Wij Eichmannetjes

Voorwoord

Waarom zou U, lezer, deze tekst willen gaan lezen? Waarschijnlijk niet omdat U een zorgeloos type bent, dat iets aardigs wil lezen. Een paar andere suggesties dan.
Het kan bijna ook niet zijn, omdat U al een fan bent van Günther Anders, want die zijn er nauwelijks. U zou dan bovendien de Duitse taal behoorlijk moeten beheersen, want er is maar weinig van zijn werk in het Nederlands vertaald. En U zou niet moeten behoren tot de mensen waar Günther Anders nogal flink op gehakt heeft, en dat waren er nogal wat. U zou ook tegen zijn cynische schrijfstijl moeten kunnen.
Blijft eigenlijk alleen maar over dat U vermoedt dat de onderwerpen die aan bod komen U interesseren. Waarbij ik U nu al waarschuw: Anders claimt je al gauw. Hij is zelf nooit een beschouwer per se geweest, maar iemand die al zijn beschouwen en filosoferen in dienst stelde van actie die ondernomen moest worden om de mensheid te doen overleven. Niet minder dan dat.
De vraag wordt of Anders daarbij dingen gezien heeft die wij inmiddels niet meer zien, of niet meer zo zien als hij.
Misschien is de tijd nu rijp voor een betere verwerking van wat Anders te zeggen heeft, dan er tot nu toe is geweest. Misschien is het ons nu zo benauwd geworden, dat we niet meer om Günther Anders heen kunnen. Het zou me niet verbazen als U een beetje verslaafd aan hem raakt. De moderne uitdrukking daarvoor is, dat hij ‘onder je huid gaat zitten’.

Deze tekst van Anders is daar een goed voorbeeld van: hij probeert Klaus Eichmann bijna letterlijk onder de huid te gaan zitten. En hem in te lijven bij de anti-vernietigingsbeweging. Maar dan moet U uw aandacht niet laten blokkeren door interesse in de persoon van deze lijfelijke zoon van Adolf Eichmann, want Anders heeft ons als gehele mensheid dan al neergezet als ‘Eichmannetjes’. Als U dat van hem pikt, bent U verkocht.
Misschien helpt het bij het lezen als ik vooraf het hoofdthema in eigen woorden aanduid.

Het thema is het overleven van de mensheid, gegeven de dingen die wij mensen al doen. We geven ons zelfs steeds minder kans om als een gelukkige mensheid te overleven, om het nu maar eens ronduit te zeggen. Zelfs na de verschrikkingen van de Nazi-tijd bouwen we niet een betere tijd op, want de Eichmann-wereld is geen tussendoortje. (jab)

Wij Eichmannetjes.

Door Günther Anders.1964.vertaling j.a.bos (NB in 1988 komt een tweede uitgebreidere druk uit)

Ten geleide.

Dit boek is niet geschreven om te klagen, ook niet om goedkoop berouw op te roepen. Maar het wil aantonen, dat de wortels van ‘het Monster’4 door blijven groeien als wij het gevaar dat de wereld van vandaag en morgen loopt niet onderkennen, en als we de tendenzen die zich ontwikkelen niet bestrijden. De wortels van ‘het Monster’ ziet Günther Anders in de ombouw van onze wereld tot een grote machine; tot een apparaat waarin wij dankzij de arbeidsdeling nog slechts radertjes zijn. Maar wij kunnen het apparaat zelf niet meer overzien, want wat het kan uitrichten gaat ons voorstellingsvermogen te boven, en ons invoelen. Dan is het risico, dat wij ook moreel niet meer op kunnen tegen het apparaat. Dan kan iedereen in een andere situatie een Eichmann worden. Dat staat voor platte gewetenloosheid.
Als wij ons uitleveren aan de vooruitgang, moeten we wel onze menselijkheid verliezen naar de mate waarin de wereld als machine uitgebouwd wordt. Je hoeft alleen maar naar de atoombom te kijken om te weten dat het Eichmann-probleem niet een achterhaalde kwestie is. Die constatering is een schok, en daarvan is Günther Anders zich bewust. Maar als filosoof-die-de-wereld-veranderen-wil, mag hij die niet uit de weg gaan. Hij denkt niet fatalistisch, maar geeft in zijn slotconclusies ook wegen om het onheil te keren.
(Tekst op binnenkant voorpagina van de oorspronkelijke uitgave.)

OPEN BRIEF AAN KLAUS EICHMANN.

Het is niet makkelijk om tegenover zonen die hun vader verloren de juiste toon te treffen. Maar het valt me wel heel zwaar om aan U te schrijven, Klaus Eichmann. Niet omdat U zoon van uw vader bent, ‘een Eichmann’ dus; en ik daarentegen zo’n Jood ben die aan het apparaat van uw vader ontsnapt is, en slechts nog in leven is omdat hij toevallig niet vermoord is. Dat is niet wat tussen U en mij in staat. In die zin gaat de term ‘een Eichmann’ niet op. Die term mag nooit slaan op iemand die van Eichmann afstamt; maar slechts op iemand die voelt, handelt, redeneert als (een) Eichmann. Men mag U niet slachtoffer maken van de ideeën over ‘bij de clan horen’ waar lieden als uw vader zich zo ongegeneerd van hebben bediend. Daar zijn zo vele duizenden door omgekomen. Afkomst is geen schuld; niemand steekt zijn eigen oorsprong in elkaar, ook U niet.

Neen, dat het me zo zwaar valt U te schrijven heeft andere oorzaken. In de eerste plaats huiver ik voor uw lot dat U uw leven lang als zoon van uw vader moet rond lopen. Maar daar komt dan nog bij dat ik het verlies dat U geleden hebt zwaarder weeg dan het verlies dat andere zonen moeten doormaken. Wat ik bedoel?
Ik bedoel dat U uw vader twee keer verloren hebt.
U bent meer kwijt dan alleen maar uw vader.
Eerst zou ik met U over die twee dingen willen spreken.

HET DUBBELE VERLIES.

Wat bedoel ik, als ik zeg: “U heeft hem twee keer verloren” ?
Het lijkt me ondenkbaar dat U zich pas wees hebt gevoeld, toen dat laatste bericht dat alles besloot U bereikte, dat het sterfelijk omhulsel van uw vader in de zee verstrooid was. De eerste klap moet U al vroeger geïncasseerd hebben. Ik zou het zelfs natuurlijk vinden, als de wonden die U door die eerste klap opgelopen hebt, nooit geheeld zijn; en als onder verdoving hebt U toen de tweede ervaren.
Wat is het moment van die eerste klap?
Het moment dat U begreep wie U bent, dat U dat werkelijk door had. Zeker, ook daarvoor zal U wel ergens bekend zijn geweest dat U als zoon van een SS-er ter wereld bent gekomen; misschien ook wel dat die man niet zo maar een of ander baantje bij de SS had. Maar wat stelde dat voor? Die gebeurtenissen lagen in de schemer van een tijd die helemaal niet tot uw bewuste leven behoorde en die hadden zich ver weg in een werelddeel afgespeeld dat ook al onwerkelijk op U overkwam. Daar kwam nog bij dat de sporen van die man in de dagen na de oorlog uitgewist waren, zoals dat met die van veel anderen was gebeurd – zo had men het U verteld – . En tenslotte was er sinds jaren die andere man, die de plaats van uw vader volledig invulde, zodat uw echte vader alleen maar een schaduw bleef.

En dan komt dat moment. Het moment dat dat alles in elkaar valt. Dan verneemt U niet alleen hoe het echt met uw eerste vader was gesteld, dan hoort U niet slechts van de gasovens en van de zes miljoen – dat zou al genoeg geweest zijn. Maar nu moest het ook tot U doordringen, dat die nieuwe vader, die de herinnering aan uw eerste vader uitgewist had, niemand anders was dan die eerste vader. Dat wil zeggen: die man van wie U waarschijnlijk gehouden hebt als zoon, en die waarschijnlijk ook goed voor U is geweest was dus Adolf Eichmann. – ik gruw van dat woord ‘goed’ dat ik schrijf, alsof de zes miljoen die men de mond gestopt heeft ertegen protesteerden –

Ik sta oog in oog met de ellende van dat ogenblik. Althans: ik probeer me die ellende voor te stellen. Ik heb het heel vaak geprobeerd. Ik weet niet of het me gelukt is. Wat ik echter stellig weet is, dat er geen misdaad bestaat waardoor je het verdient als zoon in zo’n toestand te belanden. Omgekeerd kan een buitenstaander de gedachte aan het onverdiend zijn van uw lot ook maar moeilijk verdragen. Zelfs gaat dat op voor mensen, die U waarschijnlijk uit valse solidariteit met uw afkomst als vijanden ziet. Natuurlijk betekent dat niet, dat uw ongeluk een verdienste is. Maar uw onverdiend ongeluk maakt een wel heel bijzondere aanspraak op ons respect. Waarschijnlijk komt dat, omdat wij, die die aanspraak op dat respect horen, de behoefte speuren die zo mishandelde, beledigde of zelfs vernietigde menselijke waardigheid uitdrukkelijk weer in het geding te brengen. In elk geval geloof ik, dat de achting die je hebt op te brengen voor de ellende van een slachtoffer groter wordt naarmate het onrecht groter is, dat dit slachtoffer geleden heeft.
En dat gaat ook op voor U. Want U bent ook mishandeld. Daarom moet U, voor U verder leest, weten, dat ook uw ellende, op zijn minst het onverdiende ervan, mij respect inboezemt; ik voel voor U iets dergelijks als voor de zes miljoen die mijn respect niet meer kunnen ontvangen.

Maar U, Klaus Eichmann, kunt dat nog wel. U kan ik dat nog wel vragen.
Ik heb dus dat moment proberen vast te leggen, waarop U het besefte. Maar dat weet U natuurlijk zelf beter. Misschien is het pad dat ik volgde onjuist. Misschien was er nooit die schok op die wijze. Misschien kon U in die eerste ogenblikken de zin “Hij was Eichmann” niet vatten of uitspreken. Misschien kon het niet meteen lukken die twee zo ver van elkaar liggende figuren: hier vader, daar Eichmann met elkaar te laten samen vallen. Misschien ging het U met deze verschrikkelijke waarheid wel precies als met die halve waarheid van destijds : die hebt U ook een tijdlang alleen maar ‘geweten’ – ik bedoel in de meest verbleekte, meest onwerkelijke betekenis van het woord. Misschien lukte het maar niet wat U wist te verwerken en er conclusies uit te trekken, en ik houd het niet eens voor onmogelijk dat U dat vandaag nog niet kunt. Als het mogelijk zou zijn, dat U op een avond die voetstappen die U zo goed kent weer in de voortuin hoort knarsen in het grind, – zou U dan niet ook nu nog uw vader tegemoet stormen, zoals destijds in de goede oude tijd, toen U nog helemaal niets wist van ‘hij is hij’? Ik zou dat niet onnatuurlijk vinden, velen van ons zou het precies zo vergaan. Want wanneer en van wie zouden U en wij geleerd kunnen hebben op zo’n monsterlijk bericht snel en adequaat te reageren?!
Dat moment, waarop het werkelijk tot U doordrong: ‘hij is hij‘, is mij dus onbekend. Maar wanneer dat moment dus was (of wanneer het zal zijn, als het nog komen moet) ook toen is uw vader gestorven, niet alleen op de dag dat U zijn dood vernam. Daarom beweerde ik dat U hem twee maal verloren hebt.

HET GROTERE VERLIES.

Ik heb ook beweerd dat ‘U niet slechts uw vader verloren hebt, maar meer’. Zeg alstublieft niet dat U niets weet van bijkomend verlies. Dat zou wel kunnen, maar het bewijst niets. Want vaak wordt verlies pas ernstig omdat het niet bemerkt wordt. Een blinde die niet eens begrijpt dat hij blind is, en die zich op grond van dit bijkomende gebrek stappen veroorlooft die hij maar beter niet kan doen, is er erger aan toe dan de blinde die weet wat hij moet laten. Zo zou het met U ook gegaan kunnen zijn.
Welk aanvullend gebrek heb ik op het oog?
Die van uw pijn. Van uw verdriet. En van uw piëteit. Want pijn, verdriet en piëteit was daar echt sprake van toen U het laatste bericht kreeg? Zijn die echt naar buiten gekomen?
Natuurlijk betwijfel ik niet dat U met die gevoelens bekend bent. Hoe zou ik ook. Mijn vraag slaat uitsluitend op uw huidige toestand, de tijd na uw vaders einde, enkel daar op, of U toen tot pijn in staat was of U toen kon rouwen, of het U toen lukte om zoiets als gedenken op te brengen.
Het is natuurlijk om die gevoelens te verwachten. Daarom zou ik me kunnen voorstellen, dat U zijn foto met een zwart lint boven uw bed had gehangen, om er zeker van te zijn dat U bij elke oogopslag zijn vertrouwde blik zou zien. Of dat U de weg naar de bushalte, die U zo vaak met hem ging, nu in uw eentje nog eens bent gegaan om te voelen, dat hij naast U liep. Of het tuinpad. Iets dergelijks.
Maar hebben die dingen wat geholpen? Voldeden die aan uw verwachtingen? Hebt U zijn vertrouwde blik op kunnen vangen? Zijn vertrouwde stem kunnen horen? Of deed zich iets anders voor? Stond misschien in plaats van uw vader Eichmann soms de moordenaar Eichmann voor U? Of gebeurde het soms, dat U niet zijn blik opving, maar de uitgebluste blik van een vergaste mens? Of dat U niet zijn stem hoorde, maar andere stemmen? Bijvoorbeeld dat dreunen van ‘hij is hij‘? Of de verstikte kreten van hen achter wie de ijzeren deur van de gaskamer was dicht gevallen? Of meestal helemaal niets?

Zoals ik al zei, ik heb herhaalde malen geprobeerd me in uw positie te verplaatsen. En ik heb getest hoe ik me zou gedragen, als ik het ongeluk zou hebben in uw schoenen te staan, in uw vel te steken. Het antwoord na die tests was steeds: Neen. Rouw, pijn, piëteit zou ik niet hebben kunnen opbrengen. Die foto zou voor niks aan de muur hangen. Tevergeefs zou ik die wandelingen herhaald hebben. Ik zou nooit de blik van vader hebben kunnen opvangen. Nooit zijn stem kunnen horen – En ik kan niet geloven dat U het er beter afgebracht zou hebben, Klaus Eichmann. Zulke verschillende mensen zijn wij niet.
Waarom lukt dat niet?

ZONDER RESPECT GEEN VERDRIET.

Omdat, Klaus Eichmann, er bij pijn, verdriet en piëteit net als bij alle andere dingen bepaalde voorwaarden gelden waaraan voldaan moet zijn eer ze kunnen ontstaan. En de minste daarvan is ‘respect‘. Kort gezegd: wij kunnen slechts hen betreuren, voor wie we ook respect hebben kunnen opbrengen.
U zult waarschijnlijk uw hoofd schudden. “Als iemand huilt”, zou U kunnen zeggen, dan huilt-ie toch, dat is helemaal natuurlijk, en met zo’n hoogdravende term kan ik niets beginnen.” Dat klopt. Dat klopt als U het over een kind heeft, dat in tranen uitbarst vanwege kiespijn. Dat kind huilt alleen maar. Er is geen sprake van dat hij iets beweent, of iets betreurt.
Maar dat antwoord voldoet U misschien niet. “Alsof niet ook onwaardigen beweend worden,” zou U namelijk kunnen toevoegen, “lieden die zo lang ze leefden door niemand gerespecteerd werden.”
Dat klopt ook. Alleen in die gevallen slaan de tranen niet op de onwaardigen zelf. Zouden de rouwenden dan huilen, omdat hij, die verachte, er niet meer is? Bewenen ze die? Of gelden hun tranen iets anders? Een zaak waar ze respect voor hebben? Bijvoorbeeld de dood zelf voor wie ze zelfs nog respect hebben in diens jammerlijkste slachtoffer? Of is het respect voor de kans om mens te zijn, die deze overledene nu heeft verzuimd? Of geldt het hun zelf, of omdat ze het gevoel hebben samen met die dode ook het verdriet ten grave te dragen?

Neen, Klaus Eichmann, ook met die tweede tegenwerping komt U niet verder. Het blijft een feit dat verdriet en respect familie van elkaar zijn. En voor ons, die niet het ongeluk hebben U te zijn, is dat goed; dat troost. Want die verwantschap bewijst immers, dat we niet gespleten zijn: in hier het natuurlijke schepsel dat rouwt; en daar dat morele wezen dat respecteert. Neen we zijn uit één stuk.
Maar voor U is dat geen troost dat respect en verdriet bij elkaar horen: integendeel, daarmee wordt uw ongeluk bezegeld. Want als U de kans verspeeld hebt om te treuren om uw Vader dan komt dat omdat treuren zonder respect niet kan, en omdat uw vader U van die mogelijkheid hem te respecteren beroofd heeft.

ALLEEN WIE RESPECT BETOONT KAN GERESPECTEERD WORDEN.

Hoe heeft hij dat gedaan?
Het antwoord is niet moeilijk. Want er is een eenvoudige regel, een regel van wederkerigheid, die luidt: “We kunnen alleen maar een mens respecteren, die zelf de mensen respecteert”. Dat uw vader dat ook gedaan heeft, zult zelfs U niet durven te beweren. Met uitzondering misschien van de familie- en vriendenkring. Daar weet ik niets van. Maar zou dat tellen? Dat is slechts het ‘respect’ dat hij in zijn ambt liet gelden. Want wat hij daar zo noemde: het onderdanige gehoorzamen aan bevelen; het gewetensvol en daarom gewetenloos respect voor de aanwijzingen die het apparaat gaf; de ambitie waarmee hij de dienstregeling feilloos maakte; de fanate ijver waarmee hij elke mens die nog niet uitgemoord was, alsnog uitmoordde alsof het een irriterende vuile vlek was, – dat was (afgezien van wat het nog meer geweest kan zijn en daarvoor ontbreken mij de woorden; zelfs de taal heeft er geen woorden voor ) de uitdrukkelijke verwoesting van respect. Hij was een kei in het nadrukkelijk niet respecteren van de mens en in het welbewust verachten van het mensenleven.
En daarom, Klaus Eichmann, lukt het ook U niet hem te respecteren; daarom is het ten enen male uitgesloten dat U hem respecteert.
En dat is op zijn beurt weer de reden dat U ten enen male niet kunt rouwen om hem.
Ik weet dat het onbarmhartig klinkt, dat ‘ten enen male’. Maar er zijn soms van die situaties waarin onbarmhartigheid zorgzamer is dan erbarmen. Staande voor een operatie moeten zieken ook de moed op brengen zich akkoord te verklaren met de operatie. In zo’n situatie verkeert U. Betoon a.u.b. de moed die hier nodig is.
U weet nog wel dat woord ‘bij de clan horen’ waarmee ik deze brief opende. Daarmee zei ik, dat de onmenselijkheid van uw vader voor mij geen aanleiding mocht zijn ook U respect voor de mens te ontzeggen; en dat ik veel meer af zou moeten zien van uw afkomst. Hoe moeilijk en onnatuurlijk me dat ook zou mogen voorkomen.
Iets dergelijks geldt voor U, Klaus Eichmann. U mag zich er namelijk ook niet op beroepen dat U ‘bij de clan hoort’. Uw afstamming van uw vader geeft U niet het recht zich met hem solidair te verklaren. Integendeel U bent verplicht zich te verwijderen van uw oorsprong. Solidair met ons zou U hem moeten verloochenen. Hoe zwaar U dit kappen met de ‘clan’ ook mag vallen. Hoe onnatuurlijk dat ook in uw oren mag klinken. Hoe hard dat ook in tegenspraak moge zijn met het gebod vader en moeder te eren.
Zie dus af van verdere pogingen om om uw vader te rouwen. Neem de foto van de muur. Doe die wandelingen van vroeger niet meer. Zeg niet dat ik U daarmee ook nog het laatste probeer af te nemen. Integendeel. Die beslissing zou in winst kunnen verkeren. Mogelijk dat U door daar van af te zien ook weer kunt rouwen. Maar dan niet om de dood van uw vader. Maar om de dood van uw verdriet; uw verdriet om het feit dat het U verboden is om uw vader te treuren. En daarover dat U en wij ertoe veroordeeld zijn in een wereld te leven waarin het kan gebeuren dat iemand niet mag rouwen om zijn vader. Uw geval staat niet op zich zelf.
Schud uw hoofd maar niet. Die tweede rouw is noch onecht, noch geniaal. Veeleer is dat het directe hedendaagse gevoel van allen die zich geen illusies maken over de wereld waarin ze nu eenmaal moeten leven. Als ook U die weg zou vinden naar die tweede rouw, dan zou U niet meer alleen staan. Maar een van ons zijn.

‘HET MONSTER’

De achtergrond van deze brief is ‘het Monster’.  Wat noem ik ‘het Monster’?

  1. Dat er een instituut was dat op fabrieksmatige wijze mensen heeft verdelgd; miljoenen.
  2. Dat er leiders en handlangers van dat instituut waren: slaafse Eichmannen (Mannen die de nodige jobs hebben aangenomen als alle andere jobs en zich beriepen op bevel en loyaliteit;
  • eerloze Eichmannen (mannen die vochten om deze baantjes);
  • stoere Eichmannen ( mannen die het voor lief namen dat ze heel hun menselijkheid verloren, om maar de totale macht te proeven);
  • gretige Eichmannen (mannen die ‘het Monster’ los lieten omdat ze het niet meer konden harden; omdat zij anders hun onverschrokkenheid niet hadden kunnen bewijzen);
  • laffe Eichmannen (mannen die blij waren nu eens met een goed geweten infame dingen te kunnen doen; en wel niet als iets wat niet verboden was, maar zelfs opgedragen).
  1. Dat er miljoenen in een toestand gebracht en gehouden zijn waarin ze daar niets van wisten, omdat ze het niet wilden weten. En ze wilden er niet van weten omdat ze er niets van mochten weten. Dus miljoenen passieve Eichmannen.

We kunnen geen stap verder komen, als we ‘het Monster’ dat gisteren werkelijkheid was niet zouden oproepen. En door het wel te doen, ook nog maar een paar stapjes. De verduistering waarin we ons in onze herinnering verplaatsen doet er alleen maar toe, als we haar begrijpen en gebruiken om er iets anders van te maken. We moeten die duisternis veranderen

  1. In het inzicht dat wat gisteren werkelijkheid was, ook nu nog en weer mogelijk is, als de voorwaarden ervoor niet fundamenteel veranderen; dat dus de tijd van ‘het Monster’ geen tussendoortje is geweest.
  2. In het inzicht dat we deze mogelijke herhaling moeten bestrijden.

Door die veranderingen wordt onze verduistering niet minder. Des te minder wanneer die herhaling van ‘het Monster’ niet alleen mogelijk, maar zelfs waarschijnlijk is; (waarom zal dadelijk duidelijk worden); daar komt nog bij dat wij waarschijnlijk het gevecht tegen de herhaling eerder lijken te verliezen dan te winnen. Maar onze nederlaag is pas dan bezegeld als we het nalaten de voorwaarden op te zoeken van wat ooit gebeurde. We moeten dus ondubbelzinnig vast stellen wat we eigenlijk te bestrijden hebben. – Tot zover over de motieven van waaruit mijn vrienden en ik die wortels willen blootleggen.

Wat U betreft: daar komt nog een heel beslissende zaak bij: want bij U gaat het om iets heel persoonlijks: namelijk dat U uw eigen existentie dragelijk moet maken. U kunt niet aan uw eigen vel ontsnappen. Het moet U toch als vergif aanvoelen, die gedachte dat onder zo vele miljoenen U ertoe veroordeeld bent om als erfgenaam van die monsterachtige tijd rond te lopen. Waarschijnlijk is er sinds dat moment waarop u door kreeg wie U bent geen dag verlopen waarover U niet ’s morgens al die twee vloekwoorden ‘uitgerekend ik’ hebt uitgesproken. Als U de hoop nog niet definitief opgegeven heeft dat gif ooit te kunnen lozen, als U toch nog blijft rond kijken naar redding, dan is er voor U alleen maar de weg van ‘zoeken naar de wortels’ : dus verhelderen hoe het tot uw lot heeft kunnen komen; vast stellen dat toeval daar geen rol bij speelde.

Daarmee wil ik U niet aanpraten dat juist U die vloek verdiend hebt. Na wat ik daarvan in het begin heb gezegd moet dat volstrekt duidelijk zijn. Wat ik bedoel is veel meer dat zulke existenties als van uw vader zo vervloekt en zo onzalig, of zoals van U zelf niet zo maar uit de lucht zijn komen vallen. Eichmannen zijn veel meer typerend voor de huidige situatie waarin onze wereld is geraakt, onvermijdelijk zelfs. Inderdaad zijn er overal verstrooid enkelingen die net zo onzalig moeten leven als U. Bij voorbeeld de Hiroshima-piloot Claude Eatherly. Wat van deze U onbekende lotgenoten geldt: dat zij geen enkelingen zijn, maar vertegenwoordigers; geen pechvogels van ongehoord formaat, maar symbolen van iets verschrikkelijks, dat geldt ook van U. Ook in die zin, dat U als U om U heen slaat niet alleen tegen het monsterachtige van uw eigen noodlot vecht. Maar (zelfs als U daar niets van zou weten) U vecht ook tegen het noodlot van ‘het Monster’, dus tegen ons aller noodlot, want zo staat de wereld van nu er voor.

Voor ik ‘het Monster’ ga analyseren twee opmerkingen.

De eerste is een waarschuwing. Ik ben namelijk bang dat U mijn argumenten begroet als iets dat uw vader ontlast, misschien wel zijn eer redt. U zou wel eens: “Schitterend!” kunnen roepen. Een erger misverstand is niet mogelijk. Het is wel zo dat de wereld die ik aanklaag barst van de verleidingen tot schanddaden en van de kansen voor ‘het Monster’ die er vroeger niet waren, tenminste niet in deze hoeveelheden. Maar evenmin als een lustmoordenaar zijn eer kan redden omdat hij toch zijn geslachtsdrift moet mogen hebben, net zo min is het onderkennen van de huidige situatie van de wereld een absolutie voor hen die bezweken zijn voor de verleidingen, of die zelfs de hun geboden kansen voor schanddaden met beide handen hebben aangegrepen. “Schitterend!” kan alleen diegene roepen die nooit de moeite heeft genomen in gedachten de figuren van gisteren de revue te laten passeren.

De tweede opmerking vooraf heeft betrekking op de selectie van de wortels die ik wil analyseren. Historici kunnen andere wel belangrijker vinden. Maar als de zorg voor de toekomst je motief is, dus dat de geschiedenis überhaupt door kan gaan, dan moet je naar die wortels zoeken, die na het ineenstorten van het rijk van de terreur van Hitler en van uw vader, niet dood gegaan zijn. Die konden ook niet met die ineenstorting doodgaan omdat ze veel dieper liggen dan alle specifieke historische wortels. Met andere woorden: zoek die wortels, waarvan het bestaan en het voortbestaan de herhaling van ‘het Monster’ mogelijk en zelfs waarschijnlijk maken. En dat is het geval met die twee wortels die we nu gaan behandelen.

DE VERDUISTERDE WERELD.

Welke wortels zitten dieper dan de politieke? Wat heeft ‘het Monster’ mogelijk gemaakt?
Het antwoord op die vraag klinkt banaal. “Het feit dat wij creaturen in een technische wereld zijn geworden, in welk geïndustrialiseerd land we ook leven, en welke politieke naam het ook draagt”.
Versta me niet verkeerd. Op zich is er niets monsterachtigs aan onze vaardigheid om mateloze productie te realiseren, en machines te bouwen die ons bedienen, en installaties op te stellen, beheer te organiseren en organisaties te coördineren. Dat is geweldig. Hoe en waardoor kan dat dan toch tot ‘het Monster’ verworden?
Antwoord: doordat onze wereld, die we zelf hebben uitgevonden en opgericht, door de triomf van de techniek zo verschrikkelijk is geworden dat ze niet langer meer ‘van ons‘ is. Dat valt niet meer psychologisch waar te maken. Ze is ons ‘te veel’ geworden. En wat betekent dat nu weer?

Voor eerst, dat wat wij maken kunnen (en wat wij daarom ook inderdaad maken) groter is dan dat waarvan we ons een voorstelling kunnen maken. Er is een kloof ontstaan tussen onze vaardigheid om iets te maken en ons voorstellingsvermogen. Die kloof wordt elke dag breder. Omdat onze technische prestaties grenzeloos vermeerderen, wordt ons vermogen om dingen te maken mateloos . Maar ons voorstellingsvermogen is van nature beperkt. Eenvoudiger uitgedrukt: we kunnen nu met behulp van onze niet in te dammen techniek dingen maken en effecten te weeg brengen die zo groot en heftig zijn, dat wij ze niet meer kunnen vatten, laat staan dat we ze als onze eigen dingen kunnen identificeren. – En natuurlijk is het niet alleen het buitenmaatse formaat van onze prestaties waardoor ons voorstellingsvermogen overvraagd wordt, maar onze arbeidsprocessen schuiven er tussen. Als het onze functie is een van de talloze handelingen te verrichten waaruit het hele productieproces is samengesteld, dan verliezen we daarmee niet alleen de belangstelling voor het mechanisme in zijn totaliteit, en voor de uiteindelijke effecten ervan, maar dan worden we ook nog een keer beroofd van het vermogen ons daar een beeld van te vormen. Voorbij een maximale hoeveelheid indirectheid – en bij het industriële, economische en administratieve werk is dat tegenwoordig standaard – falen we of, neen dan weten we niet eens dat we falen en dat het wel onze taak was ons in te denken waar we mee bezig zijn.

Wat van de voorstelling geldt gaat ook op voor onze waarneming: als de effecten van ons werk een bepaald formaat of een zekere graad van indirectheid te boven gaan dan beginnen ze te vertroebelen voor onze ogen. Hoe complexer het apparaat wordt waarin we ingebouwd zijn, hoe groter de effecten ervan worden, des te minder zien we ervan, des te minder kans dat we de processen waar we onderdeel van uit maken, of hun betekenis kunnen doorzien. Om kort te gaan: hoewel onze wereld door ons mensen gemaakt is en op gang wordt gehouden, wordt ze van dag tot dag donkerder omdat ze zich onttrekt zowel aan onze voorstelling als aan onze waarneming. i Zo donker dat we zelfs haar verduistering niet meer onderkennen kunnen; zo donker dat wij zelfs wel het recht hebben onze eeuw een ‘dark age’ te noemen. De naïef-optimistische hoop van de 19e eeuw dat de mensen door de voortschrijdende techniek automatisch in ‘Verlichting’ zouden toenemen moeten we in elk geval definitief afschrijven. Wie tegenwoordig nog van die hoop zwijmelt, is niet alleen maar bijgelovig, ook niet alleen maar een museumstuk van gisteren, maar het slachtoffer van machtsgroepen van tegenwoordig: namelijk van die duisterlingen van de Techniek-eeuw die er alle belang bij hebben ons ter zake van de verduistering van onze wereld in het donker te houden, neen dat duister continu te scheppen. Want daarin bestaat het geniale bedrog dat de machteloos gemaakten wordt aangedaan. Het verschil tussen de ons bekende manieren van bedrog en die van vandaag ligt wel voor de hand : de tactiek van vroeger was de machteloos gemaakten uit te sluiten van alle mogelijke informatie, terwijl tegenwoordig mensen die het niet zien, aangepraat wordt dat ze verlicht zijn. Hoe dan ook: techniek en Verlichting houden tegenwoordig geen gelijke tred met elkaar, maar integendeel ze zijn onderworpen aan de regel van de ‘omgekeerde proporties’, dus: hoe hoger het tempo van de vooruitgang, hoe groter de effecten van onze productie en hoe ingewikkelder de structuur van onze apparaten – des te sneller verliezen onze voorstelling en onze waarneming hun capaciteit om gelijke tred te houden, des te sneller dimt onze ‘verlichting’, des te blinder worden we.

Ja zeker, wij. Want niet onze voorstelling, onze waarneming begeeft het – wij zelf begeven het tot in de fundamenten van onze existentie, dus werkelijk in alle opzichten. Wat ik bedoel?

REGELS VAN HET INFERNO.

Ons gevoel is niet afdoende.
Dit antwoord moet U niet misverstaan. Ik zeur niet dat wij mensen zo slecht geworden zijn en zo ongevoelig. Dat zou niet alleen een sentimentele klacht zijn, maar het is ook nog eens helemaal onzeker of het wel klopt, want we kunnen niet bewijzen dat ons vermogen om te voelen verkommert en nu veel minder is dan in de goeie ouwe tijd. Ik beweer veeleer dat ons gevoel veel meer te doen krijgt, vele malen meer dan vroeger. Automatisch wordt dan de kloof tussen wat je moet voelen en de gevoelscapaciteit (die waarschijnlijk dezelfde bleef) breder – in het kort: wij kunnen gevoelsmatig onze eigen daden die nu alles wat we vroeger konden presteren in de schaduw stellen niet meer de baas.
De regel is: als dat waarop je eigenlijk zou moeten reageren bovenmatig groot wordt dan haakt ons gevoel ook af. Of het nu bij dat bovenmatige gaat om plannen, productiequota of al geleverde prestaties, wat ‘te groot is’ laat ons koud, neen (want koud is ook nog een wijze van voelen) het laat ons ook nog niet koud, maar het raakt ons helemaal niet: wij worden ‘gevoelsmatige analfabeten’, die tegenover ‘te grote teksten’ domweg niet meer onderkennen dat ze met teksten te maken hebben. Zes miljoen blijft voor ons een getal, terwijl het noemen van tien vermoorde mensen misschien nog iets in ons laat resoneren, en een enkele vermoorde ons met afschuw vervult.

Onderbreek hier even, Klaus Eichmann. Hier staat U echt voor een van de wortels van ‘het Monster’. Het tekort schieten van ons gevoel is niet maar een gebrek zoals elk ander gebrek.; het is niet alleen erger dan het falen van onze voorstelling of van onze waarneming; maar erger dan die ergste dingen die al gepasseerd zijn; ik bedoel zelfs erger dan de zes miljoen. Waarom?
Omdat dit falen het mogelijk maakt dat die ergste dingen zich herhalen kunnen. Het maakt de toename ervan mogelijk; het maakt de herhaling en de toename ervan misschien zelfs onvermijdbaar. Want bij de gevoelens die uitvallen zijn niet slechts afschuw, respect en compassie, maar ook het verantwoordelijkheidsgevoel. Hoe hels dat ook mag klinken, hier geldt precies hetzelfde als bij voorstelling en waarneming: het wordt zwakker naarmate het effect waarop we mikken of dat we misschien al bereikt hebben groter wordt; het wordt nul – en dat betekent dat ons afremmechanisme helemaal stil valt – zodra een zekere hoogste maat overschreden is. Omdat die helse regel opgaat, heeft ‘het Monster’ nu vrij baan.

MAAR DAT WAS PRECIES ZIJN BEDOELING

U hebt vast, toen ik die regel van zojuist formuleerde aan uw vader gedacht. Niet ten onrechte. U kent hem van alledag en wel als iemand die zich niets meer aantrok van wat achter hem lag. Het lukte hem daar niets meer van te laten merken; het kostte hem niet eens moeite daarvan niets te laten merken. Later heeft U ook wel de processtukken gelezen waaruit naar voren kwam dat hij tot op zijn laatste dag met wat hij vanaf zijn bureau aan het organiseren was, ‘niets kon beginnen’ zoals dat heet. Hij vatte zijn monsterachtige daden op als iets dat het noemen niet waard was, als gevoelsmatige ‘quantités négligeables’. Heeft hij zich zo ongeëngageerd opgesteld hoewel die daden zo monsterlijk waren? Dat is de gebruikelijke redenering. Of is het omgekeerd: omdat ze zo reusachtig groot waren? Namelijk te groot voor hem? Hoe zit dat?
Op dit moment word ik een beetje bang, omdat ik verwacht dat U weer “Geweldig!” zult roepen. Want misschien hebt U vanwege die vraag van zojuist de indruk dat ik U een heel eind tegemoet gekomen ben. Jammer, Klaus Eichmann. Die regel die we zojuist leerden kennen is: dat ons vermogen om iets te voelen afneemt naarmate onze bezigheid meer indirect wordt en het effect van onze daden toeneemt; en ons afremmechanisme valt compleet uit boven een bepaalde drempel. Dat is echter niet voldoende om uw vader als een slachtoffer van de situatie in bescherming te nemen. Hij kan ook geen kroongetuige zijn voor wat ons tegenwoordig kan overkomen op grond van die regel, om hem vervolgens vrij te spreken. Zijn schuld aan ‘het Monster’ blijft desondanks monsterlijk. Waarom?
Omdat je hem niet kunt aanzien voor een van die miljoenen arbeiders die veroordeeld blijven tot hun individuele handelingen, en die inderdaad vanwege de indirectheid waarmee het apparaat waarin ze ingebouwd zijn draait, van de mogelijkheid beroofd zijn de uiterste effecten te zien van dat apparaat. De typisten op zijn kantoor hoorden daar bij, of die klerken die de namen van hen die omgekomen waren in het juiste hokje moesten schrijven. Bij hen gaat dat op, dat zij alleen maar hun eerste en vermoedelijk enige functie voor ogen hadden: daardoor konden ze zich het monsterlijke eindresultaat niet voorstellen. Neen, zij konden zelfs niet de (vergeefse) inspanning opbrengen zich dat eindresultaat voor te stellen. – maar hij? Was hij echt alleen maar een van hen? Slechts een beambte op een vernietigingskantoor? Alleen maar een slachtoffer van de machine? Slechts zijn eigen assistent?
Dat zult ook U wel niet willen beweren. Als je alleen de machine verantwoordelijk maakt voor het uitvallen van fantasie en verantwoordelijkheid, dan zet je de zaken op hun kop. Want hem stond als eerste het beeld van het monsterlijke eindresultaat voor ogen. Hij heeft die machinerie bedacht en mee gevestigd en opgebouwd en bestuurd. Alleen omdat hij zonder die machinerie dat doel niet zou hebben kunnen verwerkelijken.
Daarmee wil ik natuurlijk niet beweren dat hij een volledig gedetailleerd beeld van het eindresultaat gehad heeft voordat zijn apparaat daadwerkelijk (in meerdere of mindere mate) ‘soepel’ liep. Het was drievoudig onvoorstelbaar: het niet-zijn van miljoenen, de lijdensweg van de morituri6 en de teloorgang van de benodigde handlangers. Hoe duidelijk hij zich dat heeft kunnen voorstellen, weten we niet. Maar dat is hier ook niet het beslissende punt. Beslissend is hier alleen – en dat is ook niet meer uit de wereld weg te werken – dat het beeld of het idee van het eindresultaat het startblok voor zijn activiteit is geweest. Hij heeft ‘het Monster’ op een of andere manier van tevoren bedoeld.
Nu kunt U misschien proberen dit beslissende punt af te zwakken of uit te schakelen door de nadruk te leggen op het woordje ‘op een of andere manier’ in plaats van op ‘bedoeld’. U zou kunnen tegenwerpen dat uw vader ‘het Monster’ slechts op een of andere manier bedoeld kan hebben. En dat zou dan bewijzen dat hij ook een slachtoffer is geweest van die kloof tussen het vermogen om iets te maken en om dat iets voor te stellen; dat is ons aller lot. Alleen die kloof is er voor verantwoordelijk. En omdat niemand zonder het bestaan van die kloof op de gedachte had kunnen komen miljoenen mensen te willen uitroeien, zou hij ook niet op die gedachte hebben kunnen komen als hij niet had te gehoorzamen aan die ‘kloof’. – In het kort: ‘de eindoplossing’ heeft hij alleen mee kunnen beramen omdat hij die ‘ergens’ voor de geest had; hij zou alleen maar een van ons zijn; wat hem overkwam had elk van ons net zo goed kunnen overkomen, omdat het niemand gegeven is de wet van ‘de kloof’ te overtreden.

MISLUKKEN ALS KANS.

Maar zo eenvoudig ligt het niet, Klaus Eichmann. Ik mag U niet toestaan dat U mijn ‘kloof’-argument zo goedkoop gebruikt. Het is wel waar (aldus mijn regel) dat ons vermogen iets voor te stellen en daarvoor verantwoordelijkheid te dragen afneemt naarmate het effect ervan groter wordt. Het is eveneens juist dat dat vermogen helemaal uitvalt als een bepaalde maximale grootte overschreden wordt, en dat tegenwoordig niemand buiten het bereik van die wet kan zijn. Maar dat dan automatisch onze morele nederlaag bezegeld is, dat is niet waar. Dat geeft geen vrij baan voor de intocht van ‘het Monster’; dat betekent niet dat het ieder van ons min of meer per ongeluk kon overkomen Eichmann-achtige plannen te ontwerpen en na te streven, dus een Eichmann te worden. Zo slaafs zijn wij niet onderworpen aan de ‘wet van de kloof’. Zo makkelijk mogen we het ons zelf niet maken. Waarom niet?
Omdat de ervaring van ons falen zelf nog een kans inhoudt, een moreel positieve aangelegenheid is. – dat is de broodnodige aanvulling op de ‘wet van de kloof’. Het kan namelijk een afremmings-mechanisme in werking stellen. In de schok van ons falen woont een waarschuwende kracht. Juist daardoor komen we er achter dat we een grens bereikt hebben waarachter de twee wegen van verantwoordelijkheid en gewetenloosheid onherroepelijk uit elkaar gaan. Wie ooit echt geprobeerd heeft zich de effecten van zijn plannen ( dan wel de effecten van een plan waar hij argeloos in gemonteerd was ) voor te stellen en die na het mislukken van die voorstelling ook werkelijk toegegeven heeft dat hij er niet in slaagde het zich voor te stellen, die raakt in paniek. In heilzame paniek voor wat hij op het punt stond aan te richten. Daardoor voelt hij zich aangespoord zijn beslissing nog eens te heroverwegen (c.q. dat waar hij bijna, zonder er zelf een beslissing over te hebben genomen, aan meegewerkt had). Dan kan hij zijn mee-doen laten afhangen van zijn beslissing – kortom: die heeft de gevarenzone waarin hem iets Eichmann-achtigs kan over komen, en waarin hij een Eichmann kan worden al achter zich.

“Ik kan het resultaat me niet voorstellen”, zegt hij.
“Dan is het dus een effect van ‘het Monster’ .
Dat kan ik dus niet verantwoorden.
Dus moet ik de geplande actie herzien of
weigeren of bestrijden.”

HET EXPLOITEREN VAN DE KLOOF.

Om dat mislukken vruchtbaar te kunnen doen zijn, is het een absolute voorwaarde dat de ( tot mislukken gedoemde ) pogingen om zich iets voor te stellen werkelijk ondernomen worden, En daar is het slecht mee gesteld, want de meesten van ons vinden het helemaal niet vanzelfsprekend om zulke pogingen te ondernemen. Het komt er dus maar heel zelden van, want wij zijn bijna allemaal maar ondergeschikten en we interesseren ons als zodanig niet voor het resultaat van ons werk, en dus niet voor de voorstelling van het eindresultaat. Of juister gezegd: omdat wij belemmerd worden daarin geïnteresseerd te zijn. Want wij moeten ons alleen maar interesseren voor die specifieke handeling waarvoor we betaald worden in ons systeem van arbeidsverdeling. Dat is de tegenwoordig universeel gehanteerde arbeidsmoraal.

Deze belemmering sleept een hele kettingreactie van belemmeringen achter zich aan. Want als we belemmerd worden in onze pogingen ons die voorstelling te maken zijn we natuurlijk ook verhinderd de ervaring op te doen dat ons dat niet lukt. En vervolgens verspelen we dan de kans die daar in zou kunnen zitten (namelijk de waarschuwing); en dan komt het uiteindelijk ook niet tot daadwerkelijk verzet tegen ‘het Monster’. De miljoenen werkenden van tegenwoordig moeten we dus inderdaad toegeven dat ze, hoewel ze handlangers van ‘het Monster’ zijn, onschuldige handlangers blijven.

Geldt dat ook voor uw vader? Had hij zijn deelname aan ‘het Monster’ daarmee kunnen rechtvaardigen dat de functie die hij had dankzij de arbeidsdeling, hem het maken van een voorstelling van het eindresultaat onmogelijk maakte? En daarmee was het ook uitgesloten dat hij de kans kon grijpen die in het mislukken van de poging tot voorstellen gelegen was.
Het antwoord hierop kent U al. Het luidt: Neen. Want hij heeft ‘het Monster’ mee ontworpen. En plannen die niet tegelijkertijd ook het geplande present stellen, zijn het tegenovergestelde van plannen. Houden we het dus hier op, Klaus Eichmann: uw vader heeft die poging gedaan. En zelfs meer dan eens: want iemand die een plan opstelt, moet zich niet tot een enkele poging beperken, veeleer heeft men zolang men aan het plan werkt het beeld van het einddoel van het plan voor ogen.

Ten tweede staat evenzeer vast, dat die pogingen bij hem mislukt zijn; eenvoudigweg omdat er geen mens bestaat die zich deze grootheid kan voorstellen: de liquidering van miljoenen.
Dus blijft alleen nog de vraag te beantwoorden hoe hij op dat mislukken heeft gereageerd. Heeft hij er nota van genomen? Heeft hij dat als kans benut. Of wat kon hij er anders ‘mee beginnen’.
Om die vraag te beantwoorden moet ik U eerst, althans schijnbaar, iets tegemoet komen. Wij mogen namelijk rustig veronderstellen, dat hij nadat zijn apparaat volgens plan op gang was gekomen, langzamerhand het doel waar hij oorspronkelijk op mikte uit het oog verloor, omdat het dagelijkse werk routine werd. De voorstelling van wat hij daadwerkelijk aanrichtte speelde na verloop van tijd geen rol meer voor hem. Hij interesseerde zich alleen maar meer voor het ‘onberispelijk’ functioneren van zijn bedrijf.

Maar deze tegemoetkoming moeten we niet verkeerd verstaan. Want ik bedoel daarmee niet dat de schuld die hij aan het begin op zijn hals haalde als mede-ontwerper van de ‘Eindoplossing’ nu in het niets oplost door dat feit van die routine. En ook niet, dat hij nu slachtoffer van zijn apparaat was geworden en dus uiteindelijk afgezonken was tot de status van zijn eigen blinde beambten.
Maar woorden als ‘slachtoffer worden’ en ‘afzinken’ zijn hier niet op hun plaats. Het voor te stellen als een passief gebeuren is misleidend. Wij hebben hier te maken met actie. Wat hier gaande is, is dat hij zich tot slachtoffer van zijn apparaat heeft gemaakt. Hij zou inderdaad geen makkelijker hulpmiddel hebben kunnen vinden of verzinnen, dan het feit dat zijn voorstellingsvermogen niet opgewassen was tegen wat hij wilde bereiken, en dat zijn pogingen om het zich wel voor te stellen gedoemd bleven te mislukken. Dat had hem het succes van zijn monsterlijk programma nog beter kunnen garanderen, Als ik dat negatief formuleer zal deze gedachte U helemaal duidelijk worden. Ik bedoel dat hij zich niet had kunnen veroorloven het beeld van de wachtenden, de verbrande en de half-verbrande mensen voor ogen te hebben. Want dan zou hij voortdurend het risico lopen zwak te worden en halverwege te blijven steken.- kortom: dan zou hij zijn programma en zich zelf saboteren. Dat punt kunnen we niet zwaar genoeg benadrukken, Klaus Eichmann. Er is geen reden om dat gevaar van sabotage gering te achten. We mogen tenslotte niet over het hoofd zien, dat zij die ‘het Monster’ en zijn gegarandeerd taboe-vrije ondernemingen van nu sturen, in zekere zin nog van onze soort zijn: namelijk ouderwetse types. Daarmee bedoel ik niet slechts dat ze wat ze aanrichten zich net zo min kunnen voorstellen als wij, maar ook – dat is het springende punt – dat zij nog als mensen ter wereld zijn gekomen en als zodanig nog laatste restjes taboe in hun bagage meeslepen. Restjes, die ze zeer betreuren, omdat die hen hinderen in wat ze willen doen. Velen van de handlangers in de vernietigingskampen hebben cursussen moeten volgen om te leren, door het oefenen op marteling en moord, ook hun eigen ‘taboes’ te vermoorden. Uw vader heeft ook zelf opgemerkt dat hij wel eens misselijk werd, en dat zijn maag zich in hem omkeerde als hij zag dat er bloed uit een massagraf opborrelde (en om deze erbarmelijke reden kunnen we zelfs hem een piepklein minimum aan menselijkheid niet ontzeggen). Wat hier het verschrikkelijkste is: ofwel het gebeuren dat hij meldt, ofwel zijn reactie daarop, ofwel het feit dat hij desondanks ermee doorging, dan wel dat zijn maag een laatste asiel van moraliteit en erbarmen werd, dat het bestiale en het morele van plaats wisselden – dat is waarachtig niet meer te beoordelen. Hoe dan ook: waar het hier op aan komt is dat hij er alles aan moest doen om dat risico af te wenden van een lichamelijke inbraak van de moraal op het doorvoeren van zijn programma.

En zie daar: zo’n afweermiddel was er. Daar was immers die heerlijke ontoereikendheid van voorstellen en voelen. Daar was immers die heerlijke ervaring, dat niemand van ons zou slagen in zijn pogingen om het voor te stellen. Het lag voor het grijpen.

En dat heeft uw vader gedaan. –

Ik heb hierboven het mislukken van ons voorstellen een ‘kans’ genoemd. Omdat dat ons de ogen kan openen; daardoor kunnen we onderkennen dat we op de laatste tweesprong staan; het waarschuwt ons van te voren , dat we iets ‘dat we niet kunnen overzien’ in gang gaan zetten.
Wel, als ‘kans’ heeft uw vader dat mislukken ook toegepast. Maar diametraal tegengesteld aan ons idee van ‘kans’. Wat hij uit het mislukken heeft gemaakt, is geen waarschuwing geweest, maar integendeel aan rechtvaardiging van zijn doen en laten. Als hij in staat was geweest zijn principe te verwoorden, dan zou hij dit gezegd kunnen hebben:

“Ik ken ‘het Monster’ immers niet.
Ik kan het vanwege de ‘kloof’ immers niet onderkennen.
Dus kan men mij niets aanrekenen.
Dus kan ik ‘het Monster’ wel realiseren”.

Of:

“Ik zie die zes miljoen die ik laat vergassen niet voor me.
Ik kan ze immers niet voor me zien.
Dus kan ik ze rustig laten vergassen.”

Neen, het zou een vervalsing van uw vader zijn, als men hem simpelweg als een slachtoffer van het huidige gebrek aan voorstellingsvermogen neerzet, of zelfs in bescherming neemt. En dat niet alleen: het zou ook grenzeloos oneerlijk zijn tegenover die miljoenen die zich daadwerkelijk niet hebben kunnen voorstellen wat het resultaat was van datgene waar ze argeloos aan meewerkten. Hun had dat als noodlot overvallen, de meer gewetensvolle heeft het angst ingeboezemd, dat hun voorstellingsvermogen en invoelen het af liet weten – maar hij heeft dat verwelkomd en voor zijn doeleinden gebruikt en uitgebuit. Dat was zijn ultieme hulpmiddel. Als hij dat niet had gehad en niet gedurig had kunnen inzetten dan zou het hem nooit zijn gelukt zijn vernietigingswerk daadwerkelijk uit te voeren.

‘HET MONSTER’ EN DE SLACHTOFFERS.

Wel, het lot van ‘de kloof’ blijft niemand bespaard. Zich enorme effecten voor te stellen, dat lukt niet slechts de veroorzakers ervan niet. Als ‘het Monster’ gebeurt dan verzaken de geslagenen evenzeer als de ‘slagers’.ii We hoeven maar de blik van uw vader af te wenden naar zijn slachtoffers.
We weten van hen, dat zij in talloze gevallen sprakeloos stonden tegenover hun afschuwelijke toestand, en dat ze die niet konden vatten.
Prent U in, wat dat betekent, Klaus Eichmann: die mensen hadden in tegenstelling tot uw vader en zijn trawanten elke dag, elke minuut ‘het Monster’ voor ogen. Maar heb je daar wat aan, aan ‘voor ogen hebben’? Wat zij zagen was ‘te groot’, want zij stonden ook onder de wet van ‘de kloof’. Dat wil zeggen dat zij niet alleen niet in staat waren de oorzaken van de situatie die zij ‘waarnamen’ te vatten. Zij konden zich zelfs wat ze met hun eigen ogen zagen niet voorstellen. Ze konden zich daarop niet instellen, er niet passend op reageren – wat zou ‘passend’ geweest moeten zijn? – Ik volsta met een enkel voorbeeld: dat van die zwangere vrouw die in het Concentratiekamp was beland en zich niet kon voorstellen dat zij niets anders was dan materiaal dat verwerkt moest worden, dat ze geen andere functie had dan morgen eveneens als rook uit de rokende schoorsteen op te stijgen. Die bleef zich toch gewoon gedragen als een vrouw die thuis was en alsof de mensen in wier macht zij zich bevond tenminste nog mensen waren. Zij diende namelijk bij de beulsknechten van de gaskamers een verzoek in voor een kinderwagen. Dit absurde verzoek – stel je voor een stuk brandhout dat om een kinderwagen vraagt, waar moet dat heen? – wekte natuurlijk hoongelach, en ze werd prompt geliquideerd.
Hier wil ik trouwens benadrukken, dat zulke misplaatste reacties op ‘het Monster’ – en het voorbeeld van zo juist is er maar van duizenden – geenszins laakbaar zijn. Integendeel, ze zijn, als dat menselijke woord hier nog geoorloofd is, in zekere zin zelfs troostrijk. Er zijn ook gebreken van de mens die in hem te prijzen zijn; daaronder ook deze verkeerde reacties. Want die bewijzen immers hoe hardnekkig doorsnee-mensen zich verzetten om werkelijk te geloven in overmaat aan onmenselijkheid. – Hoe dat ook zij, de slachtoffers hebben niet anders kunnen reageren dan ze deden. (En dat geldt niet slechts voor de tijd die zij in het kamp doorbrachten, maar in het algemeen, want ‘het Monster’ begon niet pas daar: ‘het Monster’ was ook al monsterlijk als dreiging). Wie dat bestrijdt – en dat gebeurde soms iii; wie van deze miljoenen beweert dat ze meer gepast op deze situatie hadden kunnen reageren verraadt daarmee een hopeloze blindheid voor de realiteit. Die miljoenen waren namelijk wat ze waren: duizendvoudig door de wereld en de geschiedenis bepaalde wezens die aan toestanden en reacties die je berekenen kon gewend waren. En nog erger (dan blind (jab)) is hij die deze doorsnee mensen achteraf langs de meetlat van absolute criteria legt, of van abstracte ideaalbeelden; die achteraf van hen verlangt dat ze destijds anders hadden moeten reageren. En eveneens erg is hij die hen die dit hoog opgeschroefde mensbeeld niet haalden, en die niet meteen veranderden in helden of Übermenschen, met verachting wegzet. Ook dat vonnis heeft men wel geveld. Het is uitgerekend de schone deugd van de onbepaaldheid geweest die bepaalde filosofen verleid heeft tot zulke onbarmhartigheid, en dat is niet alleen verbijsterend, maar vooral vreselijk deprimerend. Deze aanmatiging moge ieder die weet dat hij ook zelf niet ontkomt aan harde abstracties en die weet dat hij zonder onverbiddelijke maatstaven geen geldige uitspraken zou kunnen doen waarschuwen voor het gevaar van geïndoctrineerd zijn. Het is een waarschuwing voor ieder die nadenkt.
Neen, gepast reageren op het mateloze is onmogelijk. Wie dat van de slachtoffers eist, moet wel van een vis op het droge eisen dat ie meteen pootjes laat groeien om terug te marcheren naar het water. Verkeerd reageren was onontkoombaar, puur omdat de maat van wat er te wachten stond, de maat van wat mensen überhaupt kunnen voorstellen, voelen of uitdenken oversteeg. Ze hadden dus geen andere keus dan:

of hun lot op een of andere manier te beantwoorden met de jammerlijke begrippen van hun normale leven, en met actiepatronen die hun vertrouwd waren van vroeger

of te panikeren, dat wil zeggen: wild en gedesoriënteerd te reageren – en daarmee net zo goed te verzaken; of tenslotte

 

(precies zoals uw vader die hen in die onzalige situatie had gebracht) totaal niet te reageren – en daarmee natuurlijk evenzeer te verzaken.

Een vierde optie die zogenaamd een meer gepast antwoord op ‘het Monster’ zou zijn, is een verzinsel van moralisten, die de werkelijkheid van de mensen buiten beschouwing laten.

ZES MILJOEN EN EEN.

Waarom spreek ik met U over die hulpeloze slachtoffers? Om uw medelijden te wekken?Nauwelijks. Want afgezien daarvan dat dat gevoel, als U dat al op zou kunnen brengen, geen effect zou hebben, omdat het te laat kwam, en omdat het onwerkelijk zou blijven – de poging om medelijden te hebben met zes miljoen mensen lukt eveneens niet. U niet, niemand.
Maar er is een andere reden. Want wat ik zei over die slachtoffers slaat indirect ook op U. ‘Het Monster’ heeft ook U gegrepen; U kunt daar ook nooit gepast op reageren. Aan het begin heb ik daar al op gezinspeeld, toen ik U vroeg te geloven dat ik respect heb voor uw ongeluk dat U niet verdiend hebt. Maar ik heb U daar nog niet kunnen uitleggen waarom uw ongeluk zo kenmerkend is voor mensen van heden. Vlieg nu niet op, Klaus Eichmann, als ik nu beweer dat U familie bent van die kampbewoners. Vlieg niet op, want het is geen schande om in een adem genoemd te worden met deze armzalige mensen. De vuiligheid die aan hen kleeft komt van de laarzen waarmee ze geschopt werden; zo gaat dat altijd met vuiligheid. En dat U de zoon van Eichmann bent, en zij zonen van Joden, dat speelt geen enkele rol: want uw moeder en die van hen zijn exact dezelfde, U allen bent kinderen van dezelfde eeuw. En als deze eeuw haar specialiteiten uitdeelt, dan bekreunt ze zich niet om de scheidslijnen tussen de rangen en de fronten, en zelfs het verschil tussen ‘slagers’ en verslagenen laat haar koud: in de kern is hun lot hetzelfde, niemand van ons heeft daar meer vrij te kiezen van wie hij zich wil onderscheiden en aan wie hij gelijk zou willen zijn.

U weet dat de slachtoffers van uw vader, als ze in het kamp werden gedreven nummers in hun vlees kregen gebrand, als stigmata van ‘het Monster’. Ook U draagt zo’n stigma van ‘het Monster’ in zich omdat wat U aangedaan werd te groot voor U is en elke mogelijkheid van het voor te stellen of er zinvol op te reageren te boven gaat. Uw nummer is zes miljoen en een. Dat nummer is onzichtbaar en niet in uw vlees gebrand maar in uw lot, – maar uw nummer telt niet minder dan die nummers van de zes miljoen die inmiddels verbrand zijn of die nog op de armen van hen die ontsnapt zijn zichtbaar zijn.

DE DROOM VAN DE MACHINES.

U herinnert zich, Klaus Eichmann waar al deze overwegingen op gericht zijn. Ons argument is: uw leven kan alleen dragelijk worden, als U inziet dat uw lot geen domme pech is. Dat kunt U alleen inzien, als U doorkrijgt hoe ‘het Monster’ dat uw leven monsterlijk gemaakt heeft, heeft kunnen ontstaan, misschien zelfs heeft moeten ontstaan.
Ik had aangekondigd dat er twee wortels hoofdverantwoordelijk zijn voor ‘het Monster’. We hebben nu uitvoerig genoeg over die eerste wortel, ‘de kloof’ gesproken. Nu over de tweede: het machine-achtige van onze wereld; ze bestaat als apparaat. Dat kan vrij kort zijn. Want die beide wortels van ‘het Monster’ hangen nauw samen. Het bleek al bij de uitleg van ‘de kloof’: we kunnen de effecten van ons doen en laten ons niet voorstellen als onze resultaten als die effecten te groot zijn. Maar dat niet alleen. Het is ook een kwestie van indirectheid die in onze arbeidsdeling en de processen van ons handelen zit. De arbeidsdeling van tegenwoordig loopt er op uit, dat wij handelende personen ertoe veroordeeld zijn ons op een piepklein stukje van het geheel te concentreren: wij zijn zo ingekapseld in de ons toebedeelde fase als gevangenen in hun cel. Wij worden als ‘gevangenen’ afgerekend op onze speciale handeling; maar van het totaalplaatje van het apparaat, dat uit duizenden fases is samengesteld zijn we afgeschermd. En al helemaal van het resultaat van het totale apparaat.
Maar toch, hoe ontegenzeggelijk dat ook juist is, die tweede ‘wortel van het Monster’ hebben we daarmee nog niet te pakken; als je die nauwkeuriger onderzoekt schiet die ook te kort; ze is te ongevaarlijk. Omdat de arbeidsdeling, en wat ik zojuist ‘gevangen in de fases’ genoemd heb zelf slechts bijwerkingen zijn, gevolgen van een veel fundamenteler en meer noodlottig proces. Daar moeten we ons mee bezig houden, dan pas krijgen we de ‘tweede wortel van het Monster’ in het vizier. Ik bedoel : onze huidige wereld als geheel verandert in een machine, ze is bezig een machine te worden. Ik weet het, die stelling klinkt gewaagd.

Waarom kunnen we die extreme stelling opstellen?
Niet maar omdat er tegenwoordig zo veel apparaten en machines zijn (politieke, administratieve, in handel en techniek), en ook niet omdat die zo’n enorme rol spelen in onze wereld. Dat is nog geen rechtvaardiging om onze wereld zo aan te duiden. Het beslissende punt is fundamenteler, en het hangt samen met het principe van de machine. Op dat principe moeten we nu terugkomen. Want in dat principe zit reeds verborgen dat de hele wereld tot machine wordt. Wat is dat principe van de machine?

Maximale prestatie.
En daarom mogen we ons machines ook niet voorstellen als losse eilandjes, als stenen, die alleen daar zijn waar ze zijn, en die besloten blijven binnen de fysische grenzen van het ding dat ze zijn. Maar de raison d’ être van machines is gelegen in prestatie, en wel maximale prestatie, en daarom hebben ze omgevingen nodig die deze maximale prestatie waarborgen. En wat ze nodig hebben, dat veroveren ze ook. Iedere machine is expansionistisch, om niet te zeggen ‘imperialistisch’. Ze verschaffen zich allemaal een rijk van diensten en koloniën (bestaande uit leveranciers, bedienden, consumenten enz.) En van die ‘koloniale machten’ verlangen ze dat ze assimileren met de machines en daarmee samenwerken met eenzelfde volmaaktheid en betrouwbaarheid – kortom: dat zij, hoewel buiten het moederland gelegen, ‘mede-machine’ ivzullen worden. – NB knoop die uitdrukking in uw oren, want het zal een sleutelbegrip voor ons worden. De oorspronkelijke machine breidt zich dus uit, het wordt een zgn. ‘groot-machine’; niet alleen maar als bijkomstigheid en slechts zo nu en dan. En omgekeerd zou de machine als ze daarbij afgemat raakte, ophouden nog mee te tellen in de rangen van de machines. – Daar komt nog bij dat geen machine definitief verzadigd kan worden al lijft ze ook nog zo’n groot dienstrijk in dat dan toch nog altijd begrensd is. Voor de ‘groot-machine’ geldt hetzelfde als voor de oorspronkelijke : die heeft ook een buitenwereld nodig, een ‘koloniaal rijk’ dat zich aan haar aanpast en dat optimaal met haar meewerkt en met dezelfde precisie. En voor de ‘groot-machine’ geldt ook dat ze zich zo’n koloniaal rijk’ moet zien te verschaffen en zo aanpast, dat het op haar beurt weer machine wordt : kortom er zijn geen grenzen aan de zelfuitbreiding, de machine heeft een niet te stillen honger om zich te vergroten. – Alle stukken die zich niet voegen naar het van hen verlangde mede-machine-zijn worden als waardeloos en nietig ter zijde geschoven. En zij die hun dienst niet kunnen leveren of niet werkwillig zijn en zo maar wat willen rond hangen, die dreigen daardoor de uitbreiding van de machinerie te saboteren, die moet men dan opruimen en als afval vernietigen – dat klinkt wel platvloers, maar daarom moeten we het zo onderstrepen. Want er is niets zo bedreigend en niets dat de gewetenloosheid van de machinerie met meer zekerheid garandeert dan het feit dat die gewetenloosheid al platvloers is geworden : alle platvloersheid blijft onopgemerkt; en wat niet opgemerkt wordt, wordt zonder tegenspraak geaccepteerd.
Dit proces van mede-machine-worden voltrekt zich niet slechts als gevecht van de machine tegen de wereld, maar tevens als gevecht van concurrenten om de wereld, waarin machines elkaar de buit bevechten. Maar het feit dat ze hun gevecht altijd op twee fronten vechten, doet geenszins afbreuk aan de ondubbelzinnigheid van het einddoel. Dat einddoel is vanaf het begin ‘ totale beheersing’ en zo zal het blijven heten. De machines willen een situatie waar niets meer is wat hun niet ten dienste staat, niets wat niet mede-machinaal is, geen ‘natuur’, geen zogenaamde ‘hogere waarden’ en ook geen mensen meer, want voor hen zijn wij toch nog slechts teams van bedienden en consumenten. Alleen die machines zelf nog maar.
En zelfs zij niet meer. Daarmee ben ik bij mijn hoofdpunt, het begrip ‘wereldmachine’. Wat is dat?
Neem even aan, dat het de machine werkelijk lukt de wereld totaal te veroveren, zo totaal als op kleinere schaal Hitler Duitsland had veroverd: dus zo totaal dat er niets meer overbleef dan zij en haar gelijken, alleen nog een groot ‘gelijkgeschakeld’ machinepark. Hoe zouden onder die omstandigheden de individuele machines er voor staan?

Dan moeten we tweeërlei bedenken:

Zonder hulpkrachten zou geen van die exemplaren kunnen functioneren, want ze kunnen zich zelf niet in beweging zetten of zich van zelf voeden; dat kan geen machine ook al was ze nog zo geautomatiseerd.

Onder die hulpkrachten waarover een machine beschikt zou er geen meer zijn, die niet zelf op zijn beurt machine zou zijn. – in het kort: ze zouden allemaal op elkaar aangewezen zijn en gedwongen elkaar te claimen; ze zouden elkaar over en weer tot hun beste functie moeten brengen.

Waar zou die wederkerigheid op uitdraaien?
Op iets heel verrassends : omdat ze uiterst nauw met elkaar verkleefd zouden zijn, zouden die aparte machines geen machine meer zijn, Maar?
Onderdelen. – en wel onderdelen van een gigantische ‘totaal-machine’ waarin ze samengegroeid zijn.
En waar zou dat weer op uitdraaien? Wat zou dat zijn, die ‘totaal-machine’?
Nu moeten we weer bedenken: stukken die er geen deel van uit maken, zijn er dan niet meer. Restjes die buiten haar zouden kunnen voortbestaan, zouden er niet meer over zijn. Dan zou die ‘totaal-machine’ dus de wereld zijn.

Daarmee zijn we vlak bij het doel. We hoeven nauwelijks meer een stap te doen om het te bereiken. We hoeven alleen maar de zin ‘de machines worden wereld’ om te draaien. Die omkering luidt: “De wereld wordt machine.

Dit: de wereld als machine is inderdaad de technisch-totalitaire situatie waar we naartoe drijven. En, let op, niet pas sinds vandaag of gisteren, maar veeleer al sinds eeuwigheid, omdat die trend opkomt uit het machine-principe namelijk de neiging om zich zelf uit te breiden. Op grond hiervan durven we gerust te stellen: de wereld-als-machine is het duizendjarig rijk, waar alle machines naar toe gedroomd hebben. Dat ligt vandaag aan onze voeten, omdat die ontwikkeling sinds een paar decennia in een steeds heftiger tempo is geraakt. Het beslissende stuk van de weg naar de wereld-machine hebben we al achter de rug. De Rubicon zijn we al over: namelijk de grens waarbij we vroeger heel banaal durfden te zeggen dat er ‘in’ onze wereld ook machines bestonden. Het woordje ‘in’, zo gebruikt slaat al nergens meer op; het zou pas weer op zijn plaats zijn als we die uitspraak ook zouden omkeren, dus in plaats van machines te beweren dat die in de wereld bestaan, moeten we nu van de wereld zeggen dat zij ‘in de machine’ bestaat (als voedsel of als stukje helper). Maar daarmee zouden we toegeven dat we zelf de oever van het duizendjarig rijk al betreden hebben.

WIJ ZIJN EICHMANNETJES.

Zo staat onze wereld er dus voor. En het is ons niet geoorloofd ons te verstoppen in een bij-vertrekje van de geschiedenis of naar een utopisch voor-technisch tijdperk uit te wijken. Dat betekent dan natuurlijk dat wij als we ons aan die ontwikkeling toevertrouwen, onze menselijkheid moeten verliezen: en wel in dezelfde mate waarin het machine-bestaan van onze wereld toeneemt. De dag waarop het duizendjarig rijk van het technisch totalitarisme voltooid wordt, kun je dan niet meer tegenhouden. Vanaf die dag zullen we dan ook nog slechts als onderdelen van de machine bestaan, of als stukken materiaal die de machine nodig heeft: als mensen zullen we dan geliquideerd zijn. Wat het lot zal zijn van hen die zich zullen verzetten tegen hun mede-machinaal-zijn, dat is niet moeilijk te raden sinds er ooit een Auschwitz is geweest. Deze mensen worden niet slechts ‘als’ mensen geliquideerd, maar zelfs realiter;(of moeten we liever zeggen: dat die ‘als mensen’ zullen geliquideerd worden? Die mensen vinden immers hun einde, omdat ze gepoogd hebben ‘als mensen’ verder te leven? )

De gelijkenis van dit dreigende technisch-totalitaire rijk met ‘het Monster’ van gisteren is duidelijk. Dat klinkt natuurlijk provocerend, omdat we de vriendelijke gewoonte hebben ontwikkeld om dat rijk dat achter ons ligt, dus het Derde Rijk, op te vatten als iets voor een keer; een zwerfkei, als iets dat a-typisch is voor onze tijd en voor onze westerse wereld. Maar als argument deugt die gewoonte natuurlijk niet. Een dergelijk inzicht is slechts een vorm van de ogen sluiten. Want de techniek is een kindje van ons zelf en dus is het zowel laf als mal om te denken dat de vloek die erin steekt door een achterdeurtje in ons huis is verdwaald, Het is onze vloek. En omdat het machine-rijk aanzwelt, en omdat de wereld van morgen globaal zal zijn en de arbeidsprestatie geen gaten meer zal vertonen, ligt de vloek eigenlijk pas voor ons. Dat wil zeggen: wij moeten alert zijn dat de verschrikking van het komende rijk die van het rijk van gisteren diep in de schaduw zal zetten. Stellig: als eenmaal onze zonen of kleinkinderen met trots op de perfectie van hun mede-machinaal bestaan zullen zien en van de verheven hoogte van hun duizendjarig rijk op het zogeheten ‘derde’ rijk van gisteren zullen neer kijken, zullen ze dat stellig maar een provinciaals probeersel vinden . Want dat rijk heeft, ondanks zijn reusachtige inspanning om ‘morgen de hele wereld’ te zijn en ondanks de niets ontziende verdelging van onbruikbaren niet overeind kunnen blijven. En in wat zich in dat rijk afgespeeld heeft zullen ze stellig niets meer zien dan een generale repetitie van een met een rare ideologie gelardeerd totalitarisme, die zich te vroeg aan de wereldgeschiedenis blootstelde.
Natuurlijk is het zo ver nog niet. Het is nog te vroeg om te roepen, dat wij al in de rol van machineonderdelen, grondstof of virtueel afval zijn geforceerd. Ook worden we niet gedwongen onze medemensen al in die rollen te zien en te behandelen. Ook worden de mensen die zich verzetten niet veracht en vernietigd. Het is nog niet de avond van de laatste dag. Maar dat we in de richting van deze ‘avond’, of liever gezegd de morgenschemering van een machinaal totalitarisme drijven, dat we nu in het zwaartekrachtsveld ervan zijn, en dat deze uitspraken elke dag een beetje meer waar worden, – het is te laat om dat nog te bestrijden. Ook ‘trends’ zijn feiten. Een enkel voorbeeld volstaat om dat te bewijzen.

Dat van de atoombewapening van nu. Want wat is daarmee aan de hand?

Miljoenen van ons worden geheel vanzelfsprekend aangesteld om de mogelijke vernietiging te helpen voorbereiden van hele bevolkingen, misschien zelfs wel van de hele mensheid ; en die ‘als het menens wordt’ ook uit te voeren. Deze miljoenen accepteren en vervullen deze banen met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee die hun aangeboden of opgedragen worden. De situatie van nu lijkt angstwekkend precies op die van toen. Toen gold: dat de werknemers hun functie trouw vervulden

  • omdat ze in zich zelf niets anders zagen dan onderdelen van een machine
  • omdat ze hun bestaan en hun goed functioneren als rechtvaardiging ervoor misverstonden
  • omdat ze ‘gevangenen’ bleven van hun eigen deel-handelingen, en dus door vele muren gescheiden bleven van het eindresultaat
  • omdat ze door de enorme afmetingen dat eindresultaat zich niet meer konden voorstellen; en door de indirectheid van hun werk konden ze de mensenmassa’s van hen die ze hielpen vernietigen niet meer waarnemen
  • of omdat ze zoals Uw vader dat gebrek uitbuitten.

Dat geldt vandaag nog. Vandaag geldt bovendien dat zij die zich verzetten tegen deelname hieraan of die anderen afraden hier aan deel te nemen, al als hoogverraders worden aangemerkt. En dat maakt de situatie van nu compleet gelijk aan die van destijds.

Hebt U het door, Klaus Eichmann? Hebt U het door, dat het ‘Eichmann-probleem’ geen probleem van gisteren is? Dat het niet tot het verleden hoort. Wij hebben dus geen aanleiding om hoogmoedig te zijn tegenover het verleden; waarbij ik werkelijk slechts voor heel weinigen een uitzondering kan maken. Wij zijn allemaal, net als U geconfronteerd met iets wat te groot voor ons is. Wij schuiven allemaal de gedachte aan wat te groot is en wat we niet aankunnen ter zijde. Hebt U het door, dat wij allemaal net zo goed Eichmannetjes zijn? Op zijn minst kinderen van de Eichmann-wereld.

DE NIEUWE VADER IS DE OUDE.

De gelijkenis tussen U en ons gaat nog dieper. U zult zich herinneren dat ik U aan het begin van mijn brief herinnerd heb aan het ergste moment in uw leven, namelijk toen U moest ervaren dat uw nieuwe vader de man was die in Amerika de plaats van vader voor U waar genomen heeft. Zijn aanwezigheid heeft dan in de jaren die U als gezin samen doorbracht het al wat schaduwachtige beeld van uw eerste vader helemaal laten verdwijnen. Maar toen ontdekte U dat dat niemand anders was dan die eerste vader zelf. Ik wil niet beweren dat die woorden die ik toen neerschreef over de volledige betekenis van dat ogenblik, mij compleet duidelijk waren. Veeleer had ik gedacht dat alleen U die heel bijzondere ervaring doorgemaakt heeft. En vermoedelijk hebt U daarbij ook aan niets anders gedacht. Maar dan zitten we er beiden naast. Want nu blijkt dat dat een van die ervaringen is, waardoor U voor ons tot een symbool geworden bent: want wij doen allemaal dezelfde waarneming, op zijn minst behoren we dat te doen. Want ook wij hebben de laatste twee decennia geleefd in het geloof dat die monsterlijke weg van gisteren waar we vandaan kwamen, achter ons lag, en door een andere vervangen was. En nu moeten ook wij vast stellen dat we het slachtoffer van een waanidee zijn geworden: dat wat bij ons de plaats van vader waargenomen had, identiek was met de ‘vader’ die twee decennia eerder heerste. Anders gezegd: ‘het Monster’ is er niet slechts ‘geweest’, maar was maar een opstapje. Auschwitz heeft zijn stempel op onze eeuw gedrukt en wat daar gebeurde kan zich elke dag herhalen. Na de voorgaande overwegingen zal het U wel duidelijk zijn, dat ik met deze voorzegging niet domweg beweren wil dat deze of gene regering de verdenking op zich laadt van totalitaristische oogmerken, of deze of gene regering is daadwerkelijk al totalitair en maakt het daarmee niet onwaarschijnlijk dat ze ook voor iets dergelijks als Auschwitz niet zou terug deinzen. Als het dat slechts was zouden we zelfs wel mogen herademen, hoe cynisch dat ook moge klinken: het gevaar dat dan aan de orde is, zou altijd nog van particuliere aard zijn. Maar U weet nu dat het gevaar dat ik op het oog heb van veel algemenere aard is en noodlottiger.
Want ik spreek niet van gevaar omdat ik hier en daar iets van politiek totalitarisme ontwaar, maar omdat overal het technisch-totalitarisme op ons afkomt; waarbij vergeleken het politieke maar een secundair probleem is. Kortom, wat ik voor ogen heb, is dat onze wereld, en wel als totaliteit, het ‘duizendjarig rijk van de machine’ tegemoet ijlt, en dat onze ombouw tot onderdelen van een machine gelijke tred houdt met dat proces dat niet te stoppen is. Als die stelling klopt, als het waar is, dat de druk op het proces van machine-wording dagelijks stijgt en dat de heerschappij van de ‘totaal-machine’ dagelijks naderbij komt, kan er natuurlijk geen sprake van zijn, dat de dagen van ‘het Monster’ achter ons liggen. En nauwelijks minder ontoereikend is dan de (tegenwoordig als morele verdienste geldende) rouwmoedige bekentenis dat we nog niet helemaal van het kwaad los zijn, tenminste wij allemaal nog niet, en wij zijn misschien ook nog blootgesteld aan de verleiding met ‘het Monster’ mee te doen of wij lopen misschien het gevaar te moeten lijden onder ‘het Monster’. Dat is niet alleen ontoereikend, maar bedrog gelardeerd met eigengerechtigheid. Want wat betekent ‘ook wij‘? Of zelfs ‘ook wij nog’? Zijn wij nog enkele laatste nabloeiers van het Machinen-tijdperk die nog niet gedesinfecteerd zijn van ‘het Monster’ van gisteren? Neen, omgekeerd. Gisteren was er ‘het Monster’, maar niet omdat het er gisteren nog was, maar omgekeerd omdat het er gisteren al was. Dus de mensen van gisteren waren de voorlopers van onze monsterachtige wereld van vandaag en morgen. Want het is onbestrijdbaar dat die machine-wording van de wereld, (en daardoor worden wij mede-machinaal), sinds gisteren ontzettend is toegenomen. Daarmee is ook gezegd, dat wij nog een veel groter gevaar lopen dan de mensen van vroeger om tot handlanger of slachtoffer te worden van de machine, zelfs nu het tegenwoordig verdacht stil is en er een verdacht blije cultuur heerst. We moeten ons door de huidige situatie niet in slaap laten sussen. Ze is bedrieglijk. Een windstilte tussen twee stormen, een slaapje dat de monsterlijke wereld zich wel kan veroorloven tussen ‘het Monster’ van gisteren en dat van morgen. Morgen kan de storm al weer opsteken. En overmorgen kan de machinerie het al weer opportuun achten, dat wij weer ingezet worden als bedienend personeel van haar vernietigingswerk of als slachtoffers ervan. In beide gevallen als slachtoffers. –

Neen, laten we ons geen illusies maken, Klaus Eichmann. Hoe onschuldig de maskers van onze ‘tweede vader’ er ook mogen uitzien – en vele ervan tonen ons immers het goedmoedig-brede gezicht van welvaartsvaders – het gezicht dat onder die maskers verborgen zit, is en blijft het aloude gezicht van onze eerste vader. Het gezicht van ‘het Monster’. Daarmee is niet gezegd dat de maskerdragers van tegenwoordig in doorsnee huichelaars en bedriegers zijn. Van de meesten van hen geldt dat zij hun ware gezicht nog nooit in de spiegel hebben gezien. Ze zijn ervan overtuigd identiek te zijn met de overtrek van hun gezicht en geen ander te hebben. Maar dat maakt de situatie er niet beter op; in tegendeel, nu is het pas helemaal erg. Want niets is zo erg als wanneer de machthebbers ook zelf ten offer vallen aan ideologieën; niet alleen de machteloos gemaakten. En er is niets zo noodlottig als wanneer de regel: “de dader heeft geen weet van wat hij doet” ook opgaat voor hen die vanuit de hoogste topposities het oordeel mee-dirigeren, – niet alleen voor ons, de miljoenen die het oordeel ingeloodst worden.
U ziet, Klaus Eichmann,: wat U overkwam overkomt ons. Net als U hebben ook wij onze ‘tweede vaders’ vertrouwd. En net als U hebben we daarmee volstrekt nietsvermoedend onze eerste vader postuum een vertrouwensvotum gegeven. Hebt U nog sterkere argumenten nodig om U ervan te overtuigen dat U een van ons bent?

DE KANS

Hoe klinkt dat allemaal, Klaus Eichmann? U zult wel niet :”Troostrijk” willen antwoorden. En daarin hebt U geen ongelijk. Want het inzicht dat U niet alleen en niet als enige een vloek draagt, kan geen troost brengen. Ook niet het besef dat U bij het verlaten van uw eigen grot niet in de vrijheid terechtkomt, maar in een andere grot, namelijk in die van onze noodsituatie. Maar toch. U betreedt nu een veel grotere grot, en treft daar verwanten van uw uitgebreide Eichmann-familie: miljoenen mensen die je elke dag iets dergelijks als uw vader aan zou kunnen wrijven, en als U zelf, – dat is toch beter dan alleen in uw eigen ellende rond te scharrelen. Waarom? Deze vraag brengt mij op mijn slotgedachte.
U hebt vast ook wel eens gehoord dat er in die grotere ‘grot’ – zeg maar gerust in alle landen – een beweging van mensen is, die vechten tegen het Eichmann-principe van onze wereld. De anti-atoombewapening beweging. (Overbodig om hier aan toe te voegen, dat ook van die bewapening geldt wat we eerder van de machinerie in het algemeen hebben vastgesteld: namelijk dat die, als ze er eenmaal is, zich niet bekreunt om haar onvoorstelbaar effect en voortwoekert; de geschiedenis van de laatste twee decennia is voornamelijk een geschiedenis geweest van die voortwoekering)
Bij die beweging tegen het atomaire gevaar hebben zich mensen uit alle landen en bevolkingslagen aangesloten: Britse geestelijken zowel als Russische wetenschappers, Japanners en Duitsers, studenten en arbeiders – alle verschillen en frontlijnen van gisteren hebben hun betekenis verloren. Wat telt is, dat men heeft begrepen wat er vandaag op het spel staat: dat een herhaling van wat twintig jaar geleden gebeurde de hele wereld zou veranderen in een vernietigingskamp; en dat die altijd mogelijke catastrofe als ze al te verhinderen is, alleen verhinderd kan worden als allen die morgen bij de uitroeiers of bij de uitgeroeiden zullen geteld worden, zich hartstochtelijk en vastberaden op deze ontwikkeling zullen storten. Niemand van ons vergeet Auschwitz of Hiroshima. Maar die gedenken we niet uit wraakzucht, maar uit het inzicht in wat een herhaling zou betekenen. Op grond hiervan kunnen we gerust stellen dat die beweging ook al horen er tot nu toe maar een paar miljoen mensen bij, representatief is voor de mensheid als geheel. En heel zeker representatief voor de zaak van de mensheid: namelijk haar overleven.

Hier is mijn voorstel, Klaus Eichmann. En ik geloof zelfs dat dat voorstel een kans voor U is – dat woord heb ik op de vele pagina’s van deze brief nog nergens in de mond durven nemen – Denk U dat eens in, Klaus Eichmann, wat het zou betekenen, dat U zich bij die beweging tegen de uitroeiing van de mensheid zou aansluiten; dat u, die het aan uw eigen lijf ervaren hebt wat het wil zeggen een zoon van Eichmann te zijn, een waarschuwing zou worden voor de andere Eichmannetjes. In eerste instantie zult U die gedachte wellicht verwerpen en uitroepen: “Een Eichmann voor de vrede? Om me te laten uitlachen, zeker!” – Wie zou daar om lachen, Klaus Eichmann? Wie, behalve de allerslechtsten? En zelfs als U gelijk zou hebben dat die allerslechtsten bestaan – vermoedelijk bestaan ze wel – moet U dan naar hen luisteren? Neen, het enige antwoord dat al dergelijke spotters verdienen luidt: “Juist een Eichmann!” En dat is niet zo’n gekke gedachte van mij. Want er zijn al voorbeelden van. Er zijn al Eichmannetjes die deel namen aan ‘het Monster’ van gisteren, en die zich sinds ze inzagen dat wat er gebeurd is onder geen enkele voorwaarde nog eens mag gebeuren, bij onze beweging aansloten. Waarom zou U de moed die deze mannen opbrachten niet opbrengen? Stel U eens voor wat een buitenkans dat zou zijn, niet alleen voor U, maar ook voor ons – en dat wil zeggen: voor allen – als U daar toe zou kunnen besluiten. Het is een buitenkans voor U, omdat U daarmee eens en voor al de duivelskring van uw afkomst zou doorbreken en van de smet die U onverdiend met zich draagt af zou zijn. Want – zoals ik steeds heb beklemtoond – omdat U die smet niet verdiend hebt, heeft natuurlijk ook niemand het recht om U honend te verhinderen schoon te worden. Maar daarom hebt U aan de andere kant ook niet het recht die stap die U misschien toejuicht niet te doen uit angst uitgelachen te worden. Des te meer omdat de bijdrage die U zou kunnen leveren, een heel speciale is, die veel meer zou kunnen betekenen dan wat de besten van ons zouden kunnen bijdragen. Daarmee bedoel ik, dat U naast ons, die slechts in figuurlijke zin kinderen van Eichmann zijn, een bijzondere plaats in neemt. U geldt als een stuk verschrikking. De wereld zou ademloos luisteren, als de waarschuwing tegen de Eichmann-wereld uit uw mond zou komen, uit de mond van een echte zoon van Eichmann. De wereld zou daar veel meer gehoor aan geven dan als het uit onze mond kwam. Dus de vloek waaronder U tot nu toe geleefd hebt, zou zegen kunnen worden.
Dat wilde ik U dus tot slot zeggen, Klaus Eichmann. U hebt een kans. Stellig is dit uw enige kans. Maar het is een grote. Overleg goed bij U zelf of U deze ene grote kans van uw leven zult willen verspelen.

Uw Günther Anders.

P.S.
Deze bladzijden had ik direct na de dood van uw vader geschreven. Onder de directe indruk van die gebeurtenis. Dat ik ze zo lang ongepubliceerd liet, komt omdat ik eerst wat afstand wilde nemen, en ik wilde er helemaal zeker van zijn, dat ik de juiste toon had getroffen. U moet de brief echt opvatten als een ‘wenken over de verschroeide aarde’. Misschien zou U terug willen zwaaien.
Nu ben ik bang dat ik me destijds in mijn hoop vergist heb. Nu geloof ik zelfs dat ik bij U nooit de juiste snaar zal kunnen treffen. En toch gaat de brief nu op de post. Waarom?
Niet toch, maar juist daarom.
Want vandaag heb ik een krantenbericht over U gelezen. Over een laagheid van U. Neen, over de gemeenste laagheid die U aangewreven kan worden: U heeft namelijk een verklaring gegeven, (weliswaar al lang geleden, het zal ook wel meteen na de dood van uw vader geweest zijn). En nu moeten wij natuurlijk weten of die melding juist is, of dat wij ons daar tegen moeten verzetten.
U weet wat ik bedoel. Want als U de woorden die U in de mond gelegd worden uitgesproken hebt, dan hebt U dat niet vergeten. Maar indien niet, dan bent U met dat valse bericht in verband gebracht. – Wat hebt U dan wel gezegd?
Dat de toekomst het begrip gerechtigheid dat door de veroordeling van uw vader door het slijk was gehaald wel weer zal herstellen en schoon wassen; en dat het vonnis niets anders is dan nog maar eens een bewijs van de overwinning van het joodse kapitaal.
Slijk.
Wie is door wie door het slijk gehaald, Klaus Eichmann?
Gerechtigheid.
Wie heeft dat woord tot een aanfluiting gemaakt, Klaus Eichmann?
Schoon wassen.
Wat kan nooit meer schoon gewassen worden, Klaus Eichmann?
Joods kapitaal.
Ik heb het over zes miljoen.

Ziet U: ik kan de toon die ik aangeslagen had uit achting voor uw onverdiende lot, en die mij van huis uit vertrouwd is, nu niet meer volhouden. Nu moet ik keihard vragen: Heeft U die verklaring afgelegd?
Blijft U daarbij of niet?
Als U die verklaring afgelegd hebt, hebt U die dan herroepen of niet?
Als U ze niet afgelegd hebt, heeft U ze dan gedementeerd of niet?

Hier moeten heel directe antwoorden op komen. En niet slechts voor ons, maar ze zijn vooral voor U nodig (hoewel het ook voor ons van het grootste belang is te weten wat we aan zonen van Eichmannen hebben).
Want als dat bericht niet klopt – dat houd ik wel voor mogelijk – dan mag U geen moment aarzelen om zich van dit verschrikkelijke ‘slijk schoon te wassen’. Er zijn vele mogelijkheden: Het bericht kan gewoon gelogen zijn. Misschien hebt U iets heel anders gezegd. Misschien zijn die twee zinnen op hun tocht door de media onherkenbaar verminkt geraakt. Misschien bent U in de fuik gelopen bij een provocateur, en die heeft een eerste ongecontroleerde uitbarsting van U als een programmatische stellingname doorgegeven.
Maar zelfs aangenomen dat U destijds die verklaring werkelijk afgelegd hebt, zelfs helemaal vrijwillig, het zou niet de eerste keer zijn geweest dat iets abjects voortkomt uit misplaatste trots, verkeerd georiënteerde eerbied of andere misleide goede impulsen. Zo zou ik me bijvoorbeeld kunnen voorstellen, dat U, verdoofd door de gebeurtenissen, hardheid met eergevoel, mannelijkheid of mannen-eer hebt verwisseld, waardoor U dacht dat het laf was of zelfs verraad aan uw vader, als U zich openlijk van hem distantieerde; en dat U zich werkelijk daartoe gedrongen voelde ondubbelzinnig tot uitdrukking te brengen dat U ook in uw eer aangetast bent, en dat U niet van plan bent de man bij wie U hoorde na zijn dood en ontering in de steek te laten. Zo zou het begonnen kunnen zijn; en de rest is dan automatisch gevolgd. Het is namelijk wel denkbaar dat U zich door die verklaring in een dwangpositie gemanoeuvreerd hebt, waarvan U nu het slachtoffer bent. Want niets is moeilijker dan iets wat je eerst gezegd hebt, later niet ook zo te voelen. Dat is vele malen moeilijker dan iets wat je eerst voelt, daarna uit te spreken. Er zijn duizenden die voortleven met de gedachte dat als ze ooit iets gezegd hebben ook ‘ hun woord gegeven hebben’ en dan die slaafsheid zelfs ‘karakter’ noemen. In die toestand bevindt U zich. Misschien geldt ook van U dat U echt solidair bent met uw vader en dat U zich werkelijk solidair met hem voelt – maar slechts omdat U uw solidariteit nu eenmaal uitgesproken hebt.

Even goed kan ik me voorstellen dat nu wel iets bij U begint te dagen (want sinds die verklaring is al meer dan een jaar verlopen, dus tijd genoeg om eens na te denken of te schrikken): dat dat verschrikkelijke U toch al wat angst inboezemt. Maar dat het doorbreken van de echte schrik en het inzicht wat U werkelijk in beweging kan krijgen ook nu nog wat meer tijd nodig heeft. Misschien hebt U ook nu nog niet genoeg kracht om de signalen die op die bekering duiden te kunnen onderkennen en zelfs te laten doorbreken. Kortom: misschien wilt U nu eindelijk met rust gelaten worden omdat de gedachte dat U uw woorden moet herroepen U even zeer tegenstaat en evenzeer onverdraaglijk voor U is, als de gedachte aan wat U dan wel zou moeten herroepen.

Als dat klopt, Klaus Eichmann, geloof me: die twee onverdraaglijke zaken mag men niet in een adem noemen. Echt onverdraaglijk is alleen wat werkelijk onherroepelijk is. Wat Uw vader gedaan heeft is werkelijk onverdraaglijk. En niet alleen omdat de geliquideerden niet meer in het leven terug te roepen zijn, maar ook omdat het feit dat zoiets ooit mogelijk was, zich niet meer uit de wereld laat helpen, en als onherroepelijke mogelijkheid voortbestaat. Maar zo staat U er niet voor. De kans om uw woorden van toen uit te wissen hebt U nog. Er kan geen sprake van zijn dat er deuren achter u in het slot gevallen zijn, en zo definitief als achter de vergaste slachtoffers. Daarom kan er geen sprake zijn van onverdraaglijkheid. Onverdraaglijk, voor zowel U zelf als voor ons zou U pas worden op het moment dat U uw verklaring daadwerkelijk bevestigt of uitdrukkelijk weigert die te herroepen. Dan zeker. Maar dat hangt van U af.

Daarmee wil ik niet beweren dat zo’n bekering makkelijk zou zijn. Wij weten allemaal dat er grote moed voor nodig is, veelsoortige moed. Moed tegenover je eigen verleden, je eigen eerbied, je eigen trots; moed tegenover je eigen ijdelheid en tegenover de hoon van je kameraden van gister. Dat is moed die in tegenstelling tot de beroemde ‘moed tegenover de vijand’ niemand U inblazen kan, die moet U helemaal zelf opbrengen. Maar we hebben geen reden om aan te nemen dat het U aan moed ontbreekt. We wachten dus af.

En niet alleen op bekering. Want een stiekeme herroeping, in de coulissen, die zich alleen afspeelt in uw ‘innerlijkheid’ en die niet tegelijkertijd anderen zou uitdagen is en blijft helemaal irreëel. Een openlijke herroeping is nodig, een tweede verklaring die ons net zo zou bereiken als uw eerste. Ik hoef U niet uit te leggen waarom dat nodig is. U weet hoeveel Eichmannetjes er zijn, die U zien als hun vertegenwoordiger, in zekere zin als de ‘kroonprins van het kwaad‘. Die zullen het gif van uw verklaring heel tevreden opnemen en met graagte verspreiden. Dat moet U verhinderen. En dat kunt U ook. Want omdat U een representant bent, hebt U ook macht; een macht die U niet hoeft te onderschatten. (Mocht U die macht verachten, omdat het een macht ten goede is of op zijn minst voor iets goeds ingezet kan worden – en dat is maar al te zelden het geval – geloof me, Klaus Eichmann, zo jammerlijk is het goede nu ook weer niet, net zo min als het kwaad op zich zo imponerend is.

En ten slotte nog een paar woorden over de rol die het voor ons kan spelen als het U lukt die stap te doen. Ik bespaar me plechtige woorden. Maar op het gevaar af dat U iemand, die zijn gevoelens uit voor een zwakkeling houdt waag ik het erop. De dag dat we zouden vernemen dat er iemand is, die de duivelskring doorbroken heeft, iemand die we niet meer hoeven te verachten, die we zelfs achten moeten kortom, dat er een Eichmann minder is – dat zou voor ons geen gewone dag meer zijn. Want ‘een Eichmann minder” zou voor ons niet betekenen een mens minder, maar een mens meer. Het zou niet betekenen dat er een mens geliquideerd is, maar dat er een mens teruggekeerd is, Of in de woorden van een Grotere: “dat de broeder die dood was, weer levend is geworden, en de verlorene is nu weergevonden” (Lucas 15:32).

Heel anders zouden U en wij ervoor staan, als U definitief zou besluiten stom en star te blijven, en dus voor altijd de dictatuur van wat U eenmaal gezegd hebt blijft erkennen; als U dus uw woorden trouw blijft of ze nu waar zijn of niet, goed of verkeerd, met dezelfde hardheid als waarmee uw vader zijn aan de Führer gegeven woord trouw is gebleven. Dan moeten we niet alleen U condoleren, zoals we het in het begin deden, maar ook onszelf: en wel met het feit dat U bestaat. Met die onwrikbaarheid bewijst U namelijk dat U niet alleen maar bent zoals we U aanvankelijk aangesproken hebben: niet alleen maar de onzaligste mens die onverdiend moet rond lopen als zoon van Eichmann maar nog erger: namelijk een echte Eichmann. Misschien wel iets nog ergers: Eichmann. Ja, hem . Bij uw vader waren er nog wel verklarende omstandigheden denkbaar, weliswaar rafelig en onbruikbaar om zijn eer te redden, maar toch. Zijn totale zwakheid viel op een buitengewoon gunstige manier samen met de totale machinerie van de terreur, – dat had nog voor hem kunnen ‘pleiten’. Men had kunnen zeggen: voor het apparaat was het geen enkele moeite deze man – die zo graag gehoorzaamde, neen, die zelfs niet in staat was niet te gehoorzamen, neen die zelfs in de infame blinde gehoorzaamheid zijn eer stelde – te verlokken en hem in te bouwen, zijn weerstand te breken en hem de correctheid van elke functie aan te smeren. Kortom: uw vader had men nog het krediet kunnen geven dat hij in alles wat hij deed door die machinerie gedreven werd en dat de omtrek van zijn daden met de principes van het systeem waarin zij zich afspeelden ineen gevloeid waren.
Iets dergelijks is er in uw geval niet. U kunt zich er niet uitkletsen met een beroep op een terreurapparaat waardoor U verlokt bent of ingebouwd, of waardoor U gedragen wordt. Hoe totalitair de ‘wereldmachine’ ook is, waarvan we boven gesproken hebben: die machine die ons nu levenden ertoe dwingt als machine-onderdelen te functioneren – er kan geen sprake van zijn dat die U ertoe verleid heeft of zelfs gedwongen heeft om te zeggen wat U gezegd heeft. De conclusie was integendeel dat deze machine vanwege haar zorg om haar goede naam en vanwege het onberispelijk functioneren de hoogste waarde hecht aan het ophouden van de schijn dat ze van een compleet andere klasse is dan die machinerie van uw vader en dat ze zich daarvan dus hoogst energiek distantieert. Ieder van ons nu levenden houdt de kans om de waarheid over uw vader te zeggen, ook U, hoe dubieus de motieven ook zijn van hen die ons die vrijheid geven. Als U die kans op de waarheid verspeelt of er zelfs de voorkeur aan geeft af te dingen op het vonnis dat over hem geveld is, dan staat U daarin op U zelf, dan is dat uw eigen verantwoordelijkheid. Wat men bij uw vader nog aan zijn aard kon toeschrijven : dat die met de trekken van de wereld waarmee ze te maken kreeg samengevloeid was – dat geldt voor U niet. De argumenten die men tegenover uw vader nog meende te mogen gebruiken, die zouden bij U zelfs geen schijn van rechtmatigheid meer hebben. Bedenk toch, Klaus Eichmann, wat dat betekent. En niet alleen voor U. Misschien zult U straks ook een zoon hebben. Wat zal die dan van zijn vader vinden? Zal hij dan in staat zijn om zo voor U te spreken, als U nu voor uw vader probeert te spreken? Kan hij nog rechtvaardigende argumenten vinden? Welke? Neen, hem blijft niets anders over dan uw laagheid te constateren en zich voor U te schamen of U te haten, omdat U hem ertoe dwong als derde Eichmann rond te lopen. Moet dat? Moet dat zo doorgaan? Zou het niet toch veel beter zijn die keten nu al te verbreken? En hem en zijn kinderen die vloek te besparen?

Ik weet: een oproep tot ontrouw, een aansporing: “Laat je vader vallen” klinkt verschrikkelijk en onmenselijk. Maar die onmenselijkheid is niet onze schuld. Die is veeleer het gevolg van een situatie die zonder uw schuld of de onze zo zwaar beladen werd met schuld, dat nu elk ander advies nog onmenselijker zou zijn. Maar als U erin slaagt alle vooroordelen terzijde te schuiven en gehoor te geven aan deze oproep tot ontrouw, dan kan die stap een daad van trouw zijn. Trouw aan de toekomst. Dat loont toch ook?
G.A.

TWEEDE BRIEF AAN KLAUS EICHMANN: TEGEN DE ONVERSCHILLIGHEID.

Er zijn al 25 jaar verlopen sinds ik mij voor de eerste keer, en helaas vergeefs tot U wendde. Inmiddels bent U een volwassen man. Misschien schrijf ik nu wel aan iemand die helemaal niet meer lijkt op de jongeling van toen. Ik moet U wel als ‘Herr Eichmann’ aanspreken. – maar daar aarzel ik toch, want deze onschuldig-beschaafde aanspraak zou weinig passen bij de dingen die ik vandaag weer met U zou willen bespreken.
Het kan zijn dat de toon van deze tweede brief niet meer zo hartelijk kan uitpakken als die van toen. Destijds zag ik immers een nog niet helemaal volwassen mens voor me; en ik beschikte zelf nog volop over mijn krachten; terwijl U nu een compleet volwassene bent; en ik zelf ben een behoorlijk oude man wiens stem misschien nog tot uw oor, maar niet meer in uw hart kan doordringen. En als laatste heeft de veranderde toon er ook mee te maken, dat U zich niet verwaardigd hebt op mijn brief van toen te reageren. Inmiddels is dat ‘niet’ niet, zeg maar verbleekt, maar het is veranderd in een ‘nooit’. U zult zich dat wel niet meer herinneren – want dat hoort bij ‘nooit’ – ; maar ik zie het elke dag, want ondertussen zult U ook wel los van mij weten dat het aantal doven en zich doof houdende Eichmannkinderen schrikbarend is toegenomen en nog dagelijks toeneemt.
Ik weet niet waar U op dit moment verblijft, of wat U doet, – ik weet niet eens of U nog in het land der levenden bent, wat ik wel hoop omdat in tegenstelling tot Eichmannkinderen mij de dood van geen enkel mens onberoerd laat. Ik hoop dus maar dat U ook deze brief op een of andere manier krijgt. En dat U, nu U inmiddels qua leeftijd mij wat genaderd bent, nu achteraf zult begrijpen dat noch mijn brief van toen, noch deze een onbehoorlijke inbreuk op uw privacy was. Alleen al het meervoud ‘Eichmannkinderen’ dat ik toen gebruikte had U immers duidelijk kunnen maken dat ik U slechts als voorbeeld bedoeld had, een even onzalig als belangrijk voorbeeld.; destijds sprak ik ook van een lot waar U persoonlijk ook niets aan kon doen. En dat ‘niets aan kon doen’ slaat op drie dingen:

U hebt geen schuld aan de wereldsituatie die Uw vader veranderde in een bureaucratisch monster.
U bent niet verantwoordelijk voor uw vader; en het principe van ‘bij de kliek horen’ dat hij net als alle Naziprincipes over genomen had, mag net zo min op U worden toegepast als op ons. Maar toch hebt U het opgenomen voor de kliek nadat ik er bij U op aangedrongen had afstand te nemen van uw vader vanwege de totale morele desoriëntatie waar U begrijpelijkerwijs in terecht was gekomen. Neen niet voor de kliek natuurlijk. Maar voor een analogon: voor volledige loyaliteit; niet voor gezamenlijke schuld, maar voor gezamenlijk onschuld. Dat wil zeggen: U, die zeker onschuldig was hebt zich solidair verklaard met uw vader, ondanks de afschuwelijke misdaden waarmee hij verweven was en die ik U toen geschilderd heb; vermoedelijk hebt U dat gedaan om hem in een absurde poging mede-onschuldig te maken door de trouw van zijn zoon. (Maar uw onschuld is natuurlijk niet overdraagbaar, laat staan met terugwerkende kracht.) En U hebt hem zelfs omgekeerd als slachtoffer in bescherming genomen. Als slachtoffer van hen die zijn slachtoffers waren; of van hen die toevallig ontsnapt zijn, verwanten van zijn slachtoffers of vrienden die het toch nog overleefd hebben. Het moge verschrikkelijk klinken, Klaus Eichmann, (ook in mijn oren) maar nu na 25 jaar moet ik herhalen wat ik toen in mildere formulering stelde:

De waarheid moet boven taboes prevaleren, boven alle. Ook over de onaantastbaarheid van ouders.

Het gebod – overigens een oeroud joods gebod dat U in uw jeugd nog geleerd hebt – “Eert uw Vader en uw Moeder” geldt niet onder alle omstandigheden. Namelijk niet als ze zich schandelijk gedragen of gedroegen”. U mag weemoedig aan hen of hun schande terugdenken – dat zeker. Maar hen eren, omdat ze uw ouders waren hen verdedigen, – dat niet. Dat noemt U waarschijnlijk ‘je eigen nest bevuilen’. Maar wie neen zegt tegen het vuil van zijn eigen nest is daarmee geen nestbevuiler maar een schoonmaker. Dat was het tweede punt.

Het derde punt betreft uw reactie op mijn brief waar ik alleen via via van weet, maar die hoffelijk uitgedrukt een bewijs is van totaal onbegrip . Juist het feit dat U mij persoonlijk niet geantwoord hebt bewijst dat U er niets van begrijpt. Alleen al het feit dat ik mijn argumenten destijds niet als persoonlijke verwijten naar voren gebracht heb, had U eraan kunnen herinneren dat ik de term ‘Eichmannkinderen’ gebruikt heb; om duidelijk te maken dat ik U als een van ons aangesproken heb. Wij zijn allemaal zonder uitzondering, mensen als U: wezens die hetzelfde zou kunnen overkomen als uw vader: om net zo als hij mee te werken aan iets verschrikkelijks, omdat wij het ons evenzeer niet werkelijk voorstellen kunnen en daarom “niet weten wat we doen.”

Dat woord kent U ook van school. Het staat in het Evangelie naar Lucas; het is een woord van Jezus dat echter ten aanzien van onze Eichmann-situatie niet meer zo gelden kan, als Jezus het bedoeld heeft. Want Jezus had zijn gebed om vergeving van de zonden van zijn medemensen beargumenteerd met hun niet-weten. Tegenwoordig is daarentegen het niet-weten (dat je weten kon, ja dat je niet eens niet-weten kon) de misstap zelf. Dat geldt in het bijzonder als we ons (wat voor uw vader en 25 jaar geleden voor U opging ) uitdrukkelijk ertegen verzetten te weten wat we doen; zelfs wat we in ons achterhoofd wel vermoeden, niet werkelijk willen weten.
Freud gebruikt de term ‘verdringing‘ en bedoelt daarmee iets vergelijkbaars. Maar het is toch niet de hele tegenwoordige waarheid. Want het verdringen is net zo schandelijk als datgene wat verdrongen wordt; en het verdringen gebeurt vaak niet pas na de misdaad, maar in de misdaad, neen al voor de misdaad, juist als voorwaarde , – maar dat zou men in de tijd van Freud nog maar nauwelijks hebben kunnen onderkennen, ze zouden daar misschien ook geen noodzaak toe hebben. Maar vandaag moet dat in het centrum staan. Uw Vader had dat ook al tijdens het proces in Jeruzalem moeten erkennen en uitspreken, om van U in ’88 maar te zwijgen.

Mijnheer Eichmann, U bent dus vandaag een volwassen man die wellicht de koppigheid van de jeugd bent kwijt geraakt en die wellicht de angst voor ‘ontrouw’ tegenover Vader (die nu al een kwart eeuw dood is en U vreemd zal zijn geworden) overwonnen hebt. Als U daarin geslaagd bent, zoals ik hoop, dan zou dat vandaag des te meer noodzakelijk zijn dan toen – en daarmee ben ik bij een volgende aanleiding voor mijn tweede brief. Want ondertussen is hier in de Bondsrepubliek Duitsland en in Oostenrijk, dus in het grootste deel van het territorium van het Nazisme, de politiek-ethische mentaliteit radicaal gewijzigd, preciezer gezegd: terug veranderd en wel zo radicaal dat niemand dat 25 jaar geleden had kunnen voorzien. Ook U niet. Heus, U zou als U nog dezelfde bent als destijds alle reden hebben om te triomferen. U hebt intussen namelijk de wereld aan bondgenoten – neen, niet gevonden, maar erbij gewonnen. De mensen die ik op het oog heb zijn niet alleen maar oude Nazi’s, collega’s van uw vader; maar ook, misschien zelfs wel vooral nieuwe; en al handelen ze misschien niet rechtstreeks in de stijl van het nationaalsocialisme, het zijn de mensen die ‘Auschwitz’ achteraf willen afzwakken of zelfs ontkennen en bespotten. Over wie ik het heb?
Het zijn de honderdduizenden tijdgenoten die tijdens het leven van uw vader of nog helemaal niet leefden, of nog kind waren en die nu deels uit lafheid, deels uit dwarse nationale trots nu 45 jaar na dato weigeren zich de ontzettende misdaden van hun vaders voor te stellen en te geloven; of die deze misdaden “historisch helemaal niet zo ongewoon vinden”; of die – want logica laat hen onverschillig – al naar gelang de gelegenheid dan eens deze en dan eens die versie aanhangen. Bijvoorbeeld ’s morgens vroeg om 7 uur Auschwitz ontkennen en ’s avonds om 7 uur Auschwitz, als je dat vergelijkt met de bloedbaden die andere volken in voorafgaande eeuwen aanrichtten opvatten als ‘een geval zoals andere’, dus afzwakken waarmee ze het zoals gezegd indirect weer toegeven. Het motief daarvoor is de opwinding of de schaamte over het feit dat men hun een stukje van ‘hun’ verleden aanwrijft.
Ik heb het over de Duitse en Oostenrijkse tijdgenoten die elkaar en zich zelf aanpraten dat onze wens om niet te vergeten wat geweest is ( opdat het niet nog eens gebeurt) niets anders is dan het indirecte verwijt van ‘Collectieve schuld‘. Wel, die term is volstrekte onzin. Toen direct na het einde van de oorlog de machinale massavernietiging bekend werd; en toen het duidelijk werd dat er geen Duitser bestaan kan hebben die daar niets van wist; en toen de theoretische verwerking ervan en de openheid over wat gebeurd was niet meteen helemaal perfect starten en functioneren kon; dus 40 jaar geleden is die uitdrukking wel gebruikt, vooral in de USA. Maar al rond 1950 nam geen serieus mens: niemand die om zijn doden treurde, geen serieuze auteur, historicus of politicus hem meer in de mond, Met het overleven van dat woord is het vreemd gesteld, Mijnheer Eichmann, zoals U zo meteen zult merken. De term overleeft niet alleen door ons, we houden hem zelfs voor onzin, hoewel wij allemaal, zoals ik U 25 jaar geleden schreef ‘collectief’ het gevaar liepen als Eichmannen te gaan handelen, dus als U dat zo wilt in een collectieve schuld zouden kunnen vervallen. Maar wij die daar toevallig van verschoond bleven vermijden die dubieuze uitdrukking fundamenteel. Dit woord wordt alleen door U en door honderdduizenden zoals U in leven gehouden, hardnekkig en fanatiek. U schildert U zelf af alsof wij U zonder ophouden maar die ‘collectieve schuld’ voor de voeten werpen. En dat doet U daarom omdat U – zeker U, niet wij – dat begrip nodig hebt. U hebt het nodig omdat U de kans wilt hebben hem van U te werpen en met die afwijzing U te kunnen rechtvaardigen, Als het woord niet bestond zou U het uitvinden om het te bestrijden. Net zo goed als dat U als wij Joden er niet waren dan zou U Joden uitgevonden hebben om ons te kunnen vervolgen en uit te roeien. Dit is meer dan een parallel, want het gaat in beide gevallen om een typische tactiek van het anti-semitisme dat op Joden aangewezen is omdat die de lust om te haten voeden. Kortom: Uw mensen, de Eichmannen van nu leven in het geloof dat wij eeuwig hun die aanklacht blijven voorhouden die U onrecht zou doen. Ze hebben het dus nodig om door de onjuistheid ervan hun onschuld te kunnen bewijzen. Toch kan niemand van hen namen noemen van serieuze auteurs van die aanklacht want die bestaan niet. Hoogstens Morgenthau: die kan de term ‘collective guilt’ gebruikt hebben, maar dat is 40 jaar geleden en geen van hen kent zijn heftige rede; overigens was die man een politicus, als theoreticus niet serieus te nemen en als de formuleringen die destijds uitgeprobeerd werden vlak na het bekend worden van Auschwitz niet helemaal correct waren, is dat niet zo verwonderlijk. Maar uw bondgenoten hier kennen die uitdrukking ‘collectieve schuld’ alleen omdat de ontoereikendheid ervan bruikbaar schijnt, omdat ze die bestrijden kunnen. Dat is geen onbekende logica, we kennen het uit de geschiedenis van het Antisemitisme. Daarvan had het devies kunnen geluid hebben:

“Ik bestrijd het kwaad,
dus haat ik boosaards,
dus zijn er boosaards.”

Of

ik strijd ergens tegen
dus bestaat het.

Kortom: Uw huidige bondgenoten hier, hebben het verwijt van ‘collectieve schuld’ nodig, ze houden ervan. Als ze zouden denken dat die niet bestond zouden ze iets missen, namelijk hun eer.
Daar komt tenslotte nog bij, dat ze door de bestrijding van die zogenaamd door ons aangehangen stelling de kans krijgen ons, de overlevenden, de schuld te geven: namelijk door ons als leugenaars neer te zetten. Waarbij ze er graag als het hun zo uitkomt de Bergrede te misbruiken, op wijzen dat (terwijl zij ons al lang vergeven hebben) wij voornamelijk Joodse slachtoffers typisch genoeg onverzoenlijk blijven, neen: wraakzuchtig. Wie, vraag ik U, heeft wie omgebracht? (deze vraag lijkt nog veel te vriendelijk, want het klinkt alsof een enkeling een andere enkeling omgebracht heeft). Wie zou dus iemand iets te vergeven hebben? In zoverre er voor zo onvoorstelbare gruwelen als het fabriceren van zes miljoen lijken überhaupt om vergeving gebeden kan worden. Zijn we hier niet het punt voorbij waar nog vergeving mogelijk is?
Misschien knikt U wel. Mijnheer Eichmann. De mensen die beroepshalve de Gruwel kleineren doen dat bepaald niet. In plaats daarvan gedragen ze zich als slimmeriken – wat in het zicht van dergelijke daden echt absoluut onvergeeflijk is – met behulp van een omkeertruc. Ze maken namelijk van de leer van de Collectieve schuld, die luidt

“Alle Duitsers zijn schuldig”
de negatieve stelling:
Geen Duitser heeft zich schuldig gemaakt”

De eerste stelling zouden wij aanhangen, maar wordt ons in werkelijkheid door hen in de mond gelegd.
Dat wil zeggen de onjuiste veralgemenisering gebruiken zij om de schuldeloosheid zelf te veralgemeniseren.
Het is maar een klein stapje van deze omkering naar de bewering dat Auschwitz helemaal niet plaats gevonden heeft, dat wil zeggen dat wij ons enkel al door het noemen (je schaamt je dat op te schrijven) aan een leugen, dus de zogenaamde Auschwitzleugen schuldig maken. Natuurlijk weet ik niet, Mijnheer Eichmann of U mee doet aan deze brutaliteit jegens de vermoorden en de paar overlevenden; deze ‘lijkenschending door het ontkennen van de lijken’ die de moordenaars en hun zonen zich veroorloven; en die ze zich daarom veroorloven kunnen omdat er zich natuurlijk geen vermoorden ooit als ‘vermoord’ gemeld hebben: ‘Wat ontbreekt blijft altijd onzichtbaar’. Zoals gezegd, mij is onbekend, Mijnheer Eichmann, omdat U de hele zaak de strot uit komt en U het woord ‘Auschwitz’ al niet meer horen kunt – of ook U die schandelijke term ‘Auschwitzleugen’ opgepikt hebt en het gedachteloos gebruikt hebt. Hier in Europa zijn er in elk geval duizenden die zat zijn van het woord ‘Auschwitz’ en het recht claimen dat ‘ons omkijken in boosheid’ nu eindelijk eens ophoudt. En onder hen die dat wensen bevinden zich ook, zoals ik U in het begin al verteld heb, intellectuelen, en geleerden: Academische historici die weliswaar het ‘bureauwerk’ van uw vader en zijn minder prominente assistenten bij de vernietiging niet helemaal ontkennen – een dergelijk blamage die internationaal verachting zou uitlokken willen de academische historici natuurlijk niet riskeren. Maar ze veranderen toch het gruwelijke dat vanaf het bureau van uw vader in beweging werd gezet of tenminste aangestuurd, in een geval als zovele. En wel daardoor dat ze steeds weer, neen principieel, wijzen op massaslachtingen van vroeger en niet alleen benadrukken dat die er altijd, zij het dan minder perfect, geweest zijn, maar ook dat de mensengeschiedenis zonder die massaslachtingen nooit onze mensengeschiedenis zou zijn geweest – een opvatting die zulke moordpartijen welhaast tot een onmisbaar bestanddeel van het verleden maakt; vooral echter dat Hitler (en dus uw vader ook) voorbeelden heeft gehad in het jongste verleden, massaslachtingen van mensen waarbij men vooral op de miljoenen doelt die onder Stalin zijn omgekomen en omgebracht. Men redeneerde dat het maar een kwestie van een paar lettertjes was of de miljoenen slachtoffers tot een bepaalde klasse behoorden, zoals in het geval van Stalin, dan wel tot een bepaald ras, zoals in het geval van Hitler. Als je al een woordspel voor een argument mag houden; het toeval dat (in het Duits, jab) ‘Masse’, ‘Klasse’ en ‘Rasse’ rijmwoorden zijn wordt hier misbruikt om de vergelijkbaarheid dan wel identiteit van twee volledig verschillende acties te stellen.

Wel, dat er in de Sovjetunie tientallen jaren een verschrikkelijke dictatuur heeft geheerst, een schrikbewind dat vooral ‘linksen’ zoals ik had moeten wegwerken, dat bestrijd ik niet. En ook niet dat je die twee dictaturen (zoals de politieke opportunisten het ons tientallen jaren voor de voeten wierpen) niet moreel op een lijn kunt zetten, hetzelfde etiket moet opplakken: ‘Totalitarisme’. Dat roept een verkeerde tegenstelling op. Dit klinkt  U, Mijnheer Eichmann, waarschijnlijk heel vreemd in de oren, niet alleen omdat het al weer lang geleden is, maar ook omdat het met de condities en ervaringen van uw leven, uw leven na de oorlog, überhaupt niets van doen schijnt te hebben. Misschien schudt U bij het lezen van deze woorden uw hoofd. Ik kan dat begrijpen, want ik weet hoe moeilijk het kan zijn voor slachtoffers van een en dezelfde wereldcrisis elkaar te begrijpen als ze uit verschillende kampen komen.

Laten we daarom naar argumenten terugkeren die U meer vertrouwd in de oren zullen klinken, hoewel het ook aantijgingen zijn die in de oren van alle mensen met open mind als pure waanzin moeten klinken. Het eerste argument is namelijk:
Hitler en de zijnen, dus ook uw vader, zouden helemaal niet vanuit zich zelf barbaars te werk zijn gegaan, zouden eigenlijk helemaal niet geageerd hebben, maar slechts gereageerd op barbarij. Zij wilden namelijk voorkomen dat de slachterij van de Bolsjewieken naar Europa zou overslaan; en ze wilden er zo dus voor zorgen dat de wereld ‘gezond’ (heil in het Duits jab) zou blijven. Hoor toch eens dat plechtige aan het Christendom ontfutselde woord, Mijnheer E. Dat woord werd verplicht en vervolgens werd het een mechanisch gesproken groet in het duizendjarig rijk van het bloedige onheil. U moet het als knaap ook wel gebruikt hebben, vermoedelijk volmaakt argeloos. De massamoordenaars in de kampen riepen het elkaar toe zonder een moment daarvan te schrikken, als ze het de slachtoffers zelfs niet bij tijd en wijle toeriepen die ze gingen vermoorden. Probeert U, alstublieft, Mijnheer E., al is het decennia te laat dat cynisme eens te voelen. ‘Barak 13 aantreden om te douchen. Heil Hitler!’ Hoort U die kreet? Dan zult U begrijpen, zoals gezegd decennia te laat (maar het is voor zoiets nooit te laat) begrijpen waarom ik na 25 jaar besloten heb U nog een keer te schrijven.

Terug naar het verband dat we even geleden afbraken: de onwaarachtige uitvluchten waarmee tegenwoordige politieke journalisten tot en met historici en politicologen de gruwelijkheden van de vaderen durven schoon te poetsen.
Die hebben dus de versie bedacht dat Hitler zijn massavernietiging van Joden eigenlijk niet opvatte als een spontane actie van hem uit en die als zodanig voltrok, maar slechts opgevat heeft – wat natuurlijk uitloopt op hem in bescherming nemen – als een reactie, puur als terugslaan, een echo-gebeuren. Inderdaad is er in de laatste twee eeuwen weinig agressie geweest die zich niet als ‘verdediging’ afficheerde. Wel, Hitler en zijn Eichmannen zijn min of meer toch nog een stap verder gegaan dan men tot nu toe dacht : die hadden zich wellicht aangepraat dat zij de (zogenaamde) eerste agressor, de eerste vernietiger moesten imiteren. Zo proberen de historici in de zogenaamde ‘Historikerstreit’8 het voor te stellen, een twee jaar geleden uitgebroken gevecht onder hedendaagse historici of je de massavernietiging in de concentratiekampen van het nationaalsocialisme moet verklaren als een uniek verschijnsel of als ‘normaal’.
Hitler en de zijnen zouden geen andere bedoeling gehad hebben dan het overslaan van de zogenaamde uitroeiing, die in de S.U. gewoed had en nog verder woedde, dus het overslaan van de bolsjewistische barbarij naar het hart van Midden-Europa te voorkomen, om die gruwel te verhinderen – mijn pen stokt deze absurde verklaring, deze aantijging neer te schrijven – alleen daarom zouden ze die gruwel begaan hebben. Dus gruwel imiteren om gruwel te voorkomen.

Mijnheer Eichmann, probeer eens een ogenblik dit argument zonder vooringenomenheid te beoordelen!
Zou hij dit ‘na-apen’ – waarbij onduidelijk blijft wat Hitler nu zo precies heeft nageaapt, want zo uiteenlopend zijn de twee ‘acties’ – zou hij en daarmee ook uw vader dit ‘na-apen’ als ‘tegengif’ hebben kunnen zien en toepassen? Zou de barbarij van hem en de Eichmannen dus misschien minder verwijtbaar zijn? Of misschien daarom zelfs wel verdienstelijk? Op zijn minst in de ogen van Hitler en uw vader omdat er andere barbaren voor hen geweest zijn? Wat een argument, mijnheer Eichmann! Om het even of het argument door Hitler of uw vader gebruikt werd of door die hedendaagse historici uitgevonden is die het proberen te ‘duiden’ dat wil zeggen af te dekken.
Zou je met dit argument niet elke misdaad zonder uitzondering kunnen rechtvaardigen? En zonder uitzondering elke misdadiger? Het is toch een vrijbrief voor iedereen en alles?
Daar komt bij dat het in het geval van Hitler en uw vader helemaal niet om echo-actie ging, om herhaling van de misdaden van anderen. Want in de S. U. van Stalin zijn wel twee miljoen mensen op de meest ellendige wijze omgekomen, ook op uiterst gruwelijk wijze omgebracht, maar net niet als programma, niet gerechtvaardigd vanuit een wereldvisie of ‘moraal’. Het klopt wel is waar dat Stalin – en dat is verschrikkelijk genoeg – jarenlang talloze slachtoffers op de koop toe heeft genomen. Toch – en dat verschil moeten we niet verdoezelen – het idee van een industriële liquidering van mensenmassa’s of beter het idee van een systematische productie van lijken zoals Hitler en uw vader realiseerden is nooit bij hem opgekomen. Zelfs onder de partijdige Duitse historici die mee discussieerden in de ‘Historikerstreit’ was er niemand die het waagde Stalin dat aan te wrijven – kortom: dat waar Hitler zogenaamd op reageerde, wat hij zogenaamd geïmiteerd had, dat heeft helemaal niet bestaan.
Is het niet erg, Mijnheer E., wat wij daar met elkaar vergelijken? Wat wij daar met elkaar vergelijken moeten? En dat we eigenlijk een van die twee verschrikkelijke zaken beter moeten vinden dan de andere, of op zijn minst minder erg? Hoewel het toch in beide gevallen om iets zo ergs gaat dat het je tegenstaat het ene tegen het andere uit te spelen.
Helaas moeten we in onze overwegingen nog een stap verder gaan. Tenslotte mogen we niet verdoezelen dat Hitler en zijn slaafse assistenten inderdaad niet als wrekers zijn opgetreden, en ze hadden het ook niet op de zogenaamde moordenaars in de Sovjet-Unie voorzien; dus het ging hun er niet om schuldigen te straffen. De mensenmassa’s die ze vernietigden hebben met de bolsjewistische misdaden niets van doen gehad. De door uw vader en de andere Eichmannbroeders in Auschwitz vernietigde mensen waren immers Joden. En wel zonder onderscheid alle die ze maar te pakken konden krijgen. De joden. Wij Joden, jawel: wij. Dat ik ook Jood ben heb ik U een kwart eeuw geleden al gezegd. Dat ze mij niet te pakken kregen is puur toeval. Ik spreek U in zekere zin aan in opdracht van hen die niet aan uw vader wisten te ontsnappen. Helaas maar ‘in zekere zin’ : doden kunnen geen opdrachten geven. Maar we moeten ook die niet gegeven opdrachten uitvoeren.

Terug naar de zaak: in de historie is er nooit een even grote afstand geweest tussen de reden voor de wraak en de werkelijke slachtoffers. Behalve misschien in sommige pogroms van vroeger. Tussen de (ware of zogenaamde) schuldigen en hen die Hitler en uw vader bijeengedreven en dan geliquideerd hebben bestond überhaupt geen enkele relatie, laat staat identiteit.
Joden dus. Maar waarschijnlijk maakte het uw vader helemaal niets uit of het nou uitgerekend wel Joden waren wier reis naar de dood hij dagelijks had uit te knobbelen als flanste hij een kruiswoordpuzzel in elkaar. Elke ander groep zou hij waarschijnlijk net zo goed gevonden hebben. Kleinzielig is hij nooit geweest : zigeuners, homo’s, niet bruikbare krijgsgevangenen heeft hij in zijn ruimdenkendheid en rechtvaardigheid even goed als brandstof geaccepteerd als ons, al waren wij zijn favoriete brandstof.
Bij die totale onverschilligheid of ‘ruimdenkendheid’ tegenover zijn ‘speelgoed’ en tegenover het eindresultaat van zijn bureauwerk wilde ik hier, net als in mijn eerste brief uitkomen. Want dat maakt zijn daden nu helemaal ‘eichmanniaans’ – tevergeefs zoek ik naar een karakterisering die toereikend is, bijvoeglijke naamwoorden als ‘vreselijk’ en ‘verschrikkelijk’ blijven hier knullig. Er is geen erger devies dan die van de zogenaamd rechtvaardige beul uit Molussië: ‘voor mij is iedereen gelijk en iedereen is evenveel gelijk’. – Dat is het levensmotto dat uw vader vanzelfsprekend gevolgd is, al zal hij dat zo zeker nooit gezegd hebben.
‘Dat is niet slechts het devies van mijn vader geweest’ zult U nu misschien tegenwerpen. Daarmee zou U niet zo heel erg ongelijk hebben. Want in feite is dat ook vandaag – ik durf niet te zeggen ‘ook vandaag nog’ want dat zou klinken als betrof het alleen maar een restant van destijds – in feite is het ook het devies van miljoenen vandaag. Zou dat niet zo zijn, dan was uw vader alleen maar een ziekelijk unicum, en als zodanig oninteressant en niet waard om als thema te dienen. Alleen omdat zijn devies geen geval op zich zelf is, spreek ik ervan. Alleen het algemeen verbreid gebruik ervan door iedereen maakt het zo noodlottig, omdat het iedereen als vanzelfsprekend voorkomt. Het was tenslotte geen gril van me toen ik 25 jaar geleden in mijn eerste brief aan U ons allen universeel als ‘Eichmannetjes’ heb aangemerkt.
Want inderdaad hebben wij allen, wat we ook uitvoeren, – dus niet de geheel onzelfstandigen die op de onderste sport van de ladder staande, niet weten (niet weten mogen, niet weten kunnen), ‘wat ze doen’ d.w.z. wat zij door hun daden uitrichten, dus ‘aandoen’ – inderdaad hebben wij allen deze ‘onverschilligheid’ met uw vader gemeen. Als het al een zin heeft – zoals het christendom dat doet waar U in tegenstelling tot mij bij hoort – ‘de’ mens als zondig te bestempelen, dan kan die zondigheid vandaag de dag slechts bestaan in de onverschillige houding tegenover het indirecte resultaat van zijn doen en laten, in dat ‘ niet weten’ dat hem zo goed past. ‘Zonde’ is nu dat je gebruik maakt van het feit dat wij blind blijven voor de uitwerkingen van ons doen en laten. Zonde is dat we ons willens en wetens daarvoor blind laten maken. En tenslotte dat wij de blindheid van anderen bevorderen dan wel verwekken; of wel dat wij die niet bestrijden. Zelfs dat is al zonde genoeg. Het feit dat niemand , geen vriend, geen vrouw (ook uw moeder wel niet) ook geen instituut, ook dat niet dat claimt over de beoordeling van goed en kwaad te gaan, uw vader die zonde voorgehouden heeft – dat feit van universele nalatigheid is natuurlijk evenzeer een zonde; neen niet ‘een zonde’ maar een compleet zondensysteem.

Nogmaals over uw vaders onverschilligheid:
Het kon hem, zoals gezegd, niets schelen wie hij ombracht, dus vergaste en in as veranderde:

Of het nu Jodinnen waren uit Nederland
of havenarbeiders uit Saloniki
of mijnwerkers uit Kattowice
of zigeunerkinderen uit Slowakije.

Dat precies uit te pluizen, dus om de slachtoffers die vermoord gingen worden verschillend te waarderen, zou hij vergeleken bij de diepe ernst en de grootsheid van het duizendjarig politieke doel dat hij ‘mocht’ mee helpen te verwerkelijken, kleinzielig en pietluttig hebben gevonden. Dat zou zijn taak zeker niet geweest zijn, als dat tot ‘zijn’ ressort had behoord. Want hij had met geen van zijn toekomstige slachtoffers, over wier lot hij beschikte, iets van doen; iedereen ging hem evenveel aan, namelijk helemaal niets; omdat hij zich de dood van geen van zijn slachtoffers voorstelde, ook al organiseerde, veroorzaakte hij die, daarom was hij in zijn werk überhaupt niet kieskeurig. En daarin bestond zijn zonde.
Zoals wellicht ook U, Mijnheer Eichmann bekend is, golden voor ons als hoogtepunten van die angsttijd van toen steeds de zogenaamde ‘selecties’ op het perron van Auschwitz-Birkenau. Daar werd men bij aankomst ingedeeld: zij die naar rechts naar onmiddellijke vergassing werden gedreven; en zij die naar links nog voor een korte tijd als bruikbaar werkvee de barakken ingejaagd werden.
Wel, uw vader, Mijnheer E., heeft nog niet eens selecties gemaakt. Zelfs dat niet. Want alle mensen waar hij vrolijk over beschikte waren voor hem in gelijke mate ‘morituri’9 En daardoor in gelijke mate beoogd lijk.
Neen, omdat hij ze verbranden liet waren ze in gelijke mate beoogde as.
Neen, omdat hij die as over de velden van Auschwitz liet verstrooien in gelijke mate beoogde bemesting.
Neen, omdat bemesting helemaal in de aarde moet verdwijnen, in gelijke mate beoogd niets.

Excuus, mijnheer E., U bent niet schuldig aan deze overdreven taal. Maar natuurlijk hij wiens ongelukkige zoon U moest zijn. Maar kunt U, als U zich mijn laatste woorden over uw vader goed indenkt, nog steeds ook maar de minste grond vinden om solidair met hem te zijn en een gevoel van piëteit voor hem op te brengen? En gelooft U dat u dat mag?
Uw vader zou natuurlijk geen enkele van deze gedachten kunnen begrijpen of mogen begrijpen. Door zijn abjecte houding – ik heb andere woorden geprobeerd maar die bleven ontroereikend – was hij er immers toe gedwongen, was het op zijn minst voor hem uiterst praktisch hen die hij liet ombrengen (want dat laten is immers evenzeer een ‘daad’) als schuldigen te beschouwen, tot schuldigen te maken. In de logica van de abjectie geldt elke misdaad van je zelf als ‘bestraffing’. En die bestraffing geldt op haar beurt weer fundamenteel als het bewijs van schuld, als bewijs voor de schuld van de ‘bestrafte’.
Ook daarom stelde uw vader zijn slachtoffers (dus vooral ons Joden) waar hij ons maar kon (laten) opspeuren en bijeen jagen gelijk aan de ‘bolsjewistische moordenaars’: om zogenaamd die te treffen door ons te slaan. Daar hadden we het al over. En omdat hij niet bang was voor een inconsequentie (onnodig: omdat inconsequenties demagogen en hun publiek nog nooit hebben gestoord) ging hij zelfs zo ver voor ‘de Joden’ een uitzondering te maken en hen tegelijkertijd op een lijn te zetten met ‘de kapitalisten’, waarmee hij het Duitse proletariaat kon paaien.
In elke Jood zagen Hitler en uw vader dus behalve een ‘met bloed besmeurde Bolsjewiek’, altijd ook een, natuurlijk woekerende en ‘het Duitse volk uitzuigende internationale bankier’, dus een mix van Marx en Rothschild.
Wij Joden speelden dus voor uw vader die dubbelrol (voor zover hij overbelast door de dagelijks vervulling van zijn vernietigingsplicht überhaupt de tijd kon nemen zich een beeld te vormen van het quantum lijken dat hij dagelijks moest leveren). Misschien denkt U na deze woorden: hij was niet zozeer volmaakt slecht als wel volslagen onnadenkend. Maar de erkenning van die onnadenkendheid zou geen absolutie zijn voor deze misdaad, integendeel, de slechtheid bestaat juist in deze onnadenkendheid.
Hoe dan ook, vindt U, Mijnheer Eichmann, dat men ongestraft, of laten we zeggen ‘onbeschadigd’ door kan gaan solidair te zijn met een man die een dergelijk beroep onnadenkend dag aan dag uitoefende en zich zelf niet eenmaal tot de orde heeft geroepen?
Och, dat ik toch een keer een gefluisterd neen uit uw mond zou mogen horen!

Voor ik U tot wie ik wellicht helemaal niet door heb kunnen dringen voorgoed verlaat – de korte tijd die ik als oude man misschien nog heb mag ik niet uitsluitend aan het voorbije Auschwitz wijden, maar die moet ik des temeer gebruiken om te helpen bij het voorkomen van een toekomstig Auschwitz – dus voor ik afscheid van U neem, nog een paar laatste woorden over uw leeftijdsgenoten hier in Oostenrijk en Duitsland, die vandaag de ongehoordheid en uitzonderlijkheid van de miljoenenmoord wegpoetsen, zelfs bestrijden om daarmee te verhinderen dat er in hun nationale verleden waar ze zich volledig mee willen kunnen identificeren een reusachtig gat gaapt waar ze vrezen in te vallen als ze proberen het met herinneren en vertellen als elke periode af te bakenen.
Wel, U hebt onder uw tijdgenoten hier tegenwoordig een paar piekfijne, zelfs professorale bondgenoten die iets met u delen, of u iets met hen. Want als die in een sinds een paar jaar op en neer gaande ‘Historikerstreit’ steeds weer beweren dat er uiteindelijk ook vroeger soms, neen vermoedelijk al altijd volkeren moorden zijn gepleegd, zij het dan technisch minder gelikt, dan loochenen ze daarmee natuurlijk zij het niet zo plompverloren als de liefhebbers van de ‘Auschwitzleugen’, dat wat zich afgespeeld heeft in de vernietigingskampen onder bureaucratische regie van uw vader. Mooie bondgenoten hebt U aan deze academici!
Tenslotte zou ik U nog de wijsheid willen meegeven waarmee zij die denken anderen of zichzelf daarmee te kunnen rechtvaardigen verklaren; ‘ Als ik het niet doe, dan doet een ander het wel. Dan is het resultaat hetzelfde dus waarom dan ik niet‘ – een argument dat gebruikelijk is onder alle lichtzinnigen zoals bedrijven en ministers die wapenexporten bevorderen.
Ik vraag U, mijnheer E., : heeft iemand het recht zijn handen te bezoedelen (en ze in onschuld te wassen) omdat als hij dat naliet toch andere handen bezoedeld zouden worden? Omdat dus het zelf schoon blijven nog afgezien van het verlies dat je riskeert, ‘nutteloos’ zou blijven? Is de waarschijnlijkheid of het feit van andermans vuile handen de rechtvaardiging voor die van je zelf? Word je beter van het feit dat die anderen ook niet beter zijn?
Of heeft men omgekeerd, hebben wij niet de plicht om te proberen te voorkomen dat de handen van anderen zich vuil maken?
Dat slaat dus op uw beoordeling van uw vader. U mag hem nooit dekken met de woorden:

‘als hij het niet had gedaan, dan hadden wel duizend anderen het gedaan. Waarom zou hij het dan onder die omstandigheden niet moeten doen? En waarom zou hij dan onder deze omstandigheden nog verafschuwd moeten blijven?’
Het argument dat de schurkenstreek van uw vader door de waarschijnlijke schurkenstreken van anderen vergeven zou kunnen worden of zelfs ongeldig gemaakt zou kunnen worden is zelf al een smeerlapperij.

Dat was het dan voor vandaag. En wel definitief.
Met de nu voor het laatst herhaalde verzekering dat ik U niet voor schuldig houd omdat U als de zoon van uw vader ter wereld bent gekomen, en dat ik U alleen dan voor schuldig houd als U zoon van uw vader zou blijven op grond van wat U voor piëteit houdt, maar in feite luiheid van nadenken is. Ik wens U alle goeds toe, G.A.

P.S. Het is treurig, maar ontrouw kan een deugd zijn.

(De tekst van Günther Anders die ik vertaal is te vinden in ‘ Wir Eichmannsöhne, Offener Brief an Klaus Eichmann ‘ München, uitg. C.H.Beck 3. Auflage 2002 Originalausgabe. Cursiveringen zijn van Anders zelf. Wij, Eichmannetjes klinkt wat koddiger in het Nederlands, dan ‘wij van Eichmann’, en ‘Wij zonen van Eichmann’ is te houterig, denk ik.. Het gaat in elk geval om een zekere identificatie van onszelf met Eichmann. Ik wed dat het destijds in politiek correct en niet zo correct Duitsland als een provocatie, een belediging heeft geklonken. Lees de verrassende ontknoping! (jab)

Inleiding en commentaar vindt U ook op mijn site.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s