Philosophische Stenogramme

Filosofische Stenogrammen,

Günther Anders “Philosophische Stenogramme”,
1965 Beck.
Werkvertaling van gedeelten;door Jan Anne Bos.
Ik heb geen enkele pretentie bij de vertaling.
Bij gelegenheid voeg ik nog passages toe.

Een kleine inleiding is elders  te vinden.

Pas dan
Als je ongelukkig bent, kun je makkelijk groot zijn.
Karakter bewijst zich pas als je gelukkig bent.   p.11 Erst dann

Waarschuwing
Wees kieskeurig in de keuze van wie je helpt. Het is moeilijk niet van je beschermeling te houden. Wees nog kieskeuriger in de keuze van je helper. Het is nog moeilijker je weldoener zijn weldaad niet te verpesten.   p. 11 Warnung

Speel
Hoe hongeriger je bent, des te vlotter moet je de verzadigde spelen. Want hongerigen biedt men brood aan, een verzadigde soupers.   p. 11 Spiele

Dieptepunt
Niets is beschamender dan dat je door een onwaardig iemand betrapt wordt op een deugd. Niets is onwaardiger dan het zo ver te laten komen.  p. 12 Tiefpunkt

Diepzinnig
“Geen gezichtsuitdrukking komt dichter bij die van diepzinnigheid, dan die van iemand die opgaat in zijn eten.  Naast me zit een oudere man zijn vissoep op te lepelen.  Zijn ogen waren nergens mee bezig. Ja, hij leek te loeren, zo zeer was hij ‘naar binnen’ gefocust: deels op het genieten; deels op mogelijke graten. –

Het bedachtzame oog van een koe: een naar binnen gekeerd wezen dat herkauwt.” p 18 Tiefsinn

Alleen dan
Je mag iets gemeens beschimpen. Natuurlijk. Maar zelfs dat is alleen geoorloofd als het zo mooi is dat het de luisteraars te pakken krijgt en ver boven het beschimpte uitdraagt. Klassiek voorbeeld: De ‘Verdrijving van de wisselaars uit de tempel” van Rembrandt.   P. 17 Allein dann

De waarheid is niet voldoende
Het publiceren van kritiek vraagt om drie benodigdheden: de criticus, de bekritiseerde en de lezer. Vanwege die laatste, en omdat die meestal nog meer te bekritiseren is dan het te recenseren boek, kun je er niet mee volstaan dat je kritiek waar is. Want dan kan het zijn dat je dieven bij moordenaars aangeeft. De waarheid is in zo’n geval geen alibi.  p. 19 Die unzulängliche Wahrheit

Bijgeloof
Waarom bijgeloof dierlijk is?
Op morele gronden: omdat het namelijk geen fundament heeft, en dat niet alleen: het blijft ook fundamenteel zonder fundament. Want het heeft nog nooit gehoord van deugden of intenties. Omdat het enkel met de categorieën geluk, ongeluk, vrees en hoop vertrouwd is. – En zelfs als het bij dieren niet zou voorkomen, dan maakt dat het tot iets dierlijks.    p. 20 Aberglaube

Geen bewijs
Ongetwijfeld waar dat geen bloem ooit de wortels gezien heeft waaruit ze voortgekomen is. Maar dat bewijst toch niks tegen het bestaan van die wortels? p. 35. Kein Beweis (In zijn verhandeling ‘Die Kirschenschlacht” komt dezelfde vergelijking voor maar dan omgekeerd van de wortels die de vrucht niet kennen.)

Religieuze behoefte
 Honger is nooit een bewijs voor brood. Alleen de afwezigheid ervan. Dat geldt niet alleen van fysieke honger. p. 35 Religiöses Bedürfnis

Anonimiteit
Sinds ‘God is dood’, nu er niemand meer buiten deze wereld is die weet heeft van deze wereld, is de wereld zelf anoniem geworden. Nu lijkt ze op een ooit ontdekt eiland in de oceaan, waar niemand ooit melding van maakte. Dat dat eiland stampvol inboorlingen zit, maakt niets uit. Want wij, inboorlingen die het eiland wel kennen, zijn evenzeer anoniem. Zonder twijfel: miljoenen mensen beleven de wereld tegenwoordig als iets, dat er nooit geweest zal zijn als het eenmaal voorbij is, omdat het dan in niemands geheugen bewaard zal zijn.
Zou dat niet een van de hoofdwortels van religie zijn: de angst voor deze kosmologische anonimiteit? Heeft de mens daarom goden geschapen en aangeschaft, – en zelfs hun gruwelijkheden voor lief genomen – Dat zijn zijn getuigen. Zij bevestigen zijn existentie! Zo heeft hij wezens op de troon gezet die van hem weten, en dat weten helpt hem uit zijn anonimiteit.
De leer van de Stoa: “Goden zijn er wel, maar die ignoreren ons”, is veel en veel boosaardiger dan de gebruikelijke godloochening. Zij dringt door recht in het hart van religie. Als van goden alleen maar overblijft dat ze existeren, is dat voor mensen die hun anonimiteit niet meer aan kunnen, geen haar beter dan als ze niet bestonden. Neen veel erger.
De dodelijkste belediging is de gedachte dat goden de functie waarvoor ze ooit in het leven geroepen waren, niet uitoefenen en desondanks maar blijven rondlummelen.” p.35/6 Anonymität

Conditio sine qua non
Hoe absurd het ook moge klinken: de transcendentie van God was een conditio sine qua non voor de natuurwetenschappen. Als er slechts één, transcendente God is, dan kan de wereld – tenminste in beginsel – geen magische steen bevatten, geen heilige boom, geen ding of plaats die ‘buitenaards’ zou kunnen zijn. Daarmee kon de totale schepping van God – die niet-god was – tot een homogene neutrale dimensie worden: ze werd natuur. Die neutralisering komt in andere religies niet voor. Voor hen is de werkelijkheid doorspekt met heilige en demonische zaken. Taboes, wonderen en heilige plekken zijn overblijfselen van dat grote principe van de buitenaardsheid van God. Als natuurwetenschappers zo agressief tegen de Bijbel te keer gaan, bewijzen ze niets te weten van hun eigen historische voorwaarden; een onkunde die historisch echter wel te begrijpen is. p. 39/40 Conditio sine qua non

Bijgeloof
Je bent iemand pas echt de baas, als je zijn filosofie werkelijk beheerst. Omdat de Verlichting deze regel vergeet, is ze steeds weer stuk gelopen. De voorstelling die de gemiddelde ongelovige van religie maakt, is puur bijgeloof, omdat hij er slechts bijgeloof in ziet. Meer niet-verlicht dan hij over zijn tegenstander is, kan men helemaal niet zijn. Dat zeg ik als atheïst. p. 42 Aberglaube

Opties
Je kunt niet evangeliseren voor reinheid en tegelijk schoon willen blijven. De voetzolen van de evangelist voor reinheid worden zwart. Kies! p. 47 Die Alternatieve

Doen wij ertoe?
Neem de eenvoudige cynicus. Die wil gewoon onze hoop om zeep brengen. Dat is een rechtschapen en helder vak. Je hebt er nauwelijks duivelse kunsten bij nodig. Een echte heksenmeester is de cynicus pas als hij zijn cynisme ook cynisch weet te hanteren. Namelijk als hij er ons mee wil troosten. Tegenwoordig stelt hij dan bijvoorbeeld de vraag: „Heeft de wereld ons nodig? Ziet ze ons zitten? Denken jullie soms, dat ze het zou merken, als wij er niet meer zouden zijn?”
Vermoedelijk zou ze het niet merken. Maar de cynicus wil ons met deze vraag alleen maar de gedachte aan het Einde dragelijk maken. Een antwoord is overbodig. Want wat kun je ermee bewijzen, als het inderdaad zo is, dat de wereld het niet zou merken, dat wij er niet meer zijn? Sinds wanneer bestaan wij om opgemerkt te worden? Waar staat geschreven dat wij slechts vreugde aan bestaan en recht op bestaan hebben, als wij als zetbazen van de wereld rondlopen? En zijn we dan ‘levensonwaardig’ als een dergelijke aanstelling overbodig mocht blijken te zijn? –

Het is net zo overbodig die duivelse vraag te beantwoorden of de wereld het zou merken als wij verdwenen zouden zijn. En als je ‘Ja’ op zo’n vraag wilt zeggen is het evenzeer overbodig om daar de speculatieve metafysische stelling voor op te tuigen, dat wij als de Herders van de wereld aangesteld zijn. Analoog aan Heideggers „Hirten des Seins”. Zo’n bewering is niet alleen grenzeloos aanmatigend (want ze maakt de wereld dan tot kudde) maar het is schofterig bescheiden tegelijk. Moeten we ons dan zo nodig excuseren dat wij er zijn? En hebben we daar een metafysische smoes voor nodig? p. 65/6 Ob wir nötig sind

De grotere misdaad
Het dagelijkse entertainment – zoals TV-films – is veel onheilspellender dan men doorgaans aanneemt. Het zou naïef zijn te geloven dat de moorden die we als dagelijkse kost voorgeschoteld krijgen het enige gevaar zijn, omdat ze een paar van ons aanzetten ze na te doen. Hoe verschrikkelijk die paar kinderen of tieners ook mogen zijn, die de bloederige vermaaksproducten bloedig nadoen, – vergeleken met het effect dat de Vermaaksindustrie op de massa heeft, namelijk dat we daardoor door en door inferieur gemaakt worden, zijn die bloedige uitzonderingen niet de moeite van het bespreken waard.
Naast de smartlap die miljoenen van ons banaal maakt en gemeen, is de moord op een enkeling een misdaad van een mindere categorie geworden. Het is duidelijk dat zo’n bewering in de oren van de inferieure ( en ook schijnheilig gemaakte) wereld verontrustend moet klinken. Want de industrie heeft er alle belang bij dat men zich fundamenteel slechts dan opwindt over schande, als het om uitzonderingen gaat. Het systeem heeft verontrustende uitzonderingen nodig om daar ook weer entertainment van te kunnen maken. In Molussië was het een openbaar geheim dat de grote kranten echte misdaden bestelden, om materiaal te hebben dat ze hun consumenten vol verontwaardiging konden serveren. Maar ook bij ons is het zo, dat er onder de misdaden waar de vermaaksindustrie zich zo over opwindt geen zit, geen die meer misdadig is, dan de schijnopwinding waarmee ze ons de bonte verzameling losse misdaden opdist en verkoopt. p. 80/1 Das gröszere Verbrechen (We schrijven bij het verschijnen 1965! jab)

Nieuwe nomade
……
Van de zeeman gold altijd al dat het schip zijn thuis was. Nu gaan er gemotoriseerde thuizen komen, die rollen, varen, zweven. Dat is geen utopie, maar een regelrechte voortzetting van wat nu gaande is. Het tijdperk van ergens gesetteld zijn is voorbij. De rol van agrariërs wordt dagelijks kleiner; muren om een stad die de burger moeten beschermen bestaan niet meer. Geen van tweeën is nog representatief voor de mens van nu. Wie weet is het tijdperk van na de eerste vestiging van de mens al begonnen: een tweede nomadentijd. In elk geval is het voor miljoenen tijdgenoten, inclusief mij zelf, onbegrijpelijk dat Jan Jansen daar in Koolstronkeradeel is blijven wonen, omdat hij daar geboren is.
Het is goed denkbaar dat men over honderd jaar de vraag niet meer stelt: “Waar woont u?” omdat ze dan zinloos is geworden. Zo zinloos als de vraag aan een waterdruppel in een rivier, waar hij ‘eigenlijk’ thuis is. Onze kinderen zullen onderweg zijn. En zij niet alleen; ook hun voorzieningen. Die met hen of zij met die. Maar onze reisjes en vakanties zullen eruit zien als even wortelen, en ze zullen vol zijn van een sentimenteel denken aan die goeie ouwe malle tijd, dat je nog huizen met fundamenten had in stevig gevestigde steden, kortom de honkvastheid van vroeger.
Maar als we zo geland zijn zal ons dat na een paar dagen mateloos irriteren. We zullen bang zijn dat het huis zo verlamd is; of de motor uitgevallen is, ja of het de dood zelf is. Mensen die toch al nerveus zijn zal men afraden zo te ‘landen’ want ze zouden ‘wereld-ziekte’ kunnen oplopen. En na veertien dagen op honk geweest te zijn, zullen we eindelijk – als we weer zoals het hoort in de levendig trillende wagen zitten – weer opademen en ons eindelijk weer thuis voelen.
Bestaansbewijs voor onze kinderen zal zijn: “Ik ben op drift, dus ben ik”.(curs. Van Anders) (Duits: “ Ich bin in Bewegung, also bin ich”. p. 83/4 Die zweiten Nomaden

Secularisatie
Het industriële probleem van morgen is niet: ‘Hoe produceren we de producten die we willen?’ maar: ‘Hoe maken we installaties, met behulp waarvan we het ongewenste afval van de spullen kwijt raken?’ En het zou denkbaar zijn dat we af moeten zien van het maken van sommige producten, omdat we het afval ervan niet de baas kunnen. Nu al is het verwijderen van het dodelijke atoomafval (als je al van verwijdering mag spreken) net zo duur als de bouw van reactoren, en morgen al zal men überhaupt niet meer weten waar we ermee heen moeten. Het mankeert er nog maar aan – het voorstel wordt nu al overwogen – dat we de rotzooi de ruimte in schieten: dus we hebben de ruimte veroverd om die tot de afvalstortplaats van de aarde te maken. Dat zou nog eens een fraaie variant van secularisering van de hemel zijn. p. 93/4 Säkularisierung

Zelfmoord sterft uit
Hoewel het nihilisme nu zo’n twintig jaar een vulgaire mode is, toch schijnt de filosofische desperado-zelfmoord uit de mode geraakt te zijn.
Het besluit om het te doen vergt blijkbaar  meer initiatieven dan het individu in het tijdperk van eenvoudig mee-doen op kan brengen. Paradoxaal genoeg: hoe dieper je vernederd bent, des te zwakker wordt je kracht om te vertwijfelen, of op zijn minst zelf er een eind aan te maken. Het zou me niet verwonderen als zou blijken, dat het aantal Joden, die zich voor de internering om het leven hebben gebracht, groter was dan die zich het leven hebben benomen tijdens de kamp-tijd. –

Je kunt de huidige literatuur niet verwijten dat ze te weinig verhullend te werk gaat. Desondanks speelt zelfmoord er een veel kleinere rol in, dan in literatuur van vroeger.
Bij Beckett hangen de clochards zich niet op, maar gaan in plaats daarvan verder in het niets, en dat noemen ze zelfs eufemistisch: “wachten”; en dat is geheel correct. Als die twee in de negentiende eeuw ter wereld waren gekomen, misschien wel als zonen van Strindberg – geen twijfel over mogelijk: dan hadden ze al in de tweede acte als lijken op het toneel gelegen, en men zou ons een theateravond door de neus geboord hebben. –
Maar er is nog een andere reden voor het afsterven van zelfmoord; een meer eervolle. In de ogen van hen die zich realiseren dat de collectieve zelfmoord van de mensheid mogelijk is, zijn die mannen en vrouwen van de negentiende eeuw, die na wilde innerlijke gevechten naar het pistool of de pillendoos gegrepen hebben, onverdragelijk bombastisch. –
Helemaal uitgetsorven is tenslotte, het taboe dat op zelfmoord, en ook op de term ‘zelfmoord’ lag. In mijn jeugd werd het woord in net gezelschap omschreven als ‘vrije dood’. Tegenwoordig zou je schamen dat woord in de mond te nemen. In mijn generatie zal er wel sinds een kwart eeuw niemand meer geweest zijn, die het nodig vond zich bezig te houden met de vraag of zelfmoord toegestaan was of niet. Zelfs niet bij de tegenstanders. Terwijl die kwestie vroeger hoog op genomen werd. Wat, zoals gezegd volsterkt begrijpelijk is. Want als er zoveel miljoenen ongestraft omgebracht konden worden, dan wordt zelfsmoord een kleinigheid, want er valt maar een enkeling aan ten offer. En ook als je het niet doet stelt het niets voor. Ik weet van minstens twee zelfmoordkandidaten, die de stap uiteindelijk niet gezet hebben omdat hun sterven te irrelevant zou zijn geweest. Ze leven vandaag de dag nog verder; zeg maar terloops. p 94 Absterben des Selbstmordes

Böcklin 1975
Op een kunsttentoonstelling in 1975 zal het schilderij met de titel “De vereenzaamde” niet zoals het gelijknamige schilderij uit 1875, een man voorstellen voor een onmetelijke oceaan. Maar een man tegenover een onmetelijke automatische machine. Deze industrie- kluizenaar zal wezenlijke trekken van zijn voorganger hebben: hij mist de uitdrukking van vriendelijke solidariteit net zo zeer als die man aan de oceaan. Zijn lippen zullen ook samengeperst zijn om aan te geven dat ze al tientallen jaren met geen medemens gesproken hebben. p 95, Böcklin 1975

We houden het monopolie
De recente antropocentrische dromen zijn buitengewoon onrustig geworden. Want de verovering van het heelal heeft de vraag acuut gemaakt naar het bestaan van levende wezens op andere hemellichamen. ( levende wezens die minstens zo slim zijn als wij zogenaamd zijn). Die vraag tart onze trots: hoe uniek zijn wij dan nog? [97]
Maar er is al een middel in voorbereiding om deze angstaanjagende mogelijkheid, die onze mensentrots krenkt, te bestrijden.
Zo kan men bijvoorbeeld in Amerikaanse tijdschriften stuiten op het probleem of eventuele buitenaardse wezens verlost zijn, dan wel verlost kunnen worden. Dat is de vraag of de heilsgeschiedenis die zich op onze excentrisch gelegen aarde afgespeeld heeft, ook geldig is voor buitenaardse streken.
Omdat je er altijd rekening mee moet houden dat het antwoord “Ja” is, bestaat de kans, dat er een geheel nieuw antropocentrisme ontstaat. Dan verbreed het jaar Nul van de christelijke geschiedenis zich tot het nulpunt van het universum; en daarvan krijgt de mensengeschiedenis weer nieuwe glans en waarde als kerngeschiedenis van alles.

Hoe ernstig en reëel dat probleem of wij de enigen en dus het middelpunt zijn is, wordt nergens doorslaggevender bewezen dan door het feit dat men al niet onaanzienlijke sommen geld uitgeeft om reusachtige oren te maken, en om die dan te implanteren aan het hoofd van onze aloude aarde die helemaal niet vertrouwd is met kosmische indiscretie. Die oren hebben de taak om evt meldingen van planetaire tijdgenoten, dat ze er zijn op te vangen. Om het lachje te horen waarmee het stomme heelal zo’n investering van ons ignoreert en onze constructie bespot,- daar zijn die oren niet op afgestemd; en de oren van de oreningenieurs al helemaal niet.
Blijkbaar zijn deze mannen neven van de door Hans Reimann bedachte “Zwickauer op Sumatra”. Die wist tussen de violette trompetbomen en mansgrote pythonslangen naar niets anders uit te kijken dan naar het nieuwste nummer van de “Zwickauer Stadsanzeiger”. Belachelijker, dan dat massieve provincialisme [98] van deze orenmakers, die zogenaamd het geocentrisme achter zich hebben gelaten om de verste verten van de kosmische ruimte af te luisteren, kun je je nauwelijks voorstellen.
Wat een monumentale gekkigheid: om ook maar de mogelijkheid te overwegen dat Mars vol zit van dolgedraaide monteurs; en dat die ook in dezelfde kosmisch volstrekt toevallige seconde een niveau van informatieuitwisseling hebben bereikt gelijk aan dat van hun aardse collega’s; en dat ze ook verteerd worden van verlangen om gedachten uit te wisselen met gelijkgezinden. (huwelijken later niet uitgesloten); of dat ze zelfs ( voor mensen die ervaring hebben met telefoon gewoonweg een hartbrekende gedachte)  al eeuwen aan hun apparaten hebben gehangen, en met onuitputtelijk engelengeduld steeds maar weer de leegte opbellen . Dit bewijst een zo gek antropocentrisme, dat zelfs de meest fantasievolle SF-auteur er nooit op heeft kunnen komen. (Want het gekke is de grens van mogelijke fictie). Laten we ons geen illusies maken: wij zijn blijkbaar daartoe veroordeeld de onstuitbare verwijding van onze wereldhorizon te betalen met een onstuitbare infantilisering.

En toch, ondanks deze belachelijkheid heeft die mentaliteit iets wat interessant kan zijn. Misschien markeert het zelfs wel een revolutionaire stap in de geschiedenis zowel van het concept ‘mens’ als van dat van de ‘wereld’ . Dat is dit: hier wordt voor het eerst het begrip mens los gekoppeld van het begrip aarde. De mens wordt op deze manier niet meer gezien als een wezen dat p.d. ‘aards’ moet zijn. En nu is voor ons gevoel ook de laatste seculiere onderscheiding [99] tussen hemel en aarde kapot. Want de hemel bestaat immers uit virtuele aardes.

Voor onze voorouders zou een ontdekking van bewoners op andere ruimtelichamen stellig een verpletterend bewijs geweest zijn van hun eigen onbeduidendheid. Maar onze tijdgenoten, die kinderen van ‘de SF-eeuw’, zou die ontdekking niks meer uitmaken. Want hun redenering zou moeiteloos in omgekeerde richting gaan:
Als er zo’n ontdekking van nietigheid van hun residentie gedaan wordt zou hun aarde weliswaar verschrompelen tot een willekeurige stad, of een tijdelijke woning, of zelfs tot een vliegtuig onder andere, – dat zouden ze wel erkennen. Maar alleen daarom, omdat voor hen die bekentenis niet meer verbonden is met een gevoel van vernedering. Veel meer zouden zij Mars net zo goed vinden als de aarde, als gegarandeerd kan worden dat daar decent life verwacht mag worden; of dat tenminste de ‘onderontwikkelde planeet’ op evenredig niveau te brengen is. (Zoals ze Sydney net zo goed vinden als Denver City, of koloniën net zo goed als het moederland).
Ze overwegen emigratie naar andere ‘aardes’ wel als mogelijkheid, het enkelvoud ‘aarde’ hebben ze weliswaar afgeschaft. Maar niet het enkelvoud ‘mensheid’. Want niets remt hen om de monteurs van Mars onder te brengen bij het begrip ‘mens’. Ze redeneren vol trots: “Wij zijn niet alleen hier (maar zelfs ook) daar. Wij moeten wel heel belangrijk zijn, dat wij overal voorkomen”. 

Wie interstellaire contacten overweegt, bewijst daardoor dat hij overal mensen verwacht, en niet zo maar mensen, maar ‘buddies’. Dwz zijn evenknieën in de kleinburgerlijke betekenis. [100] De redenering: “Wij moeten wel heel belangrijk zijn, omdat wij overal voorkomen”, heeft de waarde die een moment lang in gevaar was gekomen door de onmetelijkheid van de wereld, gered; dat is zeer gerust stellend.

Of deze wereldwijde verbreding van het begrip mens ook iets met humaniteit te maken heeft, dat is een andere kwestie. Want je kunt niet beweren dat dit “Mensen van alle planeten, verenigt u!” dat op begint te komen (hoewel de eenwording van de mensen van onze aarde nog geen realiteit is) , van humane hartstocht brandt. Veel meer staan er achter deze fantastische oproep tot solidariteit groepen die er een belang bij hebben dat een vlam die de echte solidariteit van de echte mensen op onze echt een geworden aarde brandend moet houden, zo klein mogelijk blijft. Wie van marsmannetjes spreekt, spreekt altijd tegen medemensen. De donkere ruimten van het heelal, met hun tot nu toe slechts lyrisch gemompel en speculatie, zijn ondertussen veranderd in ruimtes waarin prima tweespalt  gezaaid kan worden. Dat erin cartoons al huwelijken van aardmensen met marsmensen voorkomen, maar niet met Chinezen, dat moet trouwens ook tot nadenken stemmen.                 Das gerettete Monopol p. 97

Wraak
Als S. iedereen vooruit is, – dat is allerminst zijn verdienste. Veel meer is het voor het grootste gedeelte gevolg daarvan dat men achter hem aan zit. Als de wereldgeschiedenis achter je aan zit, word je avant-gardist. Onder de profeten die we vereren zijn er maar weinig die nooit profeet zouden geworden zijn, als ze niet vervolgd zouden zijn” . Er wordt verteld van de molussische profeet Saki, – van wie men echt niet kan zeggen dat hij zijn vijanden lief had – dat hij nimmer bij zijn avondgebed zijn vijanden overgeslagen heeft. p. 108 Die Rache

Einde van de toekomst.
Van het jaar 2000 kan ik me zo’n beetje nog een voorstelling maken. Dat jaar schijnt nog in de toekomst te liggen.
Maar het jaar 10.000? Probeer je dat maar eens voor de geest te halen. Is dat nog toekomst? Of is het veel meer een oertijd, en wel een stagnerende; en maakt het daarbij volstrekt niet uit of die voor of na mijn leven ligt?
Psychologisch klopt  het niet dat de tijd die alsmaar vooruit gaat, oneindig is, zoals beweerd wordt.
Want ‘toekomst’ is alleen dat kleine afgepaste stukje tijd, waar wij (en misschien nog onze kinderen en kleinkinderen) nog wat over zouden kunnen beschikken. Waar we dat niet meer kunnen,  houdt de toekomst ook op.-

Zou de tijd een intermezzo kunnen zijn tussen tijdloosheid en tijdloosheid? En zelf ook sterfelijk als het sterfelijke leven? p.110 Ende der Zukunft.

Bloemen in plaats van de wortels
Niet alleen de geschiedschrijving is oppervlakkig, ook de geschiedenis zelf. Ze draagt steeds weer de resultaten over in plaats van de motieven; steeds weer geeft ze de bloemen door in plaats van de wortels.
In Ethiopië , waar de bevolking tegenwoordig (anno 60-iger jaren, jab) bijna voor 100 % analfabeet is, moet nu de radio zo breed mogelijk ingevoerd worden. Als dat lukt – en waarom zou dat niet lukken? – zullen informatie, onderwijs en vorming beginnen bij het tijdperk van de radio. Je hoeft niet meer te kunnen lezen; dat kun je overslaan. En overmorgen zullen daar boeken verkocht worden als exotische antiquiteiten; zoals tegenwoordig olielampen in steden van Californië.  p. 113 Blüten statt Wurzeln.

De kurk waarop de wereldgeschiedenis drijft
Wie de zaken die in de loop van de wereldgeschiedenis onsterfelijk zijn gebleken wil typeren moet ook de kurk laten zien waarop de wereldgeschiedenis drijft. Dat zijn de dingen die vergeleken met de veel gewichtigere waar echt om gevochten werd en die in de zee van bloed van de geschiedenis ten onder gingen, gewoon niet meetelden. Als die er nu toch nog zijn, dan is dat omdat ze te licht waren om in de oceaan te kunnen verzinken, of zo droog dat geen haai het de moeite waard vond ze op te slokken. p 114 Korken der Weltgeschichte.

Te vroeg
Alleen wie ooit een brief van een geliefde heeft ontvangen ,- en alles hing af van het begrijpen ervan en je moest die onmiddellijk beantwoorden;
maar de 8 pagina’s met wilde kolommen tekst bedekt beleven onontwarbaar, en niets viel te herkennen behalve de drie felle onderstrepingen en de op raadselachtige plaatsen ingevoegde uitroeptekens en de dreigend in het niets hangende vraagtekens (Frageschnörkeln);
alleen wie ooit zo’n brief kreeg en de hele nacht erover gebogen heeft gezeten;
en de volgende morgen opnieuw begon en hem van buiten kende, dwz slechts het beeld ervan;
alleen als het op de derde dag gebeurde dat er plotseling drie woorden scherp als drie naakte mannen stonden – geheel onduidelijk waardoor ze eerder onzichtbaar waren;
slechts wie ooit zo’n opluchting meemaakte en zulk bedrog: want de drie woorden die daar als drie naakte mannen stonden waren ‘hoewel’ en ‘zeer’ en ‘geweest’ en gezamenlijk leverden ze niets op, ze poseerden slechts als hoon, en ze deden geen enkele moeite om ook op de woorden naast hen enig licht te laten vallen;
en de volgende morgen waren ook die weer verdwenen, je kon zelfs de plaatsen niet meer terugvinden waar ze geschreven waren-

alleen wie ooit zo’n brief ontvangen heeft, weet wat het betekent om te jong begonnen te zijn met het lezen van filosofische lectuur. p 120 Zu früh.

In staat zijn tot niet in staat zijn
De grootste kans die de filosoof krijgt is, dat hij niet in staat is het woord ‘vanzelfsprekend’ te vatten. Zijn deugd is dat hij deze onbevattelijkheid ondanks alle aanvechtingen van alledag volhoudt. p 124 Fähigkeit zur Unfähigkeit

Zout en brood
Als Jood filosoof zijn is een eitje.
het zou een grotere kunst zijn het niet te zijn.
De vaardigheden die de niet-jood slechts in het zweet des aanschijns kan verwerven zijn:

  • tot een minderheid te behoren;
  • niet deelname aan de vooronderstellingen van de omgeving;
  • niet te geloven als iedereen wel gelooft of gelooft te geloven;
  • te verdragen dat je belachelijk bent;
  • zout te zijn als alles brood is;

deze vaardigheden kregen wij die nooit iets gratis kregen er gratis bij. Zonder enige verdienste hebben wij de grootste voorsprong. Zo lang wij – zelfs de meest povere onder ons – leefden in de niet-joodse omgeving en de voordelen van het benadeeld zijn genoten. zolang waren wij al door de situatie zelf virtuele filosofen.Het werd ons door deze voorsprong makkelijker gemaakt filosoof te worden dan menige veel begaafdere niet-Jood.
Maar toen we besloten in plaats van zout  zelf brood te zijn hebben we de kansen die deze benadeling meebracht verspeeld.
Ik ben bang dat Israël zonder filosofen zal blijven zitten. p. 124 Salz und Brot.

Diepzeevissen

AndersTVClose83.gif

Anders op TV 1983

Diepzeevissen zijn erop berekend de enorme druk van de oceaan aan te kunnen. Haal je zo’n vis naar de oppervlakte, dan knalt hij uit elkaar; de vissen aldaar beginnen zijn uitpuilende darmen op te peuzelen.
Zo gaat het ook met filosofen die zich op recepties laten verleiden tot “filosofische gesprekken”, en dan beginnen uitvoerig te antwoorden op vragen die helemaal niet als vraag bedoeld zijn. Als zo’n filosoof bij zo’n gelegenheid dan een maffe indruk maakt, dan is dat zijn eigen schuld. Geen gewoon mens zal toch op de schijn-vraag “How do you do?” reageren met een verhandeling over zijn gezondheidstoestand.  p 131 Tiefseefische

 

 

Advertenties