schieten’, maar tevergeefs: het boek Exodus interesseert hem niet, tenminste niet zoals het boek Genesis. –

Als Hagar de wilde Ismaël (wiens achterachterkleinkinderen nu in de woestijn beneden ons liggen te slapen) en Sara Isaak (wiens achterachterkleinkind ik ben) gebaard hebben, beide vrouwen dus tot hun recht zijn gekomen, word ik uitgenodigd op mijn beurt een verhaal te vertellen. Ik maak gebruik van de fixe idée van de knaap en vertel een paar niet helemaal officiële details uit het leven van Noach.

‘de verkeerde antwoorden’.

Noach ging, een maand na de aankondiging van de vloed en vier maanden voordat die losbarstte een luchtje scheppen in de eenzaamheid; met beklemd gemoed want er stond geen boom of hij wist dat zijn dagen geteld waren,  –

Hij hoorde achter een klein bosje de heldere klank van een bijl. En toen hij op de klank af ging: kijk, daar stond een bebaarde man voor hem die enthousiast op een boom inhakte. Zwijgend bekeek Noach de arbeider. ‘Zeg eens,’ vroeg hij eindelijk, ‘wat doe je daar eigenlijk? ‘

‘Ik hak een boom  om’, zei de man schouder ophalend. –
‘Dat zie ik’, zei Noach, ‘maar waarvoor?
‘Voor een huis’.
Hij dacht het verkeerd gehoord te hebben.
‘Ja, maar heb je dan niet gehoord van de vloed?’ vroeg hij.
‘Ach schei uit met je vloed’!, bromde de baardman.
‘Met mijn vloed’? vroeg Noach verbijsterd.
‘Ja, denk je soms dat-ie van mij is?’ kaatste de man terug. ‘Wat kan ik er nou tegen doen?’ Na dat gezegd te hebben hakte hij weer op de boom in. Noach keerde zich verdrietig om en ging weg.

Toen Noach een maand later op dezelfde weg weer een luchtje ging scheppen in de eenzaamheid; met bloedend hart dit keer want de bomen verrieden met hun geruis dat ze maar heel weinig afwisten van hun ondergang. Daar hoorde hij achter dat bosje de heldere klank van een zaag. En toen hij op het geluid afging, kijk, daar stond een geurige stapel planken, die voldoende zou zijn geweest voor een hele ark.
‘Nog steeds voor dat huis?’ informeerde hij.
‘Waarvoor anders?’ bromde de baardman terwijl hij verder zaagde.
‘En de vloed?’ vroeg Noach.
‘De vloed! De vloed!’, herhaalde de man, ‘heb ik je niet gezegd dat ik voor zoiets geen tijd heb?’
‘Helaas’ bevestigde Noach.
‘Wat is er met ‘helaas’? , zei de man ongeduldig, ‘Moet ik mijn werk soms half afgemaakt laten liggen? Ik moet toch aan de toekomst denken!’ –
Noach dacht dat-ie het verkeerd verstaan had.
‘Man, zei hij eindelijk ‘als je geen tijd hebt voor de vloed, zul je binnenkort nergens meer tijd voor hebben; en niet alleen je werk zal ‘half af’ blijven liggen maar ook jij en de toekomst van je kinderen.’
Nadat gezegd te hebben ging hij treurig verder.

Toen Noach voor een derde keer een luchtje ging scheppen in de eenzaamheid; deze keer vertwijfeld want hij had zich gedrongen gevoeld de bomen te troosten, en hij moest ervaren dat zelfs troostwoorden geen gehoor vonden.
Hij hoorde van achter dat bosje de heldere klank van een hamer. En toen hij op het geluid afging, kijk: daar stond het huis half af. En de baardman stond op een ladder en timmerde al aan het vensterkozijn.
‘Moet ik je voor de derde keer waarschuwen?’ vroeg Noach.
De man wierp hem een woedende blik toe, want hij had zijn mond vol spijkers.
‘Als je die vloed bedoelt, spaar je je moeite maar’, siste hij tenslotte.
‘Maar ze komt!’, zei Noach.
‘Sinds maanden zeur je me al met die vloed aan mijn kop! Altijd diezelfde vloed! Als je nu eens iets nieuwers uit de kast haalt!’
Noach dacht het verkeerd verstaan te hebben. ‘Nieuwer?’ vroeg hij.
‘Ja zeker’ bevestigde de man.
‘Het ‘nieuwste’ schijnt nog niet tot je doorgedrongen te zijn,’ zei Noach nu.
‘Kijk aan!’ riep de man en hield zelfs op met timmeren, ‘Voor de draad ermee! Wat is er?’ ‘Dat wie vandaag naar ‘iets nieuwers’ vraagt van gisteren is’, antwoordde Noach.
De man fronste zijn wenkbrauwen.
‘Omdat’, verduidelijkte Noach, ‘de tijd waarin je iets nieuwers mocht verwachten of iets nieuwers mocht plannen, voorbij is.
Toen pakte baardmans zijn hamer weer op.
‘Dat zou wel het nieuwste zijn!’ hoonde hij.
‘Zeker, dat is het’ bevestigt Noach. ‘Want het nieuwste is, dat wat gisteren het nieuwste was, ook nu het nieuwste is, namelijk dat wij niet weten of er überhaupt nog nieuwe dingen zullen zijn. Tenzij wij het op ons fatsoen trekken. Vandaag even goed als gisteren.’
Zo sprak hij en ging treurig weg.

Toen Noach weer een maand later in de eenzaamheid een luchtje ging scheppen; nu zelfs met God twistend omdat de onschuldigen even hard veroordeeld werden als de schuldigen, hoorde hij een uitgelaten lawaai. Toen hij op het lawaai afging, kijk: daar stond het kant en klare huis, en uit de schoorsteen steeg vredig de eerste rook. Maar voor het huis stond een menigte luidruchtig te zijn, en het scheen dat er feest aan de gang was. Want de baardman danste daar rond met zijn zonen, en zijn mooie vrouwen en kinderen; het waren er vast wel vijftig.
Noach dacht dat hij het niet goed zag. ‘Stop!’ schreeuwde hij tenslotte. ‘Stop! Zijn jullie de vloed vergeten?!’
Nauwelijks had hij dat geroepen of de oude stopte met dansen, rukte zich los, hief zijn arm omhoog en wees met zijn wijsvinger naar Noach.
‘Daar is hij dan’, gromde hij en zijn stem klonk niet alleen aangeschoten, maar ook gevaarlijk vrolijk.
‘Daar hebben we dan onze man van de vloed. Willen jullie hem ook niet eens een keer horen? Zal ik hem eens wat vragen?’
‘Vraag hem’, riepen ze allemaal en maakten sprongetjes, alsof het optreden van Noach een theaterstuk was, dat de oude voor hen had gearrangeerd.
‘Vraag maar’ zei Noach.
‘Rustig maar,’ zei de oude.
En nadat hij zijn mensen met een knipoog tot zwijgen had gebracht: ‘Dus jij, beste Noach, jij meent toch niet werkelijk dat de vloed, als die zou komen, jouw beroemde vloed…’ – ‘Die komt‘, verbeterde Noach.
‘Jazeker, natuurlijk komt ze! Dus als ze komt, jouw beroemde vloed..’
‘Ze is niet de mijne…’, verbeterde Noach.
‘Juist’, schreeuwde de oude, weer met zijn wijsvinger naar hem wijzend, ‘ze is inderdaad niet van jou. Maar waarom zal ze dan van mij zijn! Waarom moet ze dan ons treffen. ‘Maar’, zei Noach. En dit ‘maar’ had de oude willen provoceren en oproepen.
‘Hebben jullie dat gehoord?’ schreeuwde hij, dolblij, ‘hebben jullie dat gehoord? Ons gaat het treffen. uitgerekend ons. Nu zie je wat voor man het is! Alsof zo’n vloed enkelingen treft. Die raakt toch alleen maar de hele wereld.’
Waarom hij deze zin zo komisch vond; en niet alleen hij vond dat, maar ook heel zijn familie (want ze barsten nu weer uit in gekrijs en sloegen elkaar op hun achterste) dat snapte Noach niet. Maar hij kreeg geen gelegenheid meer om uitleg te vragen over het woordje ‘alleen maar’ en door te vragen met : ‘En wie is dan de hele wereld wel?’ Want toen hij op het punt stond zijn mond open te doen, kreeg hij een steen tegen zijn hoofd, en bloed stroomde over zijn lippen.
Hij draaide zich bedroefd om en ging weg.

Toen Noach een maand later aan het venster in de ark stond; zijn gezicht was nat van de stortbuien die van de hemel naar beneden kwamen, – meende hij hulpgeroep te horen en blaten van bange dieren. Hij liet zijn blik over het water dwalen en kijk: daar ontwaarde hij links een kluwen mensen boven de zeespiegel; hij kon hoofden van mannen, vrouwen en kinderen onderscheiden, en zag dat ze hem wenkten.
‘Hou vol!’, riep hij terug, ‘ik kom! Ik kom al!’
Hij gaf meteen bevel om de steven te wenden en de drenkelingen te redden. Koortsachtig werkten allen die aan boord waren mee, en hij zelf ook – maar neen hij redde het niet om hem te redden die gezegd had:

‘Ja, je denkt misschien dat het mijn vloed is” en
‘Wat kan ik nou uitrichten tegen de vloed?’ en
‘Ik heb geen tijd voor die vloed’ en
‘Weet je nou niks nieuwers dan die vloed?’ en
‘Denk je dan dat die vloed ons treft?’ en
‘Die treft toch de hele wereld?’

Daarvoor waren zijn goede wil en erbarmen niet groot genoeg. Want de storm kon hij niet commanderen. En daar dreven ze al weg van de wenkende mensen.
Toen die dan uit zicht waren sloot Noach het venster in de ark, en ging naar binnen in het schip. Hij dobberde over bossen en bergen en misschien wel over zijn eigen dorp; daar zat hij ineengedoken in het donkerste hoekje van zijn ark en huilde. Maar niet over de vloed. Ook niet over de slechtheid van de mensen. Maar over hun domheid.

Dat vertelde ik en zweeg. De dominee zweeg ook. Zijn zoon die uit woede over de verloren ark zijn camera aan barrels had geslagen, eveneens. Stom zweefden we over de woestijn van Saudi-Arabië. Toen zag ik dat de lieve reuzin iets wilde weten maar te verlegen was om als eerste haar mond open te doen. ‘Wil je wat vragen? ‘
‘Ja. Staat dat in uw Bijbel? Niet in de mijne.’
‘In de mijne ook niet.’
‘Dus u hebt dat verhaal maar verzonnen?’
‘Dat nou ook weer niet’.
‘Maar?’
‘Ik heb alleen maar verteld wat elke dag gebeurt’.
De dominee grijnsde naar me.
‘Elke dag?’ vroeg de reuzin.
‘Elke dag.’
‘En waar gebeurt dat elke dag?’
‘Overal.’
De reuzin schudde haar hoofd. ‘Snapt u dat, Papa?’
‘Ja natuurlijk’, antwoordde haar vader. ‘Snap je dan niet dat mijnheer een verhaal over het Jongste Gericht vertelde?’
‘O!’
‘Ik had dat ook niet gesnapt’, zei ik.
Dat wilde de dominee niet geloven. ‘Maar daar slaat het prima op!’
‘Helaas, ja. Maar ik heb erbij aan iets anders gedacht. Ik kom namelijk uit Hiroshima’

Stilte. De dominee staart me verbijsterd aan, de beide kinderen zijn vol bewondering, hoewel ze zelf van nog veel verder weg komen. Alsof ik van de maan kom.
‘En waarom zegt u dan dat uw verhaal overal gebeurt?’

Op dat moment komt de stem uit de cockpit: ‘De lichten rechts zijn de havens van Port Said. We vliegen boven het Suez-kanaal.’

‘Omdat Hiroshima overal is.’

Bij nadering Rome

We moeten er nu zo zijn. Tussen het Britse plaveisel in Calcutta en het Augustijnse dat daar voor ons [ 182 ] ergens moet liggen, heb ik geen voet op aarde gezet. Wat daar tussen ligt, landen en zeeën, heb ik niet aangeraakt. Ben er niet geweest. We moeten weer witte vlekken op onze landkaarten inkleuren. Niet om het onontdekte te markeren. – onontdekt bestaat niet meer – maar om wat door ontdekking weer verloren ging. Die eroberte Welt wird zur übersprungenen. Die übersprungene zur unbekannten. (kan ik niet vertalen jab)
Signaal om riemen vast te maken,
Nu dus ook hier. Wat een ongeregeld leven. Hoe ongeregeld deze aankomst. In plaats van te voet, door de lucht komend. In plaats vanuit het Noorden, vanuit het Zuiden. In plaats van van thuis van Bengalen. In plaats vanuit het enge, vanuit het wijdse. In plaats van als Jonge man, als oude. De mensen die vroeger daar beneden hun tochten maakten en de eerste contouren van de stad aan de horizon ontwaarden, hebben vast een ogenblik stil gehouden om te fluisteren: urbs. (stad, jab) En arriveren betekende voor hen: in Rome aankomen. Hoe zinloos om in Bangkok aan gekomen te zijn en in San Francisco, in Tokio en in New York, in Hongkong en Calcutta – maar niet in Rome. Nu pas in Rome. Voor het eerst pas in Rome. Beneden al een koepel, nog klein, maar hoger dan al het andere. Moet de Sint Pieter zijn.

In de namiddag. Colosseum

Kan maar niet begrijpen dat ik hier ben. Dat ik het ben die hier ben. Door het overspringen van ruimte ben ik ook mezelf oversprongen. (Deze vetvlek op het papier is nog van de vissoep in Bangkok) De man die hier op de stenen bank zit, en de oren bedekt omdat hij de menigte in de arena hoort joelen, is een ander. -Ik ben nog boven.

Na zes uren wandeling
’s avonds in Albergo Piazza Dante

Had je zoëven boven in de lucht niet moeten beginnen: ‘Eindelijk hier’? Na zoveel jaren verlangen naar de verte. Zoveel jaren verlangen naar Rome.- Je moet zestien geweest zijn, toen die ziekte uitbrak. En hoeveel keer heb je ‘Plan Rome’ niet beraamd? Maar van geen van alle is iets terecht gekomen. Inflatie. Werk. Hitler. Vlucht. En nu is het er dus toch van gekomen. Nu toch. En zelfs zonder al die plannen. Nu ben je eindelijk hier. Nu heb je het dus gezien. Klop op die muur, die is het echt, die is echt Rome. Drink die Rosse, die is echt, die is echt Rome. Dat mag je vieren. [ 183 ] Heb je geen reden voor triomf? Neen. Geen ‘eindelijk’.  Geen ‘dus’. Gemist blijft gemist. Ergens moet de ‘ziekte naar Rome’ zijn blijven liggen. Ik heb het niet gemerkt. Vlucht, Werk, Hiroshima. Ergens aan de rand van de decennia moet ze liggen. Dus geen triomf. Of is de vervulling van een verloren hartstocht een triomf? Bedrog, niets dan bedrog. Eerst was het honger zonder eten. Nu is het eten zonder honger. Drink op. Ga naar huis, ga slapen.

Hotel

‘Hevig verlangen naar de verte van Rome’? En ‘in de verte’ zou ik hier zijn? Dat gevoel is mijlenver weg. En dat begrip ook. Heb zojuist met Wenen gesproken om goedemorgen te zeggen en gezegd : ‘Ik ben al dichtbij, niet ver meer; ik ben er, niet meer weg’. En aan de andere kant van de lijn werd zo gelachen, alsof ik gebeld had uit Wiener Neustadt, of alsof ik werkelijk al thuis was.
‘Verweg’. Wat is tegenwoordig nu ver? Iets uit die tijd vóór het jaar nul? Ja die is echt ver, die is echt onbereikbaar. Maar zelfs al was die kust te bereiken – zou ik dan Rome nodig hebben om haar te bereiken? Ik ben toch zelf een relikwie, kom zelf uit de oertijd. Want of je nu uit de Augustijnse tijd stamt of uit het jaar 1902 wie vóór het jaar Nul ter wereld is gekomen, hoort bij de oertijd. Dat is het enige verre dat er vandaag nog is.

Tafeltje in tuin Via Appia

Te laat. Het heeft geen zin de stenen te betasten. Geen zin tegen jezelf te fluisteren: je bent er echt! Geen zin te verwachten dat je hart zal kloppen als je  het Palatijn beklimt, aan de Tiber staat, of naar het graf van Caecilia Metella wandelt. Ik doe het desondanks. Maar alleen om de zestienjarige ter wille te zijn. Dan heeft die zijn zin. Ik? Ik kan hem alleen begeleiden.

Colosseum

Het ziet er verdomd ‘aziatisch’ uit, despotisch en barbaars. Al die getuigenissen van macht, die overleefden. Darwinisme van de dingen.
Wat ben ik dat zat, dat kolossale. Toen ik [ 184 ] (wanneer was het ook al weer: gisteren? een week geleden? ) door de rotsen van Wat Aroon klom, van mensenhand, en door de met mensenhand gemaakte kloven en langs de door mensenhand gemaakte rotshellingen op de door mensenhand gemaakte top van de toren stond; en vandaar uit keek, niet over urbs maar over de zevenhonderd door mensen gemaakte tempelbergen van Bangkok, en niet op de Tiber, maar op de Menam-stroom, geel en breed erbij liggend als een zeearm, – had ik voor heel mijn leven genoeg van het kolossale. Dit hier is wel is waar kleiner, maar ook slechts kolossaal. Het is er niet voor gemaakt om mij weer te Europeaniseren. Waar blijft Horatius? Waar Tibullus? 

Forum

Hoe zelfbewust liggen ze hier erbij, de puinhopen van voor-gisteren. Alsof de werkelijkheid van toen er alleen geweest is ter wille van deze scherven van later. Alsof jullie van vroeger alleen maar je leven hebt vol gemaakt om ons van heden deze mooie ruïnes op de drempel van vandaag af te leveren, klaar om van te genieten.
Neen, wie van daarginds komt, uit de steden die gisteren in puin werden gegooid en die de puinhopen al niet meer tonen, omdat men ook de puinhopen in puin heeft gegooid, die blijft koud als hij dit ziet. Hij wordt niet verleid door jullie zogenaamde schoonheid.

Zicht op de Palatijnse heuvel

Deze ruïnes ‘mooi?’ Hoe zo? Omdat het ruïnes van schoonheid zijn? Zijn ze dat dan? We noemen toch ook ruïnes van middelmatigheid mooi? Zelfs van het lelijke?
Of zijn ze niet enkel daarom ‘mooi’, omdat ze ruïnes zijn? Namelijk incarnaties van het vergankelijke, dus elegieën?
Dit alles hier? Het Palatijn? Mooi? Waarom? Doe je ogen open. Laat je niks wijs maken. Waarom zou het mooi zijn, dat de eeuwen zich nestelen in het verval van voorbije eeuwen, als paddenstoelen in verrottende bomen? De stuurstangen van de ene eeuw blokkeren de wielen van de andere. Het cement van de ene heerschappij verstopt de krassen op het steenblok van de vorige. Kerken zitten in het stof van tempelresten. Allemaal met en in elkaar vervallen. Waarom zou geschiedenis mooi zijn? En vergankelijkheid al helemaal? Het is een jungle, een chronologische chaos, een autokerkhof der tijden. [ 185 ]
Ik weet, ik weet. De achtergrond van de ruïne-apotheose ken ik. Het enthousiasme over de epifanie van de Oudheid, zelfs over haar kapotte stukken ben ik niet vergeten. En de zestienjarige, die mijn hand niet loslaat, en mij van brokstuk naar brokstuk sleept, van kapiteel naar kapiteel is misschien nog een nagekomen kleinkind van die enthousiast, en hij vindt het zelfs nog vanzelfsprekend de toro’s met de ogen van een Mantegna te bekijken, en vele Veduten (schildering van stadsgezichten, jab) met het oog van Lorrain.
Maar mijn ogen maken dat niet meer mee. Die kunnen niet meer. Die willen niet meer. Niet omdat ze te oud zouden zijn of te zwak, maar omdat ze te heftige zaken gezien hebben. In het tijdperk van echte ruïnes ruïnes mooi vinden, dat gaat hun kracht, hun tijd, hun smaak te boven. En overmorgen – daar ben ik van overtuigd – zullen er maar weinigen meer zijn, die iets wat kapot is mooi zullen vinden omdat het kapot is. En de paar die dat nog zullen doen, zijn de meest luie, en de meest gedachteloze mensen van hun eeuw.

Entree Forum

Bezoekers in wachtrij daar.  Weerleggen die niet mijn voorspelling? Waren er ooit zoveel mensen als tegenwoordig, die deze hopen scherven tot het doel van hun vakantie maakten?
Nooit. En toch is het geen tegenspraak. Hoe lager de zon, des te langer de schaduwen. Die wachtrij is slechts de lange schaduw, die de bezoekers van de negentiende eeuw werpen.

Caracella – thermen

Daar zijn weer die kinderen van nu, die de ruïnesteden van gisteren al vergeten zijn, omdat hun geen tijd meer gegund zal zijn om te kijken, nimmer zullen kijken. En die nu, om thuis te kunnen bewijzen dat ze hun plicht hebben gedaan en hun vakantie hebben doorgebracht tussen de resten van wat voorbij is, niets beters weten te doen dan deze resten in beelden vast te houden, en zichzelf tussen die resten. Morituri inter mortuos (Die gaan sterven te midden van de al doden, jab). Nylon tussen marmer. ‘Aren’t they a beauty!’ hoor ik een vrouw zeggen die zwaaiend het bad doorloopt. En een andere: ‘Kom, schat, je moet dat ding daar van hier beneden nemen. Moeten ze maar raden wat het is. Zullen ze toch verbaasd zijn!’  [ 186 ]
Wie, Miss, zal de resten van de badkamer in uw huis eenmaal een ‘beauty’ noemen? En wie, schat, de restjes pilaar uit uw stad vanuit een zo verrassende hoek fotograferen?
Nu worden ze luidruchtig en vrolijk, omdat ze door de gaten in de muur en tussen de gebarsten pilaren door plotseling die hemel zien waarvoor ze betaald hebben: de typische Italiaanse hemel. Ik volg de ogen van hun apparaten, en waarachtig: het blauw is bijna donker; op hun foto’s zal die helemaal zwart zijn.
Maar hoog in de lucht, in het Zenit van dat duister, en omkaderd van zuilen en zuilen knippert heel klein een punt. Ze zien het niet. Of hij is hun te gewoon. Want het is een vogel van nu.
Maar als je goed luistert, kun je hem horen gonzen. Precies zoals die vogel die,  over een brug wegvliegend, een ogenblik lang het gezang van een zekere man deed verstommen.
En die man op de brug gedenk ik. Ook hier. Ook nu. Want ook voor hier staat hij op de brug van de toekomst. En ook voor vandaag.

Aantekeningen jab

( a) Ik gebruik voor deze werkvertaling de tekst in G.Anders, ‘Hiroshima ist überall’. uitg Beck. 1982, daarvan de onveranderde herdruk 1995. Cursivering is van Anders zelf. Tussen [ ] de paginanummers van de Duitse uitgave jab). De lange zinnen, zoals Anders ze zelfs in deze dagboeknotities maakt, zijn door mij regelmatig in korte stukken geknipt. Een enkele keer kwam ik er niet uit.

(b) Ik heb bij het woord ‘Nachbarn’ het gevoel dat Anders het ook laat klinken als ‘naaste’. Maar ik blijf maar vertalen met ‘buurman’ jab)

(c) Verwijst naar de radio- en tv-filosofie van Anders. Zie zijn ‘De wereld als fantoom en matrix’ jab

(d) Anders schrijft: zwischen denen es für das Töten keine Grenzen mehr gibt jab)

(e) Anders zal in een latere publicatie het boek van Jaspers zwaar afkraken. Zie elders.

(f) Anders zal doelen op ‘Luddieten’ die in de tijd van industriële revolutie machines bestormden. Begin 19e eeuw. (jab)

(g) zie: https://www.hebban.nl/recensies/marvin-o-over-de-wonderbaarlijke-geschiedenis-van-peter-schlemihl
(h) Anders heeft het daar over ‘Binnenmeer’ maar daar wist ik geen raad mee.

Aantekeningen Günther Anders

(1) Een van de dagboeknotities verderop is daar geheel aan gewijd. Want in een van de voorbereidende vergaderingen van de commissie heb ik me uitgesproken over dit probleem.

(2) Kant beweert (Metafysiek der zeden par. 39) dat er smaad bestaat die zelfs ‘de toeschouwer schaamrood maakt tot een soort te behoren waarmee men zo slecht mag omgaan’.

(3) Onder deze verzamelnaam vat ik, naar Amerikaans voorbeeld, kerkleiders van alle denominaties samen.

(4) Eerste publicatie FAZ 14-7-57. De volledige tekst zie in dit boek p 218-226. Een andere versie ( ‘Stellingen voor het atoomtijdperk’) dicteerde de schrijver in 1959 voor studenten van de FU in Berlijn (afgedrukt in ‘Die atomare Drohung’, München 1981 p 93-105).

(5) Die zien er op het eerste gezicht uit als reusachtige mooie boerderijen. Opmerkelijk wel het principe van dubbele daken, of drievoudige –  een bouwprincipe dat naar ik aanneem geen praktisch nut heeft, maar wel een theoretisch of religieus principe van hiërarchie is. Daar komt bij dat de daken (overigens bij alle Japanse huizen) aan de beneden dakhoeken nog even kort omhoog gaan, alsof ze opgehangen zijn aan kort omhoog lopende dakbalken en daardoor omhoog getild. Eigenlijk is de indruk die het materiaal (dus hout) maakt vals. Vanuit de verte lijkt het stellig op een tent. Was het tentdak het oorspronkelijke model voor deze daken? Zoals de boomstam het model voor de zuilen.

(6) Een van hen, Kobajashi, heeft inmiddels op 3 juni 1959 voor de residentie van premier Kishi harikiri gepleegd. Hij liet een boodschap achter met de inhoud, dat men blijkbaar slechts stervend op de doden van de vorige en de komende oorlog kan attenderen.

(7) De mars komt weliswaar van een Japanner. Maar is op een achtste maat gebouwd, duidelijk in mineur, en beweegt zich slechts tussen de braafste Europese modulaties. – Dat Russisch te vinden was niet helemaal onterecht. Want het is zeer goed mogelijk dat de manier van zingen uit Rusland via China naar de linkerkant van Japan is gedwaald. Vermoedelijk onderging Japan Europese invloeden niet slechts via Amerika maar ook via Rusland-China (dus vanuit het westen)

(8) Thuishaven van de viskotter Fikuryumaru (de gelukkige draak). Deze werd, hoewel 130 km van Bikini-eiland met radioactief besmet koraalstof bedekt.

(9) De marconist aan boord van de kotter, afkomstig uit Yaizu. Het eerste slachtoffer op lange afstand van het atoomtijdperk. Stierf in augustus 1954.

(10) Wie weet is zelfs ‘diepte’ als zodanig kleinsteeds. Daarmee is niets kwaads gezegd van ‘diepte’; ik bedoel alleen dat diepte de dimensie is, waarin de verwortelde zijn wortels slaat. Maar het valt niet in te zien dat de wijdsheid van de horizon minder zou zijn dan de diepte van de grond, de vogel dan de boom, Columbus minder dan Novalis.

(11) De technische inbreuk in de privésfeer die (vaak ver van de slachtoffers opgestelde) afluisterapparatuur ( ‘bugs’) veroorzaakt is ook zo’n op techniek gebaseerde schending van de soevereiniteit.

(12) De getallen variëren. Maar ook als we de laagste variant , 170.000 doden voor waar aannemen, verandert er in principe niets.

(13) Wet betreffende geneeskundige behandeling van a-bom slachtoffers april 1955

(14) Congres van de afdeling ‘Hiroshima Prefectuur’ van de ‘Raad van Japan’. 

(15) Dat gaat ook op voor de dader: ook die zit steeds op een ‘alibi’; zelfs in een specifieke betekenis want in zijn geval neemt ‘alibi’ behalve zijn ruimtelijke betekenis ook de aan anderen bekende morele (of immorele) aan. Hoe dan ook, omdat hij zich op een plek van misdaad bevindt die niet tegelijk ook plaats van lijden is, zal het voor hem onmogelijk blijven zichzelf de daad toe te rekenen; niet in staat de daad als zijn daad toe te rekenen noch als zijn daad; zijn slag als zijn slag en als zijn slag te erkennen. Hij is de tweeling van zijn slachtoffer: het is hem ook onmogelijk gemaakt nog moreel te handelen.

(16 ) Zie Norman Cousins: ‘Saturday Review of Literature’ 6 Augustus 1955. – En Blacketts ‘Angst, Krieg und die Atombombe’. Cammandeur Blackett betitelt Hiroshima zelfs als het begin van de oorlog tegen de Sovjet-unie.

(17) Je zou eerder een katholiek hebben verwacht: want als er een christelijke kerk is die in Nagasaki een belangrijke rol speelt, dan is het de katholieke. Die was al vroeg  met de Portugezen in het Zuiden geland; de katholieke gemeenschap van Nagasaki heeft een heldhaftige tijd van ondergrondse achter de rug; de kathedraal was tot de dag van de verwoesting de grootste van het verre Oosten. Maar vermoedelijk is voor de katholieke kerk de pluraliteit die in de viering gehanteerd werd niet te verstouwen. 

(18) Ik vraag maar helemaal niet hoe dat personeel levend, gezond en in staat te werken verondersteld wordt.

(19) Ik versta onder ‘verburgerlijking’ de tegenbeweging tegen vervreemding: de poging het feit van de vervreemding weg te werken door het vreemde als vertrouwd te presenteren. Voorbeeld: De naam ‘Actie Opa’ voor een atoomproef. (Uitgebreider in ‘Die Antiquiertheit des Menschen’ , Band I p 116-154 van de auteur.)  

(20) Over en weer zingen van volksliederen moet directe of indirecte invloed van de Sovjets zijn. Invloed van zeden die de rehabilitatie van naties met zich mee bracht.  Eigenlijk zijn alleen de Australiërs net zo bereid om te zingen als zij. (bij hen is de Europese meerstemmigheid [ 189 ] gedegenereerd), terwijl mensen uit Midden-Europa , gewend aan polyfonie, en minstens pianobegeleiding, niet graag voor vijftig volwassenen uit alle landen ‘am Brunnen vor dem Tore’ aanheffen. In Europa spelen volksliederen een heel andere rol dan in landen die net beginnen hun liederen (wunderhornhaft)  te verzamelen,- dat kun je hen bijna niet uitleggen. Het is nauwelijks voor te stellen dat Jaspers of Ulbricht (om maar twee mensen te noemen die uit werkelijk verschillende sociale regio´s stammen) dit lied zouden aanheffen. voor een gezelschap. Dergelijke mannen uit Japan of India kennen niet de geringste remming.

(21) zie p [ 26 ].

(22) zie p [ 207 -360 ]

(23) Volledige tekst zie No more Hiroshima, Special Issue 1958, p 7

Advertenties